DAG 1
Ik stap in de lift waar een zwart gekrulde jongen van 13 jaar met licht getinte huid tegen de achterwand staat. Ik zie hem wel eens buiten met vriendjes, op straat, in het park, op het veldje.
Hij loopt altijd iets achteraan, is iets dikker, iets kleiner, iets trager.
Ik groet hem, maar hij zegt niets terug. Als ik naar hem kijk, slaat hij zijn ogen neer.
Nieuwe poging: ‘Was je op bezoek?’
Zachte stem: ‘Nee, ik moest wat bezorgen.’
We stappen uit in de hal. Als ik naar het fietsenhok wil lopen, zie ik vanuit mijn ooghoek dat hij blijft staan. Ik stop en draai me naar hem toe. Hij kijkt me aan en zegt :
‘Ik zeg vaak niks, omdat ik verlegen ben bij oudere mensen en bij vreemden. Ook als mijn ooms wat tegen me zeggen, durf ik niets terug te zeggen.’
Terwijl al mijn hartspieren zich openen om zijn trillende woorden te ontvangen, vraag ik:
‘Waar ben je bang voor?’
‘Dat ik iets fouts zeg.’
‘Wat voor fouts zou je kunnen zeggen dan?’
‘Ik weet niet.’
‘Ik vind dat je nu alleen maar hele goeie en eerlijke dingen zegt, terwijl je net nog bang was iets fouts te zeggen.’
‘Dank u.’
‘Weet je wat interessant is? Dat je verlegenheid zegt dat je iets fout gaat zeggen, terwijl je juist iets goeds zegt. Grappig, hè?’
Hij kijkt me verbaasd aan.
‘Ja, inderdaad.’
‘Wat had je net in de lift eigenlijk tegen me willen zeggen?’
‘Nou gewoon, Hallo.’
Hij denkt even na.
‘En ik had willen glimlachen naar u.’
Hij kijkt me open aan, zijn blik is helder.
Nu voel ik zijn aanwezigheid.
Ik vraag vriendelijk glimlachend : ‘Is er iets fout aan glimlachend Hallo zeggen?’
‘Nee. Toch? ‘
‘Juist. Wat je zegt is helemaal mooi en goed. Je maakt me blij.’
Even aarzel ik. Hierbij laten of meer zeggen? Hij heeft goud aan me gegeven.
‘Geef hem nog meer goud terug’ , fluistert de korte, sterke flits in mijn hoofd.
Ik kan niet meer terug, ik moet.
‘Ik wil je graag nóg iets zeggen.’
Hij knikt nieuwsgierig. Verlangend.
‘Ik wil dat je het volgende onthoudt voor de rest van je leven:
Je bent altijd groter en sterker dan je angst en je verlegenheid. Je kunt je angst dus altijd overwinnen en zeggen en doen wat jij wilt.’
Grote, wijd open verbazing.
‘Echt? Maar anderen vinden dat misschien niet leuk.’
‘Dat mogen ze vinden, maar alleen JIJ bepaalt wat JIJ vindt, wat JIJ zegt, wat JIJ doet, niet de ander.’
‘Echt?’
‘Ja, honderd procent echt. Jij kunt dit zelf bepalen. Ieder moment. Je moet het alleen oefenen, zodat je er goed in wordt. En jij gaat dit doen, vanaf Nu.’
Hij kijkt eerst wat ongelovig, daarna opgelucht, en dan schiet hij in de lach.
‘Wat mooi!’
Ik lach mee en vraag: ‘Wanneer komt je oom? ‘
‘Vanmiddag.’
‘Dan is vanmiddag je eerste oefening. Een goed begin, met je oom. En als je het eng vindt, weet dan dat ik op dat moment naast je sta. Altijd als je me nodig hebt.’
Blij verrast roept hij luid en spontaan : ‘Woow, wat mooi!’
Ik: ‘Waar is Nu je verlegenheid?’
Verbaasde 13-jarige blik.
‘Weg!’
‘En waar ben JIJ nu?’
Hij zoekt even om zich heen.
Dan ziet hij zijn ontdekking. En zichzelf.
En ik zijn fonkelende, zwarte ogen.
Die recht door alles heen branden, terwijl zijn oude verlegenheid bang om hem heen trilt.
DAG 2
Een oude vrouw met een opvallend levendig gelaat stapt in. Aan haar gerimpelde hand een lege open tas op wieltjes.
Ik: ‘Zo, tijd voor de boodschappen?’
Zij ‘Ja. Ik heb er weer zó’n zin in!’
Ik: ‘Oh ja? Zin in boodschappen doen, dat hoor je niet vaak.’
Zij: ‘Het is het leukste wat er is. Bijvoorbeeld zo’n potje pakken, of fruit afwegen, of afrekenen. Héérlijk!’
Ik: ‘Dus u houdt van betalen?’
Zij: ‘Ja, ik geniet daarvan. Ik besef dan altijd weer dat ik het kán betalen. Er zijn tijden geweest dat ik niets kon betalen. Helemaal niets. Jarenlang. En iedere keer als ik bij de kassa sta en ik reken af, word ik zó blij.’
Ze straalt.
Dan stappen we uit en slaat zij af, richting supermarkt.
Ik kijk haar na.
Haar tred is niet oud, niet jong, niet stram, niet soepel.
Haar tred is tijdloos.
En onvernietigbaar.