We schrijven de jaren ’90 van de twintigste eeuw, Rijswijk.
In de immer levendige 2-Havo klas zit hij zeer aanwezig vooraan in de middelste rij:
Yunus Cörüt.
Ieder puberlichaam, iedere gezichtsuitdrukking, ieder puberaal woord is een richtingaanwijzer naar wat de jongere eigenlijk wil zeggen.
Aan mij als leraar en mentor de taak dit levende puberhiërogliefenschrift van verbaal en non-verbaal gedrag te ontcijferen, terwijl ik tegelijkertijd net moet doen alsof de Franse taal en grammatica het belangrijkste onderwerp ter wereld is, want ja, die kinderen moeten ook nog eens overgaan en doorgaan in een systeem dat niet in de eerste plaats op het kind is gericht, maar wél op cijfers en resultaten.
Les geven aan pubers is koorddansen tussen de hemel en de afgrond van je eigen leven en dat van de ander.
Les krijgen ook.
10.30 uur, eerste pauze.
Vanuit het raam van mijn Franse lokaal 34 op de derde verdieping heb ik een mooi uitzicht op het schoolplein. Ik zie wat pubers altijd doen : in groepjes bij elkaar kruipen, veiligheid en plezier zoeken, je aanpassen en toch proberen jezelf te zijn, terwijl je geen idee hebt wie je nou echt bent, wat je voelt en wat je wilt.
Yunus doet het anders.
Hij loopt in z’n eentje heen en weer langs de fietsenstalling, iets voorover gebogen, met z’n handen op z’n rug. De volgende dagen hetzelfde patroon.
Wanneer het mijn surveillancebeurt op het schoolplein is, zie ik hem weer zijn individuele ritueel uitvoeren. Ik ga naast hem lopen, buig ook iets voorover, doe ook mijn handen op mijn rug, en zo lopen we zwijgend heen en weer in dezelfde houding.
Tot er woorden komen.
Gevoel en verhalen.
Gezien willen worden.
Eindelijk.
Na zijn eindexamen verliezen we elkaar uit het oog en gaat hij zijn lange, grillige weg van vallen en opstaan waar ik niet bij ben en niets van weet. Zoals dat gaat met leerlingen die wegvliegen naar zichzelf.
Dertig jaar later. 2024.
Ik zie iemand staan op een bruggetje op Hodenpijl en we kijken elkaar iets langer aan. Zoekende blikken. Herkenning. Hij stapt op me af:
‘Dag, meneer Stammes.’
‘Ah, ben jij het. Dag, Yunus.’
In de maanden die volgen hebben we enkele lange gesprekken en vertelt hij me bovengenoemd middelbare school verhaal, hoe hij dit als leerling heeft beleefd en wat het voor hem betekende en betekent. Hij nodigt me uit een les bij hem te volgen in, wat hij noemt, zijn werkplaats.
Hij is mentor van een tweede klas en geeft Mindfulness op een middelbare praktijkschool in Rijswijk, op een steenworp afstand van waar ik hem dertig jaar geleden in mijn klas had en langs de fietsenstalling zag lopen.
Deze zin zeg ik nu heel makkelijk : Mindfulness geven op een middelbare praktijkschool.
Weet iemand hoe ontzettend moeilijk dit is?
Hoe nauw dit luistert?
Hoeveel moed en kunde je nodig hebt om dit te kunnen en durven doen?
Echt contact maken, leren voelen, bewust ademen, kwetsbaar zijn, afstand en nabijheid, je persoonlijke grenzen verkennen, stiltes laten vallen, spanning mogen voelen in een puberlijf dat volop aan het groeien is en vol emoties en verwarring zit.
Hoe begeleid je dit op kundige wijze aan leerlingen van 13, 14 jaar jong die van de zenuwen de slappe lach krijgen en toch meedoen?
Ik had ruim anderhalf uur de tijd om dit kwetsbare, bewustmakende, gevoelige, contactgerichte schouwspel voor mijn ogen te zien afspelen en op me te laten inwerken.
Hoe mijn oud-leerling (die door zijn leerlingen heel respectvol meester Yunus wordt genoemd) dit delicate koorddansen als een groots evenwichtskunstenaar vol liefde, respect en vakkundigheid uitvoerde.
Ik zag geen les hier.
Ik zag een kunstwerk van lieve warmte, voelbare betrokkenheid en écht contact
Meester Yunus ziet zijn leerlingen.
En zij zien hem.
Hij ziet en wordt gezien.
De cirkel is rond.
Nadat iedere leerling op zijn eigen zelfgekozen wijze met een ‘hug’, een boks, een aanraking, een blik of een groet, afscheid genomen heeft van de meester, nodigt Yunus me uit even een wandeling te maken en frisse lucht te happen. Hij is moe. Het was intens.
Tijdens onze wandeling lopen we langs de fietsenstalling, ik pak hem vast, we kijken elkaar in de ogen, en ik zeg:
‘GE-WEL-DIG! Ik wou dat ik vroeger zo’n leraar als jij had gehad.’
Ontroerde parels vullen onze ogen
En zeggen :
Het is gezien.
Het is niet onopgemerkt gebleven.
Hij.
Meester Yunus.