Zittend op het oude bankje in het zachte gras
had ik het de blinde jongen beloofd.
Ik zou hem alles vertellen.
Dus wachtte hij toen ik vertrok.
Jarenlang zwierf ik door de wereld.
Zag, voelde,
sprak, luisterde,
stierf zeven keer, liep door, werd herboren,
zat gevangen, werd bevrijd,
verdwaalde, vond nieuwe paden.
Werd stiller.
Stil.
Zweeg.
Zo keerde ik terug naar de plek
die ik nooit had verlaten
waar de blinde jongen zat
die mijn hand vastgreep
die hij nooit had losgelaten.
Hij zei me:
‘Je bent teruggekomen.’
Ik zei hem:
‘Ja, dat had ik je beloofd.’
Hij zei me:
‘Je zou me alles vertellen.’
Ik zei hem:
‘Ja, ik zou je alles vertellen.’
Hij vroeg me:
‘Hoe ziet de zon eruit? ‘
En ik beschreef de zon voor hem.
Hij vroeg me:
‘Hoe ziet de zee eruit?’
En ik beschreef de zee voor hem.
Hij vroeg me:
‘Hoe zien de bergen eruit?’
En ik beschreef de bergen voor hem.
Hij vroeg me:
‘Hoe zien de oerwouden eruit?’
En ik beschreef de oerwouden voor hem.
Toen haalde hij diep adem
pakte mijn beide handen teder in de zijne
en vroeg me:
‘Hoe ziet de wereld eruit?’
En terwijl ik stil huilde,
vond ik voor hem een wereld uit.
Alleen voor hem.