286. Terwijl de wereld brandt

Terwijl de wereld brandt.
Zie ik dit gebeuren.

Na een stadswandeling smaken Koffie en Krant bij Kobus Kuch erg lekker. Een tafel verder zit een bejaard echtpaar bij het raam te rimpelen. De oude vrouw reikt over tafel naar de hand van haar nóg oudere man. Ze kijkt hem aan en zegt: ‘Schat, ik ga even naar het toilet.’
Hij pakt haar hand met zijn beide handen, streelt haar, en antwoordt: ‘Dat is goed, lieve schat, ik wacht hier op je.’
Ze staat millimeter voor millimeter op, geeft haar man een kus en zegt: ‘Ik ben zo terug.’
Terwijl de vrouw voetje voor voetje wegloopt naar de andere kant van het café kijkt hij haar na.
Als ze het toilet binnenstapt mompelt hij in zichzelf: ‘Dag, lieve schat, tot straks.’
Hij staart enige minuten stil voor zich uit.
Bij haar terugkomst begint hij weer te stralen en vraagt: ‘Wil je nog koffie, schat?’
Ze antwoordt: ‘Nee, dank je, lieverd, anders moet ik straks wéér dat hele eind lopen.’
Ze stappen op, rekenen af en lopen de deur uit.
Buiten pakt hij haar arm, kust haar, en zo lopen ze voetje voor voetje, armpje in armpje, stokoudend en stokhoudend naar huis.

Dit gebeurt.
Op een doodgewone dag.
In een doodgewoon café.
In een doodgewone stad.

Terwijl de wereld straalt.

Een gedachte over “286. Terwijl de wereld brandt

Plaats een reactie