29. Dorpsverhaal 8. De oude en de nieuwe Prins Maurits

De nacht van twaalf op dertien september 1973 was een zwarte nacht voor de inwoners van Nieuwe Niedorp. Toen brandde de oude Prins Maurits af, het gezellige dorpscafé met de kolfbaan en legendarische kasteleins. En met fameuze kolvers en kolfsters als Piet Persijn en Adri Smit, die wereldkampioen werden, want buiten Westfriesland wordt niet gekolfd.
De laatste kastelein in de oude Prins Maurits, Cees Molenaar, kwam uit Wervershoof, het dorp van Theo Koomen, de beroemde radio- en TV-reporter. Cees kon goed biljarten en briljant liegen. Dat laatste oefende hij dan ook vaak. Hij zei bijvoorbeeld:
‘Het begon die dag plotseling zó hard te vriezen, dat de schaatsers schaatsten áchter de schuit aan.’
Of hij vertelde een anekdote uit de arme tijd en zei dan:
‘Moeder zette de pan met piepers op tafel en haalde de deksel eraf. Die jongens hadden zó’n honger, dat vóórdat de damp van de piepers bij het plafond was, waren de piepers al op.’
Of:
‘Het kroos op de sloot was zó dik, dat ze liepen over het kroos de trekschuit te trekken.’
Of hij vertelde dat hij veel had gereisd en bij de douane het volgende had gezien:
‘Die man had zulke grote handen, hij mocht niet in Amerika komen.’
Als een luisterende klant deze veelbereisde wijsheid niet helemaal begreep en vroeg: ‘maar waarom dan niet, Cees?’ dan zei Cees: ‘Te grote handen.’
Hij keek dan opzij naar het luchtledige om de ultieme erkenning van zijn wijsheid te ontvangen. Die maar niet kwam. Dus loog hij door. Net zolang tot zijn café verbrandde en de waarheid aan het licht kwam. De naakte waarheid waar hij niets anders van kon maken. Toen de brand uitbrak was Cees met zijn familie op vakantie en terugrijdend reden ze de Dorpsstraat in tot aan de Prins Maurits. Plat. Verbrand. Alles. Niets van over. Ongelogen.

Meteen gingen betrokken dorpelingen aan de slag om dit verbrande gat te dichten en aldus bouwde men een nieuw café met zaal onder dezelfde naam: Prins Maurits.
Als beheerdersechtpaar werd gekozen voor Jan en Gerie Stammes, mijn ouders.
Mijn moeder hield zich in de zaak vooral bezig met de organisatie van bruiloften en partijen en ze deed het personeelsbeleid. Mijn vaders taak was de contractering van muziekgroepen en het barwerk. En beiden zetten zich in voor het reilen, zeilen en bedienen van de vele verenigingen die gebruik maakten van het in 1976 persoonlijk door Prins Maurits (Fer Keulen) geopende dorpshuis ‘Prins Maurits’. Of zoals mijn vader in zijn beste Latijn zei: de Mauritius Printius.
Mijn vader was na de oorlog eerst loodgietersknecht geweest bij Gert de Vries, daarna runde hij met Herman Vrede de fietsenmakerij Havrelux, vervolgens was hij bedrijfsleider bij de Veeno fietsenfabriek van de Wilde en nu, op bijna 50-jarige leeftijd, begon hij met zijn vrouw aan een nieuw avontuur.

Mijn vader had een nogal aparte manier van omgaan met zijn stamgasten. Hij hield ze zoveel mogelijk in leven, maar maakte ze soms wél onschadelijk.
Zo repeteerde op een late vrijdagavond een nogal luidruchtige muziekband in de ‘Prins Maurits’. Jan Goet, de aannemer, woonde er vlakbij en kwam kwaad het café binnengestapt. Hij zei: ‘Die muziek is veel te hard. Ik had mijn pyjama al aan en toen ik naar bed wilde gaan begon die herrie. Ik kan er niet van slapen.’
Mijn vader antwoordde: ‘Een pyjama? Wie trekt er nou op jouw leeftijd nog een pyjama aan? Wat een belachelijk gedoe!’
De discussie ging hierna niet meer over de harde muziek, maar over het feit of het nu wel of niet redelijk was om op een bepaalde leeftijd een pyjama te dragen in bed. Ondertussen speelde de muziek keihard door, discussieerde Jan Goet ook keihard door en had hij niet meer in de gaten dat hij eigenlijk voor iets anders kwam.
Nadat de ergste emotie geluwd was schonk mijn vader een borrel in en bleef Jan Goet nog lange tijd zonder pyjama en vlakbij de harde muziek zitten.
Zo verdiende mijn vader geld aan klagende klanten en stelde hij ze tevreden zonder ooit iets op te lossen.

In de tijd voordat mijn ouders de nieuwe ‘Prins Maurits’ zouden gaan beheren, was er nogal wat discussie over het soort bier dat getapt zou gaan worden.
Jan (Pep) van Herwerden was niet gelukkig met de keuze voor Skol bier. Een ander feit was dat Jan een nieuwe jas had gekocht. Een zwarte met een riem. Jan vond die jas mooi. Hij stond daarin alleen.
Op een zondagmiddag kwam Jan uit de voetbalkantine en liep langs ons huis. Hij droeg trots zijn nieuwe zwarte jas met riem, klopte uitvoerig op het raam en riep tegen mijn vader: ‘We komen niet naar je café, want wij moeten dat Skol bier niet!’
Mijn vader riep terug: ‘Dat geeft niet, want wij kopen niet zo’n jas.’

Er kwamen veel verschillende soorten mensen bij mijn ouders in de ‘Prins Maurits’ in het plattelandse Nierup, waar af en toe een fiets voorbij kwam.
Soms kwamen de gasten helemaal uit Den Haag. Ze stonden op camping ‘Het Witte Hek’. Als je na middernacht het café verliet en naar buiten wilde gaan naar de doodstille dorpsstraat, zeiden ze heel attent: ‘Kaêkie aût voâh de tram?’

Toen een agressieve dronken man over de bar wilde klimmen, hield mijn vader hem resoluut tegen.
De man schreeuwde: ‘Je moet me zeker niet, hè!’
Mijn vader antwoordde kalm: ‘Ik zal het netjes zeggen: als jij een fanclub had, werd ik géén lid.’

Als de bollenboer van Terdiek, Freek Koorn, veel had gedronken, viel hij vaak aan de bar in slaap. Tijdens een avond van de biljartclub was het weer eens zover en op dat moment was Frans Nieuwelink aan de stamtafel net bezig een kruiswoordpuzzel op te lossen. Hij vroeg aan de klanten: ‘Het zit aan de bar en het slaapt. Zestien letters.’ Niemand wist het antwoord, Frans wél: ‘Freek Koornroosje.’
Frans had wat meer doorgeleerd en stelde soms moeilijke vragen.
Wat gebeurde er in 36 kwadraat? Antwoord: Floris de Vijfde vermoord.
Wat gebeurde er in 40 kwadraat? Slag bij Nieuwpoort.

Zelf stond ik er ook vaak achter de bar.
Het mooie van het barkeepersvak is dat je alle tijd hebt om mensen te ‘lezen’.
In de Prins Maurits ging dat op een willekeurige zondagmiddag zo ongeveer als volgt:

Hans Bossen peutert in zijn neus, krijgt een bloedneus en zegt: ‘Zit ik in me gok te jorre, nou issie stik.’

Freek Koorn waarschuwt een nieuwe bezoeker: ‘Je moet hier gien rondje geve hoor, want ze zuipen ut op.’

Een uitermate keurige, ietwat sombere dame wenkt mijn vader en fluistert zacht in zijn oor: ‘Ik ken vandaag nag niet doôdgaan, want me kaste benne nag niet skoôn.’
Mijn vader antwoordt: ‘Nôh, doôdgaan is niet zo erg hoor, je benne allien de are dag zo staif.’

Guus Wiemeersch zegt na een halve liter jenever achterover geslagen te hebben:
‘Doe main maar un biertje, want ik moet nag raaie.’

Dan wordt vanuit de zaal plotseling een piano het café in gesleept. Een volslagen onmuzikale klant begint wild op de toetsen te meppen, ook op plekken waar geen toetsen zijn, terwijl Jan Pep naast de piano galmend een operalied zingt dat hij ter plekke verzint.

Na dit intermezzo komt een schele vrouw het café in met een papegaai op haar bochel. Ze is zó lelijk dat iedereen verbijsterd zwijgt. Ze loopt naar de bar en zegt tegen de barkeeper: ‘Als jij raadt wat voor dier er op mijn bochel zit, mag jij met me naar bed.’
Hij kijkt eerst naar haar …. dan naar de papegaai …. en zegt: ‘Dat is een krokodil.’
Ze zegt: ’Dat reken ik goed.’

2 gedachten over “29. Dorpsverhaal 8. De oude en de nieuwe Prins Maurits

Geef een reactie op Dick Stammes Reactie annuleren