Zijn naam was Cees Ouwehand.
In zijn woonplaats Winkel zeiden ze dat Cees rijk was.
Ze zeiden dat, omdat je het niet aan hem kon zien.
Wat je wél zag, was zijn gezicht met smakkende tong die vooral begon te leven bij toekijkend publiek.
Cees was niet alleen rijk, maar ook gek op muziek én op zichzelf, dus kocht hij een drumstel met heel veel trommels en formeerde een trio voor de ogen en oren van zijn verbijsterde publiek onder de naam: The Colly’s.
Cees werd drummer, als hobby. Hij was een goede leerling, want hij kon drummen zonder te zien wat zijn handen deden. Dat was nodig, want hij had daar geen tijd voor. Hij was namelijk bezig de zaal in te kijken, net zolang tot iemand terugkeek.
Als je terugkeek, kwam de tong van Cees volop tot leven, begon te kwispelen, slingerde sappig van de ene wang naar de andere en leefde zich uit. Hoe meer de tong kwispelde, hoe meer optredens Cees kreeg. En vice versa.
Op een avond stonden Betty Smit (Wiedijk) en ik in de achterzaal van de Prins Maurits achter de bar. Tijdens de verloting, er waren altijd verlotingen, waarom wisten we nooit, tijdens de verloting dus, zat Cees met zijn trio op het toneel. Hij speelde nog niet, maar een deel van die tong was al bezig voorbij zijn lippen te kwispelen.
Dát beloofde wat!
In de zaal stond een tafel met producten van de middenstand en ernaast stond een onbekende man. Hij praatte héél hard en dat begreep ik eerst niet. Later wél.
Een andere man stond met een grote mand op het toneel, naast de trommels van Cees, en in die mand zaten de lootjes. De zaal wachtte in spanning af, want iedereen wilde wel zo’n lekker product van de middenstand winnen.
Er was een vaste procedure, zo bleek, want je kunt natuurlijk niet zomaar wat doen. De man op het toneel zou een lootje uit de mand trekken en het getrokken nummer bekend maken aan de man naast de productentafel. Die zou dan dat nummer hardop roepen, een prijs van de tafel pakken en dat product naar de winnaar brengen in de zaal. Afgesproken. Zo gezegd, zo gedaan.
De man op het toneel zei: ‘Nummer 347’.
De man bij de producten keek hem vragend aan en haalde zijn schouders op. De man bij de mand keek vragend terug. De productenman hield zijn hand bij zijn oor. De mandenman deed een nóg luidere poging:
‘Nummer 347!’
Aarzelende blik van de productman, die zich daarna tot het publiek wendde en luid en duidelijk riep: ‘Nummer 237!’
En met de mooi verpakte rookworst liep hij zelfverzekerd en mank, ook dát nog, de zaal in naar de winnaar die geen winnaar was. En daar begon het compromisloze gevecht tussen de twee winnende giganten om de grote prijs der middenstand. Nummer 347 gaf zich niet zonder slag of stoot gewonnen en nummer 237 had het voordeel van zijn grote schare fans. De opwinding om de begeerde rookworst nam toe en terwijl het duel nog onbeslist en in volle gang was ging de reeds in gang gezette procedure voort, want er was op gezweet dus afschaffen kon niet.
‘Nummer 861!’
Vragende blik, schouderophaling, hand naar het oor, nóg luidere poging, wending naar de zaal: ‘Nummer 651!’
En hinkend en mank en zelfverzekerd gingen de volgende slechthorende schnitzels en halfdove leverkazen de zaal door naar de nieuwe winnaars.
Zo ontstond voorbij de eerste boksring een tweede en hoe duurder de prijzen van de middenstand, hoe heviger de gevechten in de zaal. Bij het laatste gevecht zag men alleen nog rollende en roepende mensen over de vloer, terwijl de door beide partijen gewonnen fruitmand eenzaam in een hoek lag. Gesloopt.
Na de verloting en het vechten begon de muziek.
Nou ja …. Cees.
Er was een sexy zangeres bij in een kort rokje en met een tamboerijn die ze zwoel tegen haar swingende dijen sloeg.
In de zaal stond Jan Bruin, het dorpsfiguur. Zijn grote talent was om ritmisch met lepels te slaan en hij kon dat zó goed dat hij het ook deed als mensen er niet om vroegen. Hij had de lepels meestal al op zak als hij binnenkwam, want je wist maar nooit, en zo klom hij, getooid met bestek, vuile overall en klompen, het toneel op en wilde de dijenkletsende tamboerijn pakken, terwijl de muziek lustig doorspeelde.
Tamboerijn …. Concurrentie …. Lepels ….
De sexy zangeres in het zwoele rokje gaf zich niet gewonnen en trok de tamboerijn terug, terwijl Jan in zijn besmeurde overall en op klompen aan de andere kant van de tamboerijn bleef trekken.
En daar stonden ze, op het toneel voor het oog van het hele dorp en de middenstand, als twee touwtrekkers aan weerskanten van de tamboerijn. Het ging om grote reputaties en geen van twee gaf op. De tamboerijn wél. Die brak, dus vielen vuile Jan en zwoele zangeres alle twee een andere kant op, terwijl de muziek gewoon doorspeelde en Cees gewoon doorsloeg.
Wég tong, wég aandacht voor Cees, díe was bij de tamboerijn.
Wij zagen dat zelfs achter een drumstel met veel trommels Cees niet altijd zijn zin kreeg.
Die avond stonden er drie mannen bij mij aan de bar. Ze voerden een discussie en die ging over Cees. Ze zochten een compromis en die was lastig te vinden. Na lang nadenken deed één iemand een verzoeningspoging en zei tegen de andere twee: ‘Oké, vooruit, dán maar die muziek, laat ze maar doorspelen, maar dan onder één voorwaarde: zónder dat gezicht en zónder die tong van die drummer. Dit gaat niet langer. Ik houd dit niet vol.’
Maar ja, hoe krijg je dat voor elkaar?
De drie mannen liepen weg en even later zag het publiek, dat al heel wat te verduren had gekregen die avond, wederom iets onverwachts gebeuren:
de gordijnen van het toneel schoven langzaam en piepend dicht. Cees speelde ondertussen gewoon door achter het gesloten gordijn. Verzoeningspoging geslaagd! Dé oplossing! Hét compromis!
De mannen gingen tevreden weer terug naar de bar, maar op het toneel en achter het gordijn dienden zich nieuwe ontwikkelingen aan. Cees zijn getrommel hield langzamerhand op, niet in één keer, maar net als een oude auto die hijgend en puffend met tegenzin tot stilstand komt. Cees begon iets door te krijgen! Terwijl de muziek helemáál stilviel, keek de voltallige zaal ademloos toe. Even bewoog er niets en het leven kwam tot een einde.
Toen gebeurde het.
Een lichte beweging in de gordijnen, zoekende vingers naar de scheiding, een kiertje, een opening en …. het verbaasd vragende onbegrijpende gezicht van Cees als een doodsmasker tussen de twee kierende gordijnen, ditmaal zónder tong en zónder muziek.
Tegenovergestelde oplossing, tegenovergesteld compromis.
Cees was een doorzetter en door dat drummen leek het net alsof hij het niet breed had, net als wij, zijn publiek. Eigenlijk vond Cees zijn rijkdom een beetje vervelend, want dan voelde hij zich niet één van óns. De wens van Cees was dus om de indruk te wekken weinig geld te verdienen en tegelijkertijd zijn vermogen te behouden. Dilemma.
Dat drummen leek de uitkomst te brengen, vandaar die tong, die zei:
‘Ik hoor erbij. Ik ben één van jullie.’
Maar eigenlijk uitschreeuwde: ‘Ik mag bestaan. Eindelijk!’
Op een kermisavond zat Cees weer eens in vol ornaat achter al zijn trommels op het toneel. Een dronken klant liep naar hem toe en pakte in één van de vele onbewaakte momenten, als Cees weer eens de zaal in keek, de reserve drumstokken weg.
Woest werd de verstokte drummer en hij riep: ‘Geef terug! Ik zit hier voor mijn vreten!’
‘Ik zit hier voor mijn vreten’, zei Cees, met véél méér dan gevulde maag.
Zijn publiek keek wederom ademloos toe en voelde zich door al deze koningsnummers van Cees en zijn trawanten zó normaal en zó gewoon dat ze allen opkeken naar hun smakkende idool die hun eindelijk gaf wat ze zichzelf nooit hadden durven geven.
Dankbaar sloten ze hun geliefde Cees in de armen.
Hij was onmisbaar.
Zij ook.