14. Een leerling

Rashid, 15 jaar, 3 Havo, Hagenees, komt de klas binnen. Hij gooit zijn tas hard tegen de bank, duwt een medeleerling omver en gaat met strakke armen over elkaar zitten.
Felle uitdagende blik: wat mot je?!!
Vanachter mijn bureau kijk ik naar hem en hij ziet dat, maar doet alsof hij niets merkt.
Ik begin met de les, hij draait zich om.
Ik corrigeer, hij reageert niet, praat door.
Zo gaat hij verder. Luidruchtig.
Er is iets, maar ik weet niet wat en hij reageert alleen maar met nóg grotere boosheid. Overal steeds harder tegenin. Tot hij gaat schreeuwen en dreigen. Hij is nu onhandelbaar geworden. Niets meer mee te beginnen. Ik grijp naar mijn laatste ordemaatregel en stuur hem de klas uit. Streng zeg ik dat hij zich bij me moet melden om 4 uur.
Tas door de klas , slaan met de deur, schreeuwen op de gang. Het hele Schilderwijkse puberrepertoire gaat los. Alles in hem schreeuwt datgene wat het echte moet bedekken en wat niemand nog ziet.
Als hij weg is vraag ik de klas of iemand weet wat er met Rashid is. Niemand. En ook is iedereen opgelucht dat hij nu het lokaal uit is.
De les gaat verder. Met het persoonlijk voornaamwoord lijdend – en meewerkend voorwerp. Dat komt namelijk in het Frans vóór de persoonsvorm wanneer er geen infinitief in de zin staat. Belangrijk!
Volgende week repetitie. Telt drie keer mee!

16.00 uur, na schooltijd.
Ik zit in mijn lokaal en Rashid komt binnen.
Dezelfde stemming, maar nu is hij alleen, geen medeleerlingen, geen oordelende blikken, geen eer om te moeten redden.
Alleen ik ben er, zijn leraar en mentor.
En de stilte.
De tafeltjes en stoelen heb ik van tevoren op gelijke hoogte geplaatst en ik ga schuin naast-tegenover hem zitten, zodat hij makkelijk mijn blik kan ontwijken als hij wil.
Ik vraag: ‘Ik snap je niet, Rashid. Normaal kun je ook wel druk zijn, maar vandaag was je anders in de klas. Ik kon je niet bereiken. Ik zou graag van je willen weten wat er is met je, want ik wil je graag begrijpen. Kun je me dat vertellen?’
In een flits kijkt hij me met zijn felle donkere ogen aan en kijkt meteen weer weg.
Hij zegt niets, staart naar de grond. Dan begint hij langzaam met verstikte stem te praten.
Na een tijdje slaat hij midden in het verhaal zijn blik op en kijkt me met open ogen aan. Zijn gezicht is zacht geworden, maar ik heb nog geen idee wat er is gebeurd. Hij kijkt verbaasd en zegt:
‘Mees, ik ben niet meer kwaad.’
Ik slik iets weg en vraag: ‘Hoe komt dat?’
Hij: ‘U luistert naar me. Echt. U valt me niet in de rede en beveelt me ook niet wat ik doen moet.’
Ik: ‘Wat fijn, Rashid. Wie doet dat niet zo bij jou dan?’

Zonder dat ik hoef aan te dringen gooit hij alles naar buiten wat hem dwarszit, al járen.
Tot hij langzaam aan rustiger wordt. Na twee uur praten, en wat daar bij komt, slaakt hij een diepe zucht en leunt achterover.
Ik snap hem nu. En zijn gedrag van vanmorgen. En van alle keren daarvoor.
Na het gesprek staan we op, omhelzen elkaar en vegen ieder onze natte ogen droog.
Hij zegt komisch : ‘Wat gezellig, hè, het leven.’
‘Ja’, zeg ik, ‘heel gezellig allemaal, we kunnen onze lol niet op.’
We schieten beiden heel hard in de lach, waardoor de huiltranen plaatsmaken voor slappelachtranen.

De volgende dag zie ik hem op de gang tussen het drukke gewoel van honderden leerlingen. Hij staat stil en kijkt me een fractie langer aan dan normaal. Die fractie vertelt zijn leven dat ik nu ken. En begrijp.

Twintig jaar later.
Ik kom Rashid in een weekend onverwachts tegen op de Vaillantlaan in Den Haag. Met zijn vrouw en twee kleine kinderen.
Hij herkent me al van verre: ‘Mees!’
‘Hé, Rashid!’
Hij loopt op me af en omhelst me spontaan.
Enthousiast wijst hij naar mij en roept blij tegen zijn vrouw en kinderen: ‘Dit is mijn Franse meester van school!’ Trots stelt hij zijn vrouw en kinderen aan me voor. Zij zegt vriendelijk: ‘Rashid heeft me vaak over u verteld.’
We praten wat en over hoe het gaat en wat hij doet. Dan moeten we beiden weer verder, maar nog even houdt hij me tegen, kijkt me aan met zijn donkere, lieve ogen en zegt zacht:
‘Mees, weet u nog?’
Ik zeg: ‘Ja, ik weet, Rashid, heel goed.’
Hij: ‘Ik zal het nooit vergeten.’
‘Ik ook niet, jongen, bedankt voor je vertrouwen. Fijn dat het zo goed met je gaat nu.’

Ze lopen weg, naar thuis.
Ik kijk ze na en hij draait zich om. Hij zwaait en veegt dan met een mouw over zijn ogen.
Ik doe precies hetzelfde. Net als twintig jaar geleden, in het klaslokaal na schooltijd.
Toen Rashid 15 jaar was.
En toen hij nog een jongen was.

6 gedachten over “14. Een leerling

Geef een reactie op truusdehaan Reactie annuleren