114. Mystieke vertelling 11. Relatie

‘Ik ben onderhand wel toe aan een relatie,’ zegt de vrouw opgewekt.

Hij vraagt: ‘Wat bedoel je?’

‘Nou gewoon, ik wil een relatie.

Waarom?

Lijkt me leuker dan alleen. Ik moet alles al alleen doen. Met z’n tweeën is toch veel leuker, hè?

Wat is daar leuker aan?

Aldoor alleen is niet leuk, met elkaar wél.

Waarom is alleen niet leuk?

Er mist dan iets, iemand. Ik zoek een aanvulling op mezelf, een completering.

Dus je bent niet compleet?

Jawel, natuurlijk wel hoor, maar ik heb behoefte aan die aanvulling.

Dus je bent compleet en zoekt een aanvulling op je compleetheid?

Ja, nou, ik weet het ook niet meer hoor. Wat moet ik nou doen?

Dus je weet niet wat je moet doen?’

Even is ze stil, dan barst ze in huilen uit.

Na haar gezicht gedroogd te hebben, haalt ze diep adem en zegt:

‘Ik weet gewoon niks meer. Ik voel me alleen maar rottig. Het leven moet toch wel meer zijn dan dit?’

Haar tranen hebben haar oren geopend waardoor nieuwe woorden naar binnen kunnen stromen.

En de stroom fluistert:

‘Het vermogen om alleen te zijn is het vermogen tot liefde.
Slechts de mensen die in staat zijn om alleen te zijn, zijn in staat tot liefde, tot delen, tot het gaan in de diepste uithoeken van een ander, zonder de ander te bezitten, zonder afhankelijk van de ander te worden, zonder de ander tot een ‘ding’ te reduceren, en zonder verslaafd te raken aan de ander.
Zij die volledig alleen kunnen zijn gunnen de ander volledige vrijheid, omdat ze weten dat als de ander hen verlaat, zij net zo gelukkig zullen zijn als ze nu zijn. Hun geluk kan hun niet worden ontnomen door de ander, omdat het niet wordt gegeven door de ander.’

En bedrukter dan ooit verlaat de vrouw de spreekkamer.

113. Mystieke vertelling 10. De prins en zijn ziel

In een ommuurd paleis woonde een norse prins.
Hij was ongeduldig en boos, schold op zijn personeel, eiste het onmogelijke, en alles in het paleis draaide maar om één persoon: de prins. Mensen vlogen voor hem, bang dat hij ze zou straffen of ontslaan. Er was slechts één mens in het hele paleis die niet bang was voor de prins: zijn knecht, tuinman en raadgever, die hem zijn hele leven trouw had gediend.
Op een nacht, toen de zon en de maan elkaar kusten en alle sterren glimlachend toekeken, dwaalde de prins door zijn lege paleis, keek in zijn ziel en zag peilloze, zwarte duisternis.
‘Wat moet ik doen?!’ vroeg hij wanhopig aan zijn oude knecht
‘Ga naar Isfahan, daar wacht iemand op u. Hij zal u raad geven.’ antwoordde de knecht.
De prins wilde meteen zijn lakeien bars gaan bevelen om zijn koets gereed te maken, maar de knecht zei: ‘U gaat lopend. En alleen. Anders zult u uw bestemming niet bereiken.’
Een kille siddering kronkelde door het lichaam van de prins. Hij staarde verbijsterd naar zijn knecht, maar deed gedwee wat hem werd opgedragen.

De volgende dag ging hij op pad.

Deze eerste dag ging goed, vond hij, en monter liep hij op de weg naar Isfahan, zijn voorgenomen einddoel.
De tweede dag zinderde de zon en verbrandde zijn huid.
De derde dag liep hij door het drassige dal van donker moeras, waar hij wegzakte in de modder en nog net op tijd een tak aan een struik wist vast te pakken om zich uit de zuigende aarde weg te trekken.
De vierde dag barstte een hevige storm los die hem omver blies, meesleurde en hem tegen een rotswand smeet. Gebroken bleef hij de hele nacht liggen in het dal, omringd door giftige slangen.
De vijfde dag beklom hij de hoogste berg die bedekt was met sneeuw en ijs. Hij bevroor, klom door, bezweek, klom door, bereikte de top, gleed uit en stortte in het ravijn, waar hij kermend zijn zesde nacht doorbracht, ditmaal omringd door krijsende aasgieren.
De zesde dag kroop hij uit het ravijn en werd op de kale vlakte aangevallen door een wolf. Hij vocht, verwondde zich, wurgde de wolf en vrat hem op, aangezien zijn voorraad voedsel vrijwel was uitgeput.
De zevende dag baande hij zich met zijn kapmes een weg door dicht, stekelig, donker bos en eenmaal aan het eind gekomen vond hij met bebloed lijf en zoute ogen de weg terug naar zijn einddoel.
Toen hij op zijn bestemming arriveerde, scheen Isfahan stralend over hem heen, maar de halfnaakte, uitgeputte prins in zijn gescheurde kleren, met geblakerde huid en gebroken botten, zag slechts duisternis.

En in zijn duisternis verscheen de dood.

‘Je bent gekomen, eindelijk’, sprak de dood vriendelijk, ‘ik zat al enige tijd op je te wachten.’
De prins zweeg. Hij wist dat dit zijn einde was. Zijn leven had geen zin meer. Zijn keel was gortdroog en instinctmatig greep hij naar de fles aan zijn riem, maar voordat hij het water aan zijn lippen kon zetten, sloeg de dood het uit zijn handen, omhelsde de prins en nam hem liefdevol op in haar zwarte duisternis.
En alles waarvan de prins dacht dat hij het was, verdween in de tedere omhelzing van de dood.
De prins huilde veertig dagen.
Veertig dagen van rouw om zijn eigen sterven.

Toen verdween de dood.

De prins stond op en ontdekte de lichte stad die haar schone schittering nog immer over hem uitstortte. Zij deed dit al sinds mensenheugenis, ofschoon slechts enkelen haar lichte schoonheid zagen. De stad kende weinig geliefden en het deerde haar niet.
Toen keek hij naar binnen.
En zag hij dat de dood het diepste zwart in hem zichtbaar had gemaakt.
En ontdekte hij dat midden in het zwart van zijn ziel het licht van Isfahan begon te schijnen dat daar al sinds onheuglijke tijden verborgen lag te wachten.
En ontwaarde hij datgene waar hij vele levens lang overheen had gekeken en blind voor was geweest: het huwelijk van het eeuwige licht van de stad met het ontluikende licht van zijn ziel dat onder de duisternis verstopt had gezeten en door de dood was geopenbaard.
Zo zag de prins dat alles wat hem donker had geleken, in de wereld en in zichzelf, nooit iets anders was geweest dan de eenzame bruid die los gesneden wachtte op de handreiking van haar geliefde voor het huwelijk van de ziel met de wereld.

Die nacht vond de mooiste eeuwige bruiloft op aarde plaats.

En wist de prins wat hij altijd al had geweten, niet had beseft, en nooit had durven zien.
Na het huwelijksfeest legde hij zich volledig voldaan en dronken van geluk te ruste en sliep een lange zachte nacht in Isfahan.
De volgende dag stond hij geheel verfrist op, gaf alle bedelaars een aalmoes en bedankte de stad hartelijk voor haar warme gastvrijheid. Hij bestelde vriendelijk een nieuwe koets met jonge paarden en reed met losse teugels terug naar zijn paleis. Daar zag hij zijn oude, trouwe knecht die kalm zaadjes plantte in zijn vredige tuin.
Hij knielde voor zijn tuinman, bedankte hem innig en vroeg hoe een arme tuinman kon weten wat er zou gaan gebeuren met een rijke prins in een verre stad.
De knecht wees naar de tuin en sprak:
‘De arbeid die ik hier volbreng is nooit af. De tuin vraagt al mijn aandacht. En de bomen zullen in de zomer alleen vrucht dragen als ik de zaadjes plant met de grootste toewijding en in het volste vertrouwen in hun natuurlijke aard. Doe ik dat niet dan zal de tuin dor en droog worden en veranderen in een boze vijand. Daarom wijd ik mij iedere dag nederig aan dit werk, omdat ik weet dat de tuin mij niet alleen datgene zal schenken wat ik er zelf in heb geplant, maar vooral hóe ik dat heb gedaan.
Slechts zij die gestorven zijn terwijl ze leven, zijn in staat hun tuin op natuurlijke wijze te onderhouden, omdat ze weten dat bloesems en dode bladeren, bloei en verval, gezondheid en ziekte, leven en dood, twee onafscheidelijke kanten zijn van één en dezelfde medaille.
Ik, of vroeger uw ouders, hadden u wel kunnen opdragen om andere mensen vriendelijk te behandelen en een goed leven te leiden, maar u zou het dan alleen gedaan hebben uit plichtsbesef, uit gehoorzaamheid, uit denken, maar niet vanuit uw hart, niet vanuit uw wezen.
Nu weet u dat u niet meer kunt kiezen, maar dat u keuzeloos zult doen wat het leven van u vraagt.
U beseft nu dat alles voorbij gaat, dat de mensen, net als u, stervende wezens zijn en dat er tussen u en hen geen enkel verschil bestaat. Dat u hén en zij ú nodig hebben en dat wij allen onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn.
Dit is niet wat ík, maar dit is wat uw tocht door de hel en de liefde van de dood u hebben onderwezen. Uw innerlijk sterven is uw grootste schat voor de uiterlijke wereld.
Ga nu naar uw paleis en regeer uw land zoals een ware prins en een dienaar van de wereld betaamt. De tijd is gekomen om te trouwen met uw volk en te dansen op het bruiloftsfeest van het leven.
En, oh ja, de muur om uw paleis heeft zich gister afgebroken.
De weg is vrij.’

De prins boog diep voor zijn knecht en bedankte hem met zijn hand op zijn hart. Hij liep naar de ingang van zijn paleis en op het moment dat hij de poort opende, binnentrad en zich op zijn troon zette om zijn toegestroomde volk warm te verwelkomen, kusten de zon en de maan elkaar innig en keken alle sterren stralend toe.

112. Mystieke vertelling 9. Tijd en dood

Hij had haar verteld dat als je diep slaapt dat er dan sprake is van volledig bewustzijn.
Zij had hier een nachtje over geslapen en ze concludeerde dat ze dit onzin vond en zou dat wel even aan hem gaan vertellen.

‘Als ik in diepe slaap ben dan weet ik niks meer, dan is er geen bewustzijn.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Omdat ik er geen herinnering aan heb.’
‘Herinnering en denken kunnen je niets vertellen over een ervaring waarin denken niet aanwezig is. Het denken identificeert zich met bewustzijn en denkt dat het zélf bewustzijn is. Het is alsof de spiegel zegt dat het zijn eigen leven leidt en licht genereert, terwijl de spiegel uit zichzelf niets kan, alleen maar weerspiegelen van iets anders dan zichzelf.
Door zich te vereenzelvigen met bewustzijn, denkt het denken: Als ik verdwijn, verdwijnt ook bewustzijn. Dit is de vergissing van het denken.
Laten we dit wat verder onderzoeken en het hebben over het begrip tijd. Tijd is dan de duur tussen twee gebeurtenissen. We nemen als voorbeeld:

Gebeurtenis 1: Dit moment nu
Gebeurtenis 2: Het diner van gisteravond

De tijd speelt zich af tussen dit moment nu en het diner van gisteravond.
Mijn vraag is dan: waar is het diner van gisteravond?’
‘In mijn geheugen, in mijn herinnering.’
‘We zoeken niet naar de herinnering aan het diner, maar naar het diner zélf. Waar is dat? Kun je teruggaan naar die gebeurtenis?’
‘Nee , het is voorbij.’
‘Ik probeer nu vast te stellen of we tijd kunnen ervaren, dat wil zeggen de periode tussen twee gebeurtenissen, maar jij zegt nu dat één gebeurtenis, het diner, er niet meer is. Als we echter tijd willen ervaren, moet er een verleden en een toekomst zijn.
Probeer nu eens dat verleden te ervaren, oftewel uit dit moment te stappen en dáár naartoe te gaan.’
‘Dat lukt niet, alleen in mijn herinnering, niet in mijn ervaring.’
‘Is het ooit mogelijk om verleden of toekomst te ervaren?’
‘Nee.’
‘Inderdaad, er bestaat alleen de ervaring van de huidige ervaring, van dít moment, nú. Er is dus een verschil tussen herinnering en ervaring. En de ervaring is altijd nu. Als dat zo is hoe kun je dan zeggen dat je tijd ervaart?’
‘Maar ik heb de ervaring dat ik 65 jaar ben!’
‘Nee, die ervaring heb je niet. Je dénkt dat je 65 jaar bent. In feite ervaar je alleen wat je nú ervaart, je huidige gevoelens, sensaties en zintuiglijke gewaarwordingen.
Wat ervaar je nu?’
‘Ik voel me helemaal geen 65!’
‘Dus je zegt nu: ik ervaar niet dat ik 65 ben. Je ervaart dus nu de tijdloosheid die je bent. Die 65 jaren zijn een idee, de tijdloosheid is je ervaring.’
‘Het begrip van tijd is trouwens wel handig in ons dagelijks leven, anders zou het een puinhoop worden.’
‘Dat klopt. Het concept van tijd kan een nuttig, praktisch hulpmiddel zijn, maar het is geen ervaring. Als dus niemand een verleden en een toekomst heeft ervaren, zou het dan kunnen dat tijd niet datgene is wat we denken dat het is?
We kunnen hieruit concluderen dat tijd tijdloos is en dat dit moment eeuwig is. Niet eeuwig in de zin van het eeuwig verstrijken van de tijd, maar dat het altijd Nú is. Je kunt niet uit het Nú, niet uit dít moment stappen.’
‘Maar we gaan toch ons hele leven van moment naar moment?’
Nee, er bestaat geen opeenvolging van momenten, we gaan niet van nu naar nu. Het is altijd en eeuwig Nú. Er bestaat niets anders. Alleen het denken zet alles in een tijdlijn van opeenvolgende momenten en gebeurtenissen en creëert hiermee het idee van een lineaire tijd die verstrijkt. De ervaring speelt zich echter niet af in een lineaire tijd die verstrijkt. Ervaring gebeurt altijd Nú.
Het Nú beweegt dus niet en gaat nergens naartoe, gaat niet van verleden naar toekomst. Alleen het denken verzint dat en gaat hiermee weg bij de ervaring.
Laat ik het zó zeggen:
Tijd is wat eeuwigheid/tijdloosheid lijkt als het gezien wordt vanuit het denken, als het gefilterd wordt door gedachten.
Dit kun je opmerken als je kijkt naar het moment van in slaap vallen en van wakker worden. Je ervaart dan geen tijd. De twee momenten vallen samen. Als je vervolgens op de wekker kijkt en je ziet hoe laat het is dan ga je denken en dan dénk je dat je zes uur hebt geslapen, terwijl in werkelijkheid de tijd afwezig was.’
‘Dus die tijdloosheid ervaar ik in diepe slaap?’
‘Juist. Als denken verdwijnt, verdwijnt de tijd. In diepe slaap denk je niet, dus is er geen tijd. Sterker, niets speelt zich af in tijd.
Als ik dit wat breder trek dan is mijn vraag: hoeveel tijd speelt zich af tussen geboorte en dood?’
‘Je gaat me nu toch niet vertellen dat er zich geen tijd afspeelt tussen geboorte en dood, hè?’
‘Beide momenten, het moment van geboorte en het moment van dood, spelen zich op hetzelfde moment af, net als het moment van wakker worden en in slaap vallen precies hetzelfde moment is. En met ‘moment’ bedoel ik: hetzelfde eeuwige Nú.
Het denken kan dit niet begrijpen, omdat denken nooit naar het Nú kan gaan, nooit in het Nú kan zijn. Denken heeft de tijd nodig en de tijd heeft het denken nodig. Die twee kunnen niet op zichzelf bestaan.
Als we dus volledig in het Nú zijn, dan is er géén denken meer en geen tijd. Dan is er ook geen persoon die denkt, aangezien het bestaan van een persoon altijd gebaseerd is op een idee, op denken, het is geen werkelijkheid.
Het bestaan van een individueel persoon is een gedachte.’

Na afloop van het gesprek stapt ze op, geeft hem een hand en zegt:
‘Oké, ik ga er nóg maar eens een nachtje over slapen …’

111. Mystieke vertelling 8. De vraag

Is er een God?

Deze vraag ving ik op in het gesprek naast me.
Een jongeman, twintiger, vrolijke haardos, nieuwsgierige grote ogen, zat tegenover een grijsharige stralende vrouw, zeventiger, zachte ogen. Ze waren duidelijk diep verbonden, maar geen familie, vriendschap of romantische relatie. Er was iets anders, iets veel méérs.

Het was lange tijd stil.
Een stilte die je kon zien.
Als je luisterde en als je zelf volkomen stil was.
In die stilte was een ruimte en in die ruimte klonk haar bewegingsloze geluid:

‘De schepper is het geschapene.’

In het café kropen mensen dicht tegen elkaar, praatten, aten en dronken,
en ook
was er die stilte
was er die ruimte
waarin niets bewoog
zelfs niet het lawaai.

Haar zwijgende stem sprak:
‘Schepping heeft genoeg aan zichzelf.
Ze heeft geen aparte schepper nodig naast of apart van zichzelf.’

Hij stamelde.
Zij vervolgde.

‘Schepping heeft geen instantie nodig buiten zichzelf om haar te scheppen.
Op het moment dat je een instantie buiten de schepping accepteert om haar te scheppen, splits je het leven en kom je terecht in een tweedeling en vicieuze cirkel.
De redenering is dan:
Hoe kan het leven er zijn zonder door iets of iemand geschapen te zijn?
Er moet toch iets zijn dat iets schept?
Dus moet er toch een schepper zijn?
Tja.
Zo redeneren alle godsdiensten.
Als je hun redenering volgt dan dringt automatisch de vraag zich op:

Wie schiep de God?

En als de God er kan zijn zonder te zijn geschapen, wat is dan het probleem?
Dan kan het leven er namelijk zijn zónder dat het geschapen is.
Dan accepteer je dus principieel dat iets er kan zijn zonder te zijn geschapen.
Dat er geen schepper is.
Zie je dit?
Zie je dat iets bestaat, zoals jij als mens, zoals de planten, zoals het heelal, zónder dat het geschapen is door iets dat buiten de mensen, buiten de planten en buiten het heelal ligt? Alles ligt binnen in het geschapene dat zichzelf schept en zelf de schepper is van zichzelf.

Zie je dat?’

Haar woorden vergrootten de stilte terwijl ze spraken. Stilte kende geen grenzen.
Ook de openheid waarin stilte huisde opende zichzelf in een nóg wijdsere stilte die vooraf ging aan ieder denken.

Ze zei:
‘Waarom zou je dan van A naar B gaan en van B naar C?
Waarom zou je van een schepper naar het geschapene gaan, van de hemel naar de aarde, van God naar de mens?
Waarom zou je splitsen, classificeren, scheiden, indelen?
Waarom zou je dat dan doen?
Je doet het omdat je vertrouwd bent met je denken. Het is het denken waaraan je verslaafd bent. Het denken dat noch eeuwigheid noch tijdloosheid kent.
Denken stamt uit het verleden en zo creëert het denken de tijd; verleden, heden en toekomst, die illusies zijn.
Jouw denken, jouw aannames zijn alleen maar veronderstellingen. Vandaar dat de hele bedachte, verzonnen theologie simpelweg flauwekul is.

Zie je?’

Tussen haar woorden, tussen haar letters, tussen haar en haar partner gaapte de leegte van het heelal.

Hij zei:
‘Als er geen God is, hoe kan een mens dan leven?

Ze legde haar hand zacht op zijn arm en zei:
‘Dit is een gedachte die voortkomt uit angst. Wees lief voor angst, wees zacht, wees vriendelijk. Angst is een kind van het onbekende. Het heeft lichtjaren gereisd om jou te vinden. Het gaat erom dat er geen scheiding is tussen jou en je angst. Wéés de angst.
Als je dit niet ziet, niet aanvaardt, dan ontstaat de theologie, de filosofie, die bestaat uit denken, concepten en vluchtwegen uit de angst, uit het leven en uit de schepping die jij bent.
Theologie begint met God.
‘Theo’ betekent God.
‘Logie’ betekent logica.
Theologie betekent dus logica over God.
Logica over God is een tegenspraak in zichzelf.
Zie je de onzin van deze redenering door theologen?
Logica over God!
Zulke waanzin kan alleen een denkend hoofd vol lawaai bedenken.
Filosofen, theologen en ander gespuis, hun denken is niets anders dan een verzameling kakelende lawaaimakers in hun gesloten hoofden.

Zie je?’

Haar woorden versmolten met een zuiverende ernst die door het open raam binnendrong en de hersens reinigde van elk denken en voelen.
In het midden van alles was een plekloze plek die onaanraakbaar was en insloeg als bliksem die vernietigt en verbrandt. Ze was zo licht als lucht en het middelpunt van de hele schepping.
Ieder woord was overbodig, ieder gevoel oppervlakkig, ieder denken schoot tekort.
Haar dóordenkende gesprekspartner vroeg:

‘Dus de schepping zélf is God?
Wij zijn God, ik ben God, jij bent God, iedereen is God?’

Zijn woorden tuimelden op de grond, zij raapte ze op, wreef ze fijn en fluisterde stil:
Als je persé het woord God wilt gebruiken, moet je de betekenis veranderen, want in dat geval zal ook de ezel God zijn en ook de bommengooier en ook de slang.
Het is dus beter het woord te laten vallen, omdat het woord zelf gevaarlijk is en tot nutteloze misverstanden leidt. In dat geval veronderstel je namelijk dat als je op een ezel rijdt, je op een God rijdt en als je een bommengooier bent, je een God bent.
Dit is natuurlijk een vergissing.

Zie je?’

Nog dichterbij dan ieder zintuig was er die stervende schoonheid die je alleen kon zien zonder ogen. Het vulde de hele ruimte die het zélf was.
Ik keek naar de jongen, luisterde naar zijn terneergeslagen geest en leed met hem mee. Tot ik voelde dat de tijd had opgehouden te bestaan, het heelal volledig was uitgewist en ik in dat moment de jongen wérd. En zijn lijden.
Zijn ogen staarden strak in de peilloos lieve ogen van de vrouw, hij stak zijn koude bevende hand over tafel en zij hield hem teder vast.

Hij zei:
‘Ik zou zo graag van ieder moment willen genieten.’

Zij sprak teder en beslist:
‘Je maakt nu een scheiding tussen dit moment en jezelf. Zo splits je het leven tussen een Ik en Dit moment. Je maakt een tweedeling en in die deling is het onmogelijk te genieten van dit moment, omdat je gescheiden bent. Je kunt het hooguit denken, maar de gedachte splitst en met het denken creëer je de illusie. Als je denkt ‘Ik geniet’ ben je al weg van dit moment.
Het feit is dat jij dit moment bént. Het is een feit dat uit dit moment een vreugde ontstaat die ondanks jouzelf plaatsvindt. Als je probeert en wilt genieten, gaat het van je wég.’

Hij:
‘Ik denk dat de kracht die ons leven geeft, of wat dat dan ook is, de energie, het universum …’

Zijn gedachten werden voortgedreven door eeuwen van angst, plezier, verlangen en zorgen. Zij misten het zuiverende verdriet van de dood en de rouw en duwden tegen de dichte sluier die zijn levenslange bezit was.

Ze onderbrak hem op liefdevolle toon:
‘Nu maak je jezelf tot gevangene. Als je zó sterk gehecht bent aan het woord God, aan het woord Energie, aan het woord Universum, als je beslist niet zónder die woorden kunt, maak er dan goddelijkheid van. Of nog beter: maak er een werkwoord van. Maak er een kwaliteit van. God is een werkwoord. Als je er een zelfstandig naamwoord van maakt, dan vermoord je het. Je stopt dan haar groei en haar oneindig zwarte verrukking. Zelfstandige naamwoorden groeien niet. Alleen werkwoorden groeien.
Het gaat erom diepgaand te beseffen wat vergankelijkheid is. Niet alleen verstandelijk. Heb je vergankelijkheid al geïntegreerd in elke gedachte, iedere ademtocht en elke beweging, zodat je leven erdoor veranderd is? Is je besef van vergankelijkheid zó scherp en intens geworden dat je niet anders meer kán dan mededogen hebben met ieder wezen? En is het besef al zo groot dat je elke seconde van je leven wijdt aan het streven naar innerlijke bevrijding, zowel van jezelf als van anderen?

Besef je dat al?’

Ze duwde hem en hij zichzelf naar de rand van de afgrond.
Hij slaakte een schreeuw, viel in het ravijn en stierf duizend doden.

Alles zweeg.

Zijn lichaam stond op
en toen zijn hoofd uit elkaar spatte
glimlachten zijn lippen
stopte de tijd
en zag hij miljoenen sterren geboren worden en miljoenen sterren sterven.

Niets veranderde, niets bewoog.
Er was niets dat ook maar íéts deed.

En er was geen plek in de sterren die hij níét was.

110. Mystieke vertelling 7. De wijze oude boom

Ik loop door de herfstige Delftse Hout alwaar een oude boom mij wenkt.
Ik zet mij neer en leun achterover tegen zijn stevige stam.

En hij fluistert: Luister!

Een blad papier bestaat niet op zichzelf
In het blad papier
zit de omgehakte boom
de houthakker die de boom kapt
de moeder die de houthakker baart
de voorouders die haar voortbrengen
de grond die de boom doet groeien
de regen waarmee ze zich voedt
de lucht die ze inademt
de zon die de boom verlicht
Er is niets op aarde wat niet in het blad papier aanwezig is

Iets bestaat omdat al het andere bestaat

Er bestaat geen op zichzelf bestaand iets
geen ik zonder de ander
geen rijkdom zonder armoede
geen gezondheid zonder ziekte
En er bestaat geen vluchteling zonder een verlaten thuis

Zíjn vlucht is óns welkom
Zonder zijn nood worden wij geen goede mensen
Zonder onze liefde kan hij zijn angst niet vernietigen
Zonder zijn vraag kunnen wij niet antwoorden

Iets bestaat omdat al het andere bestaat

Wij zitten in de vluchteling en de vluchteling zit in ons
Ons bloed, onze botten, onze harten zijn van dezelfde stof gemaakt
Wij allen drinken hetzelfde water uit dezelfde regens en oceanen
De lucht die hij uitademt, ademen wij in
Als hij arm is, zijn wij rijk
Als hij niet gelukkig is, kunnen wij ook niet gelukkig zijn

Iets bestaat omdat al het andere bestaat

Jij bent mij en ik ben jou
Wij inter-zijn
.Jij kweekt de bloem in jezelf, zodat ik mooi kan zijn
Ik transformeer het afval in mezelf, zodat jij niet hoeft te lijden
Ik steun jou, jij steunt mij
Ik ben hier om je vrede te brengen
Jij bent hier om mij vreugde te brengen

Iets bestaat omdat al het andere bestaat

Aldus sprak de oude boom
In de herfstzon in de vredige Delftse Hout

109. Mystieke vertelling 6. Het kleedje

Ten einde raad daalde de gebroken vrouw af in het dal
kroop binnen in de donkere grot
en zag de lichte oude man
die haar glimlachend wenkte

Haar tranen spraken:
Ik heb alles gedaan om
goed te zijn
anderen te helpen
gelukkig te zijn
het leven te doorgronden

Niets werkt!
Wat moet ik doen?

Hij zei:
Het leven is niet tegen jou
Jij zoeker naar zuiverheid
Het dient jou
vooral
als haar slagen je hard raken

Als iemand een kleedje uitklopt
zijn de slagen niet tegen het kleedje gericht
maar tegen het stof dat het bevat

En weet
Jij zoeker naar helderheid
dat het meeste stof zich bevindt
in die lichaamsdelen
waar de pijnlijkste slagen vallen
omdat je gedachten daar het felst ontkennen

Dus weet
Jij zoeker naar vrede
dat de oorlog in je lichaam dient
om je slechte eigenschappen te verwijderen
opdat het leven je geest mooier
en je lichaam zachter maakt

Het leven biedt je drie genezende medicijnen
die vanzelf naar je toekomen
wanneer je sterk genoeg bent geworden
om ze te dragen

Depressie is de redding van je leven
omdat het alle oneerlijkheid doodt
die jou is aangedaan
en jou de richting wijst
naar jouw geboorterecht

Doodsangsten laten zien
dat je de waarheid nadert
ze maken jou schoon
en zuiveren je van iedere afsluiting
opdat jij de weg vindt
naar de plek van jouw diepste verlangen

Pijn dient
om jou te richten
naar de kern van je pijn
waar de vreugde van het leven heerst
en waar jouw denken, voelen en handelen het met elkaar eens zijn

Zonder depressie
zonder angst
zonder pijn
zou je stikken in het stof
van de zelfgenoegzaamheid
en zou je omkomen in het beeld
dat jou gevangen zet

Kijk goed!
Jouw gedachten aan zelfmoord
zijn géén gedachten aan jouw dood
maar zijn je diepste verlangens naar het vernietigen
van je beperkende zelfbeeld
dat jou klein houdt

Zie!
Je wenst niet jezelf te doden
maar het beeld dat anderen van je gemaakt hebben
en waarvan je dácht dat jij het was

Daarom
Jij zoeker naar vrijheid
Daal af
Kus de slang
Omhels de hel
Laat angst bang zijn
Laat duisternis donker zijn
en laat ze je leiden naar het holst van de nacht

En zie daar
Jij zoeker naar licht
dat jij meer nabij bent dan ieder zwart gif
dat de dood jouw leven niet kan pakken
en dat jij het meest Prachtlievende zocht
dat jou nooit had verlaten

De vrouw boog
eindelijk!
haar harde hoofd
liep naar buiten
en legde haar nek
onder de valbijl

Terwijl de bliksem haar beelden verbrandde
en de regen haar droge ziel doordrenkte met vruchtbaar verdriet
verdween de bijl
en viel ze in het bodemloze omarmende lieve leven
waar iedereen was

En waar iedereen altijd was geweest

108. Mystieke vertelling 5. Wat zien wij (niet)?

‘Wist ik veel, ik zal het wel onbewust gedroomd hebben’, zegt het kassameisje tegen haar collega.
De grootste psycholoog aller tijden, Sigmund Freud, publiceerde zijn ontdekking van het onbewuste en de betekenis van dromen in 1899. Niemand geloofde hem. Freud stond alleen.
Toch had hij gelijk. Daarom leven zijn ontdekkingen door in de taal van het kassameisje in 2020. En in ons allen.
Copernicus ontdekte in 1543 dat de aarde rond was en niet plat.
De Kerk veroordeelde hem wegens godslastering.
Galileo Galilei bewees enkele jaren later dat de aarde om zijn eigen as draait. Ook hij werd veroordeeld. Wat zij toen al zagen, geloofde nog niemand.
Columbus naderde in 1492 de Amerikaanse kust. Slechts één Indiaan zag de naderende schepen. De anderen kéken wel, maar ze zagen de schepen niet. Deze totaal nieuwe ervaring was te ontzagwekkend om te begrijpen.
Dus zagen ze niks.
Albert Einstein ontdekte in 1905 dat tijd relatief is en van snelheid kan veranderen. Einstein viel zelf letterlijk flauw van de grootsheid en onbegrijpelijkheid van zijn ontdekking. Hij had iets gezien wat niemand anders nog zag.
Nobelprijswinnaars Niels Bohr en Werner Heisenberg ontdekten dat materie niet bestaat. Geloof jij dat? Dat materie niet bestaat?
En geloof je dat licht zowel een golf als een deeltje kan zijn? En dat één deeltje op twee verschillende plaatsen tegelijk aanwezig kan zijn? Geloof jij dat?

Terwijl waarheid vlak voor onze ogen gebeurt, zien we haar niet.

Wij zijn blinden.
Wij veroordelen hen die zien om onszelf gerust te stellen. Daarom geloven wij ze niet.
En oh ja, nog iets:

Materie bestaat niet!!

Geloof jij dat?
Nee, wij geloven het niet, want we zien het niet.
Nog niet.
Wij zijn de eeuwige Kerk van 1543.

107. Mystieke vertelling 4. Het leven

Ze had zware jaren achter de rug. Het leven had harde klappen uitgedeeld.

Ze zei:

‘Het leven is perfect in ieder moment. Alle kinderen zijn in de kiem reeds oude mensen; alle zuigelingen hebben de dood al in zich; alle stervende mensen hebben eeuwig leven. En iedere foute daad of gedachte draagt het goede al in zich.
Het is niet mogelijk voor een persoon om te zien hoever de ander op zijn weg is.
De rechter bestaat in de dief, de patiënt in de dokter, het kleinkind in de opa,
de leraar in de leerling.
Niets is gescheiden, alles is inherent verbonden, en vormen veranderen in hun tegendeel. Daarom, zo lijkt het mij toe, is alles dat bestaat goed, zowel dood als leven, zowel succes als falen, zowel gezondheid als ziekte, zowel waanzin als wijsheid. Alles is nodig en noodzakelijk.
Alles heeft alleen onze aanvaarding nodig, ons liefdevolle begrip. Dan is alles goed en dan kan niets ons schaden. Niet dat ons niets ergs kan overkomen, maar de enige schade is onze niet-aanvaarding en ons onbegrip.
Door ons lichaam en onze gedachten leren we dat het nodig is om fouten te maken, uit evenwicht te raken. We leren dat we lust en begeerte nodig hebben en dat we moeten streven naar bezit. Zo leren we ook de walging van het bestaan te ervaren en de diepte van de wanhoop. Opdat we leren ze te weerstaan, opdat we leren de wereld lief te hebben, en opdat we leren deze wereld niet langer te vergelijken met een of andere gewenste ingebeelde wereld, een of ander beeld van perfectie van nu of later, maar om haar te laten zijn zoals ze is. Om mee te doen, ervan te houden. En om blij te zijn dat we deze wereld toebehoren.’

Zei ze stralend.

106. Mystieke vertelling 3. Gezicht op Delft

‘Sinds ik het schilderij ‘Gezicht op Delft’ zag, weet ik dat ik het mooiste schilderij van de wereld heb gezien.’
Dit schreef de grootste Franse schrijver van de 20e eeuw, Marcel Proust, in zijn meesterwerk ‘A la recherche du temps perdu’.
Volgens Proust is het unieke van de lichtinval in Vermeers schilderijen dat hij de werkelijkheid niet schildert zoals zij is, maar zoals Vermeer wil dat je haar ziet. Hij betreurt het dat hij er niet in is geslaagd om een literaire stijl te vinden die hetzelfde schilderachtige visuele effect heeft.
Hij zegt:

‘Ik had moeten schrijven zoals Vermeer schildert. Mijn laatste boeken zijn te schraal, ik had verscheidene lagen kleur moeten aanbrengen, van mijn taal een kostbaarheid op zich moeten maken, zoals een schilderij van Vermeer.’

Proust schrijft zinnen zonder interpunctie die pagina’s lang doorgaan. Hierdoor kom je als lezer in een bedwelmende trance die je in een andere dimensie plaatst. Je ontdekt dan de plek van je diepste verlangen: verlangenloosheid.
Als je ‘Gezicht op Delft’ in diepe aandacht bekijkt dan kan je hetzelfde overkomen. Het licht van Vermeer brengt je in een toestand van geluk en leidt je naar een andere plek dan waar het normale leven zich afspeelt. Dit licht weerspiegelt de eeuwigheid en even leef je in de stilte, in het beginpunt van het universum toen nog niets bewoog, waar al het leven in de kiem aanwezig was, onzichtbaar was, en waar alle nog niet geboren herinneringen samenvielen in één punt waar noch tijd noch ruimte geschapen waren.
Even beleef je het mysterie waar de hele mensheid al eeuwen naar zoekt, wat niemand vindt, behalve als je Proust leest of een Vermeer ziet. Dan weet je definitief wat werkelijke heiligheid is. En dan wéét je dat tijd niet bestaat. Noch dood.

105. Mystieke vertelling 2. De tragische levenshouding

Als er geen oplossing is, is er geen probleem, maar is er sprake van tragiek.
Tragiek is de situatie waarbij het lot toeslaat en waaruit geen ontsnapping mogelijk is.
De tragische levenshouding is die houding waarbij je je bewust verzoent met het lot en het wezen van het lot stap voor stap in je opneemt zonder in te grijpen in de loop der gebeurtenissen.
Dit vereist veel moed, veel geduld en veel inzicht. Het vereist dit alles in hoge mate, aangezien de huidige mens deze levenshouding is kwijtgeraakt en niet meer kent.
Vandaag de dag komen mensen in opstand tegen het lot en wenden zij alle middelen aan om het lot te keren, het heft in eigen hand te nemen en de situaties te controleren om erger te voorkomen.
Deze reacties slaan door in regelgeving, bureaucratie, alles op schrift stellen, heel veel vergaderen, vele vormen van controlemechanismen en een overdaad aan activiteiten die niets te maken hebben met actie.

Activiteit of actie
Activiteit is de paniek die ontstaat uit angst voor de onvermijdelijke rampen, terwijl actie het innerlijk nietsdoen is waardoor uiterlijk alles wordt gedaan dat voortvloeit uit de verzoening met het lot.
Activiteit is bakstenen gooien in de sloot, actie is het surfen op de golven.
Activiteit is het rennen naar een doel, actie is zien dat dit moment en het doel samenvallen.
De tragische levenshouding is een houding van afwachten, geduld betrachten, niets doen, kijken, voelen. Bewust niets doen. Dat is het aller moeilijkste:
bewust niets doen, niet ingrijpen, het lot zijn gang laten gaan, zodat je zijn beweging volgt, hierop afstemt en leert kennen.

Luisteren naar het onafwendbare
Je kunt niet luisteren als je het lot probeert te controleren, te voorkomen of te veroordelen. Je kunt pas luisteren als je je verzoent met het lot, als je het lot in je lichaam toelaat, in je hersens en je ziel. Je kunt pas luisteren als je je verzoent met het onvermijdelijke, omdat het je iets te vertellen heeft.
En iets te geven en te ontnemen.

Het lot komt in de kleren van de vijand
Onder die vermomming zit een geliefde die zich móest verkleden, omdat je anders niet naar haar zou luisteren en haar niet zou verstaan. Je geliefde wil je probleemloos maken en laten zien dat er een onvermijdelijke tragiek is die jouw leven in zich opneemt, absorbeert en geestelijk omvormt.
Er vindt een innerlijke hervorming plaats in de tragiek, in de verzoening met het onafwendbare lot.
Deze hervorming kan niet bedacht, gestuurd of gecontroleerd worden.
Ze ontstaat als gevolg van een houding van verstilling, verzoening en overgave die het meesterwerk niet wil bederven.
Als het meesterwerk zich voltrekt zal iedere vorm van activiteit, ingrijpen en controle het werk verpesten, lelijk maken. Vandaar dat de tragische levenshouding zich niet bemoeit met het maken van het meesterwerk.

Jouw meesterwerk
Als je denkt ‘nu gaat alles mis’ is net op dat moment de meesterschilder bezig zijn meest verfijnde penseelstreken op het doek van je leven te strijken, te strelen. Daarom moet je aanvaarden, niet bewegen en niet weglopen teneinde de schilderkunst niet te bederven.
De kunstenaar wil jou stil, bewegingsloos, beeldloos zien, zodat hij het mooiste beeld kan creëren dat hij in zijn hoofd heeft en omdat hij weet dat hij met minder nooit genoegen zou nemen.
Daarom moet je verstild zijn, geduld betrachten, moed hebben en je overgeven aan datgene wat jij niet kunt bedenken, maar wat voor jou gemaakt wordt, alleen voor jou.
En wat jou pijn doet.
Zo maakt de meesterschilder je ontvankelijk voor zijn schilderij, zodat, als je het uiteindelijk ziet, je datgene ontwaart wat je ooit wilde zijn, maar nooit zag:
Jouw meesterwerk.
Jouw leven.
Jij.