Samen staan ze voor de vergrendelde deur.
Angst en Liefde.
Angst schreeuwt: ‘IK ga eerst!’
Hij duwt alles aan de kant,
staat breeduit voor de deur
en schreeuwt: ‘IK wil erin!’
Hij beukt op de deur, verwondt zijn hand.
Trapt tegen de deur, blesseert zijn been.
Slaat tegen de deur, pijnigt zijn hoofd.
Gooit zijn hele lijf tegen de deur, valt ter aarde.
Kermend.
En bloedt.
Gewond en kruipend door het stof
heft hij uitgeput zijn hand op
en kreunt: ‘Genoeg, het is genoeg.’
Op dat moment opent de deur zichzelf.
Liefde reikt hem de hand en zegt:
‘Zullen we dan maar?’
Angst fluistert:
‘Gaat u maar. Gaat u maar helemaal alleen.’
De deur verdwijnt als Liefde door de deur stapt en uit het zicht verdwijnt.
Waarop Angst zó bang wordt dat hij krimpend terug kruipt
naar de plek waar het ooit begonnen was.
Naar de plek waar hij voor het eerst had geroepen: ‘IK zal die deur openbreken!’
En waar hij bulderend applaus kreeg van de massa
die hem schreeuwend steunde.