199. Ontmoeting 47. Haat, liefde, oordeel

Ken je dat?

Dat anderen je beoordelen, veroordelen, benadelen?
Jaloers op je zijn, afgunst hebben, je iets niet gunnen?
Over je roddelen en kwaad over je spreken waar jij niet bij bent?
Een beeld van je hebben dat niet overeenkomt met wie jij bent?
Je beledigen, schofferen, besmeuren terwijl je jezelf alleen maar aardig vindt?
Of dat jij dit doet tegen een ander?

Wij
bedenken
beminnen
bevechten
bestrelen
haten
beliegen

mantelzorgers, Kaag, IS
Palestijnen, buurvrouw, Rutte
collega’s, bankiers, werklozen
Israel, Erdogan, vrijwilligers
leesmoeders, Poetin, hindoes
schrijvers, therapeuten, jihadisten,
vrienden, vriendinnen, Facebookers,
onze kinderen

In het huwelijksbed van het leven beminnen wij de liefde
terwijl de dood grijnzend naast ons slaapt te wachten

Wij beminnen de ander en zien het deel in onszelf dat wij liefhebben
Wij haten de ander en zien het deel in onszelf dat wij verafschuwen

Wij zien nooit iemand anders dan onszelf

198. Ontmoeting 46. Het meisje, het jongetje, de wisselwachter en de Nederlandse Spoorwegen

1.
Het meisje is acht jaar en sprankelt iedere tel van leven.
Ze overleefde haar prille jeugd in een ver gevaarlijk land.
Ik geef een half jaar lang Nederlandse les bij haar thuis.
Vandaag is de laatste keer. Na de les nemen we afscheid.
En net als ik opsta, rent ze naar de deur, gaat er met gespreide armen voor staan,
kijkt me streng aan en zegt vastbesloten:
‘Jij mag nóóóít weggaan en je moet áltijd hier blijven!’

Tja, weet je,
sommige dingen in het leven zijn gewoon té moeilijk.

2.
Gesprek met jongetje van twaalf jaar.
Ik: ‘Hoe gaat het thuis?’
Hij: ‘Wel goed, alleen als ik naar bed moet, ga ik daar altijd tegenin
en dan krijgen we ruzie. Ik ben dan heel vervelend.’
Ik: ‘Vind je vervelend zijn leuk?’
Hij: ‘Nee, helemaal niet.’
Ik: ‘Wat wil je dán?’
Hij: ‘Ik wil vanaf een afstand naar mezelf leren kijken en zien wat ik doe, zodat ik mijn gedrag kan verbeteren.’

3.
Als je vergeet uit te checken kun je je geld terug krijgen, óók buitenlanders.
In Den Haag staat daarom in het Engels vermeld:
‘If you forget to check out you can get a refund at Den Haag Centraal
or Hollands Spoor.’
In het Duits staat vermeld:
‘Falls sie vergessen aus zu checken dann können sie gehen zu den Bahnhöfen
Den Haag Centraal oder Hollands Spoor um sich den zuviel bezahlten Betrag einzutretten zu lassen.’

Tja.
Omslachtig volkje.
Maar het kan nóg erger.

‘Een wisselwachter’ in het Duits is:

Ein Eisenbahnknotenpunkthinundherschieber

Afijn.
Wir schaffen das!

4.
De Nederlandse Spoorwegen wensen u een gelukkig nieuwjaar.
Met excuses voor de vertraging van dit bericht.
De directie

197. Ontmoeting 45. De Rotterdamse stadsgids

Rotterdam

De gids wijst naar een wijk iets verderop en zegt: ‘Kijk, daar ligt Katendrecht. Rotterdammers noemen dit de Kaap. De wijk is helemaal opgeknapt.’
Mijn geheugen begint zich te roeren.
Ik zeg: ‘ Katendrecht. Was dat voorheen niet de hoerenbuurt?’
De gids schrikt en slaat een hand voor zijn mond.
‘Meneer! Dat zeggen we hier niet!
Dit heet hier: de horizontale dienstverlening.’
Gerustgesteld lopen we door over de Rijnhavenbrug richting Katendrecht
en hij zegt terloops:
‘Oh ja, deze brug heet de hoerenloper.’
Hij knipoogt.
En even zitten we weer op één lijn.
De Rotterdammer en de Delftenaar.

Den Haag

De volgende dag loop ik door den Haag waar een stadsgids mij wijst op een etalage.
Hier staat een karaf waar je Haags kraanwater in kunt doen.
De karaf heet: Eau Eau Den Haag.

Ut bestâet eg!

196. Ontmoeting 44. De werkman

Als hij aan komt rijden, slaat de motor plotseling af. Hij opent de klep, kijkt aandachtig naar binnen en maakt snelle bewegingen. Daarna start hij de motor die meteen zonnig begint te ronken.
Hij stapt uit en begint achter in de tuin in de ruwe grond te spitten. Hij kruipt in het gegraven gat, pakt een kapot stuk pijp, last het aan elkaar en stopt het terug in de aarde. Dan metselt hij een muurtje, legt een dak en bouwt een schuurtje.
Ik wenk hem binnen voor de koffie.
‘Jij kunt alles, hè! Heb je hiervoor doorgeleerd?’
Hij: ‘Ik ging op mijn 15e van school en ben toen gaan werken. De school wilde me niet meer hebben. Dat is nu ruim tien jaar geleden.’
– ‘Je baas zal blij met je zijn.’
– ‘Niet altijd. Ik moet samenwerken met buitenlanders en die moet ik niet.’
– ‘Ben je getrouwd?’
– ‘Ik heb een paar jaar samengewoond met mijn vriendin, maar die heeft me belazerd.
Ze barst van de schulden en ze vertelde me er niks over. Nu ben ik op straat gezet en woon ik weer bij mijn moeder.’
– ‘Wat vreselijk! Maar gelukkig ben je gezond.’
– ‘Ik heb twee keer een ongeluk gehad. Bij het eerste ongeluk gingen mijn knieën kapot en bij het tweede mijn rug.’
– ‘Heb je nog wel eens zin om je school af te maken?’
– ‘Ik ga nooit meer naar school. Ik ben er zeven jaar lang gepest en dat hoef ik nooit meer mee te maken.
– ‘Werk je veel?’
– ‘Zeven dagen per week.’

Hij staart even voor zich uit.

Dan kijkt hij vlak langs me heen en zegt:
‘Hard werken in mijn eentje is het mooiste dat bestaat.’

195. Ontmoeting 43. Ik ben 19 jaar

Ik ‘studeer’ en ben alleen en ver van huis op kamers in Breda.
Het onvermijdelijke moment dient zich aan:
mijn eerste zelf bereide maaltijd zou gaan plaatsvinden.
Dus bel ik op en vraag:
‘Mam, als je een ei bakt, moet je hem dan eerst koken?’

Met die studie werd het ook al niks.
En heel lang werd niets helemaal niks.

Pas véél later,
toen
plotseling honderd levens tegelijkertijd plaatsvonden,
en alles perfect werd,
toen
er niets speciaals meer hoefde te gebeuren,
waardoor alles gebeurde,
toen
lukte ook dat ei nog.

Al was het op het randje.

Mijn leven

194. Ontmoeting 42. Op het Delftse bankje in de buitenwijk

Ik zit op een bankje in een Delftse buitenwijk.
Hij komt naast me zitten. En rookt.
Bezorgd staat hij voor zich uit.
‘Is het lekker, de sigaret?’, vraag ik.
‘Ah, man, ik heb het nodig.’
‘Wat heb je nodig?’
‘Dit, man, deze shit!’
‘Omdat?’
‘Ah, gewoon, broer, je weet, toch?’
‘Nee, ik weet niet.’
‘Alles is kapot, man, alles.’

We zwijgen.

Dan begint hij plotseling te vertellen, te vertellen, en te vertellen.
Over twaalf jaar gevangenisstraf, zeven keer veroordeeld, vier keer vrijgesproken voor iets wat hij wél gedaan had en wat ervoor zorgde dat hij nóg meer zijn kapotte kant op ging.
Gokverslaafd, ‘maar hier ben ik al een paar jaar vanaf, ik doe niets meer, broer, helemaal niets. Weet je hoe moeilijk dat is? Ik dacht dat ik gek werd, man, het is de kapotste van alle verslavingen en ik was ook al verslaafd aan die andere shit.’

Hij gaat door.

Over de soorten drugs die dodelijk zijn, zijn gestorven jonge vrienden, andere vroegere vrienden die hij nu ontwijkt, want ‘ik wil anders leven, man, beter.’
Over de vechtpartijen, de schade, materieel, fysiek en psychisch, de gekte, de oplichterijen, de nachtelijke dealers op straat, de prostitutie. En over de wonden op zijn lichaam. Hij laat zijn kuiten zien.
‘Zie je dit? Dit zijn kogels. Ze hebben op me geschoten. Zeven maanden revalidatie in het Reinier de Graaf ziekenhuis.’
Over de gevangenis, twaalf jaren van zijn 35-jarige leven. Dat hij daardoor zijn verblijfsvergunning is kwijtgeraakt, geen paspoort heeft, zich niet kan verzekeren, en niet mag werken, ‘maar ze kunnen me ook niet terugsturen, weet je. Dat mag niet van de wet. Da’s toch raar? Dus dan ga je toch vanzelf slechte dingen doen, wat zou jij doen, broer? Da’s moeilijk, toch? Ze dwingen je dan toch om foute dingen te doen? Je moet toch overleven?’

Ik knik.

Het wordt stil.
Hij, ik en de wereld.
Niets beweegt.
Zijn sigaret is weg, hij zit alleen maar te zitten, net als ik, en net als de wereld zit.

Dan legt hij zijn warme hand op mijn bovenbeen en kijkt me recht aan.
‘Jij bent goeie man, hele goeie man.’
Ik kijk terug in zijn ogen en zie eeuwenoude lagen van opgestapelde levens die allemaal in elkaar vloeien tot één leven, tot één eeuwig moment. Al zijn levens die hem na ontelbare omzwervingen uiteindelijk naar dit bankje hebben geroepen, getrokken.
Het lijkt alsof hij hiernaar toe gedragen is door alle lichtjaren die aan dit moment vooraf zijn gegaan.
Mijn eeuwenoude mentorneiging om hem mee naar huis te nemen, onderdak en eten te geven, hem totaal tegen alle kwaad van deze wereld te beschermen, zodat hij een goed, veilig en gelukkig leven kan leiden, komt noodzakelijkerwijs in me naar boven, waarbij ik (inmiddels) weet dat ik dit gevoel van grenzeloosheid volledig kan toelaten teneinde zijn vele levens werkelijk te doorvoelen, terwijl ik (inmiddels) ook weet dat ik beslist niet tot deze acties moet overgaan.

‘Mag ik je adres, broer?’
Ik voel een schok door mijn lichaam.
Voordat ik ook maar iets kan tegenhouden geven mijn uitreikende handen hem mijn kaartje.
Hij drukt het tegen zijn hart.
‘Bedankt, broer.’
‘Alsjeblieft, broer.’
Hoor ik mezelf zeggen.

Na een high five loopt hij weg.
Ik kijk hem na en word jaloers.

Ik wil hem zijn. 

193. Ontmoeting 41. Het ernstige jongetje

In de hal van het stadhuis in Delft staat (een kopie van) de microscoop van Antoni van Leeuwenhoek.
Voor een groep kinderen basisschool leg ik uit dat Antoni als eerste mens ter wereld de hele kleine wereld van de microben ontdekte in water, bloed en sperma.
Een leerling vraagt: ‘Sperma, wat is dat?’
In zo helder mogelijke taal geef ik mijn uitleg en besluit mijn verhaal met een olijke uitsmijter: ‘Maar voor de rest weet ik er ook niet zoveel van.’
Jongetje van zeven kijkt ernstig en zegt:
‘Ik weet er wél veel van. Maar het is erg vies.’

192. Ontmoeting 40. De tram

Naar de tram
Ik loop relaxt naar de halte, maar zie dat de tram er al aankomt. Ik zet, op mijn manier, een sprintje in, en schat in dat ik nog juist vóór een fietser en twee auto’s de rijbaan kan overhaasten.Terwijl ik nét langs het fietsje met jongetje van een jaar of zeven heenflits,
roept hij: ‘Rénnen! Rénnen!’
Al haastend schiet ik in de lach en roep terug:’Jááá! Ik doe mijn best!
Dan stopt de tram bij de halte.
‘Rénnen’, roept het jongetje. ‘Voor je léven!
‘En net als ik de tram inspring, schalt zijn laatste aanmoediging: ‘Én voor je zakgeld!’

In de tram
Ik check in en zie dat alle zetels in de tram bezet zijn, op eentje na, schuin achter de bestuurder, met een teken op het raam geplakt.
Ik vraag: ‘Kan ik hier ook zitten?’
Trambestuurder: ‘Ja hoor, meneer, die is speciaal voor u.’
Ik zet mij neder en kijk op het bordje waarop een man met een soort stok staat en daaronder de zin:
‘Alleen voor minder validen, ouderen, zwangere vrouwen.’

Kijk, het is altijd prettig om gezien te worden, mee te tellen in de vaart der volkeren en ergens bij te horen.
Maar wáárbij?
In hemelsnaam!

191. Ontmoeting 39. Café biljart in Oudesluis

‘Café biljart’.
Altijd als ik dit lied van Toon Hermans hoor, ben ik 6 jaar en in het café van mijn opa en oma Kossen in Oudesluis waar mijn vader en ome Arie met en tegen elkaar spelen
als beste biljarters uit de streek.

30 jaar later
is de wereld groter

is Oudesluis ver weg
en speel ik voor het Nederlands kampioenschap biljarten
voor camera’s, publieke tribunes en Raymond Ceulemans.

Terwijl ik na afloop het erepodium betreed
zie ik mijn vader en ome Arie
vanuit Oudesluis
met hun sterke armen
mij het podium optillen.

En hoor ik een ander lied
dan het Wilhelmus
Het lied dat zingt van een dorp, familie en warmte.
Van veiligheid, bewondering 
en de pinda automaat
op het tafeltje met het bruine kleedje
naast het biljart in het café van opa en oma.

En nog steeds
60 jaar later 
als ik een café met biljart zie
hoor ik het lied 
zie ik het spel
en ruik ik de pinda’s.

En weet ik
wéét ik 
dat alles in mij doorleeft
dat tijd niet bestaat
en 
dat er iets is
zóó klein

zóó ontzagwekkend klein
dat niet verandert.

Dat nooit sterft.

190. Ontmoeting 38. In het café

We zitten in een knus tederbruin café in de binnenstad aan de hete chocomel.
Ik mét slagroom, zij zónder.
Ze is, behalve vrouw, ook nog gedisciplineerd.

‘Hoe gaat het met je?’ vraag ik.
‘Alles,’ zegt ze.
‘En jij?’
‘Niks,’ zeg ik.
‘Oh, dat is mooi’, zegt ze, schietend in de lach, ‘da’s eigenlijk hetzelfde, hè.’

Ze is zo’n vrouw die alles meteen snapt. Dat vind ik lekker, bij de warme chocomel. We nemen nog een slok. Dan kijkt ze aandachtig om zich heen. Ze is ook nog zo’n vrouw die altijd eerst haar omgeving nauwkeurig observeert voordat ze die omgeving kan vergeten.
En zich veilig kan voelen.

‘Weet je, ik groeide op in een dorp waarin de een gelukkig was en de ander niet. In die wereld leerde ik dat als je gelukkig was dat je niet verdrietig kon zijn of pijn kon lijden.
Je was óf het een óf het ander.’
Ik: ‘Klinkt gezellig. Dus het waren allemaal aparte vakjes waarin de emoties gestopt waren? En de mensen zaten dus ook ieder apart in hun vaste hokjes?’
‘Precies’, zegt ze, ‘dus iemand die verdriet of pijn had, kon niet gelukkig zijn, en iemand die rouwde, kon niet blij zijn. Dus gingen mensen zich zo gedragen en werden het meer vaste herkenbare types dan mensen. De een was meestal chagrijnig, de ander optimistisch, weer een ander was vaak heel nuchter, en er was een klager die nooit iets anders deed dan klagen. Je wist dus bij iedereen wel precies waar je aan toe was. Voorspelbaarheid troef.’
Ik: ‘Nou ja, voorspelbaar, het klinkt eerder nogal gewelddadig.’
Zij: ‘Dat geweld, zoals jij het noemt, dat vond men compleet normaal. En normaal, dáár ging het om. Dus zelfs als ‘normaal’ betekende dat het emotioneel gewelddadig was.’
‘Hoe leefde je daarmee?’ vraag ik.
‘Niet,’ antwoordt ze, ‘ik was halfdood, maar dat viel niemand op.’
Ik: ‘Misschien was iedereen wel halfdood, maar aangezien halfdood en halflevend bij jullie als normaal leven werden gezien, werd dat dus goedgekeurd.’

Ze knikt, neemt de laatste minder warme slok en denkt na. Ze lijkt even weg te zijn, even helemaal in zichzelf, en komt dan terug.

‘Ik voel me tegenwoordig altijd alles. Er is nooit een emotie die er niet is. Als ik blij ben zit er middenin mijn blijdschap verdriet, en ook pijn. Het ligt vlak naast elkaar of nog preciezer: alle emoties zitten in elkaar verweven. Herken je dat?’
‘Jazeker, en ik heb ooit ontdekt waar de kern van die emoties in mijn lichaam zit. Ongeveer een decimeter onder mijn navel. Dáár begint mijn huilen en lachen. Trouwens, ook plassen en klaarkomen beginnen daar. Het is één plek waar echt alles zit en waar alles uitstroomt.’
‘Juist,’ zegt ze, ‘dit bedoel ik. Wat fijn dat een man dit snapt. Het is wonderlijk dat die ene plek alles bevat, terwijl de uitingen van die plek zo verschillend zijn.’
Ik: ‘Ja, eigenlijk is er innerlijk geen verschil tussen huilen, lachen en klaarkomen, maar gelukkig uiterlijk wel. Anders zou het een verwarrend zooitje worden om ons heen, nietwaar?’

Ze lacht nu zó hard dat een paar klanten verstoord opkijken.

Nog nahikkend buigt ze zich voorover, alsof ze een geheim wil delen, en fluistert me toe: ‘Zou verstoord kijken ook in die plek zitten?’
Ik: ‘Volgens mij kwamen ze net klaar, maar hadden ze het niet door.’

Dan stikt ze.

En nog nooit heb ik een vrouw zó levend en zó hard zien huilen van de lach.

Wát een plek!
En wát een knus café
!