Net als wij, is hij jong en onmisbaar.
Zo reed hij eens, op een onverantwoordelijke middernacht, vanuit Bar De Maurits samen met Ted en Laus Klaver en mijzelf naar het zwoele Parijs, terwijl thuis niemand wist waar we waren. Eenmaal aangekomen in Parijs stelde hij de legendarische vraag:
‘Waar zijn we nu eigenlijk?’
Ik antwoordde: ‘Dat is eigenlijk een diepe levensvraag.’
Elke keer als hij een bekende in Nierup zag begon zijn gezicht breeduit te stralen, strekten zijn arm en vingers zich recht naar voren uit en vanaf zijn rijdende cabine schalde zijn blije kreet door de hele dorpsstraat: ‘Eééh Dick!’
En op Witsmeeriaanse wijze riep ik terug: ‘Eééh Piet! Waar zijn we!?’
Niemand had zo’n vrolijke lach als Piet Witsmeer. Niemand kon zo stralend groeten als Piet en niemand kon zo koninklijk blij in een hoge shovel zitten als Piet.
Als ik Piets lachende shovel in de verte zag aanrijden had ik al plezier, omdat ik precies wist wat er even later zou gaan gebeuren. Ook liep ik vaak nog te glimlachen, lang nadat Piet uit het zicht was verdwenen. En zo herhaalde zijn grappige groet zich bij iedereen die hij kende en duurde het plezier veel langer dan de groet op zich.
Toch waren deze begroetingen veel meer dan alleen maar grappig. De levenskunst van Piet was dat hij je met zijn unieke groet het gevoel gaf dat hij altijd blij was je te zien en dat hij blij was dat je leefde. Dat híj leefde.
Een mooier cadeau kun je een ander niet geven.
Jezelf ook niet.
Sinds een aantal jaren moeten wij Piets groet missen.
Vandaar mijn vraag, nog één keer: ‘Eééh Piet! Waar bén je nu?’
Nu leeft hij weer evenVerzonden vanaf mijn Galaxy
LikeGeliked door 1 persoon