24. Dorpsverhaal 4. De voetbalcoach

De voetbalvereniging van Nieuwe Niedorp bestaat 100 jaar. Ter gelegenheid hiervan is een prachtig jubileumboek uitgebracht vol historische verhalen, foto’s en feiten. Dit boek werd uitgereikt aan erelid Roel van der Kooi die zoveel betekend en gedaan heeft voor ‘de voetbal’.
Nou heb ik de lengte van Roel van der Kooi de laatste tijd niet meer bijgehouden, maar ‘in onze tijd’ was hij een lange vent van 1 meter 99 met een grote baard en hij was onze favoriete voetbalcoach in de junioren. We waren zestien jaar en de serieusheid voorbij.
Roel reed ons in zijn busje naar alle wedstrijden. Wij hielden van Roel en hij moet ook van ons hebben gehouden anders hou je zoiets niet vol met die zestienjarige ettertjes.
Welke man is in staat om jongens die los willen gaan goed te begeleiden? In het geval van Roel was er sprake van een unieke combinatie van factoren.
Ten eerste hield hij van voetbal.
Ten tweede was hij op en top verenigingsmens.
Ten derde nam hij zijn verantwoordelijkheid.
Ten vierde kon je erg met hem lachen.
En ten vijfde bezat hij iets unieks: een warm hart.
Tijdens zijn afscheid als coach mocht ik een speech voor Roel houden. Ik deed mijn best en ons elftal overlaadde hem met dankbare cadeaus. Met als topper een grote, door mijn broer Niko gemaakte en ingelijste foto die de jaren daarna in de voetbalkantine zou hangen en die nu ook in het jubileumboek staat afgebeeld.
En toen, bij die uitreiking, zagen wij, zestienjarige etters, iets nieuws. En dat moment zijn we nooit meer vergeten. Daar stond hij, Roel, onze prachtcoach, sterke vent, twee meter lang, grote baard, luide stem, alleskunner. Onze vervangende vader op de zaterdagmiddagen. We zagen dit: Roel had tranen in zijn ogen.
Ontroering, stilte, prachtmoment!
Op dat moment werd Roel onsterfelijk. En de beste. Niet met voetbal, wél als mens.
De perfecte les voor zestienjarige etters.
Bedankt, Roel!
Achtenveertig jaar na dato.

23. Dorpsverhaal 3. Een held

Het beste elftal van de gemeente Niedorp dat ooit gespeeld heeft, voetbalde in het seizoen 1969-‘70. De aspiranten-C van Nieuwe Niedorp werden dat jaar kampioen in een zinderende wedstrijd tegen de club met de wereldse naam: BOL, Broek Op Langedijk.
Klinkende namen als Leo Wissink, Jaap Wagenaar en Martien Sepers galmen nog steeds door de catacomben van het voetbalimperium Nierup en hun namen worden fluisterend en met ontzag uitgesproken.
Ja, dromen is leuk, maar wat is de realiteit? Jongens hebben helden nodig en ze zoeken helden die altijd winnen. Rawhide! Kent u de TV-serie nog? Vechtende cowboys en één daarvan was de sterkste: Gill Favor. Hij was een held, vonden we.
Maar terug naar de heldentocht van de aspiranten-C. Hoe gingen ze verder? Ach ja, al snel kwam de puberteit, later drank, de eerste meisjes en rock&roll. En ieder ging zijns weegs. Alleen de allersterkste bleef over: Cor Goet. En hij bereikte het hoogst haalbare: het eerste van Nierup. Wij waren opscheppers, maar Cor was bescheiden en hij voetbalde gewoon door.
Later zag ik hem spelen in het eerste elftal waar de jeugdige aspiranten langs de lijn bewonderend naar hem keken. Ze hadden een held. Niet van TV, nee, in levende lijve. Beter dan Gill Favor. En echter.
Ja, jongens hebben helden nodig. En Cor? Hij voetbalde, trouwde en kreeg een kind, zwaar gehandicapt. Hij voedt zijn zoon liefdevol op, samen met zijn vrouw Ria. Zware taak, maar zo doen helden dat. En Cor Goet is een held. In vele opzichten.

22. Dorpsverhaal 2. Mijn moeder

Ik moet u dit keer helaas teleurstellen, beste lezer. U dacht dat u de liefste moeder van de wereld had, maar dat is een misvatting. Die had ik al. En aangezien twee liefste moeders niet gaan, valt de uwe dus af. Neem uw nederlaag echter sportief op, want ik kan mijn bewering met feiten staven. U bezwijkt dan vanzelf wel voor de waarheid.
Mijn moeder had gevoel voor humor, was altijd betrouwbaar, de stabiele factor in het gezin en de zaak, ze voedde ons zorgzaam op, verzoende tegenstellingen en je kon goed met haar praten. Ze hield niet van conflicten en als er thuis een begin van een conflict dreigde te ontstaan, riep ze: ‘Kijk eens naar buiten!’
Over moeders valt vaak wat minder flamboyants op te merken dan over vaders, omdat moeders veel stabieler zijn en minder gek doen. Ik vond vaders vroeger vaak interessanter dan moeders, omdat ze altijd een beetje raar deden en onvoorspelbaar waren.
Moeders staan echter altijd voor je klaar en dat voorspelbare geeft een kind veiligheid.
Moeders zijn meestal ook sterker dan vaders, op de lange termijn. Verschil tussen 100 meter en marathon. Vaders zijn fel, vlammen op en doven uit. Moeders branden gewoon door, gestaag.
Samengevat:
moeders zijn normaal en vaders niet, daarom zijn ze beide nodig.
Vaders zijn meer van de buitenwereld, daar waar de strijd en het plezier is.
Moeders zijn meer van de binnenwereld, daar waar de rust en de zekerheid is.
Strijd en rust, plezier en zekerheid.
De menselijke bestanddelen waaruit leven wordt gevormd.
En dood.
En liefde.

21. Dorpsverhaal 1. Mijn vader in militaire dienst

In zijn militaire diensttijd (1947-48) in Breda noemde mijn vader zichzelf niet Jan Stammes, maar Iwan Stammenoski. Aangezien hij er niets voor voelde om voor militair te spelen en naar de oorlog in Indonesië (de ‘politionele acties’) te worden uitgezonden, en bovendien wist dat communisten in die tijd verdacht waren en daarom niet in dienst hoefden, deed hij gek (wat hem makkelijk afging) en gebruikte die zogenaamd Russische naam van Iwan Stammenoski.
Op de deur van de barak waar de lastigste soldaten sliepen, spijkerde mijn vader een bordje met de tekst: ‘De witte ratten van El Alamein.’ El Alamein was de Egyptische plaats waar de Engelse generaal Montgomery de Duitsers in de pan had gehakt in de Tweede Wereldoorlog.
Als mijn vader verhalen vertelde en iedereen zich tranen lachte dan sloot hij zijn verhaal vaak plechtig af met de zin: ‘Aldus doctor Göbbels in Das Reich.’ Göbbels was één van de kopstukken geweest van het Hitler-regime die regelmatig officiële communiqués verspreidde in Nederland en dit ondertekende met de zin: ‘Aldus doctor Göbbels in Das Reich.’
Zelfs van massamoordenaars wist mijn vader lachwekkende figuren te maken.

Zijn dienstkameraad en buurjongen van Terdiek, Jaap Blokker, werkte in de keuken van de officiersmess waar mijn vader hem regelmatig bezocht. Al snel werd het Jaap duidelijk waarom mijn vader daar zo graag kwam. Dreigde de melk over te koken dan draaide hij het gas niet lager, maar stond er vrolijk in te spugen, roepende: ‘Dit geeft écht!’ Hetzelfde deed hij met de doorbakken biefstukken voor de officieren. Ook daar spuugde hij in en zei dat het eten dan lekkerder smaakte.
Zijn opvallende gedrag werd beloond. Hij kreeg de kwalificatie S5, die stond voor ‘Ontoerekeningsvatbaar’.
Op zijn laatste avond als soldaat hielden mijn vader en zijn kameraden een kroegentocht waarbij hij halverwege de avond op de hoge trap van het stadhuis van Breda een luide toespraak hield voor het verbaasd langslopende publiek, al roepende: ‘Wir haben den Krieg nicht gewollt, Siep Heill!’
Met ‘Siep Heill’ in plaats van ‘Sieg Heill’ verwees hij naar Siep Booij uit Nieuwe Niedorp die eens met opgerolde broekspijpen en dansend op het biljart van café de ‘Roode Eenhoorn’ een Oostenrijker had pogen te imiteren onder het uitslaken van de jodelende kreet: ‘Ich bin ein Österreicher!’ Waarop mijn vader had geroepen: ‘Das haben wir immer gewusst!’
Maar van dat alles wist men in Breda toen nog niets af …..
De dag na de Bredase kroegentocht verliet mijn vader de kazerne. Als een vrij man en als een triomferende Winston Churchill, lachend met een enorme sigaar in de mond en groetend met het V-teken, zwaaide hij naar zijn achterblijvende kameraden. Zijn dienstkameraad Jaap Blokker was zijn getuige en zwaaide treurend terug. Jaap had nog enige tijd te gaan en, zo verzucht hij in zijn boek ‘Jaap Blokker vertelt’, ‘het zou saaier worden in de kazerne.’
Overigens had mijn vaders weigering om in het leger te vechten niets te maken met pacifisme of vredelievendheid. Als hij écht een hekel had aan iemand, zei hij: ‘Die? Die moet je net zo lang onder water houden tot het niet meer borrelt.’
Na zijn geslaagde actie gebruikte hij die naam Iwan Stammenoski om zijn gedichten (‘rijmen en dichten, zonder je hemd op te lichten’, zei hij dan) voor het motorblad te signeren. Mijn broer Niko en ik werden in het dorp vaak ‘de Stammenoski’s’ genoemd en Niko werd op de Lagere School door zijn vrienden aangesproken met de bijnaam ‘Noski’. Wij hadden toen nog geen idee waar die aparte naam vandaan kwam.
Het S5-voorbeeld van mijn vader inspireerde mij dertig jaar later om eveneens de militaire dienst te ontwijken zonder ook maar ooit één militair te spreken. Ik voerde mijn oorlog schriftelijk. De correspondentie duurde jarenlang zonder dat men op het Ministerie van Defensie enig idee had waar ter wereld ik mij bevond en wat ik nu precies mankeerde of deed. Tot ze er genoeg van kregen en ik ‘Buitengewoon dienstplichtig’ werd verklaard.
Doel bereikt, oorlog gewonnen. Met de pen.
En volledig ‘Toerekeningsvatbaar’.

=========================================================================

Mijn vader links (voor de kijker) en Jaap Blokker rechts.
Het is het jaar 1947.
Ze zijn hier 20 jaar oud.

Kan een afbeelding zijn van 2 mensen

20. Het wonderkind

Zijn naam is Arthur Rimbaud.
De grootste dichter uit de wereldgeschiedenis.
Wat hem zo zeldzaam maakt, is dat hij zijn gehele oeuvre schreef van zijn zestiende tot negentiende jaar.
Een jongen.
Rimbaud wordt in 1854 geboren in het dorpje Charlesville-Mézières in Frankrijk.
Hij is een brave en briljante leerling aan de buitenkant, maar zielseenzaam in zijn binnenkant. De enige die zijn persoonlijkheid en onwaarschijnlijke talent ziet is zijn leraar Georges Izambard. Dit ‘diepgaand gezien worden’ doet de geest en het gedrag van de hypergevoelige jongen veranderen waardoor hij de vrijheid voelt om zijn echte talent aan te boren. Tot een punt waarop Rimbaud onhoudbaar wordt.
Hij vertrekt van het provinciedorp naar Parijs waar hij de gehele literaire elite beledigt, belachelijk maakt en verre overtreft in poëtische zeggingskracht.
Rimbaud is op dat moment zeventien jaar …. (!)
De beroemdste dichter van dat moment, Paul Verlaine, neemt hem onder zijn hoede. Ze gaan samen op reis, bezatten zich aan de zwaarste absint, snuiven de heftigste cocaïne, liggen dronken in de goten van Londen, zijn straatarm, en verwonden elkaar geestelijk en lichamelijk. De ooit zo brave Rimbaud is een losgeslagen schoft waar Verlaine aan kapot gaat.
Hierna keert Rimbaud terug en sluit zich op in een schuur op het erf van zijn moeder. Een week lang hoort men een vreselijk gehuil, gekerm en geschreeuw uit de afgesloten schuur komen. Hierna komt Rimbaud totaal uitgeput en verwilderd naar buiten. Hij heeft zijn meesterwerk geschreven: ‘Une saison en Enfer’. ‘Een Seizoen in de Hel’.
Het is dit werk dat de literatuur van de gehele twintigste eeuw voorgoed zal veranderen.
Een eeuw definitief veranderd, door een wonderkind van negentien jaar dat hierna nooit meer iets op papier zal zetten.
De wereld moet deze jongen eeuwig dankbaar zijn.


19. Ramadan

Stralend van licht komt ze de klas in: “Mees, ik vast!”
Het is ook altijd wat met die moslims. Gaan ze een maand niet eten, zijn ze dolblij.
Denk ik.
Afijn, ik ken mijn jonge pappenheimers en zeg belangstellend: “Tjonge, wat leuk zeg!”
Het programma gaat echter voor en ik wil verder met de les. Maar ook enkele anderen komen dolblij op me af en roepen: “Meester, ik vast!”
Licht in een maaltijdloze maand, althans, overdag.
Iedere Ramadan herinner ik me weer hoeveel moslims er zijn in de klas. Ze vasten vrijwel allemaal. Stelletje egoïsten: de schoolkantine doet slechte zaken.
Het is onrustig aan het begin van de les. Ze willen hun ei kwijt (dat ze toch niet opeten, denk ik grappig). Natuurlijk zijn er klasgenoten die het maar raar vinden, dat niet eten. Dit vraagt om een tegenaanval, vindt de andere club. Felle argumenten, stemverheffing, stijgende emotie. Wie wint?
Midden in deze woestijn van schreeuwend onbegrip blijft ze zwijgen: Zakiah, mijn leerling, mijn bron, mijn licht, mijn moskee van stilte.
Ze is zestien van buiten, moslim, Marokkaanse, hoofddoek, grappig en lief.
Ze is zestig van binnen, moslim, Marokkaanse, hoofddoek, barmhartig en wijs.
De woestijn van niet luisteren gaat intussen door in de klas. Geschreeuw, geroep, schelden, intimideren, aanvallen. Vrijheid van meningsuiting, wát een verworvenheid van de Westerse maatschappij! Ik gebied streng om stilte. Stil.
“Wie weet wat vasten écht betekent?”, vraag ik.
Zakiah wacht af. Geen leerling weet het. Of ze roepen dat ze de armen helpen of punten krijgen voor de hemel, maar niemand meent het, niemand weet iets.
Er is nog hoop: Zakiah.
Ik vraag: “Maar wat betekent vasten nu écht?”
Zakiah ziet, weet, dat als de storm is uitgeraasd, de zoektocht naar water begint.
Alle ogen gaan naar de bron. Zestien jaar.
En ze spreekt:
“Vasten is niet alleen niet eten, het is veel meer. Volgens een Hadith, een overlevering uit het leven van de Profeet Mohammed, vragen volgelingen hem wat ze moeten doen tegen de vele bedreigingen die ze krijgen van tegenstanders. Moeten ze terugslaan? Terugvechten? Moorden? Ze kunnen toch niet zomaar over zich heen laten lopen?”
De Profeet zegt:
“Als ze je lastigvallen, bedreigen, naar het leven staan, zeg dan: ‘Ik vast’. Niet alleen met eten, maar ook met mensen, met verleidingen, met je emoties, met situaties, met ruzie, met onrechtvaardigheid, met alles. Zeg: ‘Ik vast’ en ga niet op de verleiding in. Laat ze en vervolg de juiste weg. Dat is genoeg.”

Muisstil is de klas.
Als het donker is, is een kaars genoeg.
De les kan beginnen,
en het vasten,
en de vrede.

Het is ook altijd wat met die moslims.

18. Geldt vrijheid voor ieder mens?

Haar dichtgeslagen ogen kijken me brandend aan.

“Je zult eeuwig branden in de hel”, had hij haar toegeschreeuwd, terwijl zijn slagen op haar inbeukten. Tot ze niet meer kon en vluchtte. De nacht in.
Naast haar zit Ajna, 16 jaar, beeldschoon. Ze weet niet precies wat ze voelt (“klopt het wel?”), maar ze is verliefd op haar. En andersom.
Ajna is niet geslagen. Ze weten van niks, thuis. Ze bewaakt haar geheim. En dat kan ze: zwijgend een geheim bewaren. Dat leerde ze al vroeg, thuis, op school, op straat.
Iedere cultuur heeft zo zijn voordelen.
Veel zien, veel voelen, veel willen, en …… zwijgen.
Ook als haar ouders, haar familie, spraken over haar toekomst. Over een goede opleiding, een mooi huis, een baan met aanzien, een leuke man. “Eén van ons natuurlijk, je begrijpt wel.”
Maar ze begreep niet, niet echt. Ze begreep iets anders, maar zweeg.

Ik luister naar hun verhalen en vraag me voor de zoveelste keer af hoe ouders het in godsnaam voor elkaar krijgen een kind ter wereld te brengen en vervolgens een leven lang een oorlogscampagne op touw zetten om hun lieve kind in de wurggreep van hun eigen angsten te dwingen. Om een godgans leven lang niet naar hun eigen kind te luisteren, het niet te zien, en nooit, werkelijk nooit, de oerschreeuw om erkenning en aanvaarding te horen waardoor ze hun bloedeigen kind van eeuwige verdoemenis zouden kunnen redden.
En zichzelf.
Ik vraag me af:
Waar zijn die ‘normale’ ouders die hun kind begrijpend aanhoren in hun kronkelige, kwetsbare weg door het leven, ze niet veroordelen, hun hand vasthouden als het nodig is en weer loslaten als het daarom vraagt, als de tijd rijp is?
Waar zijn die vreesloze ouders die hun kind zien zoals het is, niet vermorzeld door angstbeelden van cultuur, traditie en zogenaamde religie?
Of bestaan ze niet, die ouders die hun kinderen gewoon liefhebben, koesteren, aardig vinden?
Of bestaan ze niet, die ouders die genieten van de sprankelende kracht van hun kind?
Die zien dat hun kind anders is dan zij. En die begrijpen dat hun kind niet hun bezit is.
Zo vraag ik me af, terwijl Ajna en Fatima elkaars hand vastpakken.
Prachtige kinderen, eenzaam, op de rand van de hel. Denken ze, denkt hun familie.
En alles wat ik aan aandacht, interesse en vaardigheden inbreng, kan voor nog geen millimeter de allesverzengende haat van hun familie verzachten, laat staan verdrijven.

Na een maand komt de oplossing.

“Het spijt me dat mijn dochter u zoveel last heeft bezorgd. Ze was in de war. Ze ziet nu in dat ze fout was. U begrijpt wel waarom. Ik wil u wel bedanken voor uw tijd en moeite. Ze zal niet meer op school komen.”
De woedende flikkering in zijn ogen ontgaat me niet.
Terwijl de grond onder mijn voeten vandaan getrokken wordt, stort ik, met zijn kind, in een brandend vagevuur. “Het vuur dat uw kind van alle zonden zal zuiveren.”

Want zó staat het geschreven.

==========================================================================

NASCHRIFT.

Het percentage zelfmoordpogingen onder Hindoestaanse meisjes is veel groter dan bij meisjes uit andere etnische groeperingen, zo blijkt uit cijfers van de GGD.
Oorzaken zijn:
1. Te hoge verwachtingen van de familie.
Onder veel Hindoestanen is de buitenkant heel belangrijk: knap uiterlijk, mooie kleren, dure auto, hoge opleiding, hoge status, een baan met veel geld, succes in de buitenwereld.
Veel Hindoestaanse ouders willen dat hun kind aan dat beeld voldoet.
2. Communicatieproblemen: de oudere generatie mist veelal het vermogen om open over hun innerlijk van gedachten, gevoelens en emoties te praten. Kinderen ervaren zo’n milieu en zo’n opvoeding volgens de strakke regels van traditie, familie en cultuur vaak als verstikkend. Persoonlijke problemen kunnen niet of nauwelijks worden besproken en er is vaak te weinig affectie van de ouders voor het kind.
3. In Bollywood films komt vaak zelfmoord aan bod.

17. Vader en zoon

Het 10-minuten gesprek voor het 3e rapport is achter de rug.
Onweer: 6 onvoldoendes.
Ze zitten naast elkaar. Nacht en dag. Gegroefd gelaat, doffe ogen, gekromde schouders naast ‘gedjeld’ haar, glinsterende ogen en zin in alles. Niet in leren.
Hij zegt Thom even buiten te wachten. Hij is nog niet klaar. Thom wel. Verlaat de kamer. Huppelend.
Ik probeer:
“Hij is nog jong, soms hebben ze een jaar extra nodig, moet nog rijpen, intelligent genoeg, goed karakter, komt er wel, aardige jongen.”
Maar zijn andere zoon. Daar wil hij het over hebben, over de basisschool.
“Hij doet het goed. Helpt iedereen. En leren, meneer, zo goed. En zo serieus. Nooit problemen. De oogappel van zijn moeder.”

Het is alsof hij naast hem zit.

Tot die auto hem schepte.

De dood van zijn zoon leeft door in zijn lichaam. Alsof ook hij tegen die auto liep, ook hij werd geschept. Buiten klinkt geren en gelach. Thom leeft door.
“Geen probleem, Mees. Nooit”. Zo verzekert hij me na iedere onvoldoende.
“Nee, nooit”, zegt vader. “Het komt nooit meer goed. Dit kán je niet goedmaken. Hij komt nooit meer terug.”

Met zoveel verdriet leven kan niet. Zonder hoop ook niet. Dus moet een ander het doen. Terugkomen. Zo wórden. Hij heeft nog steeds twee zonen. Ziet ze beiden niet.
“Ik zeg altijd: doe je best, we hebben alles voor je gedaan, wees succesvol, verdien goed geld later en: haal nu goede cijfers. Maar Thom snapt er niets van.”

Thom snapt alles. Hij weigert deze leugen te zijn, weigert zijn broertje te zijn, weigert dood te zijn. Daarom zes onvoldoendes, daarom huppelend naar buiten, daarom zin in alles, daarom niet in leren. Iedere onvoldoende schreeuwt: “Laat me leven! Míjn leven.”

De opmerkingen van de rapportenvergadering verzwijg ik:
“Thom moet harder werken. Kan het wel, maar denkt dat het allemaal vanzelf gaat. Vindt meisjes erg leuk. Zit meer in. Is erg druk. Lacht veel.”

Hij komt er wel, Thom.
Hij is er al.
Nu wij nog.
Dan komen die voldoendes vanzelf.

16. Delft bestaat dit jaar 775 jaar

En Dick Stammes spoelde 20 jaar geleden als immigrant uit warme, verre buitenlanden aan in Delft.
Over dat eerste vertel ik je graag wat meer.

1246:
Delft krijgt stadsrechten van Graaf Willem II en jonkvrouw Rikarde

Op 15 april 1246 vaardigde graaf Willem II van Holland (het huidige Noord- en Zuid-Holland) in het huis van zijn tante, jonkvrouw Rikarde, een oorkonde uit, waarbij aan de bewoners (‘de poorters’) van Delft stadsrechten werden verleend.
De poorters waren de mensen die ‘binnenpoorts’ woonden, oftewel veilig achter de acht stadspoorten en stadsmuur van Delft. Deze muur en deze poorten zijn op een na allemaal afgebroken in de 19 eeuw, aangezien Delft zich uitbreidde, en ja, die ouwe troep stond maar in de weg. Vond men toen. Alleen de historische en tegenwoordig in de avond verlichte Oostpoort is nog behouden gebleven, aangezien deze geen obstakel vormde voor de uitbreiding en het toenemende verkeer.
Door de stadsrechten werden de bewoners ontslagen van allerlei verplichtingen die golden voor plattelandsbewoners en kregen ze meer zelfstandigheid op het gebied van bestuur en rechtspraak. De economie werd krachtig gestimuleerd door maatregelen die de marktfunctie van Delft versterkten, zoals de vrijstelling van tollen. Ook toen al was er weekmarkt op de donderdag, net als vandaag.
Voor deze rechten moesten de Delftenaren in ruil dan wel een jaarlijks bedrag betalen aan de graaf.
De privileges golden aanvankelijk niet voor heel Delft, maar alleen voor de nederzetting die werd aangeduid als ‘Nieuwe Dilf’. Deze naam verwijst naar de gracht die loopt langs Lange en Korte Geer, Koornmarkt, Wijnhaven, Hippolytusbuurt en Voorstraat.
De ‘Oude Dilf’, het stuk ten noorden van de Oude Kerk naar het Noordeinde, werd in 1268 bij de stadsvrijheid gevoegd.
Pas in de loop van de 14e eeuw werd het stedelijk gebied uitgebreid met het zuidelijke deel van de Oude Delft en het gebied ten oosten van de Brabantse Turfmarkt, Burgwal, Vrouwenregt en Verwersdijk.
In 1251 kreeg Rikarde van Willem II toestemming om in haar hof een klooster te stichten. Zij noemde dit: Koningsveld. De naam van de huidige straat herinnert hier nog aan. Het klooster lag aan de Schie en vlakbij waar nu de Porceleyne Fles is gevestigd, aan de rand van het TU-gebied.
Zij noemde dit klooster Koningsveld, omdat Willem inmiddels ook roomskoning was en dus beoogd opvolger van de keizer van het Heilige Roomse Rijk, oftewel Duitsland. Die keizer was de eigenlijke baas in Holland en de graven moesten geld en verantwoording afleggen aan die almachtige Duitse keizer. Je zou dus kunnen zeggen dat we eigenlijk toen al ‘van Duitsen bloed waren’.
Willem is overigens nooit keizer geworden, aangezien hij in ‘de Slag bij Hoogwoud’ door die vermaledijde Westfriezen, mijn eigen voorouders, werd vermoord en onder een boerderij begraven. De zoon van Willem, graaf Floris V, heeft later Hoogwoud compleet platgebrand, de inwoners uitgemoord en het lijk van zijn vader opgegraven en meegenomen. Tegenwoordig ligt Willem in vredige ruste in Middelburg. De fontein op het Binnenhof in den Haag, gemaakt door Pierre Cuypers, herinnert nog aan hem.
De Ridderzaal op het Binnenhof is gebouwd door Floris V. Hier leest onze koning Willem-Alexander iedere derde dinsdag in september uiterst vredig de troonrede voor aan het Nederlandse volk. Het kan verkeren …
Terug naar Delft nu.
Onder de bezittingen van Koningsveld was ook het gasthuis van Delft. Dit stond tot 1968 aan de oostzijde van de Koornmarkt. Tegenwoordig heet dit ‘De Zusters’, een naam met de verwijzing naar die tijd. Hier werd namelijk de eerste opleiding in Nederland voor vrouwen ingevoerd, een opleiding tot vroedvrouw. Emancipatie avant la lettre!
De instelling is opgegaan in het Reinier de Graaf Gasthuis. Dit is dus vanaf 1252 het oudste gasthuis van Nederland.

En zo is het gekomen, waarde Delftenaren.

15. Corona en de angst voor vrijheid

De kreet ‘We willen onze vrijheid terug!’ hebben we de afgelopen tijd vaak gehoord.
Wat is vrijheid eigenlijk?
We onderscheiden twee soorten vrijheden.
1. Vrijheid van.
Dit is vrij zijn van verplichtingen en verantwoordelijkheden.
We zijn bijvoorbeeld vrij van school, van werk, van corvee, van verplichte bezoekjes.
‘Vrijheid van’ is een soort vakantie waarin niets meer moet of hoeft. Dit roept lustgevoelens in ons wakker, zoals lekker eten en drinken, luieren in de zon en vrijblijvend kletsen. Vrije tijd dus.
2. Vrijheid tot.
Dit is de vrijheid van de mens tot het bewust heersen over zichzelf en tot individuatie: het verwezenlijken van zijn individualiteit.
Het is de mens die zich los heeft gemaakt van zijn primaire banden met ouders en familie en die bewust bezig is met zijn ontwikkeling tot een vrije, autonome, contactgerichte, scheppende persoonlijkheid.
Kinderen willen graag ‘vrijheid van’, omdat zij gericht zijn op bevrediging van lusten. Voor een baby en kind is deze fase prima in orde. De moederborst was tenslotte niet alleen lustbevrediging, maar ook overleving.
Volwassenen zijn vooral bezig met ‘vrijheid tot’. Hun persoonlijke, innerlijke ontwikkeling staat voorop. Hiertoe behoren ook de volwassenen die vrij zijn van het zuigen aan vervangende moederborsten als sigaretten, drank, drugs, enz. , omdat ze vrij zijn tot zichzelf.

DE LUST
Freud maakt het onderscheid tussen lustprincipe (kind, vrijheid van) en realiteitsprincipe (volwassen, vrijheid tot). Nu zijn er echter nogal wat volwassenen die meer bezig zijn met het lustprincipe van de ‘vrijheid van’ dan met het realiteitsprincipe van de ‘vrijheid tot’. Stellen we ons nu eens zo’n kinderlijke volwassene voor in tijden van een ‘intelligente lockdown’. Wat doet hij?
Hij zal de lockdown als beklemmend ervaren, omdat hij zijn lusten niet volledig kan bevredigen. De huidige situatie vraagt van hem zich tot zichzelf te verhouden in een op individuatie gericht leven, maar hiertoe is hij niet in staat. Dit onvermogen kan leiden tot machteloosheid, woede en depressie. Vandaar dat we heden ten dage een toename zien van huiselijk geweld en van drank- , sigaretten- en drugsgebruik thuis. Om over toiletpapier nog maar te zwijgen. Het is vanuit dit onvermogen om zich tot zichzelf te verhouden, zich hierin te ontwikkelen, bewust te worden en tevreden te zijn met zichzelf, dat de ‘vrijheid-van-mens’ zijn spandoek gaat beschilderen, de straat op rent en schreeuwt: ‘Nederland is een dictatuur!’ ‘Ik wil mijn vrijheid terug!’ ‘IK!’ Met vrijheid bedoelt hij dan de vrijheid om zijn lusten bot te vieren, als een kind dat snoep eist en buiten wil spelen.
Deze mens maakt hierin twee vergissingen:
– Hij denkt alleen aan IK en niet aan de ander, niet aan wij.
– Hij is zich onbewust van zijn angst en projecteert deze daarom op de overheid en de deskundigen.
Hij maakt van hen vervolgens zijn vervangende papa die regels stelt en hem van alles verbiedt. Dus gaat hij kinderlijk stampvoeten tegen papa, terwijl hij zichzelf wijsmaakt dat hij volwassen protesteert tegen de overheid.

DE REALITEIT
Heel anders vergaat het de volwassen en vrije mens. De mens die leeft in ‘vrijheid tot’ zal deze periode van lockdown ervaren als een uitgelezen kans om zichzelf nog beter te leren kennen, kansen te pakken, voordelen te zien, zich te ontwikkelen, in dialoog te gaan met zijn innerlijk, bewust te worden van de kracht en kwetsbaarheid van mens en planeet en hiernaar te handelen, in aandacht te leven, anderen te helpen, creatief te zijn, emoties te verwerken, uit te rusten, enz. .
Als we ‘onze vrijheid terug willen hebben’, moeten we ons dus eerst de vraag stellen:
Is onze vrijheid verdwenen?
Of is ze juist sterker aanwezig dan ooit?
Het gaat bij ‘vrijheid tot’ eerder om blij te zijn met wat je doet dan iets te doen wat je blij maakt.
Als je blij bent met wat je doet, en niet meer zoekt naar iets buiten jezelf wat jou blij moet maken, dan ben je niet meer afhankelijk van uiterlijke omstandigheden, activiteiten en andere mensen. Een lockdown bepaalt dan niet meer jouw stemming, omdat je je vrij hebt gemaakt van de primaire banden met je ouders, je familie en van de conditionering uit je verleden. Je staat vrij tot je eigen innerlijk en je heerst over jezelf zonder controle uit te oefenen. Vanuit dit bewustzijn ben je ook in staat tot echt contact maken met anderen en je te verbinden met iets groters dan jezelf.

ANGST VERSUS VRIJHEID
Volwassen, verantwoordelijk en vrij. Deze drie-eenheid is de gesteldheid die ons werkelijk tot waarachtig mens maakt, waar ons diepste verlangen ligt. En waar we bang voor zijn. Als kinderen zo bang. Vandaar dat de stampvoetende kreet ‘Ik wil mijn vrijheid terug!’ in wezen betekent: ‘Ik wil mijn kindertijd terug!’ Oftewel: ‘Ik ben doodsbang!’
Het is deze angst die sommige mensen verwarren met vrijheid. Deze bange mens is niet alleen in de war, hij heeft ook nog een mening. Natuurlijk! Oh zo belangrijk!
Het wonderlijke fenomeen doet zich voor dat we in een vrij land leven waarin nogal wat onvrije mensen wonen. Zodoende hebben we hier vrijheid van meningsuiting en is tegelijkertijd de geuite mening zélf vaak onvrij. De mens die de mening uitspreekt heeft zichzelf in veel gevallen namelijk niet bevrijd.
Hij mag dus alles zeggen, als hij dat wenst, maar zijn opinie dienen we niet serieus te nemen. De huilende kleuter bepaalt tenslotte niet wat er in dit land gebeurt.