191. Ontmoeting 39. Café biljart in Oudesluis

‘Café biljart’.
Altijd als ik dit lied van Toon Hermans hoor, ben ik 6 jaar en in het café van mijn opa en oma Kossen in Oudesluis waar mijn vader en ome Arie met en tegen elkaar spelen
als beste biljarters uit de streek.

30 jaar later
is de wereld groter

is Oudesluis ver weg
en speel ik voor het Nederlands kampioenschap biljarten
voor camera’s, publieke tribunes en Raymond Ceulemans.

Terwijl ik na afloop het erepodium betreed
zie ik mijn vader en ome Arie
vanuit Oudesluis
met hun sterke armen
mij het podium optillen.

En hoor ik een ander lied
dan het Wilhelmus
Het lied dat zingt van een dorp, familie en warmte.
Van veiligheid, bewondering 
en de pinda automaat
op het tafeltje met het bruine kleedje
naast het biljart in het café van opa en oma.

En nog steeds
60 jaar later 
als ik een café met biljart zie
hoor ik het lied 
zie ik het spel
en ruik ik de pinda’s.

En weet ik
wéét ik 
dat alles in mij doorleeft
dat tijd niet bestaat
en 
dat er iets is
zóó klein

zóó ontzagwekkend klein
dat niet verandert.

Dat nooit sterft.

190. Ontmoeting 38. In het café

We zitten in een knus tederbruin café in de binnenstad aan de hete chocomel.
Ik mét slagroom, zij zónder.
Ze is, behalve vrouw, ook nog gedisciplineerd.

‘Hoe gaat het met je?’ vraag ik.
‘Alles,’ zegt ze.
‘En jij?’
‘Niks,’ zeg ik.
‘Oh, dat is mooi’, zegt ze, schietend in de lach, ‘da’s eigenlijk hetzelfde, hè.’

Ze is zo’n vrouw die alles meteen snapt. Dat vind ik lekker, bij de warme chocomel. We nemen nog een slok. Dan kijkt ze aandachtig om zich heen. Ze is ook nog zo’n vrouw die altijd eerst haar omgeving nauwkeurig observeert voordat ze die omgeving kan vergeten.
En zich veilig kan voelen.

‘Weet je, ik groeide op in een dorp waarin de een gelukkig was en de ander niet. In die wereld leerde ik dat als je gelukkig was dat je niet verdrietig kon zijn of pijn kon lijden.
Je was óf het een óf het ander.’
Ik: ‘Klinkt gezellig. Dus het waren allemaal aparte vakjes waarin de emoties gestopt waren? En de mensen zaten dus ook ieder apart in hun vaste hokjes?’
‘Precies’, zegt ze, ‘dus iemand die verdriet of pijn had, kon niet gelukkig zijn, en iemand die rouwde, kon niet blij zijn. Dus gingen mensen zich zo gedragen en werden het meer vaste herkenbare types dan mensen. De een was meestal chagrijnig, de ander optimistisch, weer een ander was vaak heel nuchter, en er was een klager die nooit iets anders deed dan klagen. Je wist dus bij iedereen wel precies waar je aan toe was. Voorspelbaarheid troef.’
Ik: ‘Nou ja, voorspelbaar, het klinkt eerder nogal gewelddadig.’
Zij: ‘Dat geweld, zoals jij het noemt, dat vond men compleet normaal. En normaal, dáár ging het om. Dus zelfs als ‘normaal’ betekende dat het emotioneel gewelddadig was.’
‘Hoe leefde je daarmee?’ vraag ik.
‘Niet,’ antwoordt ze, ‘ik was halfdood, maar dat viel niemand op.’
Ik: ‘Misschien was iedereen wel halfdood, maar aangezien halfdood en halflevend bij jullie als normaal leven werden gezien, werd dat dus goedgekeurd.’

Ze knikt, neemt de laatste minder warme slok en denkt na. Ze lijkt even weg te zijn, even helemaal in zichzelf, en komt dan terug.

‘Ik voel me tegenwoordig altijd alles. Er is nooit een emotie die er niet is. Als ik blij ben zit er middenin mijn blijdschap verdriet, en ook pijn. Het ligt vlak naast elkaar of nog preciezer: alle emoties zitten in elkaar verweven. Herken je dat?’
‘Jazeker, en ik heb ooit ontdekt waar de kern van die emoties in mijn lichaam zit. Ongeveer een decimeter onder mijn navel. Dáár begint mijn huilen en lachen. Trouwens, ook plassen en klaarkomen beginnen daar. Het is één plek waar echt alles zit en waar alles uitstroomt.’
‘Juist,’ zegt ze, ‘dit bedoel ik. Wat fijn dat een man dit snapt. Het is wonderlijk dat die ene plek alles bevat, terwijl de uitingen van die plek zo verschillend zijn.’
Ik: ‘Ja, eigenlijk is er innerlijk geen verschil tussen huilen, lachen en klaarkomen, maar gelukkig uiterlijk wel. Anders zou het een verwarrend zooitje worden om ons heen, nietwaar?’

Ze lacht nu zó hard dat een paar klanten verstoord opkijken.

Nog nahikkend buigt ze zich voorover, alsof ze een geheim wil delen, en fluistert me toe: ‘Zou verstoord kijken ook in die plek zitten?’
Ik: ‘Volgens mij kwamen ze net klaar, maar hadden ze het niet door.’

Dan stikt ze.

En nog nooit heb ik een vrouw zó levend en zó hard zien huilen van de lach.

Wát een plek!
En wát een knus café
!

189. Ontmoeting 37. Ontmoeting met een geveltekst

Op een huizenrij in Berkel staat de tekst:
‘In alle gewesten
worden de wateren
met hun eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.’

Hoe zou dat gegaan zijn?
In de Vereniging van Eigenaren.

Vergadering VVE, aanvang 20.00 uur, café Berkel.
Agendapunt 4a: Het in stemming brengen van de geveltekst.
Voorstel 1:
‘Oost West thuis best.’
Afkeurend gemompel.
Voorstel 2:
‘Na regen komt zonneschijn.’
Boe-geroep
Voorstel 3:
‘Wie goed doet goed ontmoet.’
Schril gefluit, lampen sneuvelen, een lid verlaat de zaal.
Voorstel 4:
‘In alle gewesten worden de wateren met hun eeuwige rampen gevreesd en gehoord.’

Oorverdovend gejuich! Roffelen op tafels! Huilende mannen vallen elkaar in de armen! Champagne op tafels! Feesten tot in de vroege ochtend met trompettende polonaises tot in het stadhuis!

Aldus de notulen.

Ja,
ik denk dat het zó gegaan moet zijn.

In het ooit zo rustige nuchtere Berkel.

188. Ontmoeting 36. Ontmoeting met het verleden

Mijn tijdloze hart stelde mij de vraag.
Welke overledene zou je willen spreken in levende lijve?

Deze man.

Ik vroeg hem:
Hoe was het om jou te zijn?
Wie was je van binnen terwijl iedereen buiten álles van je verwachtte?
Wat voor land wilde je dat dit land zou zijn?
Hoe was het om leider te zijn van een klein landje in oorlog tegen een wereldrijk
zó groot dat de zon er nooit onderging?
Heb je gelachen? Met wie?
En
wat dacht je en voelde je vlak voordat dat klievende zwaard op het Binnenhof
je hoofd scheidde van je lichaam?

En nog zó veel meer vragen.
Zoals:
Wat zou je doen in deze tijd?
En zeggen?

Gister ontmoette ik hem aan de rand van de Hofvijver in Den Haag waar hij al eeuwen kijkt naar de plek van zijn eigen dood tijdens de staatsgreep van de prins van Oranje-Nassau.
En terwijl de bliksem de Mauritstoren doorkliefde en zijn ziedende bloed het Binnenhof verdronk, glimlachte zijn doorgroefde gelaat zachtjes naar mij.
En hoorde ik zijn kloppende hart.
Dat nooit was gestopt.

Het hart van Johan van Oldenbarnevelt.

187. Ontmoeting 35. Het generatieravijn

Op verzoek van bedrijven, scholen of gezinnen kom ik af en toe een kijkje nemen om te zien hoe het onderlinge contact verloopt en waar de wortel van de angst en het neurotische gedrag zit dat de contactloosheid in stand houdt.
Professioneel verwoord:
‘Kijkt u even mee naar de interne communicatie in onze organisatie en laat ons weten waar de uitdagingen liggen. ‘

Gezinnen bezigen weer andere taal.
Hier een voorbeeld.

Dochter: Wat was er eigenlijk vóór spotify?
Vader: LP’s.
Dochter: Wat zijn LP’s?
Vader: Weet je wat een CD is?
Dochter: Nee.
Vader: Een LP is een harde platte zwarte schijf die ronddraait op een apparaat en als je er een naald op zet dan komt er muziek uit.
Dochter: Scheurde die naald die LP dan niet door de midden?
Vader: Nee, die LP was speciaal gemaakt voor die naald.

Ze denkt diep na over schijf en naald en muziek en héél blijven.
Dan komt er een nieuwe stap in haar gedachteproces.

Dochter: Dus je had ook LP Premium?
Vader: LP Premium?
Dochter: Ja, dat je extra moest betalen om geen reclame op de LP te hebben.

Als vader wil antwoorden kijkt ze op haar mobieltje en tikt wat toetsen in.
Terwijl ze naar haar mobieltje blijft kijken, zegt ze: Waarom stop je nou met praten?

Vader: Nou, je kijkt op je mobieltje, dus ik denk ik wacht even.

Ze kijkt op.

Dochter: Wat maakt dat nou uit? Ik hóór je toch gewoon?
Vader: Laat maar. De LP was altijd premium, want er stond nooit reclame op en je hoefde dus nooit extra te betalen.
Dochter: Dat kan niet, want premium is altijd extra betalen.
Vader: Oké. Dan waren de LP’s zónder premium, maar het gaat erom dat er nooit reclame op stond.
Dochter: Wat raar! Zónder reclame, dat kan toch helemaal niet?
Vader: Vroeger kon er veel meer dan vandaag. Zo kon je vroeger ook gewoon met mensen praten zonder dat ze op hun mobieltje keken.
Dochter: Waar keken ze dán naar?
Vader: Je keek en luisterde naar degene met wie je praatte. Mobieltjes waren er niet.
Dochter: Geen mobieltjes? En geen reclame? En geen spotify?
Vader: Ja.
Dochter: Wat deed je dán de hele dag?
Vader: Nou, bijvoorbeeld, met elkaar praten over van alles, en naar elkaar luisteren.
Dochter: Wat was vroeger dan saai zeg! Gadverdamme!

Hierna ontstond bij de coach even de neiging om enige nuttige adviezen te geven omtrent de interne communicatie en haar vele uitdagingen.
Professioneel gezien dan, hè.

186. Ontmoeting 34. Het gezin in de trein

Op het perron van station Delft sta ik onder het bord met daarop in grote letters de eindbestemming van de trein: Lelystad.
Ik zie een vrouw langdurig de tekst op het bord bestuderen.
Ze stapt op me af en vraagt: ‘Gaat deze trein naar Lelystad?’

Afijn.

Ik stap in en in de coupé zit een voltallige familie die ik niet zie, maar wél hoor. Dochter roept hard:
‘Hé kijk, dat is net papa! Precies zulke kleren en ook ongeschoren en een bierbuik!’ Iedereen lacht.
Dan gaat een mobieltje af. Papa roept: ‘Jorien, doe uit!’
Mobieltje blijft doorgaan.
Vader roept harder: ‘Jorien, doe uit, zeg ik je!’
Mobieltje blijft doorgaan.

In mijn hoofd verschijnen beelden van afgrijselijk brutale pubers die hun machteloze ouders het leven zuur maken, zélf de dienst uitmaken en opgroeien voor galg en rad.
Ik zou het wel weten: erop meppen met harde hand, geen medelijden en koppen dicht. Klaar!
Het mobieltje en mijn irritatie bereiken hun hoogtepunt en luid roep ik door de coupé:
‘Hé, doe die herrie eens uit!!’

Stilte.
Meteen.

Bij de volgende halte stappen ze uit. Ze lopen voorbij en niemand kijkt me aan. Vlak voordat dochter de coupé uit is, hoor ik haar met zachte stem zeggen:
‘Nou, die meneer zal ook wel denken, eindelijk rust.’
Ik kijk achterom en zie het liefste gezichtje van de wereld dat me heel schuldbewust aankijkt. Ik smelt.
In mijn gedachten sla ik mezelf voor mijn kop en neem een besluit.
Ik ga tolerant worden.
Morgen begin ik!
In de trein naar Lelystad.

185. Ontmoeting 33. De wandelaar

Hij:
Dag meneer, is dit de Kromme Steeg?
Ik:
Nee, dit is de Kromstraat.
Hij:
Is hier vlakbij het standbeeld van Hugo Claus?
Ik:
U bedoelt het standbeeld van Hugo de Groot?
Ja, dat is hier in de buurt.
Hij:
Dan moet ik aan het eind van deze steeg zeker rechtsaf?
Ik:
Nee, u moet aan het eind van deze straat linksaf.
Hij:
Ah, dank u.

Aan het eind van de straat draait hij zich nog even om, steekt blij zijn duim omhoog naar me.
En slaat rechtsaf.

Afijn.
Mijn goede daad voor vandaag zit er weer op.

184. Ontmoeting 32. In de lift (3)

Van de twee liften in het flatgebouw is er gedurende twee weken slechts een in gebruik in verband met onderhoud. Zo staat keurig vermeld op de duidelijke brief die aan de liftwand hangt, ‘met excuses voor het ongemak.’
Het epistel vervolgt:
‘Op maandag 20 juni, in de loop van de middag, zullen beide liften weer in gebruik kunnen worden genomen.’

Het is maandagmiddag, 20 juni, 13.00 uur.
Ik stap in de lift.

De zuchtende vrouw die er al in staat kijkt me kort aan en zegt met bezorgde stem:
‘Nou, dat schiet niet op met die andere lift, die doet het nog steeds niet, die is vast nog steeds kapot, dat gaat helemaal niet goed zo.’
Ik (tolerant):
‘Kijk, op het briefje hier staat dat beide liften in de loop van deze middag gereed zullen zijn. Het is nu 13.00 uur. Ze hebben dus nog enkele uren de tijd.’
Zij (hogere stem nu):
‘Volgens mij gaat het helemaal fout. Die andere lift doet het nog steeds niet. Er gaat vast iets mis.’
Ik: ‘Waarom denkt u dat er iets mis gaat?’
Zij: ‘Ik weet niet, ik vertrouw het niet, er gaat zo vaak iets mis hier. Je kunt nergens meer op rekenen tegenwoordig in dit land.’

We komen beneden aan en stappen uit.
Een liftmonteur is bezig met de andere lift.

Ik vraag: ‘Lukt het allemaal? Liggen jullie op schema?’
Hij: ‘Jazeker, meneer, vóór 15.00 uur vanmiddag zijn we al klaar. Nog eerder dan gepland.’
De vrouw kijkt toe en hoort aan.
Ik: ‘Ziet u, mevrouw, de liften zijn vanmiddag al klaar. Goed, hè!’
Ze slaakt een diepe zucht en zwijgt bedrukt.
En met gebogen schouders en schuddend hoofd vervolgt ze traag sloffend haar eeuwigdurende levensweg.

183. Ontmoeting 31. Het jongetje met de autoped

De straat en de wereld zijn van hem. Geen twijfel.
Hij staat met zijn autoped bij de uitgang van de winkel: ijsje, nieuwe sportschoenen, grote ogen en grenzeloos vertrouwen.
Moeder en oma komen naar buiten en roepen: ‘Kom, we gaan daarheen.’
Hij likt aan zijn ijsje en wacht tot moeder schijnbaar niet meer op hem let.
Dan vervolgt hij zijn weg.
Onstuitbare beweging van eigen leven.
Het drietal loopt en stept naar een marktkraam waartegen een ouderwetse autoped ter verkoop staat aangeboden. Ze blijven staan en bewonderen het mooie oude model.
‘Vindt u ook niet, meneer?’
Ik bevestig: ‘Ja, prachtig.’
We praten nog even door en dan wend ik me tot de ijsjeslikker:
‘Jij wilt zeker ook wel zo’n autoped hebben, hè?’
‘Nee!’, roept hij, luider dan zijn moeder hoopte.
‘Die van mij is veel mooier!’
Ik vraag: ‘Hoe oud ben je?’
‘Negen!’, roept hij, nóg luider.
Ik kijk hem aan en zie zijn levensverhaal van boompje klimmen en sneller hardlopen dan de anderen en dat hij alles kan en dat ik niet moet denken dat hij ook maar ergens bang van is en dat ik van zijn autoped moet afblijven.
Hij kijkt me aan als een uitdagende speler die nu al absoluut zeker is van zijn overwinning.
En in dat ‘Negen!’ klatert de autopettende wereldbezitter van top tot teen, door zijn ogen heen, van zijn nulde tot zijn negende: ‘Hier ben ik!!’
Ik kijk in mijn spiegel en zie een traan.
Die niemand ziet.

182. Ontmoeting 30. In de trein

In de trein van Amsterdam naar Delft valt het me weer op:
als je één mens ziet, zie je de hele wereld en als je één stem hoort, hoor je een heel leven.
In de coupé belt een jongeman met luide enthousiaste stem: ‘Hé mattie, je ligt zeker nog te maffen? Je bent toch wel op station Delft straks, hè, anders ram ik je in mekaar!’
Schaterlach.
Einde gesprek.
Vlak daarna, dezelfde jongeman, nu met zachte en lieve stem: ‘Dag schatje, Wat zeg je? Kun je al een koprol maken? Nou, dat wil ik straks wel zien hoor! Oh, kun je het nu al?’
Even stilte en dan een luide lach. ‘Tjonge zeg, een koprol door de telefoon, wat geweldig! Nou, ik zie je straks, hè? Kusjes.’
Een minuut later, dezelfde jongeman, ernstige vlakke stem: ‘Dag Ma. Oh, is het zo erg al. Wat vreselijk zeg! Dan ga ik nu meteen naar hem toe. Ik zie je straks. Doeg.’
Station Delft, uitstappen.
Op het perron breekt een vechtpartijtje tussen twee jongemannen uit. De één duwt de ander tegen de grond. Die roept smekend en lachend: ‘Maar ik bén er toch?’
En hij spelend fanatiek: ‘Daar gaat het niet om. Een koprol, nu meteen, mijn nichtje kan het ook, stijve hark!’
Na de mislukte koprol stappen ze op, slaan elkaar lachend op de schouders, staan plotseling stil, kijken elkaar in de ogen. Praten, serieuze blikken. Dan omhelzen ze elkaar langere tijd. De één veegt zijn tranen weg, de ander slaat een arm om zijn schouder en zo lopen ze door.
Broeders in de strijd, op het slagveld van het leven.