121. Poëzie 3. Problemen

Je wens is niet
om van je problemen af te zijn
of ze weg te maken

Je wens is
om problemen door oneindige ruimten te zien zweven
waar ze noch grondbezit
noch verblijfplaats hebben

En te zien 
dat de kern van je probleem
niets anders is
dan de sleutel
tot een nog grotere
nóg oneindigere ruimte

En dat de dichtheid ervan
niets anders is
dan het wenken
van de vinger van geluk

Die jou mist

En jou roept

En jou is

En jij bent

120. Poëzie 2. Niets

Plotseling

Dringt niets door alles heen

Niets beweegt
Alles staat volkomen stil
Duurt eeuwig voort
Is volledig af

Alles is compleet

Het leven en de aarde zijn stil
terwijl alles doorgaat
Er is geen enkel verlangen
naar iets nieuws, iets anders

Compleetheid

Alles heeft zijn eigen goede plek
Iedereen is op de juiste plek aanwezig
Niets hoeft te veranderen
Alles is zoals het is en zoals het behoort te zijn

Alles is perfect

Geen gedachte
Geen twijfel
Geen angst
Geen gister
Geen morgen

Goed en fout
Mooi en lelijk
Eerste en laatste
bestaan niet

Geen tijd
Geen ruimte
Geen afstand
Geen nabijheid

Plotseling

In niets
en dichterbij dan stilte
is alles intiem, alles mij
tot in de verste uithoeken van het heelal

En is niets het enige dat bestaat

119. Poëzie 1. Stel nou …

Ik zeg, stel nou eens, hè

Dat alles liefde zou zijn
Echt álles

In je
Om je
Overal
Altijd

En stel nou
dat je dat
niet zou zien
niet zou horen
niet zou voelen
niet zou merken
niet zou weten

En je zou
spreken
met anderen
die dat
net als jij
ook niet zouden 
zien
horen
voelen
merken

En niets zouden weten
over die liefde.

En je zou er dan
een mening
over gaan hebben
over gaan discussiëren
elkaar beledigen
bestrijden
aanvallen
beschieten

Doden

Ja, wat zouden we dan
eigenlijk
in een rare wereld leven, hè?

Maar …

Stél nou!

118. Dagboekfragment van een wereldreis (4)

Het is 1987. Ik bereis anderhalf jaar in mijn eentje bezitsloos de wereld.
Alles wat ik heb is een rugzak met kleren en medicijnen en een tasje om mijn nek met paspoort en wat travellers cheques.
Op de grens Venezuela – Colombia wordt mijn rugzak door de politie gestolen, terwijl ik in het douanekantoor zit. Wat over blijft: het tasje om mijn nek, ikzelf, en de kleren die ik aan mijn lijf heb. Ik ben een ‘backpacker’ zonder ‘pack’ geworden en ik voel mij naakt.
Volkómen naakt.
Aldus tijg ik bagageloos verder en kom via het narcotische Colombia aan in Muisne.
Waar ik volmaakt gelukkig ben.

Muisne, Ecuador, Zuid-Amerika, oktober 1987
Een relaxter object als een hangmat bestaat niet.
Het woord ‘object’ is eigenlijk al te actief om hangmat aan te duiden.
Een object heeft iets straks en statisch. Een bed is bijvoorbeeld een object. Een bed straalt een bepaalde stabiliteit uit. Iets waarop je kunt vertrouwen. Het bed zal er altijd zijn. Het is strak, vooral als het opgemaakt is, en daardoor krijgt het iets gespannens.
Een hangmat kún je niet opmaken. Ze laat dat niet toe. Het enige wat een hangmat kan, is hangen. En dat doet ze dan ook, de ganse dag en nacht lang.

Als je erin gaat liggen, hang je.

Ieder greintje activiteit in een hangmat wordt ogenblikkelijk gereduceerd tot hangen. Probeer maar eens iets te doen in een hangmat. Het zal je niet lukken. Slapen is al te actief. Lezen kan, in een hangmat, maar alleen strips of bouquet. Geen Sartre of Spinoza.
Eén van de redenen dat Muisne zo’n serene plaats is, is dat het merendeel van de mensen het merendeel van de eigenschappen van een hangmat heeft overgenomen. Sommigen lopen, anderen slenteren, velen zitten, maar de meerderheid doet slechts één ding: hangen.

Een Muisneaan hangt.

Niet omdat hij niets anders te doen heeft, maar het is zijn ware natuur, zijn lot en zijn vrijheid.
Als reiziger bestaat het gevaar dat je het verschil tussen een hangmat en een Muisneaan niet meer ziet en dan in een mens gaat hangen. Zo erg is dat trouwens niet. De Muisneaan vindt het allang goed, zolang híj maar kan blijven hangen.
Lang zal dit alles niet meer duren.
De eerste plannen voor een groot hotel aan het strand liggen er al. De hangmatten in Muisne zullen binnen tien jaar opgerold zijn en er zullen nieuwe matten uitgerold in schreeuwende panden te koop stáán in plaats van hangen. Met pro-actieve medewerkers voorzien van verplichte cursussen verkooptechniek. De Muisneanen zullen actiever zijn, gretiger, onvriendelijker, agressiever, geváárlijker.

Oh wee, de Muisneaan die gaat staan!
Vreest hém!
Staan is tegen zijn ware aard. En alles wat tegen ’s mensen oorspronkelijke natuur in gaat, is gedoemd te eindigen in verdrijving uit het paradijs. Zo hangt de mens zichzelf op aan geld en groei en vergeet ze te hangen.

Want weet je?
In 1987 gebeurde er in Muisne niets, helemaal niets.
Er was niemand, helemaal niemand, die ook maar énig verlangen naar bezit bezat.
En er was niemand, helemaal niemand, die niet volkómen genoeg was aan zichzelf.

117. Dagboekfragment van een wereldreis (3)

Ik ben met mede-laag-budget-reiziger Ruud Harberts een half jaar door Afrika aan het ‘backpacken’. Via Kenia en Oeganda willen we op weg gaan naar het noorden: Soedan, Egypte, Algerije, Tunesië, Marokko.
Maar eerst gebeurt er nog iets anders.

Gevangen in Kampala, Oeganda, Afrika, februari 1982
Het is 02.30 uur. We slapen.
Plotseling worden we wakker door rumoer. Er staan drie agenten van de ‘Security Forces’ met geweren in de aanslag op de hotelkamer. ‘Passports please. You get dressed.’
We worden in een legerjeep geladen, ‘you on the floor’, en rijden liggend op de grond met gewapende soldaten naast en boven ons door een belegerde stad naar het hoofdkwartier van de Veiligheidsdienst. Overal horen we schieten en granaatinslagen.
We worden in een cel geduwd waar nog een aantal Westerse reizigers zijn verzameld die eveneens uit verschillende hotels van hun bed zijn gelicht.
Een politieman schrijft onze paspoortgegevens in een schrift en daarna apart op een vel papier. Zo gaat dat in een belegerde Afrikaanse stad. Alle tijd. En de notulen zijn belangrijk.

Dan zegt een bewaker: ‘You wait. You don’t have to worry.’
Deze zin is het eerste teken dat we in gevaar zijn: ‘You don’t have to worry.’
Net als in India als men zegt: ‘No problem!’ Of in Turkije: ‘Problem yok.’
Dan weet je dat je in de problemen zit.

Terwijl ik op de stenen vloer zonder deken tevergeefs probeer te slapen, zie ik dat de dienstdoende wacht een fles bier opdrinkt. En nog een. En nog een.
De suppoosten worden de volgende dag gewisseld. De nieuwelingen zeggen:
‘You are under arrest.’
Op de vraag waarom antwoordt hij: ‘I don’t know. Just forget what I’ve said.’

In de avond worden we een verdieping hoger in een andere cel geloodst. We kijken uit op een binnenplaats waarvan we later horen dat Idi Amin, de vorige dictator-kannibaal, zijn gevangenen hier liet martelen. Nu loopt er een boze officier tegen rekruten te schreeuwen.
Nog steeds geen paspoort, geen bed, geen eten, geen douche.

‘Don’t worry, just wait.’

Ik spreek een Fransman wiens vrouw en kinderen ergens in het door terroristen of vrijheidsstrijders belegerde Kampala zijn achtergebleven. Hij zegt:
‘Ze zeggen al uren dat ik me geen zorgen hoef te maken, maar niemand weet of de stad vannacht zal overleven en ik weet niet waar mijn vrouw en kinderen zijn.’

Na een dag en een nacht komt weer een nieuwe lading wachters. Ze weten geen van allen wat er loos is en waarom we hier zitten.
‘We are trying to find out what’s happening. We just found you here. Don’t worry.’

De ondervragingen
Ieder van ons moet mee om in een aparte kamer te worden ondervraagd. Als ik aan de beurt ben, sta ik voor een groot bureau met een man erachter, een lamp op me gericht en soldaten met geweer tegen de muren.
Dan komt de eerste intelligente vraag: ‘Give me your passport.’
Dat is lastig geven als zijn personeel dit object reeds in beslag heeft ingenomen.
Ook een interessante vraag: ‘What was your father doing when you were born?’
Ik herinner me de legendarische Monty Python scene en antwoordt:
‘Bicycle repairman!’
De Grotebureauman rekent het goed en ik moet het formulier (altijd maar die heilige formulieren) tekenen.
Dan breekt weer de nacht aan. Nog steeds geen eten, geen slapen en geen paspoort.
De volgende ochtend krijgen we in aparte groepjes van vijf personen iets te eten.
We horen dat de Nederlandse consul is geweest, maar dat ze die met geweld weer naar buiten gegooid hebben. Ik denk: ‘Niemand weet nu dat ik hier ben.’
Ik voel kippenvel en een korte rilling.

De bevrijding
In de namiddag komen de consuls en ambassadeurs van Amerika, Frankrijk, Duitsland en Nederland. Toen ze hadden gedreigd naar de president, Milton Obote, te gaan, werden ze binnen gelaten, zo vernemen we.
We krijgen de Nederlandse consul, Ada, te spreken. Ze zegt dat er afgelopen nacht duizenden Oegandezen zijn doodgeschoten. Ze heeft overal in de stad lijken zien liggen. ‘Jullie worden hier vastgehouden voor machtsvertoon,’ zegt ze nog.
Dan krijgen we onze paspoorten terug en mogen met haar mee naar buiten.
We gaan naar het consulaat dat gevestigd is in een Shell-gebouw in een buitenwijk.
Als we terugkeren in ons hotel begroet het personeel ons blij en verbaasd. Op onze vraag waarom zo verbaasd antwoorden ze:

‘Because usually people never come back.’

Ik denk aan de woorden die we twee dagen lang in de gevangenis gehoord hebben:
‘Don’t worry.’
En weer voel ik een korte rilling.

De volgende dag lopen we op de markt waar plotseling iedereen begint te schreeuwen en te rennen. Een paar mensen worden doodgeschoten. Wat me opvalt is dat als mensen wegrennen in doodsangst dat ze beginnen te lachen.
Als we naar Zaïre willen vluchten, horen we dat er op de grens twee treinen zijn opgeblazen. Dan maar naar het oh zo veilige Soedan.
We hebben geld nodig en krijgen op de zwarte markt, in de kelder van een kledingwinkel, een vijf keer voordeligere koers voor de Oegandese shilling ten opzichte van de officiële bankkoers. We verstoppen de vele biljetten in onze onderbroeken. De portemonnees zijn te klein.
Nadat we drie weken hebben gewacht op ons Soedanese visum en de stad rustiger is geworden, zonder dat iemand weet wat er precies gebeurt, vertrekken we.
In het noorden van Oeganda lijkt alles kalm, wij ook, en we besluiten nog even een safari te gaan doen voor 25 gulden per week. Waarom niet?
Op safari ontmoeten we in een ‘lodge’ de nieuwe Miss Oeganda die een opvallende belangstelling voor Ruud ten toon blijkt te spreiden, maar ongelukkigerwijze uit onze hotelkamer weg wordt gemanoeuvreerd door overijverige fotografen en mensen van het Oegandese Bureau voor Toerisme.
Wat moet zo’n mooie Miss ook met een ex-gedetineerde?

Op de Nijl
Na de jungletocht gaan we per vrachtwagenkonvooi de grens over langs gevaarlijk dronken grenswachten teneinde door te reizen naar Juba, Zuid-Soedan. Vanaf daar worden we aan boord van een boot op de Nijl geïnterviewd en gefilmd door een BBC-ploeg en komen we terecht in de documentaire ‘Great river journeys’. Deze wordt, inclusief bovenstaand verhaal van dit 25-jarige jochie, een jaar later door de BBC uitgezonden, ook in Nederland.
Op de Nijlboot word ik gedurende enkele dagen en nachten overvallen door ongecontroleerde trillingen door mijn hele lijf.
Later zou ik begrijpen dat als een mens in levensgevaar verkeert, het lichaam in de overlevingsstand komt te staan, zich vernauwt, geen angsten ervaart, en dat de tijdelijk geparkeerde emoties later in het leven terugkeren als psychosomatische reacties die tijdens het levensgevaar niet mochten worden gevoeld. Je moet dan namelijk handelen om te overleven en dat is onmogelijk als je bevangen bent door angst. Een nuttig instinctief beschermingsmechanisme waarop je geen enkele invloed kunt uitoefenen.
Het gebeurt.

Nieuw besef
We hebben het overleefd.
Waarom wíj wél die nacht en duizenden Oegandezen niet?

Wat is dit vlammende onrecht?

En nu?
Nu is het een spannend verhaal, een verbijsterende herinnering en een mooie BBC-documentaire.
En vooral is het een blijvend diep besef van het dunne breekbare onzekere koordje van de tijdelijkheid waar ieder mens in zijn leven tastend overheen loopt.
Als ik vandaag naar mensen luister, hóór ik vele gedachten vol vertrouwen die denken dat ze op een brede vanzelfsprekende levensweg wandelen met ruimte voor iedereen.
Net zoals ikzelf dacht voordat die soldaten met geweren op de hotelkamer stonden. En vóórdat ze zeiden dat we ons géén zorgen hoefden te maken.

‘Don’t worry.’

Vóór 26 februari 1982 was het leven anders, héél anders.
Tenminste, dat dácht ik.

116. Dagboekfragment van een wereldreis (2)

Varanasi, India, Azië, 1988

Liggend op bed in de ‘Tourist Bungalow’ stel ik de op dat moment essentiële vraag voor mij:
‘Als ik nu niets meer wil, niets meer hoef of moet, niets meer begeer, ambieer, nastreef, als ik dit alles niet meer doe, gaat er dan nog iets gebeuren? Of ga ik dan dood? En als er iets gebeurt, wat is dat? En wie doet dat dan?’

Na enige tijd in het niets te hebben gelegen en geluisterd, begint er iets in mijn lichaam te bewegen. En die beweging gaat, geheel uit en in zichzelf, dóór zonder dat ik hier met mijn hoofd ook maar enige invloed op uitoefen.
Het lichaam doet, spreekt, eet, wandelt en ik kijk er in verbazing naar. Ik zie dat ik zelf niets doe, terwijl wat nodig is, wordt gedaan. Het is een wonder en tegelijkertijd volkomen logisch en normaal. En noodzakelijk.
Zo vind ik mezelf even later terug in een volle eettent aan de straat, vlakbij de heilige rivier de Ganges, waar ik een klassiek bord ‘dal-rice’ nuttig. Lekker goedkoop voor een backpacker.
Buiten is er groot oproer en de politie draaft op paarden door de straten. Geschreeuw, geren, gejoel. Er vallen klappen.
Tegenover me neemt plaats een zwijgende Indiër die hier niet lijkt te passen. Hij heeft lang zwart haar, een gladgeschoren gezicht en draagt een grijs Westers kostuum. Als hij bestelt, hoor ik een Oxford-Engels accent.

Op mijn vraag wat er precies aan de hand is, antwoordt hij:

‘Zojuist zijn dalits uit de tempel gegooid, waar ze binnen probeerden te dringen en hun plaats opeisten.’

Ik: ‘Wat zijn dalits?’

Hij: ‘Dalits zijn paria’s, onaanraakbaren, degenen die buiten het Indiase kastenstelsel zijn gesloten. Ze hebben daarom weinig rechten.’

Ik: ‘Waarom is dat?’

Hij: ‘Dat is een lang verhaal en India is een raar land. Mensen willen de dalits uit de tempels jagen, maar wat ze moeten doen is niet de mensen weren, maar de tempels slopen. Die dienen tot niets.’

Ik: ‘Misschien vinden mensen het prettig om samen in de tempel te zijn?’

Hij: ‘Mensen verzinnen van alles om zichzelf te ontvluchten. Alles wat we hebben uitgevonden, de symbolen en de rituelen in de kerken, tempels, moskeeën, die zijn daar allemaal neergezet door denken. Denken heeft dit alles uitgevonden.
Allemaal verzinsels.
Zo heeft denken ook de verlosser uitgevonden, de goden, de beelden. Denken heeft alles verzonnen wat men heilig noemt. Het zijn allemaal maar fantasieën die mensen bedenken. Zo bedenken ze ook een God. Denken is dus in zichzelf niet heilig. Je ziet hier wat voor puinhoop, geweld en uitsluiting dat denken teweeg brengt.’

Ik neem nog een hap linzen-rijst en denk na over denken.

Ik: ‘Dus mensen denken dat iets heilig is, maar omdat het denken zelf niet heilig is, is datgene wat men heilig noemt niet heilig?’

Hij: ‘Inderdaad.’

Vraag: ‘Wat is dan heilig?’

Hij zwijgt lange tijd. Even is het alsof hij mijn vraag vergeet of dat hij twijfelt om verder te spreken.

‘Dit kan alleen begrepen worden wanneer iemand volledig vrij is van angsten en zorgen, van autoriteit, van een geloof, van een systeem. In die ongeconditioneerde staat ontstaat het gevoel van liefde en compassie, wat geen denken is. Deze staat heeft haar eigen intelligentie die los staat van denken. In deze vrijheid is het denken volledig stil. En wanneer de geest volledig stil is, kan datgene wat heilig is plaatsvinden.’

Terwijl hij kalm en met vuur spreekt, zijn z’n ogen naar binnen gericht en tegelijkertijd heel helder. Ik krijg het wonderlijke gevoel dat een volle leegte mij aankijkt die zowel intiem dichtbij als mijlenver weg is.

Ik: ‘Is heilig hetzelfde als waarheid?’

Hij: ‘Hier denkt men waarheid te vinden door houvast te zoeken. Alsof het een vast punt is dat bereikt moet worden door middel van hard werken, of bidden, of offers brengen. Het is absurd. Ze maken elkaar gek.
Waarheid is overal, het is een land zonder pad dat door geen enkele religie of wat voor weg dan ook benaderd kan worden. Mensen proberen het te organiseren en daarmee maken ze het dood.’

Ik: ‘Is dat zo?’

Hij: ‘Kijk maar eens om je heen. Jij en ik zijn de enigen die hier alléén zijn gekomen. Niemand durft in z’n eentje deze eettent binnen te stappen. Ze komen allemaal met elkaar, in groepjes of met z’n tweetjes. Bang om alleen te zijn en denken wat anderen wel niet van ze zullen vinden. Allemaal zwakte, allemaal houvast, allemaal angst. En met diezelfde angsten gaan ze naar de tempel om waarheid te zoeken. Belachelijk, hè?
Waarheid is een speelbal geworden voor de zwakken. Zo’n georganiseerd geloof is een kruk, een zwakheid en een verslaving die het individu kreupel maakt en het verhindert innerlijk te groeien en zijn eigen gaven te ontwikkelen. Als de mens zichzelf zwak maakt, wordt hij machteloos. En vanuit die machteloosheid wordt hij dan kwaad en gaat hij geweld plegen. Dat is wat je hier ziet gebeuren.’

Ik: ‘Is dat alleen hier het geval dan?’

Hij: ‘Je ziet het overal en steeds onder een andere naam. Ik ben hier geboren, maar ik ga morgen terug naar Engeland waar ik woon. Op mijn werk vereren ze de ratio als hun God. Het is een stap verder dan de tempels hier, maar nog altijd blind.
Afijn, genoeg hierover, wat doe jij hier eigenlijk?’

Ik: ‘Reizen, ontdekken, luisteren, leren.’

Hij: ‘Dat is mooi. Ook goed dat je alleen op reis bent. Hoe lang al?
Ik: ‘Dit is mijn vierde lange reis. Al met al ongeveer drie jaar nu.’

Hij: ‘Als ik je een tip mag geven. Zorg dat je veel alleen blijft. En wees stil. Want die tempel, die heilige tempel, die zit in jou. Dat bén jij. En als je die ziet, zie je hem overal, tot in het kleinste grassprietje.’

Dan staat hij op, geeft me een hand en loopt weg.
Ik kijk hem na.
Tussen alle rumoer, al het geschreeuw en al het vuil op straat vervolgt hij kalm en stil zijn weg in zijn grijze pak. Als enige. Alsof hij onaanraakbaar is.

115. Dagboekfragment van een wereldreis (1)

Via Venezuela (waar al mijn bagage wordt gestolen aan de grens vol met bewaking en politie), Colombia en Ecuador kom ik na drie maanden aan bij de Peruaanse voet van het Andesgebergte, alwaar ik van plan ben een bergtocht te gaan maken.
In Huaráz hang ik een briefje op in het Tourist Office om medereizigers te vinden, koop het boek ‘Trails of the Cordillera Blanca’ en schaf de noodzakelijke ‘trekking equipment’ aan.
Tentje + gedroogd voedsel voor twee weken = 20 kg bagage.
Dan blijkt dat er niemand is die meegaat. Ik moet het alleen doen. En ik ben bang.
Dus doe ik het.

Huaráz, Andesgebergte, Peru, Zuid-Amerika, november 1987

Ik begin in Yungai.
Een stad die op 31 mei 1970 geheel bedolven werd door een lawine vanaf de berg Huascarán als gevolg van een aardbeving. Ik loop over 25.000 lijken van vaders, moeders en kinderen die destijds in drie alles verzengende minuten door het natuurgeweld werden begraven.
Ironisch genoeg hebben de tweehonderd mensen die naar het hoger gelegen kerkhof waren gevlucht het overleefd.
De volgende dag wil ik verder trekken, maar de regen belemmert dit. Ik schuil drie dagen in mijn tentje en besluit vervolgens nog hooguit één dag te wachten, alvorens helaas terug te zullen moeten keren. Maar dan komt de vierde dag. En de zon!

Ik ontwaar de ademende en adembenemende Andesbergen!

Ik klim een uur en lift daarna gratis mee met een Italiaan in een luxe Range Rover. Ik stap uit bij Maria Huayta en loop door naar Colcabamba, waar ik kan overnachten en eten bij de gastvrije Calonge familie. In een écht bed! In verband met rugpijn en koorts blijf ik er twee dagen. Ik ben al vijf dagen onderweg met regen, rugpijn en koorts. Mág ik deze tocht wel doen? De volgende dag ben ik pijnvrij en de hemel lacht helder en blauw. Alle seinen staan op groen en ik ga verder richting de Punta Unión.
Een vaste duidelijke kaart heb ik niet, maar ik weet dat ik over de hoogste berg, de Punta Unión van 4750 meter, moet klimmen en vertrouw erop dat de rest zich vanzelf zal wijzen.
Een wonderlijk op niets gebaseerd vertrouwen, aangezien een goed richtingsgevoel mij ten ene male ontbreekt. Een vriend vertelde me eens dat hij wel begreep waarom ik de hele wereld had gezien: ‘Je was natuurlijk aldoor verdwaald!’
Na enkele dagen lopen dringen vrijheid, stilte en wilde natuurlijkheid steeds dieper in me door. Ik loop naakt met de 20 kg bagage op mijn rug, zing luide liederen die ik zelf verzin, geef grote schreeuwen als groet naar de bergen die mij antwoorden met het razen, scheuren en kraken van immense gletsjers. Ik voel mij volkomen veilig, ben volledig zonder angsten en merk pas ná de tocht hoe angstloos ik me voel. Ook ben ik helemaal alleen en kom al dagen niemand tegen, zelfs geen beest. Ik heb geen enkel verlangen naar mensen en denk ook niet aan ze. Het is alsof ik eeuwig niets liever doe dan dit, terwijl ik ook dít pas achteraf zal beseffen.
Tijdens de tocht zijn er weinig gedachten en ik ga volledig op in mijn lopen, schreeuwen, verstilling en zelfredzaamheid van tent opzetten, voedsel koken, naakt zwemmen in ijskoude bergstromen, eten en slapen.
Alles is genoeg aan zichzelf en ik aan mij. Maar ook dit zal slechts een constatering achteraf zijn waar ik tijdens de tocht niet mee bezig ben.
Na nog enkele dagen lopen, kom ik aan bij haar mooie welgevormde voet. Ik kijk omhoog en zie 4750 meter majesteitelijke macht en schoonheid boven me opdoemen: de Punta Unión.

Mijn Meesterproef.

Ik begin de klim die, naarmate ik vorder, steeds steiler wordt. Het laatste stuk wordt me bijna te veel. Ik hijg en zweet en alles wat lichaam, spier en bot is doet pijn. Lopen kan niet meer met mijn bagage op deze steilheid, dus kruip ik op handen en voeten naar de top. De 20 kg tent en voedsel drukt me naar beneden.

Tót het moment komt dat alles wegvalt ….

Niets is meer zwaar terwijl de lucht ijl en dun is. Het lijkt alsof ik naar de top word gedragen. De uiterlijke omstandigheden zijn precies dezelfde als tien loodzware minuten geleden, maar het lichaam heeft zichzelf los gelaten, terwijl het tegelijkertijd al het zware klimwerk doet.
Ik zie het lichaam zwoegen, maar ik maak er geen deel van uit. Het lijf werkt zich naar de top en ik kijk losgekoppeld toe, terwijl ik er volledig in en bij ben.
Er is geen scheiding tussen de berg, het lichaam en mijzelf en tezelfdertijd ben ik er volkomen los van en ervaar ik geen belemmeringen, terwijl het lijf die wel degelijk ervaart.
Het is alsof de top van de berg verlangt naar mij, alsof zij mij roept en wenkt en het lichaam niets anders kan doen dan het verlangen van de berg volgen. Zij trekt mij naderbij. Alsof ze zichzelf roept. Smeekt. Meter voor meter, centimeter voor centimeter, zweetdruppel voor zweetdruppel.

Dan ontvangt ze mij met open armen en omhelst me teder en lief.

Het lichaam barst in huilen uit en knielt dankbaar op de verlangende kale grond van de berg. Het uitgeputte lijf legt zich neder en zuigt haar diepe verlangen, intimiteit en veiligheid in zich op.
Na deze innige omhelzing sta ik weer op en zie het meest imposante krakende liefdevolle witte woeste berglandschap dat ik ooit in mijn leven zal zien: het eeuwige Andesgebergte in al haar onmetelijke schoonheid en tijdloosheid.

Niets beweegt, alles absorbeert alles, en het is alsof ik ieder deel van iedere berg ben.
Elk verlangen is gedoofd en alles is volbracht.
Complete vervulling zonder dat er gedachten zijn aan vervulling.

Hoe lang dit heeft geduurd weet ik niet. Als ik eraan terugdenk is het aan iets volstrekt eenmaligs, unieks en wonderbaarlijks en tevens is de gedachte aan dat moment te zwaar vergeleken met de totale lichtheid, zwaartekrachtloosheid en het wonder van dat tijdloze tijdstip.
Iets heel dieps in mij wil hier nooit meer over spreken. Ieder woord is overbodig, te werelds, te veel. Er was en gebeurde dat moment helemaal niets en ook was er alles en gebeurde er alles. Er was geen tijd en alle tijden kwamen in één eeuwig momentloos moment samen.
Deze woorden benaderen nog voor geen millimeter en op geen enkele wijze de enorm onoverbrugbare intimiteit en nabije afstand die zich in dat moment aan mij en aan alles voltrok. Alsof woorden deze schat niet mogen aanraken. Alsof alles maagdelijk is en nooit aangeraakt zal kúnnen worden door een mens.

De absoluutheid onttrekt zich aan de woorden die haar tevergeefs pogen te pakken.

Aan de andere kant van de Punta Unión begint een andere wereld. En een wereld van afdalingen. In de namiddagen en avonden leef en loop ik tussen gloedvol oranje bergen die ondergaande zonnen teder beminnen. Deze betoverend kleurige blik en intense ervaring versterkt zich door het feit dat ik al tien dagen alleen ben en geen mens heb gezien of gehoord.
Langdurig alleen zijn maakt je nederig, stil en vervuld van een lege verrukking die je volledig opslokt en meeneemt. Op een onbegrijpelijke manier wórd ik geleefd en merk ik op dat ik deze beweging alleen maar kan volgen in dankbare gehoorzaamheid.

Alleen zijn is met iedereen zijn. Is met alles zijn.
Er is geen afstand en eenzaamheid bestaat niet.
Helemaal alleen zijn is de bron van alles wat bestaat.
Ook in gezelschap.

Het landschap wordt steeds vlakker en ik loop de laatste paar dagen fluitend en relaxed richting bewoonde wereld.
Echter, voordat ik mij ga voorbereiden om de eerste mensen weer te ontmoeten, en om mijn alleenheid te vieren, bereid ik een heerlijke maaltijd uit een blik bonen met spek en mix dit met een macaroni/bami-achtig spul. Ik heb het blik speciaal bewaard voor deze afsluitende, feestvierende gelegenheid en geniet van mijn normaal gesproken niet al te overdadig aanwezige professionele kookkunsten.
De volgende dag kom ik aan in Cochabamba, klop aan bij een huisje, en zie na twee weken alleen-zijn de eerste levende wezens: zes dronken mensen in een kamer.
Even later zie ik buiten een prachtig lief meisje met gouden ogen en bewegingen die bij gouden ogen horen. Ontegenzeggelijk dringt de nieuwe oude bekende wereld zich weer aan me op.
Ik neem een lift naar Caraz waarbij ik onderweg nog een onvergetelijk levenscadeau mag ontvangen en aanschouwen: ‘de mooiste berg ter wereld’, zoals men zegt, de piramidevormige Alpamayo.
Eenmaal terug in Huaráz geef ik mijn overgebleven voedsel aan een bedelaar en vind ergens een stok die ik als betrouwbare compagnon bij me zal houden gedurende mijn hele volgende tocht: de Inca-trail naar de legendarische verboden Inca-stad Macchu Pichu.
De bergen hebben me veroverd en Bolivia, Brazilië en de Himalaya komen er nog aan.
En hoe hoger de bergen zijn die ik beklim, hoe verder ik reis, hoe dichter ik bij mijn werkelijke thuis ben.

114. Mystieke vertelling 11. Relatie

‘Ik ben onderhand wel toe aan een relatie,’ zegt de vrouw opgewekt.

Hij vraagt: ‘Wat bedoel je?’

‘Nou gewoon, ik wil een relatie.

Waarom?

Lijkt me leuker dan alleen. Ik moet alles al alleen doen. Met z’n tweeën is toch veel leuker, hè?

Wat is daar leuker aan?

Aldoor alleen is niet leuk, met elkaar wél.

Waarom is alleen niet leuk?

Er mist dan iets, iemand. Ik zoek een aanvulling op mezelf, een completering.

Dus je bent niet compleet?

Jawel, natuurlijk wel hoor, maar ik heb behoefte aan die aanvulling.

Dus je bent compleet en zoekt een aanvulling op je compleetheid?

Ja, nou, ik weet het ook niet meer hoor. Wat moet ik nou doen?

Dus je weet niet wat je moet doen?’

Even is ze stil, dan barst ze in huilen uit.

Na haar gezicht gedroogd te hebben, haalt ze diep adem en zegt:

‘Ik weet gewoon niks meer. Ik voel me alleen maar rottig. Het leven moet toch wel meer zijn dan dit?’

Haar tranen hebben haar oren geopend waardoor nieuwe woorden naar binnen kunnen stromen.

En de stroom fluistert:

‘Het vermogen om alleen te zijn is het vermogen tot liefde.
Slechts de mensen die in staat zijn om alleen te zijn, zijn in staat tot liefde, tot delen, tot het gaan in de diepste uithoeken van een ander, zonder de ander te bezitten, zonder afhankelijk van de ander te worden, zonder de ander tot een ‘ding’ te reduceren, en zonder verslaafd te raken aan de ander.
Zij die volledig alleen kunnen zijn gunnen de ander volledige vrijheid, omdat ze weten dat als de ander hen verlaat, zij net zo gelukkig zullen zijn als ze nu zijn. Hun geluk kan hun niet worden ontnomen door de ander, omdat het niet wordt gegeven door de ander.’

En bedrukter dan ooit verlaat de vrouw de spreekkamer.

113. Mystieke vertelling 10. De prins en zijn ziel

In een ommuurd paleis woonde een norse prins.
Hij was ongeduldig en boos, schold op zijn personeel, eiste het onmogelijke, en alles in het paleis draaide maar om één persoon: de prins. Mensen vlogen voor hem, bang dat hij ze zou straffen of ontslaan. Er was slechts één mens in het hele paleis die niet bang was voor de prins: zijn knecht, tuinman en raadgever, die hem zijn hele leven trouw had gediend.
Op een nacht, toen de zon en de maan elkaar kusten en alle sterren glimlachend toekeken, dwaalde de prins door zijn lege paleis, keek in zijn ziel en zag peilloze, zwarte duisternis.
‘Wat moet ik doen?!’ vroeg hij wanhopig aan zijn oude knecht
‘Ga naar Isfahan, daar wacht iemand op u. Hij zal u raad geven.’ antwoordde de knecht.
De prins wilde meteen zijn lakeien bars gaan bevelen om zijn koets gereed te maken, maar de knecht zei: ‘U gaat lopend. En alleen. Anders zult u uw bestemming niet bereiken.’
Een kille siddering kronkelde door het lichaam van de prins. Hij staarde verbijsterd naar zijn knecht, maar deed gedwee wat hem werd opgedragen.

De volgende dag ging hij op pad.

Deze eerste dag ging goed, vond hij, en monter liep hij op de weg naar Isfahan, zijn voorgenomen einddoel.
De tweede dag zinderde de zon en verbrandde zijn huid.
De derde dag liep hij door het drassige dal van donker moeras, waar hij wegzakte in de modder en nog net op tijd een tak aan een struik wist vast te pakken om zich uit de zuigende aarde weg te trekken.
De vierde dag barstte een hevige storm los die hem omver blies, meesleurde en hem tegen een rotswand smeet. Gebroken bleef hij de hele nacht liggen in het dal, omringd door giftige slangen.
De vijfde dag beklom hij de hoogste berg die bedekt was met sneeuw en ijs. Hij bevroor, klom door, bezweek, klom door, bereikte de top, gleed uit en stortte in het ravijn, waar hij kermend zijn zesde nacht doorbracht, ditmaal omringd door krijsende aasgieren.
De zesde dag kroop hij uit het ravijn en werd op de kale vlakte aangevallen door een wolf. Hij vocht, verwondde zich, wurgde de wolf en vrat hem op, aangezien zijn voorraad voedsel vrijwel was uitgeput.
De zevende dag baande hij zich met zijn kapmes een weg door dicht, stekelig, donker bos en eenmaal aan het eind gekomen vond hij met bebloed lijf en zoute ogen de weg terug naar zijn einddoel.
Toen hij op zijn bestemming arriveerde, scheen Isfahan stralend over hem heen, maar de halfnaakte, uitgeputte prins in zijn gescheurde kleren, met geblakerde huid en gebroken botten, zag slechts duisternis.

En in zijn duisternis verscheen de dood.

‘Je bent gekomen, eindelijk’, sprak de dood vriendelijk, ‘ik zat al enige tijd op je te wachten.’
De prins zweeg. Hij wist dat dit zijn einde was. Zijn leven had geen zin meer. Zijn keel was gortdroog en instinctmatig greep hij naar de fles aan zijn riem, maar voordat hij het water aan zijn lippen kon zetten, sloeg de dood het uit zijn handen, omhelsde de prins en nam hem liefdevol op in haar zwarte duisternis.
En alles waarvan de prins dacht dat hij het was, verdween in de tedere omhelzing van de dood.
De prins huilde veertig dagen.
Veertig dagen van rouw om zijn eigen sterven.

Toen verdween de dood.

De prins stond op en ontdekte de lichte stad die haar schone schittering nog immer over hem uitstortte. Zij deed dit al sinds mensenheugenis, ofschoon slechts enkelen haar lichte schoonheid zagen. De stad kende weinig geliefden en het deerde haar niet.
Toen keek hij naar binnen.
En zag hij dat de dood het diepste zwart in hem zichtbaar had gemaakt.
En ontdekte hij dat midden in het zwart van zijn ziel het licht van Isfahan begon te schijnen dat daar al sinds onheuglijke tijden verborgen lag te wachten.
En ontwaarde hij datgene waar hij vele levens lang overheen had gekeken en blind voor was geweest: het huwelijk van het eeuwige licht van de stad met het ontluikende licht van zijn ziel dat onder de duisternis verstopt had gezeten en door de dood was geopenbaard.
Zo zag de prins dat alles wat hem donker had geleken, in de wereld en in zichzelf, nooit iets anders was geweest dan de eenzame bruid die los gesneden wachtte op de handreiking van haar geliefde voor het huwelijk van de ziel met de wereld.

Die nacht vond de mooiste eeuwige bruiloft op aarde plaats.

En wist de prins wat hij altijd al had geweten, niet had beseft, en nooit had durven zien.
Na het huwelijksfeest legde hij zich volledig voldaan en dronken van geluk te ruste en sliep een lange zachte nacht in Isfahan.
De volgende dag stond hij geheel verfrist op, gaf alle bedelaars een aalmoes en bedankte de stad hartelijk voor haar warme gastvrijheid. Hij bestelde vriendelijk een nieuwe koets met jonge paarden en reed met losse teugels terug naar zijn paleis. Daar zag hij zijn oude, trouwe knecht die kalm zaadjes plantte in zijn vredige tuin.
Hij knielde voor zijn tuinman, bedankte hem innig en vroeg hoe een arme tuinman kon weten wat er zou gaan gebeuren met een rijke prins in een verre stad.
De knecht wees naar de tuin en sprak:
‘De arbeid die ik hier volbreng is nooit af. De tuin vraagt al mijn aandacht. En de bomen zullen in de zomer alleen vrucht dragen als ik de zaadjes plant met de grootste toewijding en in het volste vertrouwen in hun natuurlijke aard. Doe ik dat niet dan zal de tuin dor en droog worden en veranderen in een boze vijand. Daarom wijd ik mij iedere dag nederig aan dit werk, omdat ik weet dat de tuin mij niet alleen datgene zal schenken wat ik er zelf in heb geplant, maar vooral hóe ik dat heb gedaan.
Slechts zij die gestorven zijn terwijl ze leven, zijn in staat hun tuin op natuurlijke wijze te onderhouden, omdat ze weten dat bloesems en dode bladeren, bloei en verval, gezondheid en ziekte, leven en dood, twee onafscheidelijke kanten zijn van één en dezelfde medaille.
Ik, of vroeger uw ouders, hadden u wel kunnen opdragen om andere mensen vriendelijk te behandelen en een goed leven te leiden, maar u zou het dan alleen gedaan hebben uit plichtsbesef, uit gehoorzaamheid, uit denken, maar niet vanuit uw hart, niet vanuit uw wezen.
Nu weet u dat u niet meer kunt kiezen, maar dat u keuzeloos zult doen wat het leven van u vraagt.
U beseft nu dat alles voorbij gaat, dat de mensen, net als u, stervende wezens zijn en dat er tussen u en hen geen enkel verschil bestaat. Dat u hén en zij ú nodig hebben en dat wij allen onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn.
Dit is niet wat ík, maar dit is wat uw tocht door de hel en de liefde van de dood u hebben onderwezen. Uw innerlijk sterven is uw grootste schat voor de uiterlijke wereld.
Ga nu naar uw paleis en regeer uw land zoals een ware prins en een dienaar van de wereld betaamt. De tijd is gekomen om te trouwen met uw volk en te dansen op het bruiloftsfeest van het leven.
En, oh ja, de muur om uw paleis heeft zich gister afgebroken.
De weg is vrij.’

De prins boog diep voor zijn knecht en bedankte hem met zijn hand op zijn hart. Hij liep naar de ingang van zijn paleis en op het moment dat hij de poort opende, binnentrad en zich op zijn troon zette om zijn toegestroomde volk warm te verwelkomen, kusten de zon en de maan elkaar innig en keken alle sterren stralend toe.

112. Mystieke vertelling 9. Tijd en dood

Hij had haar verteld dat als je diep slaapt dat er dan sprake is van volledig bewustzijn.
Zij had hier een nachtje over geslapen en ze concludeerde dat ze dit onzin vond en zou dat wel even aan hem gaan vertellen.

‘Als ik in diepe slaap ben dan weet ik niks meer, dan is er geen bewustzijn.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Omdat ik er geen herinnering aan heb.’
‘Herinnering en denken kunnen je niets vertellen over een ervaring waarin denken niet aanwezig is. Het denken identificeert zich met bewustzijn en denkt dat het zélf bewustzijn is. Het is alsof de spiegel zegt dat het zijn eigen leven leidt en licht genereert, terwijl de spiegel uit zichzelf niets kan, alleen maar weerspiegelen van iets anders dan zichzelf.
Door zich te vereenzelvigen met bewustzijn, denkt het denken: Als ik verdwijn, verdwijnt ook bewustzijn. Dit is de vergissing van het denken.
Laten we dit wat verder onderzoeken en het hebben over het begrip tijd. Tijd is dan de duur tussen twee gebeurtenissen. We nemen als voorbeeld:

Gebeurtenis 1: Dit moment nu
Gebeurtenis 2: Het diner van gisteravond

De tijd speelt zich af tussen dit moment nu en het diner van gisteravond.
Mijn vraag is dan: waar is het diner van gisteravond?’
‘In mijn geheugen, in mijn herinnering.’
‘We zoeken niet naar de herinnering aan het diner, maar naar het diner zélf. Waar is dat? Kun je teruggaan naar die gebeurtenis?’
‘Nee , het is voorbij.’
‘Ik probeer nu vast te stellen of we tijd kunnen ervaren, dat wil zeggen de periode tussen twee gebeurtenissen, maar jij zegt nu dat één gebeurtenis, het diner, er niet meer is. Als we echter tijd willen ervaren, moet er een verleden en een toekomst zijn.
Probeer nu eens dat verleden te ervaren, oftewel uit dit moment te stappen en dáár naartoe te gaan.’
‘Dat lukt niet, alleen in mijn herinnering, niet in mijn ervaring.’
‘Is het ooit mogelijk om verleden of toekomst te ervaren?’
‘Nee.’
‘Inderdaad, er bestaat alleen de ervaring van de huidige ervaring, van dít moment, nú. Er is dus een verschil tussen herinnering en ervaring. En de ervaring is altijd nu. Als dat zo is hoe kun je dan zeggen dat je tijd ervaart?’
‘Maar ik heb de ervaring dat ik 65 jaar ben!’
‘Nee, die ervaring heb je niet. Je dénkt dat je 65 jaar bent. In feite ervaar je alleen wat je nú ervaart, je huidige gevoelens, sensaties en zintuiglijke gewaarwordingen.
Wat ervaar je nu?’
‘Ik voel me helemaal geen 65!’
‘Dus je zegt nu: ik ervaar niet dat ik 65 ben. Je ervaart dus nu de tijdloosheid die je bent. Die 65 jaren zijn een idee, de tijdloosheid is je ervaring.’
‘Het begrip van tijd is trouwens wel handig in ons dagelijks leven, anders zou het een puinhoop worden.’
‘Dat klopt. Het concept van tijd kan een nuttig, praktisch hulpmiddel zijn, maar het is geen ervaring. Als dus niemand een verleden en een toekomst heeft ervaren, zou het dan kunnen dat tijd niet datgene is wat we denken dat het is?
We kunnen hieruit concluderen dat tijd tijdloos is en dat dit moment eeuwig is. Niet eeuwig in de zin van het eeuwig verstrijken van de tijd, maar dat het altijd Nú is. Je kunt niet uit het Nú, niet uit dít moment stappen.’
‘Maar we gaan toch ons hele leven van moment naar moment?’
Nee, er bestaat geen opeenvolging van momenten, we gaan niet van nu naar nu. Het is altijd en eeuwig Nú. Er bestaat niets anders. Alleen het denken zet alles in een tijdlijn van opeenvolgende momenten en gebeurtenissen en creëert hiermee het idee van een lineaire tijd die verstrijkt. De ervaring speelt zich echter niet af in een lineaire tijd die verstrijkt. Ervaring gebeurt altijd Nú.
Het Nú beweegt dus niet en gaat nergens naartoe, gaat niet van verleden naar toekomst. Alleen het denken verzint dat en gaat hiermee weg bij de ervaring.
Laat ik het zó zeggen:
Tijd is wat eeuwigheid/tijdloosheid lijkt als het gezien wordt vanuit het denken, als het gefilterd wordt door gedachten.
Dit kun je opmerken als je kijkt naar het moment van in slaap vallen en van wakker worden. Je ervaart dan geen tijd. De twee momenten vallen samen. Als je vervolgens op de wekker kijkt en je ziet hoe laat het is dan ga je denken en dan dénk je dat je zes uur hebt geslapen, terwijl in werkelijkheid de tijd afwezig was.’
‘Dus die tijdloosheid ervaar ik in diepe slaap?’
‘Juist. Als denken verdwijnt, verdwijnt de tijd. In diepe slaap denk je niet, dus is er geen tijd. Sterker, niets speelt zich af in tijd.
Als ik dit wat breder trek dan is mijn vraag: hoeveel tijd speelt zich af tussen geboorte en dood?’
‘Je gaat me nu toch niet vertellen dat er zich geen tijd afspeelt tussen geboorte en dood, hè?’
‘Beide momenten, het moment van geboorte en het moment van dood, spelen zich op hetzelfde moment af, net als het moment van wakker worden en in slaap vallen precies hetzelfde moment is. En met ‘moment’ bedoel ik: hetzelfde eeuwige Nú.
Het denken kan dit niet begrijpen, omdat denken nooit naar het Nú kan gaan, nooit in het Nú kan zijn. Denken heeft de tijd nodig en de tijd heeft het denken nodig. Die twee kunnen niet op zichzelf bestaan.
Als we dus volledig in het Nú zijn, dan is er géén denken meer en geen tijd. Dan is er ook geen persoon die denkt, aangezien het bestaan van een persoon altijd gebaseerd is op een idee, op denken, het is geen werkelijkheid.
Het bestaan van een individueel persoon is een gedachte.’

Na afloop van het gesprek stapt ze op, geeft hem een hand en zegt:
‘Oké, ik ga er nóg maar eens een nachtje over slapen …’