27. Dorpsverhaal 6. Westfriese vertelkunst (1)

In de Middeleeuwen had je rondtrekkende ‘troubadours’ die de verhalen doorvertelden die ze op hun reizen hadden gehoord. Zo bleven de mensen op de hoogte van wat er gebeurde in stad en land.
Die troubadours van toen bestaan in Westfriesland nog steeds. Het zijn de verhalenvertellers op straat en in de kroeg. Ieder dorp kent ze. 
Zo’n moderne troubadour was ook de Westfriese verhalenverteller Kees Stet. In een beroemd verhaal vertelt hij dat het fanfarekorps van Aartswout (Ierswout. Voor de échte kenners: Blôtebieneland) zeventig jaar bestaat, de mannen van het bestuur ontdekken dat er geen bloemen zijn in de feestzaal en daarop besluiten de bloemen ergens van een balkon af te gaan slepen. De verteller gaat dan verder en verpakt alle informatie in één ellenlange zin:

‘En zo raakte de manne
met un kartje op luchtbande
en un klain laddertje mee
deur ut skemerugge durrep 
nee ut huis
van Arie Klôsterboer
en ut laddertje ging bai ut balkon op
en de voorzitter stond bove
en de penningmeester benede
en de sikkerretares hallefweg
en ze gave mekaar de potte deur.’

Het trage ritme van de zin, de toon, de keuze van de woorden, de timing en het beeld dat je voor je ziet in je hoofd, is de grote kunst van het verhalen vertellen.
De allermooiste Westfriese zin van de 20e eeuw komt echter voor in een ander verhaal.
Als een Westfriese jongen bij de militaire dienstkeuring voor de kapitein verschijnt en deze hem beveelt andere schoenen aan te trekken, namelijk dezelfde schoenen als de andere soldaten, dan vraagt de soldaat: ‘Hoekkus hewwe are den an?’

Een gedachte over “27. Dorpsverhaal 6. Westfriese vertelkunst (1)

Geef een reactie op Hans Reactie annuleren