Fietsend door het ruime weilandse Westland zie ik twee agenten spiedend kijken naar de achterkant van een bord.
Uit interesse stop ik mijn stalen ros en stel de vraag:
‘Ik ben toch wel benieuwd wat twee politieagenten hier in dit volstrekt lege platteland aan het doen zijn.’
‘Nou meneer, wij zijn een melding aan het inspecteren en verder kunnen we hier geen mededelingen over doen.’
‘Aha, zit dat zo. Leer je deze vage zinnen, waarbij je de indruk wekt iets van informatie te geven, maar in wezen niets zegt, op de politieacademie?’
‘Nee, die leren we vooral in de praktijk.’
We schieten alledrie in de lach.
Ik vraag: ‘Wat is het belangrijkste dat je moet kunnen als politieman?’
‘Praten en luisteren’, zegt hij gedecideerd.
Ik kijk naar de handboeien en de revolver aan de riem van zijn uniform, wijs erop, en vraag :
‘Zodat je die dingen niet hoeft te gebruiken?’
‘Inderdaad.’
Ik: ‘En zelfbeheersing?’
‘Dat leer je pas nadat je jezelf niet hebt beheerst’, zegt hij met een knipoog.
‘Wauw! Wat een filosofische politieagent ben jij.’
‘Ook dat leer je vanzelf in de praktijk, meneer.’
‘Haha. Dank voor deze wijze levenslessen, heren, veel plezier met jullie werk.’
‘Dank u wel, meneer, en fijne dag.’
Nu weet ik hoe mijn leven verder moet: Filosofisch politieagent!
Natuurlijk!
Gaat ‘m helemaal worden dit jaar!
Op het ruime, lege platteland.