Via Venezuela (waar al mijn bagage wordt gestolen aan de grens vol met bewaking en politie), Colombia en Ecuador kom ik na drie maanden aan bij de Peruaanse voet van het Andesgebergte, alwaar ik van plan ben een bergtocht te gaan maken.
In Huaráz hang ik een briefje op in het Tourist Office om medereizigers te vinden, koop het boek ‘Trails of the Cordillera Blanca’ en schaf de noodzakelijke ‘trekking equipment’ aan.
Tentje + gedroogd voedsel voor twee weken = 20 kg bagage.
Dan blijkt dat er niemand is die meegaat. Ik moet het alleen doen. En ik ben bang.
Dus doe ik het.
Huaráz, Andesgebergte, Peru, Zuid-Amerika, november 1987
Ik begin in Yungai.
Een stad die op 31 mei 1970 geheel bedolven werd door een lawine vanaf de berg Huascarán als gevolg van een aardbeving. Ik loop over 25.000 lijken van vaders, moeders en kinderen die destijds in drie alles verzengende minuten door het natuurgeweld werden begraven.
Ironisch genoeg hebben de tweehonderd mensen die naar het hoger gelegen kerkhof waren gevlucht het overleefd.
De volgende dag wil ik verder trekken, maar de regen belemmert dit. Ik schuil drie dagen in mijn tentje en besluit vervolgens nog hooguit één dag te wachten, alvorens helaas terug te zullen moeten keren. Maar dan komt de vierde dag. En de zon!
Ik ontwaar de ademende en adembenemende Andesbergen!
Ik klim een uur en lift daarna gratis mee met een Italiaan in een luxe Range Rover. Ik stap uit bij Maria Huayta en loop door naar Colcabamba, waar ik kan overnachten en eten bij de gastvrije Calonge familie. In een écht bed! In verband met rugpijn en koorts blijf ik er twee dagen. Ik ben al vijf dagen onderweg met regen, rugpijn en koorts. Mág ik deze tocht wel doen? De volgende dag ben ik pijnvrij en de hemel lacht helder en blauw. Alle seinen staan op groen en ik ga verder richting de Punta Unión.
Een vaste duidelijke kaart heb ik niet, maar ik weet dat ik over de hoogste berg, de Punta Unión van 4750 meter, moet klimmen en vertrouw erop dat de rest zich vanzelf zal wijzen.
Een wonderlijk op niets gebaseerd vertrouwen, aangezien een goed richtingsgevoel mij ten ene male ontbreekt. Een vriend vertelde me eens dat hij wel begreep waarom ik de hele wereld had gezien: ‘Je was natuurlijk aldoor verdwaald!’
Na enkele dagen lopen dringen vrijheid, stilte en wilde natuurlijkheid steeds dieper in me door. Ik loop naakt met de 20 kg bagage op mijn rug, zing luide liederen die ik zelf verzin, geef grote schreeuwen als groet naar de bergen die mij antwoorden met het razen, scheuren en kraken van immense gletsjers. Ik voel mij volkomen veilig, ben volledig zonder angsten en merk pas ná de tocht hoe angstloos ik me voel. Ook ben ik helemaal alleen en kom al dagen niemand tegen, zelfs geen beest. Ik heb geen enkel verlangen naar mensen en denk ook niet aan ze. Het is alsof ik eeuwig niets liever doe dan dit, terwijl ik ook dít pas achteraf zal beseffen.
Tijdens de tocht zijn er weinig gedachten en ik ga volledig op in mijn lopen, schreeuwen, verstilling en zelfredzaamheid van tent opzetten, voedsel koken, naakt zwemmen in ijskoude bergstromen, eten en slapen.
Alles is genoeg aan zichzelf en ik aan mij. Maar ook dit zal slechts een constatering achteraf zijn waar ik tijdens de tocht niet mee bezig ben.
Na nog enkele dagen lopen, kom ik aan bij haar mooie welgevormde voet. Ik kijk omhoog en zie 4750 meter majesteitelijke macht en schoonheid boven me opdoemen: de Punta Unión.
Mijn Meesterproef.
Ik begin de klim die, naarmate ik vorder, steeds steiler wordt. Het laatste stuk wordt me bijna te veel. Ik hijg en zweet en alles wat lichaam, spier en bot is doet pijn. Lopen kan niet meer met mijn bagage op deze steilheid, dus kruip ik op handen en voeten naar de top. De 20 kg tent en voedsel drukt me naar beneden.
Tót het moment komt dat alles wegvalt ….
Niets is meer zwaar terwijl de lucht ijl en dun is. Het lijkt alsof ik naar de top word gedragen. De uiterlijke omstandigheden zijn precies dezelfde als tien loodzware minuten geleden, maar het lichaam heeft zichzelf los gelaten, terwijl het tegelijkertijd al het zware klimwerk doet.
Ik zie het lichaam zwoegen, maar ik maak er geen deel van uit. Het lijf werkt zich naar de top en ik kijk losgekoppeld toe, terwijl ik er volledig in en bij ben.
Er is geen scheiding tussen de berg, het lichaam en mijzelf en tezelfdertijd ben ik er volkomen los van en ervaar ik geen belemmeringen, terwijl het lijf die wel degelijk ervaart.
Het is alsof de top van de berg verlangt naar mij, alsof zij mij roept en wenkt en het lichaam niets anders kan doen dan het verlangen van de berg volgen. Zij trekt mij naderbij. Alsof ze zichzelf roept. Smeekt. Meter voor meter, centimeter voor centimeter, zweetdruppel voor zweetdruppel.
Dan ontvangt ze mij met open armen en omhelst me teder en lief.
Het lichaam barst in huilen uit en knielt dankbaar op de verlangende kale grond van de berg. Het uitgeputte lijf legt zich neder en zuigt haar diepe verlangen, intimiteit en veiligheid in zich op.
Na deze innige omhelzing sta ik weer op en zie het meest imposante krakende liefdevolle witte woeste berglandschap dat ik ooit in mijn leven zal zien: het eeuwige Andesgebergte in al haar onmetelijke schoonheid en tijdloosheid.
Niets beweegt, alles absorbeert alles, en het is alsof ik ieder deel van iedere berg ben.
Elk verlangen is gedoofd en alles is volbracht.
Complete vervulling zonder dat er gedachten zijn aan vervulling.
Hoe lang dit heeft geduurd weet ik niet. Als ik eraan terugdenk is het aan iets volstrekt eenmaligs, unieks en wonderbaarlijks en tevens is de gedachte aan dat moment te zwaar vergeleken met de totale lichtheid, zwaartekrachtloosheid en het wonder van dat tijdloze tijdstip.
Iets heel dieps in mij wil hier nooit meer over spreken. Ieder woord is overbodig, te werelds, te veel. Er was en gebeurde dat moment helemaal niets en ook was er alles en gebeurde er alles. Er was geen tijd en alle tijden kwamen in één eeuwig momentloos moment samen.
Deze woorden benaderen nog voor geen millimeter en op geen enkele wijze de enorm onoverbrugbare intimiteit en nabije afstand die zich in dat moment aan mij en aan alles voltrok. Alsof woorden deze schat niet mogen aanraken. Alsof alles maagdelijk is en nooit aangeraakt zal kúnnen worden door een mens.
De absoluutheid onttrekt zich aan de woorden die haar tevergeefs pogen te pakken.
Aan de andere kant van de Punta Unión begint een andere wereld. En een wereld van afdalingen. In de namiddagen en avonden leef en loop ik tussen gloedvol oranje bergen die ondergaande zonnen teder beminnen. Deze betoverend kleurige blik en intense ervaring versterkt zich door het feit dat ik al tien dagen alleen ben en geen mens heb gezien of gehoord.
Langdurig alleen zijn maakt je nederig, stil en vervuld van een lege verrukking die je volledig opslokt en meeneemt. Op een onbegrijpelijke manier wórd ik geleefd en merk ik op dat ik deze beweging alleen maar kan volgen in dankbare gehoorzaamheid.
Alleen zijn is met iedereen zijn. Is met alles zijn.
Er is geen afstand en eenzaamheid bestaat niet.
Helemaal alleen zijn is de bron van alles wat bestaat.
Ook in gezelschap.
Het landschap wordt steeds vlakker en ik loop de laatste paar dagen fluitend en relaxed richting bewoonde wereld.
Echter, voordat ik mij ga voorbereiden om de eerste mensen weer te ontmoeten, en om mijn alleenheid te vieren, bereid ik een heerlijke maaltijd uit een blik bonen met spek en mix dit met een macaroni/bami-achtig spul. Ik heb het blik speciaal bewaard voor deze afsluitende, feestvierende gelegenheid en geniet van mijn normaal gesproken niet al te overdadig aanwezige professionele kookkunsten.
De volgende dag kom ik aan in Cochabamba, klop aan bij een huisje, en zie na twee weken alleen-zijn de eerste levende wezens: zes dronken mensen in een kamer.
Even later zie ik buiten een prachtig lief meisje met gouden ogen en bewegingen die bij gouden ogen horen. Ontegenzeggelijk dringt de nieuwe oude bekende wereld zich weer aan me op.
Ik neem een lift naar Caraz waarbij ik onderweg nog een onvergetelijk levenscadeau mag ontvangen en aanschouwen: ‘de mooiste berg ter wereld’, zoals men zegt, de piramidevormige Alpamayo.
Eenmaal terug in Huaráz geef ik mijn overgebleven voedsel aan een bedelaar en vind ergens een stok die ik als betrouwbare compagnon bij me zal houden gedurende mijn hele volgende tocht: de Inca-trail naar de legendarische verboden Inca-stad Macchu Pichu.
De bergen hebben me veroverd en Bolivia, Brazilië en de Himalaya komen er nog aan.
En hoe hoger de bergen zijn die ik beklim, hoe verder ik reis, hoe dichter ik bij mijn werkelijke thuis ben.
Hoi Dick,
Ik heb dit verhaal, dat ik al eerder las en ook van je verhalen kende, op mijn riante balcon op Tenerife gelezen. Wat maakte het weer een indruk. Ik werd er stil en nederig van. Heel fijn om dit ook prachtig geschreven verhaal weer te lezen. Gr Koos
>
LikeGeliked door 1 persoon