54. Dorpsverhaal 32. De groenteboer

Tegenover school woonde Cees Stammis, de groenteboer. Stammis met ‘is’, geen ‘es’, dus geen familie, wat iedereen altijd vroeg. ‘Ben je familie van Cees Stammis?’ 
Nee. 
Sommige dingen herhalen zich eindeloos in een dorp. Net als Simon Wijn, de bakker, die mijn broer Niko altijd Dick noemde en mij altijd Niko. Altijd. Nooit niet. En hij bleef het doen ook toen hij al lang geen bakker meer was. Eeuwig in de war is ook een vorm van duidelijkheid. 
Cees Stammis had een paard en wagen om zijn producten in het dorp te verkopen. 
Op een nacht schilderden enige guiten, belhamels en schavuiten uit het dorp met grote witte letters KUT op de harige huid van het paard. Cees Stammis werd de volgende ochtend wakker en ontdekte de witte wandaad nog net op tijd. Slim als hij was pakte hij zijn grote schapenscheer tondeuse en schoor precies op het formaat en de dikte van de letters de witte verf weg. Met als gevolg dat dat enorme woord KUT er de komende drie maanden op bleef staan. In vol ornaat op de huid van het paard, zonder verf en precies volgens de lijnen van de verf. 
Inderdaad. Cees Stammis was slim, hij hield niet van verf en had een tondeuse.

De vrouw van Cees Stammis was altijd ongeduldig als ze haar smalle deurraampje van de winkel met tegenzin voor ons opendeed. Ze wist dat het keuzeproces van die kinderen eindeloos ging duren en dat de netto opbrengsten ongeveer nihil zouden zijn. Dus had ze geen zin. Wij wel. 
Dat was het grote conflict: Zíj niet, wíj wél. In snoep. En om daarover heel lang na te denken en te praten. Dat was deel van het genot voor ons en deel van het drama voor de vrouw van Cees Stammis. We zeiden trouwens nooit vrouw Stammis, maar altijd: de vrouw van Cees Stammis. 
Ze hadden een zoon, Joop, die ook geen familie van mij was. Iedereen kende Joop, want iedereen had wel eens bij hem in de klas gezeten. 
Meester Schutte, onze meester van de tweede klas, las altijd de cijfers op en het aantal fouten. Hij begon dan bij de besten en daalde langzaam maar zeker af naar de laagste cijfers en naar Joop. Maar plotseling zei de meester dit keer al heel vroeg in het rijtje: ‘Joop Stammis, drie fout’. 
Terwijl Meester Schutte dit zei keek hij stomverbaasd de klas in. Naar Joop. Alsof ook de meester het getal voor het eerst van zijn leven zag. Drie fout. Joop bloosde. 
Paul Breddels, die altijd goede cijfers haalde en voor één keertje naast Joop had gezeten, bloosde mee. Sociale daad van Paul voor een staaf drop van Joop, bij zijn moeder, de vrouw van Cees Stammis. Maar daar wist Meester Schutte niets van af. Dáár was Joop te slim voor. 
Jaren later werd Joop nóg slimmer. Zelfs zó gewiekst dat hij zijn motorrijbewijs haalde, een motor kocht en verkering nam. Verleden gewist. Na een paar weken was de verkering alweer uit. 
‘Waarom?’ vroegen we aan Joop. 
‘Ze ging niet mee in de bocht,’ antwoordde Joop.

53. Dorpsverhaal 31. De half gestaakte wedstrijd

De grootste overwinning die wij als als voetballertjes van Pupillen A ooit behaalden was tegen het lang niet altijd lastige naburige Winkel.
De tegenstander kon al die ballen in eigen net moeilijk verkroppen dus gooiden de
11-jarige blauw-witten hun koppen in de wind en konten tegen de krib waardoor drie Winkeler spelers het veld voortijdig moesten verlaten wegens gemeen spel.
Aldus besloot ervaren arbiter Anton van Beers sr., de vader van, inderdaad, Anton van Beers jr.
Nadat de derde speler het veld had moeten verlaten, staakte Anton de wedstrijd in de volle overtuiging dat het voor een elftal met slechts acht spelers niet toegestaan was om de match te vervolgen. Na zijn fluitsignaal pakte hij de bal en marcheerde kaarsrecht richting kleedkamers met de jonge spelertjes gedwee en teleurgesteld achter zich aan.
Aangekomen bij de achterlijn werd hij echter staande gehouden door enige heftig protesterende en boze Nierupper toeschouwers, waaronder een woedende Klaas Kliffen, de vader van Piet. Kaas brulde met rood hoofd:
‘Ju benne hartsikke fout, man! Met acht speulers ken je best doorspeule, met zeuven moet je stoppe, níet met acht!’
Twijfelend keek de normaal zo rechtlijnige en zelfverzekerde arbiter om zich heen, maar hij vond geen steun, want nu begonnen ook andere toeschouwers Klaas bij te vallen:
‘Ja, Anton, je moete deurgaan hoor, dur is nag niks an de hand, met acht kennut nag best.’
Hierop stopte Anton gedecideerd zijn scheidsrechtersfluit weer in de mond, blies streng, rende het veld in en wees kordaat naar de middenstip waar de wedstrijd met een stuitbal gewoon werd hervat. Met elf tegen acht spelers.
Einduitslag: 21 – 0.
Vólle speeltijd!

52. Dorpsverhaal 30. Dirk Boeve

Hij was onze voetbaltrainer van de pupillen en woonde in de Schulpweg aan het einde van het dorp.
Dirk was snel kwaad en had alles voor ons over. Voor ons, voetballende jongens met grote dromen. Dirk was postbode en had ze ook gehad, die dromen. Hij leerde ons dat het ook mogelijk was om van boze mensen te houden. Boze mensen met een gouden hart, zoals Dirk.
Dirk had zo zijn eigen stemmingen en formuleringen. Vaak bestond er bij hem geen genuanceerde tussenweg of een neiging tot democratische besluitvorming. Hij was óf blij óf kwaad. Hij hield niet van gelijkspel. Het was óf winnen óf verliezen en er was geen tussenweg. Precies wat jongens willen. Duidelijkheid. Houvast.
In latere jaren kwam ik Dirk wel eens tegen in het café. Als hij dan kwaad werd begon hij niet te praten, te schelden of te vechten. Nee, Dirk wilde dan iemand in de fik steken. Met zijn aansteker.
Op een avond werd hij wel kwáád, maar het café was vrijwel leeg en Dirk kon geen tegenstander vinden. Ik hoorde hem plotseling roepen: ‘Ik steek die plant in de fik!’ Dirk sprong van zijn barkruk en liep doelgericht naar zijn niets vermoedende tegenstander:
de plant!
Ik heb zeer veel ingewikkelde situaties en conflicten meegemaakt in het Horeca-leven, maar dit was de eerste en de laatste keer dat ik een klant kwaad heb zien worden op een plant en dat een portier een klant moest tegenhouden omdat die de argeloze plant in de fik wilde steken bij gebrek aan andere tegenstanders.
Dat was Dirk. Hij hield niet van gelijkspel. Het was winnen óf verliezen.
Ook van planten.
Dat compromisloze pad leidde eens tot de ontdekking van onvermoed commerciële talenten bij Dirk. Begin jaren zestig, het begin van de seksuele revolutie, werden er condooms verkocht door de familie Singer, die dit deden voor de NVSH, de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming.
Tijdens een busreis met de voetbalvereniging naar Oostenrijk galmde Dirk toen een gloednieuwe reclameslogan door de volle bus:

‘Singer kapotjes. Het merk met wereld reputatie!
Met Singer gewerkt, niets gemerkt!’

Verder was Dirk beroemd, omdat hij tijdens de Floralia aan het Rad van Avontuur draaide en prijzen uitdeelde. Na iedere ronde gaf hij een harde draai aan het ratelende wiel en riep dan luid door de zaal: ‘Ja mensen, en weer die oude kaarten terug! Nieuwe kaarten, nieuwe kansen, nieuwe prijzen! Winnen, winnen , winnen, steeds maar prijsjes winnen!’
Als iemand een rookworst had gewonnen, dan wachtte Dirk niet tot de winnaar de worst kwam ophalen. Nee, hij gooide hem door de hele zaal heen naar de gelukkige. Dat vond ik het mooiste, dat harde gooien en dat lachen erbij met dat luide roepen. Uren kon ik ernaar kijken.
Naar Dirk die de hele zaal aanstak. Niet met zijn aansteker, maar met zijn lef en zijn humor. En zijn vrolijkheid.

51. Dorpsverhaal 29. Terdiek, Jo de Weerd en ut foebulland

Na ’t Paadje kom je ‘op Terdiek’, een buurtschap van enkele boerderijen en huizen. Mijn vader, zijn vier oudere zussen en zijn jongere broer Kees zijn er allemaal geboren. Het is tegenwoordig een Bed & Breakfast. 
Ome Kees had vroeger astma, zo hoorde ik, en had het met die astma tóch maar gebracht tot de B-kernploeg van de schaatsers, vlak onder de top. Dat vond ik knap van ome Kees. Hij schaatste, samen met Klaas Koorn van de Langereis, helemaal in Noorwegen.
Zijn zoon Huub had vroeger ook astma en die is later algemeen directeur van de KNSB geworden. Ook schaatsen. Je zou het iemand bijna gunnen om astma te krijgen. Succesvolle aandoening.

Op Terdiek bestierde Jo de Weerd zijn kruidenierszaak annex café. 
Later woonde daar Hark Bood, de oude hippie met het lange haar. 
Anarchist. Ongrijpbare man.
Hark had na de Duitse inval in 1940 gezworen dat hij zijn haar zou laten groeien net zolang totdat de Duitsers weer zouden vertrekken. 
Aldus geschiedde.
In 1945.
Zijn vrouw liep mank als gevolg van een vergroeide voet, een ‘horrelvoet’. Iedereen kende die medische term, door vrouw Bood. Toen ze een keer in het zwembad zwom, dacht mijn zus Marga: ‘Ik snap wel waarom ze zwemt. Nu ziet tenminste niemand haar voet.’ 
Tot vrouw Bood met haar hoofd onder water dook, op haar handen ging staan en alleen haar benen boven water uitstaken. 
Ze had niets te verbergen.

Jo de Weerd verhuisde intussen van Terdiek naar het huis vóór het voetbalveld. 
We zeiden trouwens niet voetbalveld. We zeiden: foebulland, oftewel voetballand. Eerder voetbalde men op weilanden. Dus voetballand. Later maakte men aparte velden. Dus voetbalveld. Logische redenering.
Ome Jo had een enorme reputatie in het dorp. Hij was voetbalkenner, niet alleen omdat hij van mij had gezegd ‘Kijk, jij kan het’ (wat ik een onomstotelijk feit vond), maar ook om andere redenen. Bovendien was hij elftalbegeleider. Én … hij had in ‘Het Eerste’ gespeeld! Dus was hij sowieso heilig. ‘Hors catégorie’, zeggen ze in de Tour de France. 
Het Eerste, dat is het beste elftal met de beste voetballers van het dorp. Daarbuiten wordt het moeilijker, zoals met alle Eersten van alle dorpen. 
Mijn favoriete speler was Karel Koorn, de aanvoerder en achterste man. Achterste man, dat vond ik een mooier woord dan ausputzer of stoppersspil.
Karel was misschien niet beter dan Jan Jes, de dribbelaar, maar hij was nuttiger. Jan Jes pingelde soms net zolang tot de tegenstander hem vloerde. Dan werd hij kwaad en begon te schelden op zijn medespelers. Dat vond ik niet goed. Karel pakte de bal af en speelde hem meteen door. Dat vond ik beter.
Karel was teamplayer en aanvoerder. Jan Jes was individualist en pingelaar. Jan voelde zich onbegrepen, vandaar die boosheid. Misschien had hij wel gelijk. Het is niet makkelijk als je meer ziet dan een ander en beter bent. Ik dacht altijd dat als je eenmaal de beste was, dat het leven dan makkelijker zou worden, maar bij Jan Jes was dat niet zo. Daar dacht ik wel over na. Jan maakte me realistischer. 
Als Karel er stond kwam er geen man langs en geen bal door en daarom vond ik dat woord zo goed: achterste man. Na de achterste man komt er géén voetballer meer en zéker geen tegenstander. Die houd je tegen en dat deed Karel. 
Na Karel kwam alleen nog de keeper, de allerachterste man. In mijn jeugd waren dat eerst Piet Harberts, de keeper met de rode sweater, en daarna Willem Woudt die wij beiden beschouwden als onoverwinnelijke tijgers zónder een spoor van medelijden voor zwakkelingen. 
Piet ging bij belangrijke wedstrijden bidden in het klooster voor de overwinning en daarna kauwde hij heel hard op kauwgom met een blik en hardnekkigheid alsof hij zijn tegenstanders vermorzelde tussen zijn tanden. Kijk, dat soort meedogenloze mannelijke voorbeelden hebben jongens nodig. Jongens die later de beste van de wereld zouden gaan worden. Hierover bestond geen twijfel.
Willem Woudt stond op doel met de onoverwinnelijke houding van de Siciliaanse Don Corleone die vlak voor de wedstrijd de tegenstander met een gewelddadige liquidatie had bedreigd, oftewel ‘He had made them an offer they couldn’t refuse.’ 
Op het moment dat spelers van de tegenpartij het strafschopgebied betraden, begonnen ze te trillen van de zenuwen, zagen in hun hoofden een afgehakt bloedend paardenhoofd in hun bed liggen en daalden smekend op hun knieën waardoor ze ter plekke veranderden in radeloze slachtoffers alleen al bij de aanblik van onze Tijgerkeeper. Willem hoefde niet eens te brullen. 
En terwijl tegenstanders her en der huilend van wanhoop op de grond kronkelden, pakte de zelfverzekerde doelman kalm de bal en poeierde hem snoeihard en kaarsrecht naar voren om de volgende vlammende aanval te openen. Géén genade.
Dit gaf ons als jonge toeschouwers geruststelling. Wij voelden ons sterker door Willem en kracht heb je nodig als twaalfjarige toekomstige beste van de wereld.

Na Piet en Willem kwam een man met nóg minder medelijden voor de tegenstanders.
Dat was de legendarische Cees Helder, die later in het Noord-Hollands elftal keepte. Kennelijk was er dus nóg een categorie buiten de ‘hors catégorie’. Grotere wereld.
Maar tegen die tijd was ik al ouder en realistischer geworden. Door Jan Jes.
Karel was de absolute top, dus vroeg ik hem op straat een handtekening. 
Hij deed toen een beetje moeilijk. Aarzelend, verlegen bijna. Zo had ik Karel nog nooit gezien. Ik wist niet dat als je de beste was, dat je dan ook verlegen kon zijn. Ik dacht dat de besten alles durfden met alles. Karel zette zijn handtekening en liep meteen door, alsof hij een tegenstander achterna liep. Zó snel.

Voor de tuin van kruidenier Jo de Weerd stond het bordje met de opstellingen. Dat was altijd spannend, die opstellingen. Als de wereld vergaat is dat niet zo leuk en Hiroshima was ook geen pretje, maar niet opgesteld staan is veel erger. Dan vergaat je eigen wereld en dat betekent levend sterven. In het weekend. 
Dat begrepen de opstellingmakers niet zo erg, die jongenswereld. De wereld van de beste zijn, altijd willen spelen en nooit moe. Maar iedereen kwam aan de beurt en soms stond je er zomaar buiten en mocht je niet spelen. Daar werd je wél moe van. En razend. 
Haat gaat heel diep bij jongens die niet mogen voetballen. Zo’n Al Qaida en IS moeten daar ook door ontstaan zijn. Terrorisme is logisch. Allemaal jongens die niet mogen spelen. Dan maar bommen gooien in plaats van doelpunten zetten.
Ik snap dat wel. 
Mijn broer Niko werd niet opgesteld, omdat hij zijn mond niet wilde houden. Dat mocht niet van de machtige heerser De Aansteller. Zo noemden we de Opsteller. 
Mijn broer wilde bommen gooien. Ik begreep dat meteen, als jonge extremist. Ik hielp mijn broer met kussens. Ik hield het kussen vast en mijn broer beukte er op los.
Op de Opsteller. De Aansteller.

Toen ik dertien jaar was, was de voetbalvereniging vijftig. Groot feest. 
Ik kreeg als aanvoerder van de kampioenen, aspiranten C, de eer bloemen te overhandigen aan de inmiddels doodzieke ome Jo, die zoveel had betekend voor ‘de voetbal’. 
Enkele weken daarna stierf hij. 
Veel later in mijn leven begon ik te beseffen hoe mooi en hoe belangrijk dat moment was: dertien jaar jong en bloemen overhandigen aan de beroemde Jo de Weerd.
En terwijl ik deze zin schrijf is het alsof ik ome Jo die bloemen nu pas echt geef.
Misschien nog nét op tijd.

50. Dorpsverhaal 28. ’t Paadje, de Bigband en eentje van de melkboer

’t Paadje.
Zo heette het smalle kronkelige weggetje tussen Oude en Nieuwe Niedorp.
Als je tegenwoordig tussen de twee dorpen pendelt moet je over het viaduct dat over de provinciale weg loopt. Na het viaduct ligt aan je linkerhand een brede weg die nog steeds heet: ’t Paadje.
Op ’t Paadje stonden boerderijen waar je in het hooi kon spelen en met touwen aan hanenbalken kon zwieren. Daar woonde Bart de Vries, die kon alles. Nog steeds.
Langs ’t Paadje lagen bollen- en aardappelvelden. Daar verdienden we geld in De Grote Vakantie die nooit stopte. Oceanen van tijd en ruimte en bollen en aardappels rooien voor een kwartje per kistje. Bij rode aardappels 30 cent. ‘Want die rooie dat kaikt effe wat moeilukker’.
Dat zei Klaas Eijssen, de aardappelboer, die vaak dezelfde zinnen eindeloos herhaalde waardoor een kort verhaal heel lang werd. Hij wreef dan ook altijd over zijn gezicht. Mijn vader zei: ‘Als Klaas Eijssen over zijn gezicht wrijft, begint hij te liegen.’
Toen Klaas eens over zijn gezicht wreef en zei: ‘De wagen staat in de schuur’, geloofde ik hem niet. Tóch stond hij er. Mijn vader had niet altijd gelijk. Misschien loog hij ook wel eens.

Verdriet en vreugde komen samen in een dorp en op ’t Paadje. Ik spreek over het jaar 2001. Daar verongelukte Loek Bruin. Jonge vent. Zo’n jongen die iedereen kende. Een jongen van het dorp.
Toen we in de twintig waren en ook maar wat deden, stond ik met kermis achter de bar. Loek kwam binnen en zei dan altijd: ‘Ik spreek je vannacht om half vier op het kerkhof.’
Wrede ironie van het lot. Hij ligt er nu.
Ik spreek hem wel eens als ik op het bankje zit voor zijn graf. Niet om half vier ’s nachts. Loek ligt vlakbij mijn ouders dus ik kan ze allemaal tegelijk spreken. Er ligt daar een heel dorp van vroeger. Ik zou er een boek over kunnen schrijven.
Naast Loek ligt zijn vader die bij hem wilde zijn. Dat was Henk Bruin, de melkboer.
Loek Bruin kon dus met recht zeggen dat hij ‘er eentje van de melkboer was’. En Loek wilde me spreken op het kerkhof en dan vechten. Hij zei dat om plezier te maken en om te lachen. Onzin, dáár ging het om. Lol maken en dan iets uitvechten, net als in boeken. Wraakacties. Hij kreeg dan een glas bier van me, we proostten en we lachten. Daar was kermis voor, om te lachen en om bier te drinken.

Én we speelden samen in de bigband.
Ja, die bigband dat wás iets.

Twintig gekken. Een paar organisatorische steunpilaren, zoals Paul Breddels en Jan Peetoom, en een inspirerende orkestleider, Johan van Slageren, legden de basis voor het succes en het plezier. Het was mooi om te zien dat die drie bijzondere mensen wel normaal probéérden te doen, maar hun pogingen daartoe regelmatig in rook zagen opgaan en daarom wonderwel in die band pasten.
Een uitgekomen droom, dát was die bigband. Nog mooier dan de fanfare.
Jazz.
De geboorte vond plaats in 1968 en de oprichting in 1981.
Op mijn twaalfde keek ik met Paul Breddels naar een film over Glenn Miller, de beroemde Bigband leider. Blikseminslag. We waren verkocht voor het leven.
Als jongen weet je niet wat je diepste droom is. Die is te dichtbij dus je kijkt er, zoals iedereen, overheen en daarom pak je iets tastbaars of hoorbaars. Jazz. En die jazz was het uiterlijke kenmerk van die innerlijk droom, dat innerlijke verlangen dat we nog niet kenden. Vandaar die Bigband, waarin we ons verlangen konden uitdrukken om te spelen, eindeloos te spelen. En om daarmee onszelf te bevrijden. Als kinderen, gelukkige kinderen.
Loek Bruin heeft dat meegemaakt. Spelen om zich vrij te maken en om kind te zijn.
Zijn leven was eindeloos waardevol, want hij wist wat geluk was.
Ik weet het zeker. Ik heb het zelf gezien.

Vóór Henk Bruin waren er twee melkboeren op het dorp, Adriaan Krabman en Jan Kater. Jan Kater was getrouwd en Adriaan Krabman was vrijgezel. Mijn vader zei daarom:
‘Er is maar één kater en dat is Krabman.’
En dat werd dus Henk Bruin.
De familie Bruin woonde naast het postkantoor. Toen mijn vader in arme tijden verkeerde en geen auto bezat ging hij op een dag op een oude eenvoudige roestige fiets, zonder enige accessoires, naar het postkantoor. Riet en Henk Bruin keken net uit het raam. Toen mijn vader ze zag begon hij zogenaamd heel deftig te kijken, bracht zijn hand omlaag naar de plek waar op een dure fiets een glimmende versnellingshendel zit en maakte een schijnschakelbeweging op de oude roestige fiets.
Henk Bruin schaterlachte om deze rijke humor in arme tijden, wat niet iedereen kon.
Mijn vader zei: ‘Henk Bruin heeft de mooiste lach van West-Europa.’
Mijn vader relateerde alles aan West-Europa. Ook zei hij wel eens: ‘Van West-Europa en omstreken.’ Dat was een extra categorie. Topklasse.
Hij zag eens een mal uitgedoste vogelverschrikker in een veld staan en zei:
‘Kijk! De slechtst verklede skrogelverfikker van West-Europa.’
Toen dacht hij even na en voegde eraan toe: ‘en omstreken’.
Met een blik alsof hij een juiste beslissing had genomen. Tevreden, zo keek hij dan.
Ook omdat zijn woord skrogelverfikker goed gelukt was.
In één keer.

49. Dorpsverhaal 27. Ut huissie van van der Kooi

Als jongens kenden we in het dorp veel geheimzinnige plekken. Die waren er om je te verschuilen, in te spelen of dingen te doen die ouders niet mochten weten. 
Onze favoriete plek was: ‘Ut huissie van van der Kooi’. 
Het was een ‘onbewoonbaar verklaarde woning’ of, zoals mijn vader zei, een ‘onverklaarbaar bewoonde woning’. Een oud klompenmakershuisje met de werktuigen er nog in. Je kon er eindeloos spelen, fantaseren, vechten en van alles uitvinden. 
Zo wilden we hooi malen tot gebakken aardappelen. We fantaseerden gewoon dat het kon, dus lukte het. Bijna.
Op straat voetbalden we dag en nacht. Tegen de blinde muur van het oude huisje heb ik jarenlang honderdduizenden ballen getrapt. Ik zou tenslotte de beste voetballer van de wereld gaan worden en daar moest iets voor gedaan worden. Compleet verslaafd was ik. Ik ging er zelfs mee naar bed. Met de bal.
Van der Kooi, dat was ‘de boze man’. Toen we nog héél jong waren, vroeg mijn vader ons wel eens: ‘Zal ik de boze man bellen?’ Dan sidderden we van opwinding en spanning. Mijn broer met zijn paardje van doek in zijn hand en ik met mijn wollen beer. Trillend voor de boze man. 
Mijn vader draaide dan een drie-cijferig telefoonnummer en gaf ons meteen de hoorn. 
We hoorden een stem. Die stem zei ….‘Ja?’
Héél zwaar en héél boos. 
Dan gilden we en grepen huiverend naar paard en beer. Mijn vader legde de hoorn er weer op en lachte. Híj was niet bang voor de boze man. 
Mijn vader durfde álles. 
Dachten wij.

De boze man was een Groninger, sterk en groot. Hij was ooit met zijn familie per wals vanuit Groningen met een woonwagen erachteraan, als een trage boze Pipo de Clown zonder schmink, over de Afsluitdijk naar Nieuwe Niedorp gereden. Wij dachten toen dat alle Groningers boze mensen waren. Wij kenden er maar één en dat vonden we al eng genoeg.
De zoons en de vrouw van de boze man waren vriendelijk. Logische reactie.
De boze man was de vader van Roel van der Kooi, onze favoriete elftal begeleider in de junioren, en van Sint en Klaas. Ze waren allemaal groot en sterk, maar mijn vader, die alles wist, zei dat Klaas de allersterkste was. Zijn ultieme argument was: 
‘Klaas van der Kooi is zó sterk, hij rúíkt helemaal sterk.’ 
Alles was enorm aan Klaas: armen, benen, hoofd, overall, laarzen, reuk. 
Als hij zich langzaam over straat voortbewoog dacht ik altijd dat hij expres vertraagd liep. Alsof al die massieve spieren tijd nodig hadden om in dat lichaam mee te kunnen; om zich naar de bewegingen van dat lichaam te richten. Eén stap te snel en je verliest ze, die trage spieren. 
De van der Kooien waren imméns groot en hun huisje imméns klein. 
Ik vroeg me altijd af hoe al die enorme van der Kooien in dat piepkleine huisje pasten. Ik hoopte maar dat er ook een tuin zou zijn achter het huis of dat er ramen open konden. Ruimte.
Sint, de broer van Roel en Klaas, was ook groot en sterk en rook ook. 
Naar alcohol. Veel. 
Het stamcafé van Sint was één van de oudste café’s van Nederland, de Roode Eenhoorn. Dat was van Harm Hees, de Drentse kastelein mét bijbehorende Drentse eigenschappen. 
Sint van der Kooi bleef dagelijks aan de bar zitten bij Harm, ook als Harm weg ging om te eten. Daar zat Sint, in het café: alleen, stil, drinkend. Hij staarde dan altijd zwijgend naar de vloer. De grote Sint ging niet naar zijn kleine huisje. Daar zat zijn vader, de boze man. Ik begreep Sint wel.
Sint moest een keer naar de dokter, omdat hij last had van zijn lever. 
Dokter van Os vroeg: ‘Hoeveel drinkt u dan per week? Wel tien glazen bier of zo? 
Sint antwoordde: Ja, misschien. Of zeventig.’
Op een dag hoorde de grote Klaas in het kleine huis een enorme dreun uit een slaapkamer komen. Het hele van der Kooi-huisje trilde van de klap en de schok. 
Klaas liep naar de plek waar de beving had plaatsgevonden en daar lag zijn broer. Alleen. Zwijgend. Gevloerd.
Een passender dood voor Sint konden we ons niet voorstellen.

48. Dorpsverhaal 26. Buurman en buurvrouw (2)

Toen mijn moeder eens met haar pasgeboren zoon Niko (1955) in de kamer zat bij de buren, was buurman de Boer net bezig in datzelfde vertrek zijn voeten te wassen in een kom met warm water. Plotseling moest mijn broer poepen en hopsakee pakte buurvrouw het kleine kind snel beet en droeg hem richting waterkom. Buurman de voeten eruit en Niko de ontlasting erin. Klaar.
Buurman zette daarna zijn voeten er kalm weer in. In het warme water tussen de drollen. Om ze te wassen. Zijn voeten.

Bij buurvrouw gingen de bepaalde waarden en normen uit de straatarme voor-oorlogse tijd gewoon door.
In het dubbele huisje met het dunne wandje kon je vaak letterlijk horen wat de buren zeiden. Toen mijn ouders, Jan en Gerie, op een avond in bed lagen hoorden ze Mak tegen Trijn zeggen: ‘De kolen zijn op.’
Trijn zei kalm:
‘Oh, ik haal morgen wel wat bij Gerie uit de schuur, die heeft nog een hele zak staan.’

Toen Mak overleed en op het kerkhof terecht kwam, maakten we voor het eerst in ons leven mee dat een vrouw haar overleden man op het kerkhof ging bezoeken zónder bloemen mee te nemen en dat ze mét bloemen van het kerkhof terugkwam.

Na onze verhuizing in 1958 verzorgde mijn moeder zorgvuldig de mooie nieuwe tuin.
Op een dag kwam buurvrouw weer eens op bezoek, ‘om un bakkie’. Koffie, dat wilde Trijn altijd drinken, maar dan wel mét een vel erop, ‘un vluus’. Het vel ontstond als je de koffie met melk van de vorige dag opwarmde.
Ze vroeg aan mijn moeder: ‘Gerie, wat heb je een mooie narcissen staan in de tuin. Mag ik er een paar meenemen?’
‘Nou, liever niet’, zei mijn moeder, ‘ze staan nu net zo mooi en zóveel heb ik er niet.’
Buurvrouw knikte en dronk haar koffie met vel.
Na ‘koppiestoid’ nam buurvrouw afscheid en liep de kamer uit richting keuken.
Mijn moeder bleef zitten en dacht even later: wat raar, wat blijft Trijn lang in de keuken staan.
Vanuit de keuken liep buurvrouw vervolgens naar de bijkeuken waar de nieuwe wasmachine stond die volop in bedrijf was. Een apparaat dat buurvrouw niet kende. Ze bleef staan, bukte zich, zwaaide naar de wasmachine en riep: ‘Zo jôh, draai je lekker.’
Hierna liep buurvrouw de deur uit, over het pad, langs de tuin. Mijn moeder keek haar na, vanachter het raam. Buurvrouw stopte, pakte de schaar van mijn moeder die ze uit de keukenlade had gepakt, knipte enige narcissen los, stak ze in haar mandje en liep weg naar huis.
Toen mijn moeder een paar dagen later bij Trijn op bezoek was, stonden ze daar te bloeien: mijn moeders eigen narcissen. Trijn zei eerlijk: ‘Oh Gerie, ik had een schaar van je geleend. Hier heb je hem weer terug. Ik was het bijna vergeten.’
‘Bedankt’, stamelde mijn moeder.
En zo zaten ze daar. Aan de koffie met vel. In een kamertje met een dun wandje, met narcissen en een schaar. En mijn moeder die niet van conflicten hield en een buurvrouw die niet wist wat ze waren en die vroeger alleen maar armoede had gekend. Die twee vrouwen van twee generaties.
Ze waren buren, weet je.

47. Dorpsverhaal 25. Buurman en buurvrouw (1)

Eind jaren vijftig woonden aan de andere kant van het dunne wandje oude mensen met namen van lang geleden en arme tijden.
Tijden van werk maar gewoon door, in het zweet uwes aanschijns, zes dagen in de week, voor zes gulden in de week, €2,75, zestig uur.
Zonder CAO.
We noemden ze buurman en buurvrouw. Het waren Mak en Trijn de Boer.
Uit die arme tijd van de eerste helft van de 20e eeuw hadden ze ook bepaalde normen en waarden meegenomen naar de na-oorlogse periode.

Toen buurvrouw op tachtigjarige leeftijd in bejaardentehuis ‘de Vijverhof’ zat, kwamen mijn moeder en buurvrouw nog regelmatig bij elkaar ‘om un koppie’.
Ze hielpen elkaar dan met de afwas of met ‘piepers skille’.
Op een dag vroeg buurvrouw: ‘Ik wil graag naar Grietje in het bejaardentehuis in Schagen. Wil je me brengen met de auto?’
‘Natuurlijk’, zei mijn moeder.
Buurvrouw vroeg verder: ‘Wil je dan ook een paar kadetjes voor me smeren en meenemen? En ik wil ook graag een bos bloemen uit je tuin meenemen voor Grietje.’
Mijn moeder deed dat allemaal voor Trijn.
Buren.
Ook als ze niet meer naast je wonen.
Na een week kwam mijn moeder weer op de koffie bij Trijn.
Buurvrouw zei: ‘Ik zal je even betalen. Hoeveel geld krijg je van me?’
‘Nou’, dat hoeft niet hoor,’ zei mijn moeder.
‘Nee’, zei buurvrouw stellig, ‘dat wil ik niet. Ik betaal je netjes. Ik zal het zelf wel uitrekenen. Even kijken.
Nou ja, die auto van jou rijdt vanzelf, dus dat kost niks.
En die bloemen uit je tuin staan er toch al, dus die kosten ook niks.
En wat kosten de broodjes?’
‘Twintig cent’, zei mijn moeder.
‘Nou, dan heb je hier een kwartje, want er zat nog wat op ook.
Dan ben ik van mijn schulden af.’

46. Dorpsverhaal 24. Opa en oma Stammes en tante Rie

We zijn van opa en oma’s kant voortgekomen uit de Butters en de Stammesen.
Om het algemeen en enigszins zwart-wit te verwoorden:
De Butters waren compromisloos, avonturiers, wereldreizigers, strijdbaar, energiek, ondernemers en soms ook boze fanatici.
De Stammesen waren meer zachtaardig, vriendelijk, gezellig, sociaal en humoristisch.

Hét voorbeeld van het Butter-karakter was tante Rie die in 1920 op zeventienjarige leeftijd eerst naar Frankrijk en daarna in haar eentje naar Canada vertrok. Emigratie.
Toen ze vlak voor haar overlijden op 101-jarige leeftijd (want ze geven niet snel op die Butters) in Canada geïnterviewd werd door mijn broer Niko en hij haar nieuwsgierig de vraag stelde waarom ze ooit Nieuwe Niedorp had verlaten en in haar eentje naar het verre, vreemde Canada was gegaan, antwoordde ze met een luide krachtige roep: ‘TO FIND A JOB!’
Een baan, geld, actie. Dáár ging het om. Geen gezeur. ‘Ut benne gaanders’, zeggen ze in Westfriesland.
Die compromisloze actie had overigens vaak een sociaal doel. Zo stichtte tante Rie daar een bungalowpark, hielp gehandicapten en deed aan ‘Social Work’.
Er is nog een foto van haar waarop ze een oorkonde krijgt opgespeld als dank voor ‘good services for the community’.
Tante Rie kwam na haar emigratie nog een paar keer op familiebezoek in Nieuwe Niedorp. Ik herinner me een bezoek van haar in 1961. Ik, 5 jaar, had van mijn vader vlak daarvóór al het verhaal gehoord dat tante Rie in haar bos in Canada een grizzlybeer had weggejaagd.
Mijn vader deed tante Rie na: ‘Ksssst!!’ En met grote armzwaaien joeg hij de imaginaire beer weg. Dát maakte grote indruk op mij!
Toen ik enkele dagen later op mijn kleine rode fietsje het grindpad bij oma en opa opreed, verscheen daar plotseling de legendarische tante Rie! Ik zag haar voor het eerst van mijn leven. Vol ontzag keek ik naar haar grote gestalte op en stelde de vraag die me al dagenlang op de lippen brandde:
‘Tante Rie, bent u nérgens bang voor?’
Ze lachte hartelijk en zei toen: ‘Nee, ik ben nergens bang voor.’
Ik vroeg: ‘Hoe jaagt u dan beren weg?’
Tante Rie legde haar tasje op het grindpad, spreidde haar voeten stevig op de grond en riep keihard: ‘Ksssst!!’ En breeduit en voluit zwaaide ze met haar grote sterke Canadese armen.
Mijn vader had gelijk. Tante Rie was nèèèrgens bang voor ….

Toen ze op dat bezoek was, had ze allereerst het plan om gezellig bij haar zus Trien, mijn oma Stammes, te logeren. Echter, toen tante Rie na veertig jaar verblijf in Canada bij haar zus binnenstapte met haar koffers, kregen de gezusters binnen drie minuten slaande ruzie.
Veertig jaar, Canada.
Drie minuten, Nierup.
Butters ….

Na deze compromisloze oorlog is tante Rie toen bij de buren, de familie Brouwer, gaan logeren.
Echter, met buurvrouw Brouwer had oma ook wel eens ruzie. Waarom zou je vrede stichten als de kans op oorlog nog niet helemaal verkeken is?
Een keer ging het om een uiterst belangwekkende kwestie, namelijk over Ali Turkstra, de huishoudster (zo noemde men zo’n vrouw althans) van S.G. Wit, de verzekeringsman. Oma begon al snel te schelden en te tieren waarop vrouw Brouwer stante pede wegliep. Na tien minuten kwam oma snotterend met tranen in haar ogen bij vrouw Brouwer terug en bood haar excuses aan. Ze waren buren.

In de moestuin bij opa en oma Stammes en op het grasveld met de arrenslee rook het fris. In huis rook het naar oude mensen. Dat merkte ik, zij niet. Zij waren oud.
Ik herinner me de familiefeestjes in de tuin bij de arrenslee of in de Opkamer, aan de dorpsstraat. Die waren altijd heel gezellig.

Opa Stammes was boer om geld te verdienen en goochelaar als levenshouding.
Toen mijn vader als voorzitter van Sociëteit ‘Over de Helft’ de jeugdbiljartclub had opgericht, mocht ik, als beginnend biljartertje van 13 jaar, een aantal keer met opa biljarten in de Prins Maurits van Piet Bakker. We dronken dan eerst thee bij oma en opa thuis en gingen daarna naar het vlakbij gelegen dorpscafé.
Opa speelde heel goed driebanden (hij had een échte reputatie in de wijde omgeving op dit gebied!), maakte ze soms over zeven banden, en kon een leeg klosje garen om een biljartbal laten draaien. Dan grijnsde hij, vergenoegd.
Én … hij kon een paar kunststoten maken! Op het biljart goochelde hij gewoon door.
Na de, achteraf bezien, laatste partij tussen opa en kleinzoon schonk opa mij zijn biljartkeu. Het was er een van 530 gram, een échte zware driebandenkeu.
Later, veel later pas, besefte ik wat voor een bijzonder moment dat was.
Een opa van tegen de tachtig die zijn jarenlang gebruikte driebandenkeu schenkt aan zijn kleinzoon van dertien ….
Opa deed ook aan harddraven. Eben Heser en Polona S. waren zijn renpaarden. Geheimzinnige namen in een andere wereld. Hij gokte op paarden en goochelde met geld.
Na de harddraverij in Schagen was er ’s avonds altijd vuurwerk. Als men dan aan mijn vader vroeg wat er te doen was, antwoordde hij: ‘Er is hardvuurderij en draafwerk.’

Opa goochelde ook wel eens een scheet tevoorschijn in zijn grote, grijze stoel en grijnsde dan, net als na een mooie kunststoot op het biljart, vergenoegd. Steevast reageerde zijn publiek, oma, verontwaardigd. Zijn zachtheid kon niet tegen haar hardheid op en zijn hoorbare scheten waren zijn wapen tegen haar scherpe woorden.
Je moet wát.
Als man.

45. Dorpsverhaal 23. Dorpsfiguren (4)

Later werden de dorpsfiguren van een iets ander kaliber. Het voornaamste kenmerk daarvan werd niet alleen dat ze zo bijzonder waren, maar vooral tot stevige alcoholconsumptie in staat waren.
Zo hadden we de dorstige Kees Harberts. Mijn vader had voor alle klanten van zijn café bijnamen en als Kees het café dreigde binnen te stappen en zijn klompen voor de deur zette, zei mijn vader van achter de bar: ‘Oh jé, daar komt van Rampenburg’, en met gezwinde spoed verdween hij in de keuken.
Toen Kees voor de zoveelste keer dronken tegen een barkruk viel, waardoor de andere krukken als dominostenen omkegelden, riep mijn vader enthousiast:
‘Een record Kees. Het zijn er dit keer elf!’
En de stamgasten applaudisseerden als theaterbezoekers, want het was voorwaar geen geringe prestatie. Elf!
Ja, het is een levenskunst, kastelein zijn, en je moet de moed erin houden, anders val je geheid.
Op een dag ontstond er een discussie tussen mijzelf en Jan Pep, de touringcar chauffeur, die als reisleider ook geïnteresseerd was in geschiedenis. Het punt van discussie was of de Renaissance, de periode van herwaardering van de klassieke Griekse waarden uit de Oudheid, begonnen was in de 14e of in de 15e eeuw. We kwamen er niet uit en goede raad was duur. Maar vanuit zijn ooghoek zag Jan Pep Kees Harberts een barkruk verder zitten. Er gloorde hoop! Jan wendde zich verwachtingsvol naar Kees en vroeg:
‘Kees, weet jij wanneer de Renaissance begonnen is?’
Kees antwoordde:
‘Deer hew ik hillegaar gien taid voor. Ik heb die tuin van Jan Stammes en Milo Smak ok nag en morruge moet ik mun aigen land nog omploege ok.’
Einde discussie.

En er was Jan Bruin, de gemeentewerker, die iedereen regelmatig paling aanbood, overal tegelpadjes aanlegde en oude graven opruimde. Hij zei: ‘Ik ben de baas van het kerkhof. Ik heb veel mensen onder me.’
Men noemde hem Jan Zilvervos. Hij groeide op in het Waarland en daar waren al zoveel Bruinen dat men in de war raakte. Dus gaven ze Jan, met zijn blonde haren, een bijnaam, Jan Zilver. Aangezien hij de slimste was van het Waarland, wat niet heel moeilijk was, voegde men er ‘vos’ aan toe: Jan Zilvervos.
Jan had één groot talent: met lepels slaan. Daarmee bedoelde hij het tussen hand en knie met de achterkant van de lepels tegen elkaar aanslaan als ritmische begeleiding van de muziek. Hij deed dat vaak ongevraagd ook in andere café’s, zoals ’t Centrum in Winkel of in de Roode Eenhoorn. Toen hij dat in de Prins Maurits voor de achthonderdvierendertigste keer gedaan had en na de voorstelling de lepels van het café teruggaf, zei hij teleurgesteld: ‘Die lepels van ‘t Centrum benne beter.’
Vakman.

Op een avond werd Jan door iemand in een auto thuis gebracht. Jan stapte uit en liep op zijn klompen met een blad vol eieren in de hand richting zijn huis. Aangezien Jan echter flink aangeschoten was, hadden de eieren het zwaar te verduren. Bij iedere stap die hij deed vielen er enkele tere eieren van het blad. Eer hij zijn huis had bereikt lag de straat bezaait met kapotte eieren.
Het plan om die nacht gebakken eieren te gaan eten is vermoedelijk niet doorgegaan.

In Winkel kende men Ab de Graaf, de man met de hazenlip. Ab stapte eens dronken achterin zijn auto, terwijl hij dacht dat hij vóórin instapte. Toen hij eenmaal na lang gestuntel op de achterbank terecht was gekomen en de auto wilde gaan starten, riep hij verbaasd uit: ‘Nôh, ze hewwe me stuur stoôlen.’

Joop Koorn, de machinist, visboer, kastelein en sporthalbeheerder, kon er weinig aan doen dat hij gek was op vrouwen. Echter, toen een knappe dame hem eens ten dans vroeg, zei Joop tot haar verbazing: ‘Nee, laat ik dat maar niet doen.’
‘Maar waarom dan niet?’ , vroeg ze enigszins gekwetst.
Joop antwoordde: ‘Als ik dans, wil ik meteen neuken.’