235. In Delft, de wereld

In Delft, de wereld,
schijnt de zon overal
en vliegen vogels waar ze willen.

Waarom vliegen wij?
Waarom doet het heelal zoveel moeite?
Waarom spant de mens zich in?

Wij vliegen niet in het licht
om ergens naartoe te gaan
of iets te bereiken.

Wij vliegen uit vreugde
waarin het vliegen zelf
het genot
het plezier
het leven
is.

Er is geen betekenis.
Zoek er niet naar.
Het vliegen zelf is de totale vervulling.

Is het leven.

In deze vervulling
in dit leven
zijn geen vragen
geen verlangens naar een toekomst

Wij zijn geluk

Verdriet en pijn
kunnen dit geluk niet raken.
Alles zweeft
om het onaanraakbare midden
het meest intieme
meest nabije
dat jij bent

Dus vlieg, mijn geliefde,
vlieg, Vlieg, VLIEG!

Terwijl er pijn is.

234. Een nieuw begin

Alice van den Dool had mij gevraagd voor haar 50e verjaardagsfeest een verhaal te schrijven en vertellen met als thema: EEN NIEUW BEGIN.
Aan haar nieuwe begin en haar 50e verjaardag ging namelijk een aantal turbulente jaren vooraf.

Vandaar dit verhaal,
dat tevens over ieder van ons gaat.

———————————————————————————————————–

DE PRINS EN ZIJN ZIEL

In een ommuurd paleis woonde een norse prins.
Hij was ongeduldig en boos, schold op zijn personeel, eiste het onmogelijke, en alles in het paleis draaide maar om één persoon: de prins. Mensen vlogen voor hem, bang dat hij ze zou straffen of ontslaan. Er was slechts één mens in het hele paleis die niet bang was voor de prins: zijn knecht, tuinman en raadgever, die hem zijn hele leven trouw had gediend.
Op een nacht, toen de zon en de maan elkaar kusten en alle sterren glimlachend toekeken, dwaalde de prins door zijn lege paleis, keek in zijn ziel en zag peilloze, zwarte duisternis.
‘Wat moet ik doen?!’ vroeg hij wanhopig aan zijn oude knecht.
‘Ga naar Isfahan, daar wacht iemand op u. Hij zal u raad geven.’ antwoordde de knecht.
De prins wilde meteen zijn lakeien bars gaan bevelen om zijn koets gereed te maken, maar de knecht zei:
‘U gaat lopend. En alleen. Anders zult u uw bestemming niet bereiken.’
Een kille siddering kronkelde door het lichaam van de prins. Hij staarde verbijsterd naar zijn knecht, maar deed gedwee wat hem werd opgedragen.

De volgende dag ging hij op pad.

Deze eerste dag ging goed, vond hij, en monter liep hij op de weg naar Isfahan, zijn voorgenomen einddoel.
De tweede dag zinderde de zon en verbrandde zijn huid.
De derde dag liep hij door het drassige dal van donker moeras, waar hij wegzakte in de modder en nog net op tijd een tak aan een struik wist vast te pakken om zich uit de zuigende aarde weg te trekken.
De vierde dag barstte een hevige storm los die hem omver blies, meesleurde en hem tegen een rotswand smeet. Gebroken bleef hij de hele nacht liggen in het dal, 43 omringd door giftige slangen.
De vijfde dag beklom hij de hoogste berg die bedekt was met sneeuw en ijs. Hij bevroor, klom door, bezweek, klom door, bereikte de top, gleed uit en stortte in het ravijn, waar hij kermend zijn vijfde nacht doorbracht, ditmaal omringd door krijsende aasgieren.
De zesde dag kroop hij uit het ravijn en werd op de kale vlakte aangevallen door een wolf. Hij vocht, verwondde zich, wurgde de wolf en vrat hem op, aangezien zijn voorraad voedsel vrijwel was uitgeput.
De zevende dag baande hij zich met zijn kapmes een weg door dicht, stekelig, donker bos en eenmaal aan het eind gekomen vond hij met bebloed lijf en zoute ogen de weg terug naar zijn einddoel.
Toen hij op zijn bestemming arriveerde, scheen Isfahan stralend over hem heen, maar de halfnaakte, uitgeputte prins in zijn gescheurde kleren, met geblakerde huid en gebroken botten, zag slechts duisternis.

En in zijn duisternis verscheen de dood.

‘Je bent gekomen, eindelijk’, sprak de dood vriendelijk, ‘ik zat al enige tijd op je te wachten.’

De prins zweeg. Hij wist dat dit zijn einde was. Zijn leven had geen zin meer. Zijn keel was gortdroog en instinctmatig greep hij naar de fles aan zijn riem, maar voordat hij het water aan zijn lippen kon zetten, sloeg de dood het uit zijn handen, omhelsde de prins en nam hem liefdevol op in haar zwarte duisternis.
En alles waarvan de prins dacht dat hij het was, verdween in de tedere omhelzing van de dood.

De prins huilde veertig dagen;
veertig dagen van rouw om zijn eigen sterven.

Toen verdween de dood.

De prins stond op en ontdekte de lichte stad die haar schone schittering nog immer over hem uitstortte. Zij deed dit al sinds mensenheugenis, ofschoon slechts enkelen haar lichte schoonheid zagen. De stad kende weinig geliefden en het deerde haar niet.
Toen keek hij naar binnen.
En zag hij dat de dood het diepste zwart in hem zichtbaar had gemaakt.
En ontdekte hij dat midden in het zwart van zijn ziel het licht van Isfahan begon te schijnen dat daar al sinds onheuglijke tijden verborgen lag te wachten.
En ontwaarde hij datgene waar hij vele levens lang overheen had gekeken en blind voor was geweest:
het huwelijk van het eeuwige licht van de stad met het ontluikende licht van zijn ziel dat onder de duisternis verstopt had gezeten en door de dood was geopenbaard.
Zo zag de prins dat alles wat hem donker had geleken, in de wereld en in zichzelf, nooit iets anders was geweest dan de eenzame bruid die los gesneden wachtte op de handreiking van haar geliefde voor het huwelijk van de ziel met de wereld.

Die nacht vond de mooiste eeuwige bruiloft op aarde plaats.
En wist de prins wat hij altijd al had geweten, niet had beseft, en nooit had durven zien.

Na het huwelijksfeest legde hij zich volledig voldaan en dronken van geluk te ruste en sliep een lange zachte nacht in Isfahan. De volgende dag stond hij geheel verfrist op, gaf alle bedelaars een aalmoes en bedankte de stad hartelijk voor haar warme gastvrijheid. Hij bestelde vriendelijk een nieuwe koets met jonge paarden en reed met losse teugels terug naar zijn paleis.
Daar zag hij zijn oude, trouwe knecht die kalm zaadjes plantte in zijn vredige tuin. Hij knielde voor zijn tuinman, bedankte hem innig en vroeg hoe een arme tuinman kon weten wat er zou gaan gebeuren met een rijke prins in een verre stad.
De knecht wees naar de tuin en sprak:
‘De arbeid die ik hier volbreng is nooit af. De tuin vraagt al mijn aandacht. En de bomen zullen in de zomer alleen vrucht dragen als ik de zaadjes plant met de grootste toewijding en in het volste vertrouwen in hun natuurlijke aard. Doe ik dat niet dan zal de tuin dor en droog worden en veranderen in een boze vijand. Daarom wijd ik mij iedere dag nederig aan dit werk, omdat ik weet dat de tuin mij niet alleen datgene zal schenken wat ik er zelf in heb geplant, maar vooral hóe ik dat heb gedaan.
Slechts zij die gestorven zijn terwijl ze leven, zijn in staat hun tuin op natuurlijke wijze te onderhouden, omdat ze weten dat bloesems en dode bladeren, bloei en verval, gezondheid en ziekte, leven en dood, twee onafscheidelijke kanten zijn van één en dezelfde medaille.
Ik, of vroeger uw ouders, hadden u wel kunnen opdragen om andere mensen vriendelijk te behandelen en een goed leven te leiden, maar u zou het dan alleen gedaan hebben uit plichtsbesef, uit gehoorzaamheid, uit denken, maar niet vanuit uw hart, niet vanuit uw wezen.
Nu weet u dat u niet meer kunt kiezen, maar dat u keuzeloos zult doen wat het leven van u vraagt.
U beseft nu dat alles voorbij gaat, dat de mensen, net als u, stervende wezens zijn en dat er tussen u en hen geen enkel verschil bestaat. Dat u hén en zij ú nodig hebben en dat wij allen onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Dit is niet wat ík, maar dit is wat uw tocht door de hel en de liefde van de dood u hebben onderwezen.

Uw innerlijk sterven is uw grootste schat voor de uiterlijke wereld.

Ga nu naar uw paleis en regeer uw land zoals een ware prins en een dienaar van de wereld betaamt. De tijd is gekomen om te trouwen met uw volk en te dansen op het bruiloftsfeest van het leven. En, oh ja, de muur om uw paleis heeft zich gister afgebroken. De weg is vrij.’

De prins boog diep voor zijn knecht en bedankte hem met zijn hand op zijn hart. Hij liep naar de ingang van zijn paleis en op het moment dat hij de poort opende, binnentrad en zich op zijn troon zette om zijn toegestroomde volk warm te verwelkomen, kusten de zon en de maan elkaar innig en keken alle sterren stralend toe.

————————————————————————————————————

Geschreven en verteld door Dick Stammes
Delft – Nootdorp
28 mei 2023

233. Vrijheid

Het begon in de jaren ’60:
Het neerhalen van het gezag.
Het minachten van de autoriteit.
Het belachelijk maken van de vader.

Het waren, en zijn, de ideeën van iedereen is vrij en gelijk, ieder moet zijn eigen’ ding’ doen, hoe knullig dat ook was, het was JOUW ding en het gaf JOU een goed gevoel, de rest kon oprotten.
Nou was de kern hiervan een grote bevrijding uit het strakke, autoritaire keurslijf van de jaren en eeuwen daarvoor waarbij autoriteit per definitie machtsmisbruik was en iedereen God en gebod vol schuldbesef moest gehoorzamen.

De vraag is nu : waar is het evenwicht?

Het evenwicht tussen vrijheid en verantwoordelijkheid.
Tussen individuele vrijheid en autoriteit.
Tussen zelf bepalen en regels volgen.

In onze huidige tijd zien we dat er verwarring bestaat omtrent het begrip vrijheid.
Twee begrippen dienen we helder te onderscheiden.
Voor de kinderlijke volwassenen is vrijheid vooral : vrijheid van.
Oftewel, vrijheid van regels, vrijheid van eisen, vrijheid van verplichtingen, geen prestaties hoeven leveren, geen verantwoordelijkheid hoeven nemen, geen rekening hoeven houden met anderen. Ik ben daar vrij van. Eeuwig vakantie. Ik doe MIJN ding.
Voor de vrije en verantwoordelijke volwassene geldt : vrijheid tot.
Dit is de vrijheid tot het heersen over zichzelf en tot het verwezenlijken van zijn individuele aard.
Van hieruit maakt hij zich via relaties, activiteiten, liefde en werk solidair met de wereld en met alle mensen.
De mens die ‘vrij is tot’ zijn eigen individualiteit is dit automatisch ook tot anderen en beseft hiermee automatisch zijn verantwoordelijkheid tot de ander.
De mens die ‘vrij is van’, leeft als het oraal zuigende kind dat slechts de directe bevrediging zoekt van zijn primitieve instincten waardoor zijn innerlijke ontwikkeling blijft steken op het niveau van een 2-jarige, terwijl hij geacht wordt, als uiterlijke volwassene, verantwoordelijk werk te verrichten en relaties, aan te gaan in solidariteit met anderen.

Hier botst het.

Zo iemand wantrouwt iedere autoriteit,
beweert dat iedere politieman/vrouw discrimineert,
dat iedere leraar een betweter is die hem lastig valt,
iedere scheidsrechter een hondenlul,
iedere minister corrupt,
want iemand die hem lastig valt met regels, eisen en plichten moet sowieso oprotten, aftreden, en in ieder geval hém niet lastig vallen.

Ieder werkelijk volwassen mens die leeft in ‘vrijheid tot’ beseft dat verkeersregels nodig zijn om veilig te kunnen deelnemen.
Ieder volwassen mens beseft dat spelregels nodig zijn om de wedstrijd zo sportief mogelijk te laten verlopen.
En ieder volwassen mens beseft dat er taalregels zijn om onze dagelijkse communicatie zo soepel en wederzijds begripvol mogelijk te laten verlopen.
Van al deze verkeers -, sport- en taalregels dient de volwassen mens op de hoogte te zijn indien hij volwaardig deel wil nemen. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de eisen voor het vak Nederlands opgeschroefd worden voor scholen (zie krantenartikel). Al zal de orale bevrediging zoekende mens die leeft volgens het ‘vrijheid van’ principe zich diep gekrenkt en geremd voelen in deze volwassen en verantwoordelijke eis en verplichting tot het vaardig hanteren van onze Nederlandse taal, want hij vindt dat hij zelf wel bepaalt wat en hoe hij praat en schrijft, want ‘iedereen snapt me toch, dus wat lul je nou?’

De politiek gaat zich nog buigen over dit nieuwe voorstel en eisenpakket.
Dat geeft ons mooi de gelegenheid te zien volgens welk begrip van vrijheid onze politici leven, werken en communiceren.
Welke politicus leeft volgens het principe van ‘vrijheid van’ en welke volgens het ‘vrijheid tot’ principe?
Ontkenning van feiten, ontkenning van wetenschap, en het presenteren van ‘alternatieve feiten’ zijn in ieder geval duidelijke uitingen van de ‘vrijheid van’ politicus die zijn/haar verantwoordelijkheid niet neemt, is blijven steken in de orale fase van instinctieve behoeften bevrediging, en vooral vindt dat iedereen lekker zijn/haar eigen ‘ding’ moet kunnen blijven doen, want we leven tenslotte in een vrij land en ik bepaal zelf wel wat ik doe. Hoe beroerd, ellendig en nadelig dat voor zijn medemens en dit land ook moge uitpakken.
Het is ook het verschil tussen korte en lange termijn denken.
Het verschil tussen aan moeders borst blijven zuigen, omdat IK dat nou eenmaal NU lekker vind,
en
volwassen, vrij, verantwoordelijk handelen in solidariteit met alle mensen en de wereld.

Nederland is zoekend naar een nieuw evenwicht.

232. Ik mis mijn moeder niet

MOEDERDAG 2023.

Mijn moeder verongelukte in 2002.
Zij reed op de fiets en een auto reed haar aan.
Dood.
Ze werd 71 jaar en ze was kerngezond tot haar laatste dag
Ze was de liefste moeder van het heelal.
Wij hielden heel veel van elkaar.
Zij heeft alles voor mijn broer, zusjes en vader gedaan en alles van zichzelf gegeven.
En van ons ontvangen.
Wij waren haar grootste liefdes en zij de onze.
We hebben heel veel gelachen, gehuild, pijn gehad, we zijn bang geweest, boos geweest.
En we hebben enorm genoten van het volle leven met alles durrop en durran.

Ik mis mijn moeder niet.
Nooit.
Al 21 jaar niet.

Bedankt hiervoor, liefste Ma van de hele wereld. ❤️

231. Beloof me

Beloof me
dat
als je een dochter baart
een buurmeisje helpt 
een leerlinge hebt

Als je een meisje ziet
Echt ziet

Beloof mij dan
dat je haar mooi vindt
lief vindt
aardig vindt

Dat je dit lieve, aardige meisje
mooi vindt

Dat zij mooi is

Beloof me
dat
als je een zoon maakt
een buurjongen helpt 
een leerling hebt

Als je een jongen ziet
Echt ziet

Beloof mij dan
dat je vindt dat hij het goed doet
het moedig doet
geweldig doet

Dat je vindt dat deze moedige, geweldige jongen het goed doet

Dat hij het goed doet

Hierna
alleen hierna
mag je beginnen
met de onvermijdelijke
nutteloze
vrouwelijke poging
mannelijke poging
de ander te veranderen
te emanciperen
te vormen naar jouw beeld

Jouw beeld van
hoe zij zou moeten zijn
hoe hij zou moeten zijn

Ons beeld
dat niet ziet
dat 
hij Hij is
Zij Zij is
Jij Hem bent
Jij Haar bent 
Het Jou is

Dat onze diepste levensangst is

Ons niet is

230. Wat als …

Wat,
als onze religie elkaar was.

Als
onze oefening ons leven was.

Als
gebed onze dagelijkse woorden waren.

Als
de tempel de Aarde was.

Als
de bossen en wouden onze kerk en moskee waren.

Als
heilig water onze rivieren, meren en oceanen waren.

Als
meditatie onze relaties waren.

Als
onze leraar het leven zelf was.

Als
wijsheid zelfkennis was.

En wat als
liefde het centrum van ons wezen was?

________________________________________

229. Toiletontmoeting

Een oud-leerling nodigt mij uit voor een gul diner in een populair Delfts eet-café bij de Oude Kerk.
Onderwerp:
Vriendin wel of niet, doorgaan of stoppen, andere baan of niet, verhuizen ja of nee?
De normale, onvermijdelijke vragen van een dertiger die voor een dertiger niet aanvoelen als normaal. Wel als onvermijdelijk.
Tegelijkertijd zie ik vanuit een subtiele ooghoek jonge minirokjes, netkousen, hoge hakken en rode lippenstiften voorbij zwoelen richting studentikoze, luidruchtige ruimte op het podium achter onze dinertafel.
In ons vertrouwelijke gesprek stel ik me open, luister ik betrokken, leef me in, stel vragen, en voel. Terwijl de warme luidruchtigheid om ons heen toeneemt.
Na het voorgerecht verexcuseer ik mij en spoed mij richting toilet.
Naast mij plassend een jongen, naar schatting 22 jaar, in djellabah of damesjurk.
Ik merk hem wankelen, wiebelen en poging tot recht richten. Enigszins hulpeloos en tevens jolig wendt hij zijn gezicht naar mij en zegt schor :

‘We hebben een datingavond.’

Ik: ‘Gezellig.’

Hij: Ja, zeker gezellig, maar ik speel op safe. Ik heb een safe – dating – avond met mijn vaste vriendin die in Delft studeert. Ikzelf studeer geschiedenis in Utrecht.’

Ik kijk hem aan en zie zijn argeloze, open, doordrenkte jongensgezicht.
Ter plekke kruipt de dood in mijn lichaam.
Hij student, 22 jaar, jong, knap, date met mooi meisje, feesten, dronken, weekend, onbezonnen.
Ik 66 en dit alles niet.
Sterven is de enige mogelijkheid die zich in dit moment aandient, dus sterf ik.
Zoals altijd.
Het is mijn enige redding.

En vraag ik inlevend: ‘Wat is de kern van geschiedenis volgens jou?’

Hij: ‘Mag ik die vraag wat filosofisch beantwoorden?’

Ik smelt.

En hoor mezelf zeggen: ‘Graag’.

Hij (22): ‘Emmanuel Kant stelt zichzelf allereerst drie vragen.’

‘Welke vragen zijn dat?’

‘Dat weet ik niet meer.’

Ik houd mijn lachen onder het plassen nog net in, waardoor het plassen zwaar bemoeilijkt wordt. Lachen en plassen gaan al lastig samen, wist ik, maar vrij plassen en inhouden van lachen is volstrekt onmogelijk.
Besef ik nu.

De jongen vervolgt opgelucht:

‘Maar ik weet wel wat Kant hierna vraagt!’

‘Geweldig! Welke vraag is dat?’

De 22 jaren zijn inmiddels klaar met plassen. Hij staat nu midden in de toiletruimte en spreidt zijn armen van onder zijn damesdjellabah als een Messias wijd uit, terwijl andere studenten het toilet wankelend betreden in al evenzeer verwarrende kleding en hem nóg verwarrender aanstaren.

Dan galmt Hij plechtig :

‘Was ist der Mensch?!’

‘Wat betekent dat?’

‘Dat betekent: Wat is de mens?’

‘Ah, dat is een diepe vraag! Weet je het antwoord al? ‘

‘Ik heb geen idee, maar ik ben zoekende.’

Ik hoor hem, kijk hem aan, zie hem, voel hem, waardoor mijn verdwijning volledig bezit van me neemt.
Ik wórd hem.
Ik bén hem.

Mijn gedachte zegt: ‘Ik wou dat ik jou was.’

Dan keer ik terug.

En zegt mijn gedachte: ‘Wat ben ik blij dat ik jou niet ben.’

Maar even, heel even, was ik hém, en was ik niet ik, en was ik degene die ik ooit was, toen ik hém was, toen ik alleen was, verdorven was, lelijk was, verloren was, verdwenen was, eenzaam was, en het niet waard was om door deze wereld bemind te worden. Omdat ik hém was, omdat ik dood was. Zoals iedereen was.
Iedereen is.
Altijd is.

Terwijl dit alles in een flits gebeurt, zoals altijd gebeurt, iedere dag gebeurt, legt de student een hand op mijn schouder en spreekt plechtig en doordrankt:

‘Kan ik u straks spreken?
Over de Mens?
Ik denk dat u mij begrijpt.’

‘Natuurlijk, geacht medemens, maar ik ben nog in gesprek, dus het kan even duren.’

‘Geen probleem, meneer, neem uw tijd, tot straks! ‘

Hij geeft me een ietwat wankele high five, struikelt over zijn Suikerfeestdatingjurk, en wurmt zich uit de toiletruimte, richting zijn safe – date.
Ik keer terug naar onze dinertafel waar mijn dertigende tafelgenoot meewarig om zich heen zit te kijken en hoofdschuddend zegt:

‘Zo was ik vroeger ook. Ik kan het me bijna niet meer voorstellen.’

Ik knik.

En ik besef
Meer dan ooit.
Dat ik niemand ben.
Dat iedereen altijd hier is.
Dat het leven oneindig is.

En dat niets ontbreekt.

228. De beestenboerderij van mijn zus Marga

Foto onderaan genomen in ons huis aan de Westerweg 10 tegenover de fietsenwerkplaats Havrelux van mijn vader, later de Veeno fietsenfabriek van de Wilde.
In mijn vroege jeugd heette de Westerweg nog Sliksteeg en woonden wij naast een rij gammele huisjes die ‘de lange Jammer’ heette.
Ik herinner me dat ik in de periode van deze foto hard bezig was de beste voetballer ter wereld te worden, want dan zou ik rijk en bemind worden. Daar was geen twijfel over.
Later zou die wens veranderen in minister van Buitenlandse Zaken van Amerika, want dan kon ik de hele wereld gratis bereizen.
Uiteindelijk is het allemaal iets anders gelopen en is dat jarenlange wereldreizen wél gelukt. Het rijk en bemind worden ook, maar dat project is nog gaande.
Wordt eeuwig vervolgd. ❤️

Foto vlnr:
Pinkie, Marga, Moi, Jetty
Foto’s vooraan: Niko.

Behalve de hond Pinkie, en later weer andere honden, had Marga katten, duiven, konijnen, geiten, bokken, goudvissen, ratten, muizen, marmotten, en een paard dat Tjerk heette.
Al vanaf jonge leeftijd runde Marga haar eigen boerderij op het dierengrasveld naast de fabriek en iedere week had ze wel een huilbui als er weer een dier was overreden, overleden of gestorven. Vooral duiven waren vaak de klos, aangezien duiven proberen weg te rennen voor auto’s in plaats van weg te vliegen.
Op een dag was mijn vader al die beestelijke lijken en doden zat en riep hij uit:

‘Je moet die beesten leren vliegen in plaats van lopen!’

Dit opvoedkundige advies had niet helemaal de juiste uitwerking bij Marga die nog midden in haar wekelijkse rouwproces zat.
Maar goed, iedereen deed zijn best, we waren gelukkig, en alle buren waren lief. Die buren waren overigens het hele dorp, want we kenden iedereen en iedereen kende ons en overal waren we veilig.
Dit alles gebeurde in het mooiste dorp ter wereld en met mijn logische plan George Best op te gaan volgen als beste voetballer ter wereld.
Ik wist het zeker.

227. Leven

Als je je lang genoeg in een onderwerp verdiept
dan verdiept het onderwerp jou.

Het leven fluistert
in de stilte
die zij is:

Als je dit moment onaangeraakt laat
dan raakt het moment jou.
Als je innerlijk niets meer doet,
wordt uiterlijk alles gedaan.
Als je innerlijk stilstaat,
beweegt alles om je heen.

Als ieder idee van ‘Ik’ is vernietigd,
verdwijnt het heelal,
komt alles tot leven,
en bestaat er geen dood op het moment dat het lichaam sterft,
terwijl het vlees verteert in het vuur
en verzwolgen wordt door de grond.

Hoe dieper je sterft,
hoe meer het leven jou leeft.
Hoe meer je opgelost wordt,
hoe helderder je aanwezig bent.
Hoe meer je liefhebt,
hoe meer de ander verdwijnt.
En opstaat in jou die de ander is.

Er kan geen liefde bestaan tussen jou en de ander.
Liefde is de opheffing van jou en de ander,
van jou en de aarde,
van jou en het heelal.

Tot niets meer bestaat.
En alles tot leven komt.

Wanneer jij onbewogen bent
gaat alles door
wordt het leven onsterfelijk
in dit momentloze moment
dat jij bent
en jou teder verzwelgt.

Je bent nooit iets anders geweest.
Je zult nooit iets anders zijn.

226. Intimiteit

Jij.
Als ik je zie
is je lichaam daar
en zie ik je hier.
In me.
Mijn zien.
Mij.

Jij.
Als ik je hoor
is je stem daar
en hoor ik je hier.
In me.
Mijn horen.
Mij.

Als ik je voel.
is je lichaam daar
en voel ik je hier.
In me.
Mijn voelen.
Mij.

Als ik aan je denk
is je lichaam daar
en denk ik je hier.
In me.
Mijn denken.
Mij.

Jij.
Als jij dood bent
is je lichaam daar.
Ik zie je zonder ogen
ik hoor je zonder oren
ik voel je zonder voelen
ik denk je zonder denken.
Ik ben jou hier.
In me.
Mij.

Geen afstand.
Geen tijd.
Geen ruimte.
Geen verschil.
Geen ik.
Geen jij.

De dood.
En alleen maar leven.