Iedere dag maakt de stokoude man een wandelingetje door zijn wijk en rust dan halverwege even uit op zijn vaste bankje dat leeg op hem wacht.
Ik ken hem.
Van dit bankje.
Alles bij hem gaat traag.
Wat me opvalt: hij geniet hier duidelijk van.
Met mijn zojuist bij de Vietnamese kraam aangeschafte broodje kroket ga ik naast hem zitten.
Hij zegt: ‘Zo, ook effe uitrusten? Ik zag je snel fietsen. Was dat nodig?’
‘Nou, eigenlijk niet, maar ja.’
(ik vond mijn antwoord niet heel sterk).
Hij: ‘Mensen denken dat alles sneller gaat. Maar alles gaat alleen sneller wanneer je sneller gaat denken. Het is het denken dat ons doet stressen. Niet de gebeurtenissen in de buitenwereld. Die noemen we druk, omdat onze hersens zich druk maken. Wij creëren onze omstandigheden met ons denken. Niet andersom. We doen het onszelf allemaal aan. In ons hoofd.
Ik knik bedachtzaam en laat zijn woorden op me inwerken. Het is alsof ik naar de relativiteitstheorie van Einstein ‘himself’ luister, maar nu op menselijk en begrijpelijk niveau.
We zwijgen enkele minuten totdat er alleen nog maar twee ademhalingen overblijven die zich vermengen tot één.
Hij fluistert : ‘Lekker, hè, niets. Raar dat mensen zo bang zijn van niets.’
Ik beaam zwijgend.
Voordat hij opstaat en zonder dat ik iets vraag, zegt hij:
‘Weet je wat het is met leven? Je leven is een verhaal. Hou van dit verhaal. Zonder oordeel. Dan is geluk heel gewoon.’
Traag, heel traag komt hij overeind.
Hij knikt me ten afscheid.
In zijn ogen straalt de tropische zomerzon dwars door de Delftse decemberkou heen.
En ik denk:
‘Ouder zijn. We zouden het bij geboorte al moeten leren.’