194. Ontmoeting 42. Op het Delftse bankje in de buitenwijk

Ik zit op een bankje in een Delftse buitenwijk.
Hij komt naast me zitten. En rookt.
Bezorgd staat hij voor zich uit.
‘Is het lekker, de sigaret?’, vraag ik.
‘Ah, man, ik heb het nodig.’
‘Wat heb je nodig?’
‘Dit, man, deze shit!’
‘Omdat?’
‘Ah, gewoon, broer, je weet, toch?’
‘Nee, ik weet niet.’
‘Alles is kapot, man, alles.’

We zwijgen.

Dan begint hij plotseling te vertellen, te vertellen, en te vertellen.
Over twaalf jaar gevangenisstraf, zeven keer veroordeeld, vier keer vrijgesproken voor iets wat hij wél gedaan had en wat ervoor zorgde dat hij nóg meer zijn kapotte kant op ging.
Gokverslaafd, ‘maar hier ben ik al een paar jaar vanaf, ik doe niets meer, broer, helemaal niets. Weet je hoe moeilijk dat is? Ik dacht dat ik gek werd, man, het is de kapotste van alle verslavingen en ik was ook al verslaafd aan die andere shit.’

Hij gaat door.

Over de soorten drugs die dodelijk zijn, zijn gestorven jonge vrienden, andere vroegere vrienden die hij nu ontwijkt, want ‘ik wil anders leven, man, beter.’
Over de vechtpartijen, de schade, materieel, fysiek en psychisch, de gekte, de oplichterijen, de nachtelijke dealers op straat, de prostitutie. En over de wonden op zijn lichaam. Hij laat zijn kuiten zien.
‘Zie je dit? Dit zijn kogels. Ze hebben op me geschoten. Zeven maanden revalidatie in het Reinier de Graaf ziekenhuis.’
Over de gevangenis, twaalf jaren van zijn 35-jarige leven. Dat hij daardoor zijn verblijfsvergunning is kwijtgeraakt, geen paspoort heeft, zich niet kan verzekeren, en niet mag werken, ‘maar ze kunnen me ook niet terugsturen, weet je. Dat mag niet van de wet. Da’s toch raar? Dus dan ga je toch vanzelf slechte dingen doen, wat zou jij doen, broer? Da’s moeilijk, toch? Ze dwingen je dan toch om foute dingen te doen? Je moet toch overleven?’

Ik knik.

Het wordt stil.
Hij, ik en de wereld.
Niets beweegt.
Zijn sigaret is weg, hij zit alleen maar te zitten, net als ik, en net als de wereld zit.

Dan legt hij zijn warme hand op mijn bovenbeen en kijkt me recht aan.
‘Jij bent goeie man, hele goeie man.’
Ik kijk terug in zijn ogen en zie eeuwenoude lagen van opgestapelde levens die allemaal in elkaar vloeien tot één leven, tot één eeuwig moment. Al zijn levens die hem na ontelbare omzwervingen uiteindelijk naar dit bankje hebben geroepen, getrokken.
Het lijkt alsof hij hiernaar toe gedragen is door alle lichtjaren die aan dit moment vooraf zijn gegaan.
Mijn eeuwenoude mentorneiging om hem mee naar huis te nemen, onderdak en eten te geven, hem totaal tegen alle kwaad van deze wereld te beschermen, zodat hij een goed, veilig en gelukkig leven kan leiden, komt noodzakelijkerwijs in me naar boven, waarbij ik (inmiddels) weet dat ik dit gevoel van grenzeloosheid volledig kan toelaten teneinde zijn vele levens werkelijk te doorvoelen, terwijl ik (inmiddels) ook weet dat ik beslist niet tot deze acties moet overgaan.

‘Mag ik je adres, broer?’
Ik voel een schok door mijn lichaam.
Voordat ik ook maar iets kan tegenhouden geven mijn uitreikende handen hem mijn kaartje.
Hij drukt het tegen zijn hart.
‘Bedankt, broer.’
‘Alsjeblieft, broer.’
Hoor ik mezelf zeggen.

Na een high five loopt hij weg.
Ik kijk hem na en word jaloers.

Ik wil hem zijn. 

2 gedachten over “194. Ontmoeting 42. Op het Delftse bankje in de buitenwijk

Plaats een reactie