Een propere vriendin komt op bezoek.
Dus spic en span ik van tevoren mijn woning glimmend en glanzend.
Voldaan van mezelf ontvang ik haar zorgeloos.
Die avond redeneert ze in ons diepe gesprek:
‘Ieder kind moet leren om goed voor zichzelf te zorgen, zodat het later zelfstandig kan functioneren.’
Ik knik instemmend.
Dan kijkt ze om zich heen en zegt:
‘Zo zou jij bijvoorbeeld je woning ook wel eens schoon kunnen maken.’
Auteur: Dick Stammes
180. Ontmoeting 28. Lunchtijd op de Markt
Op een bankje voor het stadhuis in Delft eet ik een broodje. Een oude man met alpinopet en oorlogskruis in scootmobiel stopt vlak voor me en kijkt me doordringend aan.
Hij: Ik heb hier om vijf uur een feessie.
Ik: Dan ben je vroeg, het is twee uur.
Hij: Die rotzak had geen tijd, zei hij, dus zette hij me hier af.
Ik: Je kan zelf niet lopen?
Hij: Nee, ze hebben me kapot geschoten in Nieuw Guinea.
Ik: Goed dat er scootmobiels zijn.
Hij: Er komen er straks nog meer, we hebben een veteranenfeessie hier in het stadhuis.
Ik: Gezellig.
Hij: Denk het niet.
Ik: Wat heb je op je handen?
Hij: Kanker. Komt van de napalm in Nieuw Guinea, zeggen ze.
Dan komt een oude manke man aangelopen, eveneens met oorlogskruis en alpinopet. Hij staat stil en ze kijken elkaar doordringend aan.
Manke man: Ben jij nou nóg niet dood?
Scootman: Jij gaat eerder. Wedde?
De manke man zet zich neer op het bankje naast mij en wijst naar de scootmobiel.
Manke man: Hoe kom jij nou straks in dat stadhuis met dat ding?
Scootman: Kom ik niet, ik blijf hier staan.
Manke man: Gelukkig, zijn we van dat geouwehoer af.
Scootman: Je weet toch wel waarom, hè?
Manke man: Ja, jij kreeg je oorlogskruis door de brievenbus, terwijl ik hem
van de koningin kreeg.
Scootman: Ja, ze houdt kennelijk meer van jou dan van mij.
Manke man: Dat weet ik wel zeker.
Ik: Nou, ik ga weer eens aan het werk. Tot kijk heren.
Scootman: Wat doe jij dan?
Ik: Oh, iets met toerisme.
Manke man: Mooie baan. Schieten ze je tenminste niet kapot.
Scootman: Nee, krijg je ook geen kanker van.
En bulderend lachend schieten hun kanonnen vol verborgen ammunitie zich leeg op het vredige marktplein.
179. Ontmoeting 27. Op terras in Amsterdam
Terras, Amsterdam, Oude Zijds Voorburgwal.
Op het snijpunt van dagelijkse gewoonheid en dreigend gevaar.
Tegenover mij schreeuwen ‘mannen’ van vijftig zich de longen uit het dronken lijf: ‘Liverpool, Liverpool!’ Na deze kreet geven ze elkaar een high five, boeren nog wat in hun bier, en vallen vervolgens hersenloos stil bij gebrek aan nieuwe vocabulaire.
Ik neem een slok van mijn Hero cassis (‘dat is dan €5,50, meneer’) en kijk om mij heen.
Door hun verbergende uiterlijk heen zie ik hoeren, pooiers, gajes, oplichters, gespuis, en smachtende toeristen die rieken naar roofdieren.
Dan komen vier jonge jongens aanlopen. Korte broekjes, beugeltjes, verlegen nieuwsgierige blikken. De hiërarchie is helder. De Aanvoerder ziet vrije stoelen en wenkt de anderen ernaar toe. Zijn twee Soldaten volgen gedwee. De vierde, de Denker, wacht af. Hij gaat als laatste zitten en krijgt de beste plek, als informele leider.
Mijn onderwijsblik schat in: veertien jaar, vlak voor de zomervakantie van tweede naar derde klas. Als ik ze hoor praten, weet ik het: niveau Havo.
Jongens.
Op de rand van veiligheid en opwinding, van thuis en avontuur, van geborgenheid en verwonding. Ik zie hun moeders voor me: nachtelijk wakker en onrustig wachtend op het geruststellende telefoontje: ‘Ik ben bijna thuis, mam. Tot zo.’
Maar jongens bellen niet. Ze lachen, kijken stiekem om zich heen en dénken dat ze mensen zien. En zien niet hoe stinkende eeuwenoude wilde beesten zich grommend om hen heen verzamelen.
‘Wat mag het zijn, heren?’ vraagt de bloedmooie donkere serveerster die iedere Liverpool supporter in de houtgreep heeft.
‘Vier cola’, zegt de taakgerichte Aanvoerder, ‘met een rietje graag.’
Terwijl onmetelijke ontroering en beschermingsdrang zich van mij meester maakt, slijpt het rapalje zijn messen, kwijlen temeiers hun geilheid en loeren rovende laaielichters op nieuwe slachtoffers om ze scheurend te verzwelgen.
En net op het moment dat het oerwoud grommend zijn blinde verse prooien omsingelt, klinkt gerinkel uit een broekzak. De Denker pakt zijn iPhone, luistert, knikt, en zegt:
‘Ja, mam, alles gaat goed, we komen zo thuis. Doei.’
178. Ontmoeting 26. In de lift (2)
Een oude vrouw met een opvallend levendig gelaat stapt in.
Aan haar gerimpelde hand een lege open tas op wieltjes.
Ik: ‘Zo, tijd voor de boodschappen?’
Zij ‘Ja. Ik heb er weer zó’n zin in!’
Ik: ‘Oh ja? Zin in boodschappen doen, dat hoor je niet vaak.’
Zij: ‘Het is het leukste wat er is. Bijvoorbeeld zo’n potje pakken, of fruit afwegen, of afrekenen. Héérlijk!’
Ik: ‘Dus u houdt van betalen?’
Zij: ‘Ja, ik geniet daarvan. Ik besef dan altijd weer dat ik het kán betalen.
Er zijn tijden geweest dat ik niets kon betalen. Helemaal niets. Jarenlang.
En iedere keer als ik bij de kassa sta en ik reken af, word ik zó blij.’
Ze straalt.
Dan stappen we uit en slaat zij af, richting supermarkt.
Ik kijk haar na.
Haar tred is niet oud, niet jong, niet stram, niet soepel.
Ze is tijdloos.
En onvernietigbaar.
177. Ontmoeting 25. Op een straatbankje in den Haag
Zwoegend zweet hij zich door de stad.
Het is warm en hij is dik.
Ofschoon er ruimte is voor zeker tien andere mensen, laat hij hijgend zijn zware lichaamsvlees vlak naast mij vallen, op het straatbankje op de Lange Poten in den Haag centrum.
Hij kijkt me aan en vraagt uit het niets: ‘Vindt u mij erg dik?’
Ik antwoord: ‘Ja, ik vind u dik, erg dik, inderdaad.’
Ofschoon ik de man nooit eerder heb gezien, dringt een nieuwsgierige intuïtie zich aan mij op die geheel zijn eigen gang gaat zonder dat ik me ermee bemoei. Het is alsof ikzelf ter plekke boven het bankje en de twee mannen hang, terwijl ik kijk en luister naar het gesprek van deze twee mensen die de wonderlijke indruk wekken elkaar al jaren te kennen. Deze tegenstelling van kennen en niet-kennen is in dit moment de gewoonste zaak van de wereld.
Dan neemt een prangende noodzakelijkheid het gesprek over en hoor ik mijzelf vragen:
– Heeft al dat vet nog voordelen?
– Jazeker.
– Welke dan?
– Waar vet is, voel ik tenminste niks.
– Dus uw vet is weggestopt gevoel?
– Ja. Sterker nog: doodgemaakte emotie.
– Welke emotie maakt het vet in u dood?
– Dat weet ik niet. Ik ken dat gebied niet.
– Wat is het ergste dat er in uw leven is gebeurd?
– Dat er niet van me is gehouden.
– Hoe komt dat?
– Ik denk dat ik hun liefde niet waard was.
– Dus u geloofde dat u het niet waard was om van te houden?
– Inderdaad.
– En dit gelooft u nog steeds?
– Ja.
– Met deze liefdeloze gedachte loopt u dus nu al uw leven lang rond?
– Precies.
– Wat is het voordeel van dit geloof dat u het niet waard was om van u te houden?
– Dit geloof is bekend en vertrouwd voor mij.
– Dus ergens bevalt het u wel?
– Ja, ergens wel, ja.
– Wat levert dit geloof u op?
– Ik kan me verschuilen.
– Waarachter verschuilt u zich?
– Achter mijn slachtofferschap en mijn vet.
– Wat wil het slachtoffer?
– Gestraft worden.
– Hoe straft het slachtoffer zichzelf?
– Door een hekel te hebben aan mezelf maak ik mezelf dik, lelijk en vervelend voor anderen.
– Wat is het doel hiervan?
– Dan krijgen anderen net zo’n hekel aan mij als ik aan mezelf.
– Lukt dat?
– Ja, ze wenden zich van me af of lachen me uit.
– Hoe voelt dat?
– Dat voelt bekend en vertrouwd en ik word bevestigd in de gedachte dat ik deze straf verdien.
– Wat blijft er over na uw verdiende straf?
– Liefdeloosheid en eenzaamheid.
– Hoe voelt dat om hiermee te leven?
– Ik voel dat niet zo, omdat al dat vet het voelen blokkeert.
– Wat zou er gebeuren als dat vet er niet zou zijn?
– Dan zou ik sterven.
– Weet u dat zeker?
– Nee, maar daar ben ik bang voor.
– U bent dus bang om te sterven en om uw sterven voor te zijn, sterft u liever van de eenzaamheid die u niet voelt?
– Ja.
– Interessant. Hoe zou u leven als u deze gedachte niet had?
– Dan zou ik vrij zijn, maar dat boezemt mij angst in.
– U bent dus zowel bang om te sterven als bang om vrij te zijn?
– Ja, dat klopt.
– Uw bange gedachten zetten u muurvast. Er is geen beweging meer in te krijgen, ze zijn vastgeroest door zichzelf steeds te herhalen op steeds dezelfde manier.
– Dat ziet u goed.
– Dat is niet zo moeilijk. U laat het zelf aan me zien. Ik begrijp dat u hier liever mee doorgaat dan dat u hulp zoekt?
– Ja, dat is waar. Toch zou ik graag van u willen weten wat u nu bij mij ziet.
– Weet u dat zeker? Wat ik ga zeggen zult u namelijk niet leuk vinden. Het risico bestaat dat u mijn duiding zult opvatten als een straf.
– Maakt u zich geen zorgen. Ik vraag u vriendelijk geen blad voor de mond te nemen.
– Oké, dan moet u het zelf weten. Hier komt ie.
U gelooft heilig in slechts één liefdeloze gedachte. Deze ene gedachte was ooit van iemand anders en had niets met u te maken. Door het geloof in deze ene gedachte, die oorspronkelijk niet van u is, leidt u nu dit letterlijk zware leven dat een voortdurende straf is voor u, aangezien u de rol van slachtoffer verkiest boven degene die u werkelijk bent.
U ervaart liever de pijn die vertrouwd is dan het geluk dat onbekend is.
Hiermee blijft u loyaal aan uw ouders die niet van zichzelf hielden en dus niet voldoende van u konden houden. Uw ouders zijn dood, maar u houdt iedere tel hun liefdeloze gedachten vast die ze in woorden naar u toe hebben gegooid en die u vervolgens heeft ingeslikt. Hun woorden zitten nu in uw hoofd. Dat is op zich niet erg, alleen wat wél erg is, is dat u die woorden bent gaan geloven en ernaar bent gaan leven. U houdt zodoende uw ouders voortdurend bij u, iedere tel van uw leven. Zij bepalen nog steeds uw leven, zij zijn nog steeds volledig aanwezig, terwijl u hierdoor zélf verdwenen bent. Uw innerlijke gevoel lijkt verdwenen, net zoals hún gevoel naar u was verdwenen, omdat hun gevoel naar henzelf was verdwenen.
En net als uw ouders ú hebben verlaten door u te veroordelen en niet te aanvaarden zoals u bent, verlaat u uw eigen gevoelens door deze te veroordelen en niet te aanvaarden zoals ze zijn. Dit is één en dezelfde beweging. Zo buiten, zo binnen.
Het is de liefdeloze, niet-aanvaardende gedachte die zegt dat u niet goed genoeg bent om van te houden en daarom al dit vet produceert. Uw vet is uw zelfhaat en uw zelfbescherming. Zo creëert u de self-fullfilling prophecy dat u minderwaardig bent en dat u de liefde niet waard bent, niet van uw ouders, niet van uzelf, en niet van andere mensen. Daarom houdt u andere mensen ook op afstand. U vindt namelijk andere mensen ook niet goed genoeg, daarom veroordeelt u ze, net zoals u uzelf veroordeelt, en net zoals uw ouders u veroordeelden.
U beschouwt zichzelf als óf minderwaardig óf meerderwaardig, u gaat óf erboven óf eronder staan. Gelijkwaardig contact probeert u te allen tijde te vermijden, omdat dan de pijn te dichtbij komt.
Als we dit gedragspatroon naar dit gesprek voortzetten dan bent u slechts tijdelijk open naar mij, omdat u weet dat wij elkaar niet kennen, dat onze wegen zich weer gaan scheiden, en omdat u weet dat u mij hierna nooit meer zult zien. Ik ben dus tijdelijk veilig voor u, omdat ik een onbekende voor u ben.
Uw oordelen over uw medemens en uw meerderwaardigheids- en minderwaardigheidsgedachten zijn net als al dat vet: het is de bufferzone die u voor uw gevoelswereld zet. In het afstand scheppen tot en in uw oordelen naar uw medemensen probeert u de illusie te creëeren dat u veilig bent.
En inderdaad, vet en oordelen komen beide voort uit illusies, beide komen voort uit ontkende pijn, en met deze vermijdingsstrategie probeert u uw eigen waarheid, uw eigen echte gevoel te ontvluchten.
Tot slot:
ziet u nu dat uw geloof in slechts één gedachte uw lijden in stand houdt en dat al het andere in uw leven uit deze ene gedachte voortvloeit? Het is het perfecte recept om in de puree te raken.
Hij blijft lange tijd stil en beweegt niet.
Dan haalt hij diep adem, kijkt me aan en zegt:
– Dit wilde ik horen. Mag ik vragen wat uw beroep is?
– Ik ben bezoldigd gesprekspartner.
– Da’s een mooi beroep.
– Hier heeft u mijn kaartje. U kunt me bellen wanneer u wilt, maar ik geef u één advies:
bel me alleen als u die ene gedachte helemaal en totaal zat bent. Dat u hem liever uitkotst dan dat u hem nog één tel langer vast wilt houden. Niet eerder.
– Dat zal ik doen.
– Oké, afgesproken. Ik wens u al het goede en liefdevolle.
– …….
Als ik opsta en weg wil lopen, pakt hij plotseling mijn arm vast.
Ik voel zijn hand trillen.
Hij wil iets zeggen, maar slikt het weg.
Dan knijpt hij harder in mijn arm met zijn nu nóg sterker trillende hand
En buigt zijn hoofd.
Ik wacht tot hij loslaat, kijk hem nog even aan en vraag: ‘Hebt u hulp nodig?’
– Nee, liever niet, het gaat wel, dank u, gaat u maar.
Op zijn advies loop ik weg.
Dit is inmiddels vier jaar geleden.
Hierna heb ik de man nooit meer gezien.
176. Ontmoeting 24. Bij de fietsenmaker
De fietsenmaker heeft de band geplakt.
Dus haal ik mijn fiets op.
De volgende dag is de band halfleeg.
Ik pomp hem op.
De dag erna is de band een beetje leeg.
Ik pomp hem weer op.
De dag daarna blijft de band hard.
En ook de volgende dagen.
Ik vraag de fietsenmaker: ‘Hoe kan zoiets?’
Hij: ‘Sommige banden moeten even wennen aan het plakken.’
Een toekijkende vrouw zegt: ‘Ja, ja, ze moeten zeker eerst een band opbouwen?’
175. Ontmoeting 23. In de supermarkt
Een medewerker zit op z’n knieën voor een vrieskast enige handelingen te verichten.
Ik: ‘Weet u waar de kaas ligt?’
Hij: ‘Bij de andere kaas.’
Ik: ‘Weet u dat zeker?’
Hij: (licht geïrriteerd) ‘Ja, dat weet ik zeker, ja.’
Ik: ‘Kunt u me zeggen waar de andere kaas ligt?’
Hij: ‘Ja. Daar verderop.’
De medewerker doet een poging een wegwijzende beweging te maken,
maar omdat hij op z’n knieën zit met de rug naar de winkel toe,
wijst zijn arm schuin omhoog, richting plafond.
Ik: ‘Weet u heel zeker dat de andere kaas daar verderop ligt?’
Hij: (zwaar geïrriteerd nu) ‘Ja, natuurlijk.’
Ik: ‘Dank u voor de informatie.’
Hij: ‘Graag gedaan.’
174. Ontmoeting 22. Boodschappen doen
Een oude mevrouw probeert bij bakker Aad de Groot hakkelend een bestelling te plaatsen en zegt:
‘Doet u mij ook maar zo’n krazaan.’
Ik: ‘Mevrouw, dat meent u toch niet echt, hè? Krazaan.’
Zij: ‘Wat zegt u?’
Ik: ‘Het is croissant, met een wa-klank, een scherpe s en een nasale klank aan het eind.’
Zij: ‘Nou, weet u, ik ben een hele tijd ziek geweest en ik was bijna dood toen ik stikte en nou vergeet ik steeds zoveel.’
Ik: ‘Das geen excuus. Het gaat om de juiste uitspraak.’
Dan krijgt ze de slappe lach.
Ik: ‘Oude vrouwtjes zijn levensgevaarlijk. Ze ontwrichten de maatschappij.’
Zij: ‘Nou zeg, nou moet u ophouden hoor!’
Ik: ‘Waarom?’
Zij: ‘Anders stik ik weer.’
En schaterend verlaat ze het bakkerspand.
De krazaan achter zich aan slepend.
173. Ontmoeting 21. Burak, 9 jaar
Individuele taalles, basisschool.
Naast me zit Burak, 9 jaar.
Ik: ‘Wat zijn je beste vakken?’
Hij (trots): ‘Verkeer en Rekenen, daar ben ik de beste in!’
Ik: ‘Das mooi, man! En je slechtste vak?’
Hij:’Geschiedenis.’
Burak zwijgt een tijdje, zijn ogen onderzoeken het plafond. Dan wordt hij plotseling fanatiek:
‘Dat is zo’n dom vak, hè! Je hebt er gewoon helemaal niks aan! Je moet allemaal dingen weten van dingen die helemaal niet bestaan, zoals dinosaurussen en zo. Die zijn al lang al dóód!! En over oude gebouwen die ook al lang al dood zijn. Zo stom, hè! Je kan toch beter over nieuwe gebouwen praten en over dingen die de wereld mooier maken?’
Na zijn taalkundig perfecte tirade wordt hij weer wat rustiger, maar hij is nog niet helemaal klaar. Het is even stil. Hij kijkt strak voor zich uit en denkt diep na.
Dan zegt hij: ‘En dinosaurussen vind ik lelijk.’
172. Ontmoeting 20. Lezen en leren
Op school leerde ik me vroeger te pletter, maar begreep lang niet alles. Soms dacht ik dat ik dom was, omdat ik de zinnen van leraren maar niet snapte, terwijl ik dacht dat alle andere leerlingen ze wél begrepen.
Zo hoorde ik tijdens een geschiedenisles op de OLS:
‘De nijverheid kwam er tot grote bloei.’
Nijverheid.
Ik zag voor me een grote hal met naaimachines met daarachter nijver naaiende vrouwen. En omdat vrouwen van bloemen houden, dacht ik, namen ze naar hun nijvere naaiwerk allemaal bosjes bloemen mee die dan in die grote hal tot bloei kwamen. Zo probeerde ik zwetend en amechtig (amechtig? amechtig!) de taalkundige werkelijkheid onder controle te krijgen. Tevergeefs.
Bij een aardrijkskundeles op de middelbare school las ik eens de zin:
‘Het riekt er naar kolonialisme.’
Mijn probleem begon al meteen bij het begin van de zin, want wat is ‘Het’?
Dan: wat is ‘riekt’?
Daarna: waar is ‘er’?
En tot slot: wat is ‘kolonialisme’?
Inmiddels was de aardrijkskundejuf met de klas al een paar bladzijden verder en was ik nog bezig me vragen te stellen waar kennelijk niemand anders mee bezig was.
Onlangs volgde ik een opleiding tot stadsgids. Na een eerste kennismaking met de spreker en de medeleerlingen, krijgen we het eerste boek voor onze neus dat we gezamenlijk gaan doornemen. We lezen:
‘De blazoenering zegt dat het wapen van zilver was met een pal van sabel.’
Ik kijk om me heen. Niemand zegt iets, iedereen leest gewoon door.
Ter plekke word ik acht jaar.
En gister ging ik chique dineren in de stad. Dus: de menukaart lezen. Afijn, ik open de kaart en ontwaar het hoofdgerecht dat heet: ‘Makkers staakt uw wild geraas’.
De kaart vervolgt:
‘Een delicieus gerecht met een Sashimi van Albacore tonijn, een vadouvan of wasabi saus, wakamé op een bedje van tempura garnaal, kikkoman getopt met tomaten relish, en een gratine van limoncello.’
Zwetend sluit ik de kaart, de ober komt langs en ik zeg:
‘Doe mij maar een patatje oorlog.’