20. Het wonderkind

Zijn naam is Arthur Rimbaud.
De grootste dichter uit de wereldgeschiedenis.
Wat hem zo zeldzaam maakt, is dat hij zijn gehele oeuvre schreef van zijn zestiende tot negentiende jaar.
Een jongen.
Rimbaud wordt in 1854 geboren in het dorpje Charlesville-Mézières in Frankrijk.
Hij is een brave en briljante leerling aan de buitenkant, maar zielseenzaam in zijn binnenkant. De enige die zijn persoonlijkheid en onwaarschijnlijke talent ziet is zijn leraar Georges Izambard. Dit ‘diepgaand gezien worden’ doet de geest en het gedrag van de hypergevoelige jongen veranderen waardoor hij de vrijheid voelt om zijn echte talent aan te boren. Tot een punt waarop Rimbaud onhoudbaar wordt.
Hij vertrekt van het provinciedorp naar Parijs waar hij de gehele literaire elite beledigt, belachelijk maakt en verre overtreft in poëtische zeggingskracht.
Rimbaud is op dat moment zeventien jaar …. (!)
De beroemdste dichter van dat moment, Paul Verlaine, neemt hem onder zijn hoede. Ze gaan samen op reis, bezatten zich aan de zwaarste absint, snuiven de heftigste cocaïne, liggen dronken in de goten van Londen, zijn straatarm, en verwonden elkaar geestelijk en lichamelijk. De ooit zo brave Rimbaud is een losgeslagen schoft waar Verlaine aan kapot gaat.
Hierna keert Rimbaud terug en sluit zich op in een schuur op het erf van zijn moeder. Een week lang hoort men een vreselijk gehuil, gekerm en geschreeuw uit de afgesloten schuur komen. Hierna komt Rimbaud totaal uitgeput en verwilderd naar buiten. Hij heeft zijn meesterwerk geschreven: ‘Une saison en Enfer’. ‘Een Seizoen in de Hel’.
Het is dit werk dat de literatuur van de gehele twintigste eeuw voorgoed zal veranderen.
Een eeuw definitief veranderd, door een wonderkind van negentien jaar dat hierna nooit meer iets op papier zal zetten.
De wereld moet deze jongen eeuwig dankbaar zijn.


2 gedachten over “20. Het wonderkind

Geef een reactie op Dick Stammes Reactie annuleren