Om enigszins grip te krijgen op het karakter van de Westfries, is het nuttig hem te observeren als hij discussieert. Wat dan meteen opvalt is dat de Westfries veelal niet zozeer discussieert op basis van argumenten, maar meer om zijn identiteit en zijn rol te bevestigen. Hij weet dan waar hij staat, zowel in het leven als ten opzichte van de ander en dat geeft zekerheid.
Als een Westfries érgens veel van houdt dan is het zekerheid.
Wat wil je ook?
Na eeuwen van onzekere strijd tegen water, rampspoed en overheersers, om nog maar te zwijgen van zijn privé situatie, heeft hij maar één ding nodig: zekerheid.
Daarom is een Westfries nooit helemaal zeker van zijn oordeel, maar hij wekt graag de indruk dat hij dat wél is. Met trots noemt hij zichzelf ‘dwars’ en de meest gebezigde uitdrukking in de cafés in Westfriesland die bij dat ‘dwarse’ hoort is: ‘ZEKER WETEN!’
Met hoofdletters.
Als hij dat, na zijn ongetwijfeld boude uitspraak over politiek, voetbal of lekkere wijven, zegt, is het de bedoeling dat hij heel zelfverzekerd kijkt, een klap op de bar of op tafel geeft, zijn hoofd meerdere keren traag en gecontroleerd op en neer knikt, dan zijn gesprekspartner recht aankijkt en daarna de ultieme bevestiging uit van zijn twijfelloze zelfverzekerdheid door te roepen: ‘Jahaa!’ En terwijl hij dat roept wordt er van hem verwacht dat hij zijn ogen sluit in een zodanige superieure twijfelloosheid dat het iedere verdere discussie niet alleen uitsluit, maar bij voorbaat tot een zinloze en volkomen belachelijke actie degradeert.
Dit veel voorkomende gedrag en deze code heeft een niet onbelangrijke functie, want ergens is de Westfries bang. Bang dat als hij zijn controle verliest, dat dat water van vroeger hem weer overspoelt, die overheerser hem weer overheerst en die rampspoed alles weer vernietigt wat hij heeft opgebouwd. Om van zijn privé situatie, afijn, u begrijpt het inmiddels wel.
Een ander voorbeeld van deze dwarsheid zien we in de kolfwereld waar gummikolvers en sajetkolvers elkaar bestrijden.
Waarom twee soorten ballen in één spel? Vraagt een normaal mens zich af.
De Westfries stelt deze vraag niet, want hij vindt twee ballen logisch.
In deze oude richtingenstrijd tussen gummi en sajet, in deze twee soorten kolfballen, zien we het Westfriese karakter en zijn omgangsvorm terug:
de weigering het met een ander eens te zijn en tóch met hem om te gaan.
Dus als je lekker allemaal al eeuwen met sajetballen kolft, is er altijd wel een Westfries die iets anders gaat uitvinden. Een buitenstaander zou dan denken dat hij iets uit gaat vinden om het béter te maken. Dat is logisch, denkt de buitenstaander.
Maar de Westfries heeft zijn eigen logica en vindt iets uit met als énig doel om het vooral níet met de ander eens te zijn. Dat vindt hij prettig. Dus vindt iemand een gummibal uit, niet alleen om mee te kolven, maar vooral om tégen de sajetbal te kolven.
Er móet namelijk een tegenpartij zijn. Er móet iets zijn om je tegen af te zetten anders leeft de Westfries niet. Niet echt. Hij weet dat hij dat doet om straks, na de heftige strijd tégen de ander, mét die ander gezellig na te zitten. Gezelligheid vaart wel bij concurrentiestrijd. Die strijd wordt in Westfriesland aan de bar voortgezet in katten en jennen en sarren en plagen en in elkaar zogenaamd niet mogen. Het is juist in dat ‘zogenaamde’ waar de kern van de sterke band tussen de Westfriezen ligt, want ze hebben elkaar nodig. Vroeger tegen het koude wilde water en de gevaarlijke overheersers en nu tegen de grotere, sterkere buitenwereld. Een wereld om je tegen af te zetten en een wereld die je nodig hebt.
Maar dat laatste zeggen ze niet snel in Westfriesland: ‘Ik heb je nodig.’
Dwarsheid is het tegenovergestelde van kwetsbaarheid.
Snapt u?