182. Ontmoeting 30. In de trein

In de trein van Amsterdam naar Delft valt het me weer op:
als je één mens ziet, zie je de hele wereld en als je één stem hoort, hoor je een heel leven.
In de coupé belt een jongeman met luide enthousiaste stem: ‘Hé mattie, je ligt zeker nog te maffen? Je bent toch wel op station Delft straks, hè, anders ram ik je in mekaar!’
Schaterlach.
Einde gesprek.
Vlak daarna, dezelfde jongeman, nu met zachte en lieve stem: ‘Dag schatje, Wat zeg je? Kun je al een koprol maken? Nou, dat wil ik straks wel zien hoor! Oh, kun je het nu al?’
Even stilte en dan een luide lach. ‘Tjonge zeg, een koprol door de telefoon, wat geweldig! Nou, ik zie je straks, hè? Kusjes.’
Een minuut later, dezelfde jongeman, ernstige vlakke stem: ‘Dag Ma. Oh, is het zo erg al. Wat vreselijk zeg! Dan ga ik nu meteen naar hem toe. Ik zie je straks. Doeg.’
Station Delft, uitstappen.
Op het perron breekt een vechtpartijtje tussen twee jongemannen uit. De één duwt de ander tegen de grond. Die roept smekend en lachend: ‘Maar ik bén er toch?’
En hij spelend fanatiek: ‘Daar gaat het niet om. Een koprol, nu meteen, mijn nichtje kan het ook, stijve hark!’
Na de mislukte koprol stappen ze op, slaan elkaar lachend op de schouders, staan plotseling stil, kijken elkaar in de ogen. Praten, serieuze blikken. Dan omhelzen ze elkaar langere tijd. De één veegt zijn tranen weg, de ander slaat een arm om zijn schouder en zo lopen ze door.
Broeders in de strijd, op het slagveld van het leven.

Een gedachte over “182. Ontmoeting 30. In de trein

Geef een reactie op Marc Steenhuis Reactie annuleren