42. Dorpsverhaal 20. Dorpsfiguren (1)

Een dorp kent vele karakteristieke figuren. Die doen een dorp leven. En de meest karakteristieke van allemaal krijgt een eretitel: dorpsfiguur.
In ons dorp waren er vele bijzondere figuren. Niet allemaal dorpsfiguren, maar wél apart.
Zo hadden we Jan van Dijk, de voddenboer.
Zittend op een ‘kret’ op wagen met paard. Met grijs haar en pet. En hij galmde door de straten: ‘Vodden! Wie heeft er nog vodden!’
Hij deed me altijd denken aan iemand die naar lijken op zoek was, terwijl er een epidemie heerste. Net als in de middeleeuwen toen de Grote Pest woedde en men dagelijks met karren door de dorpen reed onder het slaken van de kreet: ‘Breng de lijken naar buiten!’ waarna die op de wagens werden gegooid en afgevoerd om besmetting tegen te gaan.
Ja, Jan van Dijk was eng en spannend en hij hielp mijn moeder van de vodden af.
Een hele geruststelling was dat hij geen kraai, maar een spreeuw was, zoals de bewoners van het naburige dorp Winkel werden genoemd.

En er was de ‘skeresliep’, oftewel de scharen- en messenslijper. Dat waren zigeuners, de eerste allochtonen, die ééns in de maand langs de deur kwamen. Je moest er voor uitkijken, zo zei het dorp, want zigeuners, ‘Je kent ze wel hè?’
Maar ja, je had ze ook nodig, dus ze leefden in een lastige dubbelrol zonder integratie, al kende geen bewoner dat woord toen. Laat staan dat het gebeurde. Alles buiten het dorp was de grote wereld en die bleef buiten de deur om de eigen kleinheid niet te voelen.
Ik spreek over de jaren vijftig en zestig, voordat alles anders werd en voordat de nieuwe zigeuners kwamen: de immigranten. ‘Je moet er voor uitkijken, je kent ze wel, hè?’
Roept de dorpsangst.

Verder waren er ‘de naaisters’ in het naastgelegen katholieke dorp ’t Veld.
‘Die roomsen’, zei mijn ongelovige en bijna altijd tolerante vader. Sommige kinderen riepen op straat: ‘Katholieke stinkfabrieke!’ en de andere partij riep: ‘Openbare stinksigare!’
Dat was alles wat nog overgebleven was van die goede oude godsdienststrijd uit de 16e eeuw toen de katholieken ‘het veld’ in waren gevlucht vanuit het grotendeels calvinistisch-protestantse Nieuwe Niedorp. Vandaar de huidige naam van het naburige dorp: ’t Veld.

Toen vanaf de jaren zeventig van de 20e eeuw gelovigen en ongelovigen ook nog met elkaar gingen trouwen, en nóg later zelfs gingen samenwonen zónder te trouwen, verdwenen tegelijkertijd die overgebleven zinnen uit het taalgebruik.
Ondanks de nog slechts uit twee uitroepen bestaande godsdienststrijd ging mijn neutrale moeder naar de naaisters in ’t Veld om onze kleren te laten verstellen. Ze was praktisch ingesteld en zag al snel in dat kleren verstellen belangrijker was dan geloof. Wat de naaisters deden waren de moeilijke klussen. Moeilijker dan sokken stoppen, wat tegenwoordig niemand meer kan, evenmin als wielen spaken.
Mijn moeder deed beide.
En, oh ja, ze voedde vier kinderen op.

2 gedachten over “42. Dorpsverhaal 20. Dorpsfiguren (1)

Plaats een reactie