161. Ontmoeting 9. ‘Vormt uw kind naar uw eigen beeld’

Haar dichtgeslagen ogen kijken me brandend aan.
“Je zult eeuwig branden in de hel”, schreeuwde hij haar toe, terwijl zijn slagen op haar inbeukten. Tot ze niet meer kon. En vluchtte. De nacht in.
Naast haar zit Ajna, 16 jaar, beeldschoon. Ze weet niet precies wat ze voelt (‘klopt het wel?’), maar ze is verliefd op haar. En andersom.
Ajna is niet geslagen. Ze weten van niks, thuis. Ze bewaakt haar geheim. En dat kan ze: zwijgend een geheim bewaren. Dat leerde ze al vroeg, thuis, op school, op straat.
Iedere cultuur heeft zo zijn voordelen.
Veel zien, veel voelen, veel willen, en …… zwijgen.
Ook als haar ouders, haar familie, spraken over haar toekomst. Over een goede opleiding, een mooi huis, een baan met aanzien, een leuke man. “Eén van ons natuurlijk, je begrijpt wel.”
Maar ze begreep niet. Niet echt. Ze begreep iets anders. Maar zweeg.

Ik luister naar hun verhalen en vraag me voor de zoveelste keer af hoe sommige ouders het in godsnaam voor elkaar krijgen een kind ter wereld te brengen en vervolgens een leven lang een oorlogscampagne op touw zetten om hun lieve kind in de wurggreep van hun eigen angsten te dwingen. Om een godgans leven lang niet naar hun eigen kind te luisteren, het niet te zien, en nooit, werkelijk nooit, de oerschreeuw om erkenning en aanvaarding te horen waardoor ze hun bloedeigen kind van eeuwige verdoemenis zouden kunnen redden. En zichzelf.
Ik vraag me af:
Waar zijn die liefhebbende ouders die hun kind begrijpend aanhoren in hun kronkelige, kwetsbare weg door het leven, ze niet veroordelen, hun hand vasthouden als het nodig is en weer loslaten als het daarom vraagt, als de tijd rijp is?
Waar zijn die vreesloze ouders die hun kind zien zoals het is, niet vermorzeld door angstbeelden van cultuur, traditie en zogenaamde religie?
Ik zie dat Ajna en Fatima elkaars hand vastpakken. Prachtige kinderen. Eenzaam. Op de rand van de hel. Denken ze. Denkt hun familie.
Alles wat ik aan aandacht, interesse en vaardigheden inbreng, kan voor nog geen millimeter de alles verzengende haat van hun familie verzachten, laat staan verdrijven.
Hun familie die eist dat hun kinderen hun bezit zijn. Hun kinderen die geen eigen wil en verlangen mogen hebben, maar fungeren als privé-bezit van de ouders die hen hiermee gevangen houden.

Na een maand komt de oplossing.

“Het spijt me dat mijn dochter u zoveel last heeft bezorgd. Ze was in de war. Ze ziet nu in dat ze fout was. U begrijpt wel waarom. Ik wil u bedanken voor uw tijd en moeite. Ze zal niet meer op school komen.”
De kille flikkering in zijn ogen ontgaat me niet.
Terwijl de grond onder mijn voeten vandaan getrokken wordt, stort ik, met zijn kind, in een brandend vagevuur.
“Het vuur dat uw kind van alle zonden zal zuiveren.”

Want zó staat het geschreven.
Dus zó zal het geschieden.

160. Ontmoeting 8. Ramadan

Stralend van licht komt ze de klas in: “Mees, ik vast!”
Het is ook altijd wat met die moslims. Gaan ze een maand niet eten, zijn ze dolblij.
Denk ik.
Afijn, ik ken mijn jonge pappenheimers en zeg belangstellend: “Tjonge, wat leuk zeg!”
Het programma gaat echter voor en ik wil verder met de les. Maar ook enkele anderen komen dolblij op me af en roepen: “Meester, ik vast!”
Licht in een maaltijdloze maand, althans, overdag.
Iedere Ramadan herinner ik me weer hoeveel moslims er zijn in de klas. Ze vasten vrijwel allemaal. Stelletje egoïsten: de schoolkantine doet slechte zaken.
Het is onrustig aan het begin van de les. Ze willen hun ei kwijt (dat ze toch niet opeten, denk ik grappig). Natuurlijk zijn er klasgenoten die het maar raar vinden, dat niet eten. Dit vraagt om een tegenaanval, vindt de andere club. Felle argumenten, stemverheffing, stijgende emotie. Wie wint?

Midden in deze woestijn van schreeuwend onbegrip blijft ze zwijgen: Zakiah, mijn leerling, mijn bron, mijn licht, mijn moskee van stilte.
Ze is zestien van buiten, moslim, Marokkaanse, hoofddoek, grappig en lief.
Ze is zestig van binnen, moslim, Marokkaanse, hoofddoek, barmhartig en wijs.

De woestijn van niet luisteren gaat intussen door in de klas. Geschreeuw, geroep, schelden, intimideren, aanvallen. Vrijheid van meningsuiting, wát een verworvenheid van de Westerse maatschappij! Ik gebied streng om stilte.
Stil.

“Wie weet wat vasten écht betekent?”, vraag ik.
Zakiah wacht af. Geen leerling weet het. Of ze roepen dat ze de armen helpen of punten krijgen voor de hemel, maar niemand meent het, niemand weet iets.
Er is nog hoop: Zakiah.
Ik vraag: “Maar wat betekent vasten nu écht?”
Zakiah ziet, weet, dat als de storm is uitgeraasd, de zoektocht naar water begint.
Alle ogen gaan naar de bron. Zestien jaar.
En ze spreekt:
“Vasten is niet alleen niet eten, het is veel meer. Volgens een Hadith, een overlevering uit het leven van de Profeet Mohammed, vragen volgelingen hem wat ze moeten doen tegen de vele bedreigingen die ze krijgen van tegenstanders. Moeten ze terugslaan? Terugvechten? Moorden? Ze kunnen toch niet zomaar over zich heen laten lopen?”
De Profeet zegt:
“Als ze je lastigvallen, bedreigen, naar het leven staan, zeg dan: ‘Ik vast’. Niet alleen met eten, maar ook met mensen, met verleidingen, met je emoties, met situaties, met ruzie, met onrechtvaardigheid, met alles. Zeg: ‘Ik vast’ en ga niet op de verleiding in. Laat ze en vervolg de juiste weg. Dat is genoeg.”

Muisstil is de klas.
Als het donker is, is een kaars genoeg.
De les kan beginnen,
en het vasten,
en de vrede.

Het is ook altijd wat met die moslims.

159. Ontmoeting 7. Vader en zoon

Het 10-minuten gesprek voor het 3e rapport is achter de rug.
Onweer: 6 onvoldoendes.
Ze zitten naast elkaar. Nacht en dag. Gegroefd gelaat, doffe ogen, gekromde schouders naast ‘gedjeld’ haar, glinsterende ogen en zin in alles. Niet in leren.
Hij zegt Thom even buiten te wachten. Hij is nog niet klaar. Thom wel. Verlaat de kamer. Huppelend.
Ik probeer:
“Hij is nog jong, soms hebben ze een jaar extra nodig, moet nog rijpen, intelligent genoeg, goed karakter, komt er wel, aardige jongen.”
Maar zijn andere zoon. Daar wil hij het over hebben, over de basisschool.
“Hij doet het goed. Helpt iedereen. En leren, meneer, zo goed. En zo serieus. Nooit problemen. De oogappel van zijn moeder.”

Het is alsof hij naast hem zit.

Tot die auto hem schepte.

De dood van zijn zoon leeft door in zijn lichaam. Alsof ook hij tegen die auto liep, ook hij werd geschept. Buiten klinkt geren en gelach. Thom leeft door.
“Geen probleem, Mees. Nooit”. Zo verzekert hij me na iedere onvoldoende.
“Nee, nooit”, zegt vader. “Het komt nooit meer goed. Dit kán je niet goedmaken. Hij komt nooit meer terug.”

Met zoveel verdriet leven kan niet. Zonder hoop ook niet. Dus moet een ander het doen. Terugkomen. Zo wórden. Hij heeft nog steeds twee zonen. Ziet ze beiden niet.
“Ik zeg altijd: doe je best, we hebben alles voor je gedaan, wees succesvol, verdien goed geld later en: haal nu goede cijfers. Maar Thom snapt er niets van.”

Thom snapt alles. Hij weigert deze leugen te zijn, weigert zijn broertje te zijn, weigert dood te zijn. Daarom zes onvoldoendes, daarom huppelend naar buiten, daarom zin in alles, daarom niet in leren. Iedere onvoldoende schreeuwt: “Laat me leven! Míjn leven.”

De opmerkingen van de rapportenvergadering verzwijg ik:
“Thom moet harder werken. Kan het wel, maar denkt dat het allemaal vanzelf gaat. Vindt meisjes erg leuk. Zit meer in. Is erg druk. Lacht veel.”

Hij komt er wel, Thom.
Hij is er al.
Nu wij nog.
Dan komen die voldoendes vanzelf.

158. Ontmoeting 6. Een leerling

Rashid, 15 jaar, 3 Havo, Hagenees, komt de klas binnen. Hij gooit zijn tas hard tegen de bank, duwt een medeleerling omver en gaat met strakke armen over elkaar zitten.
Felle uitdagende blik: wat mot je?!!
Vanachter mijn bureau kijk ik naar hem en hij ziet dat, maar doet alsof hij niets merkt.
Ik begin met de les, hij draait zich om.
Ik corrigeer, hij reageert niet, praat door.
Zo gaat hij verder. Luidruchtig.
Er is iets, maar ik weet niet wat en hij reageert alleen maar met nóg grotere boosheid. Overal steeds harder tegenin. Tot hij gaat schreeuwen en dreigen. Hij is nu onhandelbaar geworden. Niets meer mee te beginnen. Ik grijp naar mijn laatste ordemaatregel en stuur hem de klas uit. Streng zeg ik dat hij zich bij me moet melden om 4 uur.
Tas door de klas , slaan met de deur, schreeuwen op de gang. Het hele Schilderwijkse puberrepertoire gaat los. Alles in hem schreeuwt datgene wat het echte moet bedekken en wat niemand nog ziet.
Als hij weg is vraag ik de klas of iemand weet wat er met Rashid is. Niemand. En ook is iedereen opgelucht dat hij nu het lokaal uit is.
De les gaat verder. Met het persoonlijk voornaamwoord lijdend – en meewerkend voorwerp. Dat komt namelijk in het Frans vóór de persoonsvorm wanneer er geen infinitief in de zin staat. Belangrijk!
Volgende week repetitie. Telt drie keer mee!

16.00 uur, na schooltijd.
Ik zit in mijn lokaal, Rashid komt binnen.
Dezelfde stemming, maar nu is hij alleen, geen medeleerlingen, geen oordelende blikken, geen eer om te moeten redden.
Alleen ik ben er, zijn leraar en mentor.
En de stilte.
De tafeltjes en stoelen heb ik van tevoren op gelijke hoogte geplaatst en ik ga schuin naast-tegenover hem zitten, zodat hij makkelijk mijn blik kan ontwijken als hij wil.
Ik vraag: ‘Ik snap je niet, Rashid. Normaal kun je ook wel druk zijn, maar vandaag was je anders in de klas. Ik kon je niet bereiken. Ik zou graag van je willen weten wat er is met je, want ik wil je graag begrijpen. Kun je me dat vertellen?’
In een flits kijkt hij me met zijn felle donkere ogen aan en kijkt meteen weer weg.
Hij zegt niets, staart naar de grond. Dan begint hij langzaam met verstikte stem te praten.
Na een tijdje slaat hij midden in het verhaal zijn blik op en kijkt me met open ogen aan. Zijn gezicht is zacht geworden, maar ik heb nog geen idee wat er is gebeurd. Hij kijkt verbaasd en zegt:
‘Mees, ik ben niet meer kwaad.’
Ik slik iets weg en vraag: ‘Hoe komt dat?’
Hij: ‘U luistert naar me. Echt. U valt me niet in de rede en beveelt me ook niet wat ik doen moet.’
Ik: ‘Wat fijn, Rashid. Wie doet dat niet zo bij jou dan?’

Zonder dat ik hoef aan te dringen gooit hij alles naar buiten wat hem dwarszit, al járen.
Tot hij langzaam aan rustiger wordt. Na twee uur praten, en wat daar bij komt, slaakt hij een diepe zucht en leunt achterover.
Ik snap hem nu. En zijn gedrag van vanmorgen. En van alle keren daarvoor.
Na het gesprek staan we op, omhelzen elkaar en vegen ieder onze natte ogen droog.
Hij zegt komisch : ‘Wat gezellig, hè, het leven.’
‘Ja’, zeg ik, ‘heel gezellig allemaal, we kunnen onze lol niet op.’
We schieten beiden heel hard in de lach, waardoor de huiltranen plaatsmaken voor slappelachtranen.

De volgende dag zie ik hem op de gang tussen het drukke gewoel van honderden leerlingen. Hij staat stil en kijkt me een fractie langer aan dan normaal. Die fractie vertelt zijn leven dat ik nu ken. En begrijp.

Twintig jaar later.
Ik kom Rashid in een weekend onverwachts tegen op de Vaillantlaan in Den Haag. Met zijn vrouw en twee kleine kinderen.
Hij herkent me al van verre: ‘Mees!’
‘Hé, Rashid!’
Hij loopt op me af en omhelst me spontaan.
Enthousiast wijst hij naar mij en roept blij tegen zijn vrouw en kinderen: ‘Dit is mijn Franse meester van school!’ Trots stelt hij zijn vrouw en kinderen aan me voor. Zij zegt vriendelijk: ‘Rashid heeft me vaak over u verteld.’
We praten wat en over hoe het gaat en wat hij doet. Dan moeten we beiden weer verder, maar nog even houdt hij me tegen, kijkt me aan met zijn donkere, lieve ogen en zegt zacht:
‘Mees, weet u nog?’
Ik zeg: ‘Ja, ik weet, Rashid, heel goed.’
Hij: ‘Ik zal het nooit vergeten.’
‘Ik ook niet, jongen, bedankt voor je vertrouwen. Fijn dat het zo goed met je gaat nu.’

Ze lopen weg, naar thuis.
Ik kijk ze na en hij draait zich om. Hij zwaait en veegt dan met een mouw over zijn ogen.
Ik doe precies hetzelfde. Net als twintig jaar geleden, in het klaslokaal na schooltijd.
Toen Rashid 15 jaar was.
Toen hij nog een jongen was.

157. Ontmoeting 5. De politieman op het station

Een grote stoere politieman met een enorm uniform om zich heen loopt met zijn fiets aan de hand door de hal van het NS-station Delft.
Plotseling word ik 17 jaar.
Ik roep:
‘Héé, je mag hier niet met de fiets op het station lopen!’
De man wijst op de naam ‘Politie’ op zijn uniform en bast streng:
‘Kun je niet lezen of zo?!!’
Ik:
‘Kom eens dichterbij, dan kan ik het zien.’

Hij doet het ook nog.

Dan blaft hij:
‘Kun je het nu lezen?!’

‘Oh ja, nu zie ik het.’

‘Wat staat er dan?!’

‘Er staat: Gebrek aan humor.’

Zijn vrouwelijke collega begint te lachen.
Ik zeg haar:
‘Hou hem in de gaten, hè, want dit zijn de gevaarlijkste!’

Enigszins zachtjes bekvechtend lopen ze zij aan zij en toch niet helemaal collegiaal door.

Ik blijf nog even staan.
Zóó voldaan tevreden.
Zoals een 17-jarige dat kan zijn.
Met zichzelf.

156. Ontmoeting 4. Dineren in de Waag

We zitten aan het diner in de historische Waag op de plek waar meeluisteren niet kan.
U weet wel: op de eerste verdieping in het nisje meteen links van de trap.
Ik heb haar mee uit eten gevraagd, aangezien ik nieuwsgierig ben naar haar ervaringen als arts tijdens de laatste twee coronajaren.
‘Arts is een prachtig beroep,’ zegt ze.
Ik vraag: ‘Wat moet je daarvoor kunnen?’

En ze vertelt:

‘Onze technische kennis en vaardigheden leren we natuurlijk in onze opleiding. Maar hoe een arts omgaat met patiënten die in paniek zijn, kwaad zijn, bang zijn, dat leren we niet in de opleiding.
Hetzelfde geldt voor de omgang met leven en dood. De dood boezemt ons allen angst in. Een arts zou moeten leren hoe hij die doodsangsten tegemoet treedt.’
Ik: ‘Tja, hoe leer je om te gaan met de dood?’
Zij: ‘Ik zie vaak dat mensen de zieke proberen te troosten of te adviseren. Als we dat doen, proberen we snel een makkelijke oplossing te vinden die er niet is. We zijn dan alleen maar bezig onze eigen emoties te onderdrukken. Adviseren en troosten zijn een vorm van egoïsme.’
Ik: ‘Wat hebben wij nodig om met ziekte en dood om te gaan?’
Zij: ‘We moeten weet hebben van leven en dood. Dit betekent dat we onze doodsangsten recht in de ogen durven kijken. Iedere dag.’
‘Wat heeft een doodziek iemand zélf nodig?’
‘Hij heeft in ieder geval geen adviezen nodig. Wél heeft hij mensen nodig die vertrouwd zijn met stilte, met zwijgen, met luisteren. En met een humor die het lijden erkent.
Een zieke heeft behoefte aan mensen die in aandacht leven. Als aandacht volledig is, is er geen angst en geen conflict. Dan is de benadering van de dood niet een bang zwart gat, maar een gezamenlijke ceremonie in een gezamenlijk sterven. Zo is de stervende niet alleen. En wij ook niet.’

We zijn langere tijd stil.
Alsof de gesproken woorden de tijd nodig hebben om hun plek te zoeken in ons bloed teneinde zich daar te nestelen.
We knikken naar elkaar.

Ik: ‘Zullen we dan nu samen ons gezamenlijke toetje vieren voor we uit elkaar gaan?’
Zij: ‘Ik ga eerst even naar het toilet’

Ze staat op en loopt weg.
En het héle restaurant wordt gevuld met háár afwezigheid.

155. Ontmoeting 3. Op het terras van café Doerak

Vandaag ben ik stadsgids en neem na de wandeling afscheid van de groep toeristen die ik een paar uur lang door Delft heb mogen rondleiden. Ik voel mij voldaan en altijd als ik een stadswandeling heb gedaan en mij voldaan voel, vind ik dat ik recht heb op een Leffe Blond.
Daarom loop ik vanaf de Markt over de Voldersgracht en sla linksaf naar het Vrouwjuttenland waar ik op enige afstand reeds het minzame terras van Biercafé Doerak zie opdoemen. Ik zet mij neer, plaats mijn bestelling en begin de favoriete bezigheid van wat mijn goede vader altijd noemde: ‘Mooi zitten, mooi kijken’.
De ober brengt mijn bestelling, ik neem een eerste slok, leun achterover en zie een gezin aan komen lopen van vader, moeder en zoon. Veertien jaar, eind tweede klas, zo schat mijn onderwijsblik in.
Ze zetten zich vlak voor mij neer, vader plaatst de bestelling en als de glazen op tafel staan doet zoonlief schichtig zijn capuchon over zijn hoofd en maakt zich met razendvlugge vingertoppen onzichtbaar achter zijn vesting van mobieltje en cola. Zijn boodschap is helder: ‘Ik ben er even niet, dus laat maar.’
Vader en moeder beginnen over de voetbalclub waar de jongen kennelijk speelt. Even leven jonge ogen op, maar slaan weer neer als ouders doorpraten met elkaar.
Aangezien ik al vanaf geboorte gefascineerd ben door voetbal en als jongetje nooit iets anders deed dan iedere ochtend, middag en avond voetballen, wend ik me tot de stille, weggedoken jongen en vraag belangstellend:
‘Zit je op voetbal?’
Ogen kijken even op: ‘Ja’.
‘Op welke positie speel je?’
Ogen lichten nu op: ‘Linksback.’
‘Wat is je grootste talent als linksback?’ vraag ik.
Verschuiling verlaat zijn vesting en 14-jarig vuur begint te branden. Uitgebreid vertelt de stille jongen hoe hij tegenstanders laat komen tot het juiste moment dat hij kan toeslaan. Hij vertelt over de voordelen van de linkspoot die hij is. Dan volgt een haarfijne uitleg over wat hij doet om de bal van zijn tegenstander afbenig te maken.
Ik: ‘Wat denk en doe je precies als je de bal dan in je bezit hebt?’
Onstuitbaar vertelt de van gedaante verwisselde jongen hoe hij van tevoren al in zijn hoofd heeft welke mogelijkheden er zijn om de bal af te spelen en naar wie, waarna een kundige uitleg volgt over de grote en kleine kwaliteiten van zijn medespelers.
Mobieltje en cola blijven onaangeroerd, een heel jongenslijf leeft.
Ik kijk vanuit mijn ooghoeken even om mij heen en zie tot mijn verbazing dat het hele terras, van voor tot achter, van links tot rechts, als een hecht team aandachtig luistert naar de coachende jongen. Iedereen is stil. De ouders staren met enige verwondering naar dit onverwachte schouwspel.
Ik wend mij weer tot de doorpratende jongen en als ik hem aankijk verschijnt plotseling in mijn hoofd een beeld, een toekomstbeeld. Het is het beeld van de veertienjarige jongen die als veertigjarige voetbalcoach professioneel een team leidt. Hierna schuift de realiteit van dit terras in de toekomstbeelden in mijn hoofd tot ze ineen smelten tot één nieuwe werkelijkheid.
Een lichte schok gaat door mij heen als dit moment mij doet beseffen dat de toekomst van deze jongen zich hier en nu volkomen helder in hem aan het voltrekken is.

En de toekomst, zij glimlacht.
Zoals alleen mooie toekomsten dat kunnen doen.

En besef ik hoe goed het is dat ik, na een stadswandeling met een voldaan gevoel, mezelf het recht geef op een Leffe Blond.

154. Ontmoeting 2. Op straat op het Vrouwjuttenland

Nietsvermoedend loop ik op het Vrouwjuttenland richting Choorstraat tot ik voor mijn eigen ogen vijf jongens in hartje Puberteit wervelend zie orkanen.
Ik bedoel: duwen, trekken, roepen en vechten.

Zoals 15-jarigen betaamt.
Al eeuwen.

Ik nader ze tot dichtbij en zie dat de grootste van het stel zijn naaste vastpakt en zijn arm om diens hoofd klemt. In een vlaag van kortstondig mededogen geeft hij de gevangene echter de gelegenheid datzelfde hoofd een kwartslag te draaien en deze kijkt me nu recht en kermend in de ogen.
Ik kijk het slachtoffer aan en vraag: ‘Heb je hulp nodig?’
Hij roept stikkend: ‘Ja, meneer! Snel! Het is al bijna te laat!’
Ik duw tegen het grote lijf van de cipier en roep: ‘Kappe hiermee!’
Een ander zegt: ‘Die lange luistert toch niet.’
Ik roep harder: ‘Hé dikke vette! Loslate!’
De dikke vette schiet in de lach en verslapt even zijn greep waardoor de beklemde zich kan bevrijden.
Deze jubelt: ‘Bedankt meneer!’
En direct daarna: ‘Mag ik uw handtekening?’
Ik loop door, maar hij rent achter mij aan en stopt een briefje met pen in mijn hand. Lachend zet ik een willekeurige krabbel.
Hij kust het papiertje in innige euforie en toont het trots aan zijn vrienden.
Vlak voordat ik de hoek omsla naar de Choorstraat roepen ze in koor:
‘Bedankt meneer!’
Eentje gilt jubelend: ‘Ik ben u eeuwig dankbaar!’
Ik kijk nog even om en zie vijf gierende jongens de hele straat door stormachtig bewegen, elkaar op de schouders slaan en omver duwen in tomeloos concurrerend luidruchtige vriendschap.

Humor.
Wáár zou het zijn zónder pubers op straat?

153. Ontmoeting 1. In Buitenhof op straat

‘Kuthoeren! Jullie zijn allemaal homo!’
‘Nee jôh, meisjes zijn geen homo, die zijn Libisch’, corrigeert zijn vriendje.
Ik loop langs een groepje wild gebarende en schreeuwende jongens van tien à twaalf jaar oud. De oorzaak van hun consternatie is een groep meisjes van dezelfde leeftijd die op vijftig meter afstand hetzelfde leerproces doorloopt.
Wat doet een argeloze voorbijganger als ik in zo’n geval?
Laat ik het anders zeggen: wat zou u doen?
Corrigeren? Lachen? Bang worden? Wegrennen? Bemiddelen? Schelden? Zwijgen? Slaan? Huilen? Schreeuwen? Zenuwachtig giechelen en jolig op en neer huppelen?
De mogelijkheden om de boel op te lossen of te laten escaleren zijn eindeloos, dus is het zorgvuldig koorddansen geblazen, zo schat ik sluw en vliegensvlug de schreeuwende situatie in.
Nou ben ik een wereldverbeteraar met een nogal twijfelachtige reputatie als het gaat om effectieve, op resultaat gerichte vredesaanpakken, dus wíl ik wel iets doen, maar weet zo gauw niet wát. Toch kan ik dit buitenkansje niet laten liggen.

En gebeurt het volgende.

Ik spreek sussend: ‘Jongens, doe eens wat aardiger tegen die meisjes. Ze zijn hartstikke lief.’
Eén jongen draait zich naar me toe en vraagt: ‘Weet u wat klaarkomen is?’
Een ander: ‘En porno? Weet u wat dat is? En neuken?’
Hij vertelt me dat ze een nieuw vak hebben in groep 8. ‘Dus ik weet die dingen’, zegt hij trots.

Elf jaar ….

Voor het invoeren van geweldloze communicatie besluit ik dat het nu handiger is dat ík de vragen stel, dus vraag ik aan een jongen met een bal aan de voet:
‘Wie van jullie is de beste?’
Eentje roept zelfverzekerd: ‘Ik, meneer!’
‘Hoeveel keer kun je een balletje hooghouden?’ vraag ik.
Hij zwijgt, pakt de bal en dan … transformeert de wereld.
Eén brok concentratie, binnen een tel. Iedere jongen is nu stil.
Na zijn optreden complimenteer ik hem en zeg dat hij vooral veel moet blijven oefenen. Dan loop ik weg en van een veilige afstand roepen ze me keihard na:
‘Dank u wel, meneer! Fijne dag voor u!’
Ze ménen het.
Opgelucht loop ik door en denk:
Onder ieder hard scheldwoord zit een verlegen jongetje dat wil laten zien dat hij iets goed kán. En voor dat kúnnen, dáár vraagt hij erkenning voor.
De meisjes intussen, zij naderen de niet meer scheldende jongens.
En zij kijken.
En de natuur, zij knipoogt. En ziet dat het goed is. Héél goed.

152. Inleiding Ontmoetingen

MENSEN ONTMOETEN

Hier gaat het eigenlijk om in het leven, nietwaar?

Mensen ontmoeten.

De volgende serie verhalen bestaat uit dit soort ontmoetingen.

Gesprekjes en gesprekken die ieder mens iedere dag wel kan hebben

en waarvan we misschien niet altijd beseffen hoe bijzonder

deze ‘gewone’ gesprekjes met ‘gewone’ mensen op een ‘gewone’ dag

in wezen zijn.