334. Mocrootjes

Op het pleintje voor de entree van winkelcentrum de Hoven in Delft staat overdag een kleine mobiele Vietnamese snackkar. Iedere keer als ik daar kom en de Vietnamese vrouw €2,- cash overhandig voor mijn broodje kipburger met currysaus en uitjes roept ze blij: ‘Wat lief van u!’
Kijk, dat bedoel ik.
Je geeft een vrouw twee euri en ze houdt van je. Hoe simpel kan het leven zijn.
Komen op het toneel :
Twee mocrootjes van 14 jaar. Een dikke op een fatbike en een dunne lopend met petje op.
Schattig, onbeholpen en onbetrouwbaar.
De ingewikkelde pubermix van vaderloze jochies. Het klassieke drama van Marokkaanse jongens. En vele anderen.
Hun non-verbale gedrag laat zien dat ze mijn fiets met boodschappentas opgemerkt hebben en dus moet mijn aandacht worden afgeleid. Ze zijn duidelijk beginners en gedragen zich aldus.
Als ze bij elkaar staan, fluistert het petje de dikke wat in het oor.
Ik loop naar ze toe en glimlachend vraag ik:
‘Zo jongens, jullie hebben een goed gesprek met elkaar?’
Zoals gewoonlijk komt dan altijd die ene zin naar buiten: ‘Ga na hem toe dan, ga na hem.’
Het petje verwijst naar de dikke.
Die vervolgens wegrijdt.
Echte vrienden.
De lieve Vietnamese roept mij en overhandigt me vrolijk lachend de kipburger. Ik stap op mijn fiets, kijk in de ogen van het eenzame achtergebleven mocrootje, en zeg: ‘Dag jongen, laat je niet gek maken, hè.’
Schichtig kijkt hij opzij waar zijn vriend niet is.
Zijn lichaam is het verdriet van de vaderloosheid, de woede van de wraak, en de schreeuw om hulp die hij niet durft te uiten.
Want tussen haat en liefde ligt slechts één millimeter.
En zelfs dat niet.

Plaats een reactie