229. Toiletontmoeting

Een oud-leerling nodigt mij uit voor een gul diner in een populair Delfts eet-café bij de Oude Kerk.
Onderwerp:
Vriendin wel of niet, doorgaan of stoppen, andere baan of niet, verhuizen ja of nee?
De normale, onvermijdelijke vragen van een dertiger die voor een dertiger niet aanvoelen als normaal. Wel als onvermijdelijk.
Tegelijkertijd zie ik vanuit een subtiele ooghoek jonge minirokjes, netkousen, hoge hakken en rode lippenstiften voorbij zwoelen richting studentikoze, luidruchtige ruimte op het podium achter onze dinertafel.
In ons vertrouwelijke gesprek stel ik me open, luister ik betrokken, leef me in, stel vragen, en voel. Terwijl de warme luidruchtigheid om ons heen toeneemt.
Na het voorgerecht verexcuseer ik mij en spoed mij richting toilet.
Naast mij plassend een jongen, naar schatting 22 jaar, in djellabah of damesjurk.
Ik merk hem wankelen, wiebelen en poging tot recht richten. Enigszins hulpeloos en tevens jolig wendt hij zijn gezicht naar mij en zegt schor :

‘We hebben een datingavond.’

Ik: ‘Gezellig.’

Hij: Ja, zeker gezellig, maar ik speel op safe. Ik heb een safe – dating – avond met mijn vaste vriendin die in Delft studeert. Ikzelf studeer geschiedenis in Utrecht.’

Ik kijk hem aan en zie zijn argeloze, open, doordrenkte jongensgezicht.
Ter plekke kruipt de dood in mijn lichaam.
Hij student, 22 jaar, jong, knap, date met mooi meisje, feesten, dronken, weekend, onbezonnen.
Ik 66 en dit alles niet.
Sterven is de enige mogelijkheid die zich in dit moment aandient, dus sterf ik.
Zoals altijd.
Het is mijn enige redding.

En vraag ik inlevend: ‘Wat is de kern van geschiedenis volgens jou?’

Hij: ‘Mag ik die vraag wat filosofisch beantwoorden?’

Ik smelt.

En hoor mezelf zeggen: ‘Graag’.

Hij (22): ‘Emmanuel Kant stelt zichzelf allereerst drie vragen.’

‘Welke vragen zijn dat?’

‘Dat weet ik niet meer.’

Ik houd mijn lachen onder het plassen nog net in, waardoor het plassen zwaar bemoeilijkt wordt. Lachen en plassen gaan al lastig samen, wist ik, maar vrij plassen en inhouden van lachen is volstrekt onmogelijk.
Besef ik nu.

De jongen vervolgt opgelucht:

‘Maar ik weet wel wat Kant hierna vraagt!’

‘Geweldig! Welke vraag is dat?’

De 22 jaren zijn inmiddels klaar met plassen. Hij staat nu midden in de toiletruimte en spreidt zijn armen van onder zijn damesdjellabah als een Messias wijd uit, terwijl andere studenten het toilet wankelend betreden in al evenzeer verwarrende kleding en hem nóg verwarrender aanstaren.

Dan galmt Hij plechtig :

‘Was ist der Mensch?!’

‘Wat betekent dat?’

‘Dat betekent: Wat is de mens?’

‘Ah, dat is een diepe vraag! Weet je het antwoord al? ‘

‘Ik heb geen idee, maar ik ben zoekende.’

Ik hoor hem, kijk hem aan, zie hem, voel hem, waardoor mijn verdwijning volledig bezit van me neemt.
Ik wórd hem.
Ik bén hem.

Mijn gedachte zegt: ‘Ik wou dat ik jou was.’

Dan keer ik terug.

En zegt mijn gedachte: ‘Wat ben ik blij dat ik jou niet ben.’

Maar even, heel even, was ik hém, en was ik niet ik, en was ik degene die ik ooit was, toen ik hém was, toen ik alleen was, verdorven was, lelijk was, verloren was, verdwenen was, eenzaam was, en het niet waard was om door deze wereld bemind te worden. Omdat ik hém was, omdat ik dood was. Zoals iedereen was.
Iedereen is.
Altijd is.

Terwijl dit alles in een flits gebeurt, zoals altijd gebeurt, iedere dag gebeurt, legt de student een hand op mijn schouder en spreekt plechtig en doordrankt:

‘Kan ik u straks spreken?
Over de Mens?
Ik denk dat u mij begrijpt.’

‘Natuurlijk, geacht medemens, maar ik ben nog in gesprek, dus het kan even duren.’

‘Geen probleem, meneer, neem uw tijd, tot straks! ‘

Hij geeft me een ietwat wankele high five, struikelt over zijn Suikerfeestdatingjurk, en wurmt zich uit de toiletruimte, richting zijn safe – date.
Ik keer terug naar onze dinertafel waar mijn dertigende tafelgenoot meewarig om zich heen zit te kijken en hoofdschuddend zegt:

‘Zo was ik vroeger ook. Ik kan het me bijna niet meer voorstellen.’

Ik knik.

En ik besef
Meer dan ooit.
Dat ik niemand ben.
Dat iedereen altijd hier is.
Dat het leven oneindig is.

En dat niets ontbreekt.

Plaats een reactie