Soms, als er werkzaamheden aan het spoor zijn, rijden er geen treinen en dan zet de NS bussen in. Handig, nietwaar?
Ik sta op Den Haag HS en er staat daar een bus. Ik vraag aan de chauffeur:
‘Gaat deze bus naar Delft?’
Hij zegt: ‘Nee.’
Verder niks.
Een andere man zegt vriendelijk:
‘Over een half uur vertrekt daar bij de halte een bus naar Delft.’
Half uur later: dezelfde bus met dezelfde chauffeur stopt bij de halte.
Ik stap in en zeg:
‘Zo, joh, dus je gaat wél naar Delft.’
Hij zegt niks en kijkt weg.
Dan wil een andere passagier instappen.
Chauffeur zegt:
‘Ik zit vol, je kan niet mee.’
Passagier: ‘Wanneer gaat de volgende bus?´
Chauffeur: ‘Weet ik niet.´
Ik ontplof en vaar uit:
‘Man, man, wat werk jij slecht! Je bent niet alleen niet professioneel, maar je bent ook nog onbeschoft tegen mensen, en je hebt geen enkele vakkennis. Je bent een waardeloos figuur.’
Hij: ‘Ik ben al lang al blij dat ik een baan heb.’
Ik: ‘Dat zal dan hopelijk niet lang meer duren. Jij kan NIKS.’
Stilte.
Tja.
Wat is het juiste spreken en handelen?
iedere situatie en ieder mens is anders.
En uiteindelijk gaat het om innerlijke vrede, nietwaar?
In dit geval lukte het me heel goed om de vrede in mezelf te vinden toen ik deze vermaledijde schobbejak mijn waarheid had verteld en toen de aartslul zijn gore bek hield.
En dat was zóóó bevredigend!
170. Ontmoeting 18. Wraak!
Ik ren naar mijn slaapkamertje, sluit de deur, kruip onder de dekens, en denk hard:
‘Ze moeten op hun knieën bij me aankomen en smeken om vergeving en goed beseffen wat zij mij allemaal hebben aangedaan. Anders hoef ik ze nóóóit meer te zien!’
Dit soort gedachten had ik wel eens in mijn kindertijd als ik me even niet begrepen voelde.
Het meest rampzalige moment kwam altijd een paar minuutjes daarna, als mijn absolute wraaklust zomaar ineens ineenstortte en overging in vermoeidheid en verveling.
‘Shit, alwéér!’, dacht ik, ‘waarom toch?’
Als dan de geur van de gebakken boterkoek van mijn moeder het slaapkamertje binnenzwierde, verliet ik naarstig mijn veilige onderdekense haven op weg naar de welriekende boterkoekkeuken. Grote nederlaag!
De jihadist die ik destijds was had het niet makkelijk met zijn eigen gedachten.
Later, na beledigingen van Q of X, probeerde ik mijn kwetsingen ook wel eens te bezweren met een zin die ik eens van een minister had gehoord:
‘Ik heb mijn realiteit gelegd naast die van de heer Q, een persoon die ik zeer hoog aansla, maar ik herken me niet in het door hem geschetste beeld. Ik laat zijn insinuaties even aan zijn kant.’
Deze sluw bedachte houding was echter minstens zo vermoeiend als de
zelf-opsluit-scène in de slaapkamer.
Dan komt de dag dat ik op de Gazastrook een Israëlische moeder spreek.
De hoofden van haar twee vermoorde zonen zijn met keien in elkaar geslagen.
Ze zegt me:
’Na de moorden op mijn kinderen besloot ik voor liefde te kiezen en niet voor haat, omdat ik wilde dat de oorlog eindelijk zou stoppen. En omdat ik wist dat de vrede alleen in mijn eigen gedachten kon beginnen. Niet daarbuiten.’
Dit was het antwoord waar ik sinds mijn kindertijd naar op zoek was geweest.
En ik schaamde mij diep.
169. Ontmoeting 17. Bij de kapster
Ik ben een gewone man, woon alleen, doe mijn werk, en leid een onopvallend bestaan.
Een paar keer per jaar ga ik naar de kapper. Gewoner en normaler bestaat niet.
Dacht ik.
Ik stap de stille kapsalon binnen waar een knappe kapster mij reeds opwacht.
Met een handgebaar nodigt ze me vriendelijk uit plaats te nemen. Op mijn gemak en overtuigd van mijn onschuld geef ik me over aan de bekwame handen van de ongetwijfeld vraaggrage knipster.
‘Wilt u koffie of thee of iets anders?’ begint ze haar reeks.
Ik voel mij gezien en gewaardeerd, ontspan me en ben vast van plan van haar aandacht te genieten.
‘Water graag.’
Haar mooie ogen worden iets groter, maar ze voldoet aan mijn verzoek.
‘Hoe wilt u het hebben?’
‘Alles heel kort geschoren, het kan wel met de tondeuse, op vier millimeter.’
Haar wenkbrauwen trekken iets op, haar sensuele lippen verwijden zich, maar sluiten zich weer. Mijn spieren ontspannen zich nóg iets meer.
Met enige luidruchtigheid pakt ze haar kapspullen.
Dan …. voltrekt zich mijn noodlot.
‘Zo meneer, lekker meivakantie zeker? Allemaal leuke dingen gedaan al?’
‘Nou, liever doe ik niets. Ik hou van traag leven. Dan voel ik mijn voeten op de aarde lopen, hoor plotseling geluiden die ik daarvoor nooit waarneem en merk dat ik meer in mijn lichaam ga leven. Dan word ik gelukkig.’
Stilte. Ze stopt.
‘Er mag nog meer af hoor.’
Iets harder drukt de tondeuse op mijn schedel.
‘En u kijkt zeker ook naar al die leuke series op tv? Welke series vindt u leuk?’
‘Nee, mijn tv doet het al een paar maanden niet en dat bevalt me eigenlijk wel. Ik laat het dus voorlopig maar zo.’
Ze stoot tegen mijn glas water, dat valt, ze bukt, richt zich op en roept:
‘Sorry meneer, ik haal een nieuw!’
‘Laat maar hoor, ik heb genoeg gehad. Dank u.’
Ze herstelt zich en keert terug tot haar kerntaak.
‘Enne …… binnenkort ook gezellig met de familie op zomervakantie?’
De druk neemt toe.
‘Nee, dat niet. Ik woon op mezelf en vind het heerlijk in deze tijd de rust op te zoeken, te mediteren en alleen te zijn.’
De tondeuse wordt pijnlijk.
‘Woont u hélemaal alleen?’
‘Niet helemaal. Er woont ook nog een Afghaanse jongen bij me, een oud-leerling. Die komt een paar keer per maand langs en blijft dan eten en slapen.
‘Auw! Niet zo hard graag.’
‘Sorry meneer.’
‘Wilt u nog koffie!’ schreeuwt ze plotseling.
‘Nee, dank u. Kunt u iets voorzichtiger scheren graag? Dank u.’
Ze loopt even heen en weer, zoekt iets, vindt het niet, keert terug.
‘Enne, nog even gezellig ‘gestad’ en boodschappen gedaan, zie ik’, wijzend naar mijn tas.
‘Ja, daar zit de nieuwe vertaling van de heilige Koran in en een paar Zen boeken.
In de Koran staat dat een man vier vrouwen mag hebben. Ik probeer die richtlijn aan te houden’, zeg ik schalks.
‘AUW!’
Een paar druppels bloed vallen op mijn oor, de tondeuse op de grond.
De kapster rent weg.
Na enige minuten komt ze terug, verontschuldigt zich, poetst iets weg en maakt haar zware karwei af.
Tijd voor de afrekening.
Ik sta op en in gedachten vliegen de andere kapsters op me af en drukken me tegen de grond. De deur zwaait open en agenten stormen naar binnen. Zonder vragen worden me de handboeien omgedaan, ik meegesleurd, de overvalwagen ingeladen, doek voor de mond.
Dat was me nóg een keer overkomen, lang geleden, op reis in Kampala, Oeganda, staatsgreep, stad omsingeld, toen verdacht van terrorisme. Dat had ik de kapster nog niet verteld. Ik vrees dat de aanklacht dit keer zwaarder zal zijn.
Inderdaad, het valt niet mee om een gewone man te zijn, alleen te zijn, een onopvallend bestaan te leiden. En gelukkig te zijn.
168. Ontmoeting 16. De heldere vrouw
Twee jaar geleden kwam ze voor het eerst bij me. Ze had zware jaren achter de rug. De klappen van het leven waren haar niet bespaard gebleven. Een paar jaar lang is ze iedere week langsgekomen teneinde haar verleden onder ogen te zien, alle verboden emoties in haar lichaam te mogen voelen en uiten, ook de grootste pijn, angst, woede, haat, en uiteindelijk het diepste, verborgen verdriet.
Door dit alles diepgaand en oprecht te doorvoelen en niets meer uit de weg te gaan, trokken de sluiers, langzaam en stukje bij beetje, voor haar geest weg en onstond geleidelijk een steeds helderder inzicht in haarzelf, in anderen, in leven. En in dood.
Vandaag is de laatste sessie aangebroken.
Voor de allerlaatste keer komt ze tegenover me zitten.
En ze zegt:
‘Het leven is perfect in ieder moment.
Alle kinderen zijn in de kiem reeds oude mensen; alle zuigelingen hebben de dood al in zich; alle stervende mensen hebben eeuwig leven. En iedere foute daad of gedachte draagt het goede al in zich.
Het is niet mogelijk voor één persoon om te zien hoever de ander op zijn weg is.
De rechter bestaat in de dief, de patiënt in de dokter, het kleinkind in de opa,
de leraar in de leerling.
Niets is gescheiden, alles is inherent verbonden, en vormen veranderen in hun tegendeel.
Daarom, zo lijkt het mij toe, is alles dat bestaat goed, zowel dood als leven, zowel succes als falen, zowel gezondheid als ziekte, zowel waanzin als wijsheid.
Alles is nodig en noodzakelijk.
Alles heeft alleen onze aanvaarding nodig, ons liefdevolle begrip.
Dan is alles goed en dan kan niets ons schaden.
Niet dat ons niets ergs kan overkomen, maar de enige schade is onze niet-aanvaarding en ons onbegrip.
Door ons lichaam en onze gedachten leren we dat het nodig is om fouten te maken, uit evenwicht te raken. We leren dat we lust en begeerte nodig hebben en dat we moeten streven naar bezit.
Zo leren we ook de walging van het bestaan te ervaren en de diepte van de wanhoop.
Opdat we leren ze te weerstaan, opdat we leren de wereld lief te hebben, en opdat we leren deze wereld niet langer te vergelijken met een of andere gewenste ingebeelde wereld, een of ander beeld van perfectie van nu of later, maar om haar te laten zijn zoals ze is.
Om mee te doen.
Om ervan te houden.
En om blij te zijn dat we deze wereld toebehoren.’
Zo zegt ze stralend.
167. Ontmoeting 15. Het andere leven
Mijn vader was niet altijd even voorspelbaar.
Als echtgenoot.
Om het zo maar eens te zeggen.
Vok Otjes werkte op het gemeentehuis.
Als ambtenaar.
Om het zo maar eens te zeggen.
Iedere dag, vijf dagen per week, reed Vok Otjes voorbij ons huis.
En ’s ochtends,
iedere ochtend,
vijf ochtenden per week,
reed Vok Otjes exact om tien voor negen voorbij ons huis,
regenjas aan, ook bij zon,
hoofd gebogen, doelgerichte blik, gekromde rug,
en vol broodtrommeltje met twee elastiekjes eromheen
achterop de bagagedrager.
En ’s middags,
iedere middag,
vijf middagen per week,
reed Vok Otjes exact om tien over vijf weer terug,
voorbij ons huis,
regenjas aan, ook bij zon,
hoofd gebogen, doelgerichte blik, gekromde rug,
en leeg broodtrommeltje met twee elastiekjes eromheen,
achterop de bagagedrager.
Op zo’n middag, om exact tien over vijf,
toen mijn vader niet precies wist dat het exact tien over vijf was,
zag ik mijn moeder voor het raam naar buiten staren,
naar Vok Otjes,
naar de regenjas,
in de zon,
naar het gebogen hoofd,
naar de doelgerichte blik,
naar de gekromde rug,
naar de fiets,
naar het lege broodtrommeltje,
naar de twee elastiekjes eromheen,
naar de bagagedrager.
En naar exact tien over vijf.
En toen hoorde ik de diepste tenen van mijn moeder verzuchten:
‘Was ik maar met Vok Otjes getrouwd ….’
166. Ontmoeting 14. In de lift
1.
Vandaag dacht ik:
Kom, laat ik eens in een lift stappen, dan spreek je nog eens iemand.
Als mens.
Afijn, ik sta daar en er komt een vrouw de lift in.
Ze zegt: ‘Het is nog niet echt warm, hè?’
Ik: ‘Nee, klopt.’
Zij: ‘Ik kan niet tegen die kou.’
Ik: ‘Volgens het weerbericht wordt het dit weekend warmer.’
Zij: ‘Als het maar niet te warm wordt.’
Ik: ‘Waarom niet?´
Zij: ‘Ik kan niet tegen die warmte.’
165. Ontmoeting 13. Voorjaar 2022
Middenin de lentewarmte zegt mijn buurvrouw:
‘Buurman, u moet uw plantjes verzorgen hoor!’
Ik antwoord:
‘Verzorgen? Ik heb ze geplant, de natuur doet het verder zelf wel, toch?’
Buurvrouw loopt hoofdschuddend weg.
Ze kent me.
Die avond denk ik na over mijn buurvrouw en ook dit keer rijst een aloude gedachte naar boven: ‘Buurvrouw heeft weer eens gelijk.’
Dus doe ik het anders.
Sinds enkele dagen verzorg en besproei ik ’s avonds mijn terrasplantjes terwijl ik zing op de melodie ‘Oóóh Carolien’ van Toon Hermans:
Oóóh, lieve bloem!
Oóóh, lieve bloem!
Héééb je nog je groene blaadjes?
Oóóh, lieve bloem!
Na het prutten en sproeien en zingen ga ik op het bankje voor mijn plantjes zitten en vertel ik ze een verhaaltje. Daarna geef ik zoete kusjes op de bladen, strijk mijn handen over de bloemen en streel mijn vingers over de nieuwe knopjes. Dan zeg ik zacht:
‘Ik hou van jullie.’
Daarna wens ik ze welterusten en maak een lichte buiging met mijn handen op het hart.
Zó, denk ik, buurvrouw kan tevreden zijn.
Dan kijk ik op en zie op het balkon mijn strenge buurman zijn hoofd schudden.
Ik zwaai naar hem, maar zijn schuddende hoofd wijkt niet.
Dan spuit ik hem nat.
Ik roep: ‘Buurman, het is lèèèènte!’
Buurman schudt zijn kletsnatte buik en roept.
‘Jij schalkse Stammes, jij plantenminnende schavuit, jij bloemende liedjeszinger!
Jij bent abnormaal!’
De planten knikken.
Giechelend leggen hun ritselende hoofden zich te ruste.
Dan wordt alles stil.
Zóó stil, dat niet alleen buurman roerloos staat,
maar zelfs het sproeiende water bewegingsloos slaapt.
Het is voorjaar 2022.
En perfect is het leven.
164. Ontmoeting 12. Gesprek met mijn overleden moeder
Het is diep in de nacht en plotseling is ze er: mijn overleden moeder.
Ofschoon dit een totaal onverwachte en ongebruikelijke gebeurtenis is, is het toch alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Alsof ze al eeuwen aanwezig is en alsof het nooit anders geweest is. Alsof dit gewoon is en al het andere op Aarde niet.
Ik zeg:
Hé, Ma, wat een verrassing! En je bent straks nog jarig ook, hè. Word je écht eenennegentig jaar?
Ja, en ik voel me nog goed, zegt ze lachend.
Ik kijk haar aan. Ze ziet er jonger en eeuwiger uit dan ooit.
Ze ziet wat ik denk en zegt:
Leeftijd bestaat niet. Tijd speelt op Aarde een rol, maar het begrip ‘oude ziel’ heeft niets met leeftijd te maken. Een ‘oude ziel’ is een wijze ziel met een hoge graad van bewustzijn. Hier heeft de tijd geen invloed op.
Ik: Op Aarde zou je binnenkort jarig zijn. Wat zou je graag voor je verjaardag willen hebben?
– Dat jullie je boosheid omarmen en in vrede leven, met jezelf, elkaar en iedereen.
– Wanneer wil je dat we dat gaan doen?
– Nú.
– Hoelang?
– Altijd.
Ze vervolgt:
Het is mogelijk, het is niet moeilijk. Je moet er alleen even aan wennen. Echter, als je vrede bent, zul je zien dat je vanaf je geboorte nooit anders bent geweest. Jullie mensen zijn het alleen even vergeten. Er is zóveel gebeurd!
De tijd is nu gekomen om jullie te her-inneren wie je bent.
Vrede.
Je hoeft het niet te proberen, want je bént het al.
Her-inner je dus. Wees wie je bent.
Wéés vrede.
Bedankt voor het cadeau dat je ons nu geeft, Ma!
Ik geef haar een kus en alles verstilt.
Zelfs geluid ís stilte.
Het is deze onmetelijke stilte die fluistert:
Dít bedoel ik!
Wat ben ik híer blij mee!
Dank jullie wel!
Dan verdwijnt ze.
En er is geen plek in het heelal waar ze niet is.
163. Ontmoeting 11. Overtreding
Ik zie in de prille voorjaarszon een groepje frivole dames in dikke winterkleding aan komen fietsen, ik geef een noodzakelijk stopteken, en zeg:
‘Dag dames, wat doen wij hier?’
‘Fietsen, meneer.’
‘Fietsen ja, maar in wát?’
‘In winterkleding, meneer.’
‘Juist. En mag dat van mij, die winterkleding?’
‘Nee meneer, dat mag niet van u.’
‘En waarom mag dat niet van mij, dames?’
‘Omdat het vandaag volgens u exact 18 graden is en dientengevolge winterkleding op de fiets verboden is, terwijl lenterokjes verplicht zijn met dit weer, meneer.’
‘Aha! Heel juist! En wat betekent dit dames?’
‘Dat wij in overtreding zijn, meneer.’
‘Juist! En wat gaan de dames hieraan doen, denken ze?’
‘Onze winterkleding uittrekken, meneer.’
‘Juist! En is dat voldoende, dames?’
‘Nee meneer.’
‘Dus wat gaan de dames daarna doen?’
‘Onze lenterokjes aandoen, meneer.’
‘Juist! En niet meer doen hè, die winterkleding?’
‘Nee, meneer.’
‘Heel juist!’
‘Dank u wel, meneer!’
‘Geen dank, dames.’
‘Dag meneer!’
‘Dag dames.’
162. Ontmoeting 10. Een moeder vertelt
In een serie coachingsgesprekken waarin ze iedere sessie een levensfase van haar met me heeft beproken, doorleefd en doorvoeld, komen we uiteindelijk aan bij het thema van het ouder worden, hoe ze dit beleeft en wat hier allemaal bij komt kijken.
En vertelt de vrouw me het volgende verhaal.
“Mijn dochter zei me dat ze ernaar verlangde een kind te krijgen van haar man. Ze vroeg me hoe ik daarover dacht.
En ik dacht:
Ik zou willen dat je weet dat de fysieke wond van de baring zal genezen, maar dat je daarna voor altijd kwetsbaar zult zijn.
Ik zou willen dat je weet dat als je als moeder de krant leest over oorlogen, branden en verkeersongelukken, dat je je dan altijd de vraag zult stellen:
Wát als het míjn kind zou overkomen?
Dan kijk ik naar haar, naar haar verzorgde gelaat, haar mooi gelakte nagels.
En ik denk:
Hoe mooi en verzorgd je er nu ook uitziet, als moeder zul je een primitieve beer zijn die dierlijk over haar kinderen waakt.
Hoe mooi en professioneel je er nu ook uitziet, je zult bij het eerste telefoontje van je kind uit iedere werkvergadering weg willen rennen, omdat jouw kind jou nodig heeft.
Hoe belangrijk je jezelf nu ook vindt, je zult als moeder je eigen leven altijd minder belangrijk maken dan dat van je kind.
Je zult gaan beseffen hoe anders en hoeveel méér je van je man kunt houden als je ziet hoe eindeloos hij met je kind kan spelen en stoeien.
Je zult gaan beseffen hoezeer je je verwant voelt met andere vrouwen die oorlogen willen stoppen en die strijden tegen dronkaards achter het stuur.
Ik wil dat je de opwinding zult ervaren als je kind voor de eerste keer op een fiets leert rijden of een kat aait.
Ik wil dat je de vreugde voelt die hartgrondig pijn doet.
En:
ik wil bidden voor alle jonge vrouwen die stamelend hun weg zoeken naar de meest wonderbaarlijke aller roepingen.
Maar dit alles zei ik niet tegen mijn dochter.
Als antwoord op haar vraag, reikte ik haar mijn beide handen over de tafel, pakte de hare vast en zei: ‘Je zult er geen spijt van hebben.’ “