50. Dorpsverhaal 28. ’t Paadje, de Bigband en eentje van de melkboer

’t Paadje.
Zo heette het smalle kronkelige weggetje tussen Oude en Nieuwe Niedorp.
Als je tegenwoordig tussen de twee dorpen pendelt moet je over het viaduct dat over de provinciale weg loopt. Na het viaduct ligt aan je linkerhand een brede weg die nog steeds heet: ’t Paadje.
Op ’t Paadje stonden boerderijen waar je in het hooi kon spelen en met touwen aan hanenbalken kon zwieren. Daar woonde Bart de Vries, die kon alles. Nog steeds.
Langs ’t Paadje lagen bollen- en aardappelvelden. Daar verdienden we geld in De Grote Vakantie die nooit stopte. Oceanen van tijd en ruimte en bollen en aardappels rooien voor een kwartje per kistje. Bij rode aardappels 30 cent. ‘Want die rooie dat kaikt effe wat moeilukker’.
Dat zei Klaas Eijssen, de aardappelboer, die vaak dezelfde zinnen eindeloos herhaalde waardoor een kort verhaal heel lang werd. Hij wreef dan ook altijd over zijn gezicht. Mijn vader zei: ‘Als Klaas Eijssen over zijn gezicht wrijft, begint hij te liegen.’
Toen Klaas eens over zijn gezicht wreef en zei: ‘De wagen staat in de schuur’, geloofde ik hem niet. Tóch stond hij er. Mijn vader had niet altijd gelijk. Misschien loog hij ook wel eens.

Verdriet en vreugde komen samen in een dorp en op ’t Paadje. Ik spreek over het jaar 2001. Daar verongelukte Loek Bruin. Jonge vent. Zo’n jongen die iedereen kende. Een jongen van het dorp.
Toen we in de twintig waren en ook maar wat deden, stond ik met kermis achter de bar. Loek kwam binnen en zei dan altijd: ‘Ik spreek je vannacht om half vier op het kerkhof.’
Wrede ironie van het lot. Hij ligt er nu.
Ik spreek hem wel eens als ik op het bankje zit voor zijn graf. Niet om half vier ’s nachts. Loek ligt vlakbij mijn ouders dus ik kan ze allemaal tegelijk spreken. Er ligt daar een heel dorp van vroeger. Ik zou er een boek over kunnen schrijven.
Naast Loek ligt zijn vader die bij hem wilde zijn. Dat was Henk Bruin, de melkboer.
Loek Bruin kon dus met recht zeggen dat hij ‘er eentje van de melkboer was’. En Loek wilde me spreken op het kerkhof en dan vechten. Hij zei dat om plezier te maken en om te lachen. Onzin, dáár ging het om. Lol maken en dan iets uitvechten, net als in boeken. Wraakacties. Hij kreeg dan een glas bier van me, we proostten en we lachten. Daar was kermis voor, om te lachen en om bier te drinken.

Én we speelden samen in de bigband.
Ja, die bigband dat wás iets.

Twintig gekken. Een paar organisatorische steunpilaren, zoals Paul Breddels en Jan Peetoom, en een inspirerende orkestleider, Johan van Slageren, legden de basis voor het succes en het plezier. Het was mooi om te zien dat die drie bijzondere mensen wel normaal probéérden te doen, maar hun pogingen daartoe regelmatig in rook zagen opgaan en daarom wonderwel in die band pasten.
Een uitgekomen droom, dát was die bigband. Nog mooier dan de fanfare.
Jazz.
De geboorte vond plaats in 1968 en de oprichting in 1981.
Op mijn twaalfde keek ik met Paul Breddels naar een film over Glenn Miller, de beroemde Bigband leider. Blikseminslag. We waren verkocht voor het leven.
Als jongen weet je niet wat je diepste droom is. Die is te dichtbij dus je kijkt er, zoals iedereen, overheen en daarom pak je iets tastbaars of hoorbaars. Jazz. En die jazz was het uiterlijke kenmerk van die innerlijk droom, dat innerlijke verlangen dat we nog niet kenden. Vandaar die Bigband, waarin we ons verlangen konden uitdrukken om te spelen, eindeloos te spelen. En om daarmee onszelf te bevrijden. Als kinderen, gelukkige kinderen.
Loek Bruin heeft dat meegemaakt. Spelen om zich vrij te maken en om kind te zijn.
Zijn leven was eindeloos waardevol, want hij wist wat geluk was.
Ik weet het zeker. Ik heb het zelf gezien.

Vóór Henk Bruin waren er twee melkboeren op het dorp, Adriaan Krabman en Jan Kater. Jan Kater was getrouwd en Adriaan Krabman was vrijgezel. Mijn vader zei daarom:
‘Er is maar één kater en dat is Krabman.’
En dat werd dus Henk Bruin.
De familie Bruin woonde naast het postkantoor. Toen mijn vader in arme tijden verkeerde en geen auto bezat ging hij op een dag op een oude eenvoudige roestige fiets, zonder enige accessoires, naar het postkantoor. Riet en Henk Bruin keken net uit het raam. Toen mijn vader ze zag begon hij zogenaamd heel deftig te kijken, bracht zijn hand omlaag naar de plek waar op een dure fiets een glimmende versnellingshendel zit en maakte een schijnschakelbeweging op de oude roestige fiets.
Henk Bruin schaterlachte om deze rijke humor in arme tijden, wat niet iedereen kon.
Mijn vader zei: ‘Henk Bruin heeft de mooiste lach van West-Europa.’
Mijn vader relateerde alles aan West-Europa. Ook zei hij wel eens: ‘Van West-Europa en omstreken.’ Dat was een extra categorie. Topklasse.
Hij zag eens een mal uitgedoste vogelverschrikker in een veld staan en zei:
‘Kijk! De slechtst verklede skrogelverfikker van West-Europa.’
Toen dacht hij even na en voegde eraan toe: ‘en omstreken’.
Met een blik alsof hij een juiste beslissing had genomen. Tevreden, zo keek hij dan.
Ook omdat zijn woord skrogelverfikker goed gelukt was.
In één keer.

2 gedachten over “50. Dorpsverhaal 28. ’t Paadje, de Bigband en eentje van de melkboer

Geef een reactie op Nettie Reactie annuleren