Onder Delft stroomt een ondergrondse rivier die bijna niemand meer kent of ziet en waarvan slechts een enkeling de onzichtbare loop kan volgen.
Je kunt alleen, als je écht kijkt, de weerspiegeling ervan zien in de straten, bomen, gebouwen. En in de mensen.
Je kunt dit doen door traag en aandachtig te kijken en je niet te laten afleiden door nuttige zaken.
En als je dat dan doet dan hoor je het zingen van de stenen. Dan zie je dat de takken van de bomen zich reikhalzend uitstrekken naar de wolken om hun water te ontvangen en dat de wortels zich diep in de aarde dringen om haar voedsel te omarmen.
Dan voel je de wind, de onzichtbare hand die jouw huid aait en teder koestert, omdat zij jou nodig heeft.
En als je door het gras loopt dan voel je dat de trillende sprietjes verlangen naar de streling van jouw naakte voeten.
Op het moment dat je stilstaat in de stad en kijkt, écht kijkt, ontwaar je de verborgen eeuwen die tevoorschijn kruipen uit de oude gescheurde muren en hoor je de stemmen, die nooit zijn gestorven, tot jou spreken. En jou roepen.
Als je luistert, écht luistert, dan hoor je de onzichtbare rivier onder de straten stromen.
En als je omhoog kijkt dan zie je dat de vogels niet vliegen om zich te verplaatsen of om voedsel te zoeken. Nee, ze doen niks nuttigs.
Vogels vliegen zoals ze zingen, voor het plezier, voor de schoonheid van de beweging, voor de euforie van het moment.
Als je dan stil bent, écht verstild bent, en luistert, en kijkt, dan ga je uiteindelijk zien.
Dan zie je dat de onzichtbare stroom alles zichtbaar maakt.
En zie je dat de ondergrondse rivier alles verlicht wat bovengronds is.
En als je dan naar de mensen kijkt, en naar jezelf, en naar alles om je heen, dan zie je dat de wereld toebehoort aan hen die besloten hebben om niets te bezitten.
103. Fluisteringen van de ziel, 7
Ik ben 61 jaar en ga voor een coachingsopdracht naar Amsterdam. Een cliënt daar wil graag coaching op de volgende vraag: Moet ik mijn huidige baan behouden of teruggaan naar mijn oude baan?
Na het coachingsgesprek adviseer ik mijn cliënt zijn oude baan weer op te pakken, aangezien hij in deze huidige baan niet gelukkig zal worden, ook niet als hij het nog een paar jaar zou volhouden.
Na een half jaar kijk ik op de website van het bedrijf en zie dat hij nog steeds zijn huidige baan uitoefent. Ik twijfel aan mezelf: heb ik wellicht het verkeerde advies gegeven? Om het antwoord te weten, ga ik thuis in Delft op een stoel zitten, focus me op de cliënt in Amsterdam en begin hem op afstand te voelen. Ik voel hem innerlijk huilen en zie hem rondlopen met een verkrampte glimlach. Ik zie dat hij niet gelukkig is in deze baan, maar hij durft het nog niet openlijk te erkennen.
Een half jaar later krijg ik een nieuwe opdracht van het bedrijf en ik vraag hoe het met de man gaat die ik destijds gecoacht had. De directeur zegt: ‘Hij heeft het nog een jaar volgehouden, maar is toen gestopt. Hij werd er niet gelukkig van en oefent nu zijn vorige baan in volle tevredenheid uit. Nog bedankt voor je goede coaching.
Ik krijg hiermee de bevestiging dat contact en bewustzijn op afstand mogelijk is. Onze lichamen zijn gescheiden, onze geesten staan altijd in verbinding. En alles wat we doen heeft invloed op anderen, ook als ze ver weg zijn.
Dit zijn zeven van de vele ervaringen die mijn leven hebben gevormd en die me al jong deden inzien dat, dichterbij dan de wereld van doen-spreken-voelen-denken, een nabijere, subtielere, verfijndere wereld gaande is die deze ‘buiten’wereld doordrenkt, doorschijnt.
Sterker, de ons bekende buitenwereld stoelt op deze stille ‘andere’ wereld, zij is er het gevolg van. Anders gezegd, de ‘andere’ wereld is verborgen in de voor ons tastbare wereld. Verborgen in die zin dat ze niet is waar te nemen met de zintuigen. Om haar gewaar te kunnen worden is een innerlijk ‘zintuig’ nodig: een geestesoog, het oog van de ziel. Dit innerlijk waarnemen kan alleen via dit ‘derde’ oog plaatsvinden, aangezien in de wereld van de ziel denken niet bestaat. En waar geen denken is, bestaat geen tijd en vindt alles tegelijkertijd plaats.
Deze tijdloze werkelijkheid is dan ook niet bevatbaar voor ons denken, alleen voor de innerlijke ervaring die subtieler en dichterbij is dan voelen.
Dit is de realiteit die ieder mens iedere tel in zichzelf kan ervaren en waarnemen. Niet als kunst of vaardigheid, maar gewoon omdat het er is. En ons vormt.
In de loop van mijn leven is de gewaarwording van ‘het andere’, dit nabijere, uiteindelijk natuurlijke, dagelijkse ervaring geworden hetgeen ook tot dit boek en mijn andere boeken heeft geleid.
Deze innerlijke ervaringen heten in dit boek ‘Fluisteringen van de ziel’ en ieder gesprek, iedere ervaring in contact met de zogenaamde buitenwereld waarin aan de behoeften van de ziel wordt voldaan is een ‘Ontmoeting in vrijheid’.
Dit boek is de uiting en vertaling van een liefdestaal die deze innerlijke, vrije zielservaringen zijn.
102. Fluisteringen van de ziel, 6
Ik ben 60 jaar en op bezoek in het museum de Hof van Nederland, het oude Augustijnenklooster in Dordrecht waar ooit van 19-23 juli 1572 de oprichting van Nederland plaatsvond tijdens de Eerste Vrije Statenvergadering.
Het is exact op deze plek waar de vertegenwoordigers van de twaalf belangrijkste steden van Holland bij elkaar kwamen en waar zij het allereerste, prille begin van onze democratie vorm gaven.
Hier nam men de allereerste besluiten over een vrij en onafhankelijk land, de vrijheid van geloof, de vrije meningsuiting, en de vrijheid van individualiteit.
De belangrijkste besluiten zijn:
1. Dit is een vrij en onafhankelijk land.
2. Je mag geloven wat je wilt geloven.
3. Je mag denken en zeggen wat je wilt denken en zeggen,
4. Je mag zijn wie je bent en wie je wilt zijn.
Deze democratische vrijheden bestonden vóór 1572 niet.
Nergens!
Als je toch die vrijheid nam dan ging je kop eraf.
Letterlijk.
We krijgen een film te zien over de mannen van toen, hoe men vergaderde en hoe men deze belangrijke besluiten aannam onder de leiding van Marnix van Sint Aldegonde, de speciale gezant en vriend van stadhouder Willem van Oranje.
Na de film gaat het doek omhoog en verschijnt de setting van de tafel en stoelen precies zoals die was in 1572. De mensen lopen de zaal uit, maar ik blijf, en ga zitten op de stoel van Marnix van Sint Aldegonde.
En plotseling ben ik er.
In 1572.
Volledig aanwezig.
Even later verschuift de tijdsdimensie en ben ik zowel in 1572 als in vandaag. Er ontstaat een besef van het ontzagwekkende van wat zich nu, in 1572, voltrekt en van de betekenis voor vandaag in de 21e eeuw.
Ik schiet vol en krijg tranen in mijn ogen door de diepe gewaarwording aanwezig te zijn bij de oprichting van de vrije democratie in Nederland. Hier, nu, begon/begint het!
Wat er op dit/dat moment gebeurt is niet wat je wel eens kunt hebben bij een geur die je ruikt en die jou weer herinnert aan een plaats of gebeurtenis van vele jaren geleden.
Ik was er werkelijk, in 1572. Ik was aanwezig, of beter, er was een aanwezigheid die daar/hier was/is. Taal schiet hier tekort.
Sinds deze tijdloze ervaring raakt dit verhaal van wat men heeft besloten in 1572 mij steeds weer, is het mijn kernverhaal geworden van mijn werk als stadsgids, vind ik met heel mijn hart dat iedere Nederlander dit verhaal van de oprichting van Nederland in 1572 moet kennen en vind ik dat deze gebeurtenis, en de betekenis hiervan voor ons vandaag, op iedere school in Nederland onderwezen moet worden.
Om werkelijk te beseffen hoe onvoorstelbaar belangrijk deze gebeurtenis is voor ons huidige leven in Nederland en voor het voortbestaan van onze vrije democratie.
Ik weet hoe immens en essentieel deze Vrije Statenvergadering is geweest.
Ik was er bij.
Niet Dick Stammes was er bij, maar ik. Wie die ik ook moge zijn of moge zijn geweest. Het is in ieder geval een tijdloos ‘iemand’ die daar ooit was/is en die ‘iemand’ doordrenkt mijn leven tot op de dag van vandaag.
Ook zie ik helder dat tijd niet werkelijk bestaat en dat ons denken de tijd ‘schept’.
En alles schept.
Wij leven permanent in de eeuwigheid, wij zijn de eeuwigheid, terwijl we dénken dat we in tijd leven en tijdelijk zijn.
En beide dimensies hebben hun eigen, in elkaar verweven waarde
101. Fluisteringen van de ziel, 5
Ik ben 42 jaar en al tien jaar plezierig en succesvol werkzaam als leraar Frans, mentor, decaan en teamleider in het middelbaar onderwijs in Rijswijk. In de loop van dit jaar, 1998, begint een fluistering/aandrang/stem/dwingend gevoel zich van mij meester te maken die steeds sterker wordt. De aandrang zegt: ‘Stop hiermee, doe alles weg en ga op pad.’
Aangezien dit, gezien de huidige goede omstandigheden, me slecht uitkomt, probeer ik eerst nog binnen de kaders van het werk te veranderen en word ik voor twee dagen per week consultant bij het ICLON, de afdeling nascholing van de Universiteit van Leiden. De andere twee dagen ben ik decaan en leraar Frans op de school.
Dat klinkt vrij ideaal, maar ook dit werkt niet.
Sterker, ik stik bijna en alles beknelt me. Overal om me heen zie ik geen mensen, maar lijken en in plaats van kantoren en scholen zie ik doodskisten. Tevens wordt steeds duidelijker waarom dit allemaal gebeurt: ik wil/moet/verlang ernaar Thich Nhat Hanh te ontmoeten, een Vietnamees verlicht zenmeester die in Frankrijk de leiding heeft over een meditatiegemeenschap die leeft volgens de principes van geëngageerd boeddhisme en mindfulness.
Mijn zenleraar in Amsterdam, Nico Tydeman, had me in 1986 al eens verteld:
Als je God op aarde wilt zien lopen dan moet je naar Thich Nhat Hanh.’
Ik ken alle verhalen van oude Japanse en Chinese verlichte meesters uit vroeger tijden, maar ik wil nu wel eens een hedendaagse zenmeester in levende lijve ontmoeten en spreken. Het is alleen geen ‘willen’. Het is een existentiële noodzaak en er is geen ontsnappen meer aan. Ik ervaar ten diepste dat mijn hele leven op het spel staat, ook al kan ik de reikwijdte hiervan totaal niet overzien.
Ik doe alles weg wat ik heb: huis, baan, meubels, spullen. Ik heb alleen nog een rugzak met kleren, wat geld en een paspoort. En ik vertrek. Bezitloos en alleen.
De ontmoetingen met Thich Nhat Hanh, de gemeenschap van Plum Village in Zuid-Frankrijk en de jarenlange zenbeoefening, waarmee ik in 1986 in Amsterdam was begonnen, zullen de rest van mijn leven blijvend bepalen.
Bij deze verlichte meester en deze manier van Leven in Aandacht kom ik een nulpunt, helderheid en innerlijke vrede in mezelf tegen waar ik altijd onbewust naar gezocht had en die ik in onze maatschappij, mijn omgeving en bij anderen nooit kon vinden. Wellicht niet aanwezig is.
Ik woon, werk, mediteer en oefen drie maanden in Plum Village. Ik besef dat ik er niet moet blijven, maar mijn opgedane ervaring in de wereld moet gaan zetten.
Vervolgens ga ik acht maanden werken als gastheer op een camping in de Ardèche. Daarna blijf ik intuïtief volgen wat zich aandient en ga ik fruit plukken, achter de bar werken, word ik reisleider in Tibet en Nepal, en ga ik reizen door India en Sri Lanka.
Ook woon ik een paar maanden bij mijn moeder in Nieuwe Niedorp waar ik diepgaand besef dat alles wat me daar bekend is vanaf mijn geboorte er nog even is en dat ik er nog even van mag genieten. Ik voorvoel dat ook dit enorm lieve en vertrouwde snel definitief zal verdwijnen. En inderdaad, ruim een jaar later zullen mijn moeder en haar beste vriend, Dik Peetoom, kort na elkaar overlijden.
Na twee jaar van omzwervingen, ontmoetingen en werkzaamheden keer ik terug en krijg ik een baan als teamleider en leraar Frans aangeboden op dezelfde school in Rijswijk. Ik koop een woning in Delft.
Ik merk echter dat ik definitief ben veranderd en dat werken op de oude manier binnen de oude structuur niet meer gaat. Dit leidt tot een levenscrisis van enkele maanden. Hierna word ik counselor en zorgcoördinator, hetgeen me de mogelijkheid biedt in volle aandacht en zonder haast of tijdsdruk bij de leerlingen aanwezig te zijn. Toch gebeurt dit nog altijd binnen de kaders van het vaste stramien van het onderwijs, hetgeen wederom begint te knellen. Na enkele jaren verlaat ik het onderwijs om mijn eigen bedrijf in coaching te starten.
Wat niet meer te ontwijken is, is dat nulpunt van helderheid en vrede in mezelf dat alle verdere keuzes in mijn leven zal bepalen. Het is hetzelfde nulpunt als waarvan ik gewaar was geworden in dat bootje toen ik negen jaar was (zie Fluistering 1), alleen dit keer op dieper, gerijpter en bewuster niveau.
De uiterlijke wereld is de innerlijke reis.
Het lastige hiervan is dat de maatschappij veelal niet gericht is op dit vredige nulpunt. En tevens lastig is dat die maatschappij met haar angsten, haast en onbewustheid ook in mij zit. Ik bén die maatschappij.
Dit levert een permanent spanningsveld op waarin ik aan de ene kant mijn eigen gang ga en weg volg en tegelijkertijd aangesloten en betrokken blijf bij die maatschappij en mijn bijdragen, inzichten en kennis lever.
Oude manieren van werken zijn niet meer mogelijk, hetgeen tot verrassend nieuwe werkzaamheden, activiteiten en ontmoetingen leidt. Tevens betekent dit het onvermijdelijk afscheid nemen van vrienden en arbeid die niet meer bij mijn levensweg passen, het verstevigen van de banden met andere dierbaren en het verwelkomen van nieuwe mensen in mijn leven.
De beoefening van Zen, de meditatie, wereldreizen, de ontmoetingen met een verlicht zenmeester en de aandachtige dagelijkse levenswijze in een op bewustzijnsontwikkeling gerichte gemeenschap maakt hierna mijn eigen leven in een gehaaste wereld niet gemakkelijker, maar wél noodzakelijker, dieper, vervullender.
Het maakt tevens zowel het diepste zwart als het helderste licht in me wakker, waarbij ik inzie dat dit twee onafscheidelijke delen zijn die bij elkaar horen als links en rechts, hoog en laag. En leven en dood.
De fluistering, de roep van de ziel is compromisloos en heeft zo zijn onvermijdelijke consequenties.
100. Fluisteringen van de ziel, 3 en 4
FLUISTERING 3
Mijn vader, moeder en mijn oudste zus overlijden wanneer ik respectievelijk 28, 45 en 60 jaar oud ben. Iedere keer als ik naar het dode lichaam van mijn vader, moeder of zus kijk, zie ik niet meer de persoon, maar zie ik dat degene die hij-zij is, terugkeert in mijn hart en tegelijkertijd overal is. En degene die de persoon is, is niet het lichaam waar ik naar kijk. Ik zie de perfectie van een dood die wél en een dood die niet plaatsvindt.
Wat ik ook zie is dat mijn rouwproces niets te maken heeft met mijn overleden, dierbare vader, moeder, zus. De ‘ander’ bestaat niet. Ik rouw om het loslaten van mijn innerlijke hechting aan het beeld dat ik heb van de overledene. En dit rouwen is liefde.
FlUISTERING 4
Ik ben 51 jaar, reisleider in Oost-Turkije en lig ‘s avonds in mijn hotelkamer. Plotseling ben ik in India. Dat wil zeggen, mijn lichaam ligt gewoon op bed in het hotel in Turkije, maar mijn geest, mijn beleving is ergens anders. Anders gezegd: in een andere dimensie ben ik op datzelfde moment in India.
Ik zie in een helder visioen dat ik daar ben om een jongen te helpen. Na enige tijd begint de actuele werkelijkheid van Turkije weer terug te keren, maar het visioen blijft me een paar jaar vergezellen.
Twee jaar later.
in 2009, vertrek ik voor enkele weken naar India. Ik ga omdat ik er zin in heb, maar ik weet ook dat ik daar een Indische jongen moet helpen. Verder heb ik geen enkel idee of nadere informatie.
De dag na aankomst loop ik door New Delhi, wimpel geroutineerd opdringende Indiërs van me af en ga zitten in het centrale park van Connaught Place, in het centrum van Delhi. Even later komt een Indische jongen naast me zitten en begint een praatje. Hij komt sympathiek op me over en hij haalt me over om een binnenlandse trip te boeken. Ik vertrouw hem, vind het eigenlijk wel een goed idee en wat mij betreft mag hij eraan verdienen.
Bij Merrygo Travels boek ik de reis en ik nodig de Indiër, Bharat Nayak, uit voor het diner uit dankbaarheid voor zijn goede advies. Aan het diner vertelt hij me zijn probleem: hij kan geen baan vinden, maar het is mogelijk om bij Merrygo Travels te werken als hij €600,- betaalt om een taxi onder zijn hoede te nemen. Kortom, hij heeft dat geld nodig en vraagt of hij dat van mij kan lenen.
Plotseling komt het visioen van twee jaar geleden in Turkije helder terug. Ik zie precies dezelfde beelden van toen in Oost-Turkije die ik nu daadwerkelijk beleef in India. Ik wéét dat ik deze jongen moet helpen. Ik voel geen enkele twijfel en dat is wonderlijk aangezien ik in dit land altijd op mijn hoede ben voor de vele mensen die iets van me willen, meestal geld.
De volgende dag leen ik hem het geld en we tekenen met het management van Merrygo Travels een contract dat hij me ieder jaar €100,- terug betaalt. Dit zal hij ook daadwerkelijk doen en na drie jaar scheld ik hem de rest van het bedrag kwijt doordat hij zijn afspraken nakomt en volkomen betrouwbaar blijkt te zijn. De jaren daarna hebben we nog regelmatig mailcontact en in 2017 laat hij me weten dat hij nu zijn eigen reisbureau heeft.
In een gesprek met een helderziende in 2018 vraag ik waarom juist ik die jongen moest helpen. Zij vertelt mij dat hij in een vorig leven mijn jongere broertje was en dat ik op zielsniveau zijn roep om hulp heb gehoord.
99. Fluisteringen van de ziel, 1 en 2
Om enigszins helder te krijgen waar deze teksten over spreken, lijkt het me goed om te beginnen met enige persoonlijke ervaringen van Fluisteringen van de ziel.
Hier mijn eerste twee zielservaringen.
FLUISTERING 1
Ik ben 9 jaar en loop, zoals wel vaker, met een rubberbootje onder mijn arm naar het kanaal buiten het dorp, leg het bootje in het water, ga erin liggen en laat me drijven door de stroom. Na enige tijd belandt het bootje in het riet en daar blijf ik liggen. Het riet wuift zachtjes, de golfjes klotsen tegen de kade en ik voel mijn adem bewegen. Alles is heel stil, ik ben helemaal alleen en niemand weet dat ik hier ben.
Dan realiseer ik me plotseling het volgende: dat iedereen er altijd is en dat iedereen altijd hier is.
Ofschoon ik dit als negenjarige niet zo kon verwoorden is het een volstrekt natuurlijke gewaarwording en de hersens, die dit ‘normaal gesproken’ ogenblikkelijk zouden verwerpen als zijnde onlogisch, protesteren niet. De ervaring is sterker dan het denken en ik geef me eraan over zonder gedachten aan overgave. De gewaarwording is alom aanwezig en neemt mij in zich op. Het gebeurt zonder dat ik iets bewerkstellig.
Wat ik hier beschrijf is geen ervaring in de gebruikelijke zin van het woord, aangezien de zintuigen er niet bij betrokken zijn. Wat gebeurt is eerder een fluistering, een geestelijk zuchtje wind dat buiten de tijd plaatsvindt. Een uiterst subtiele herkenning van innerlijk weten. Hoe subtieler de ervaring, hoe waarachtiger en essentiëler ze is.
FLUISTERING 2
Ik ben 29 jaar en ga anderhalf jaar in mijn eentje op wereldreis door Zuid-Amerika en Azië.
In Varanasi, India, lig ik op bed in de ‘Tourist Bungalow’ en stel ik de op dat moment essentiële vraag voor mij:
‘Als ik nu niets meer wil, niets meer hoef of moet, niets meer begeer, ambieer, nastreef, als ik dit alles niet meer doe, gaat er dan nog iets gebeuren? Of niets gebeuren? Of ga ik dan dood? En als er iets gebeurt, wat is dat? En wie doet dat dan?’
Na enige tijd in het niets te hebben gelegen en geluisterd, begint er iets in mijn lichaam te bewegen. En die beweging gaat, geheel uit en in zichzelf, dóór zonder dat ik hier met mijn hoofd ook maar enige invloed op uitoefen.
Het lichaam doet, spreekt, eet, wandelt en ik kijk er in verbazing naar. Ik zie dat ikzelf niets doe, terwijl wat nodig is, wordt gedaan. Het is een wonder en tegelijkertijd volkomen vanzelfsprekend, normaal en natuurlijk. En noodzakelijk.
Wat me toen, na de prangende vraagstelling, overkwam, zou me de rest van mijn leven naar zich toe blijven trekken: bewust leven in het hier-en-nu, waarbij het hier-en-nu alleen kan bestaan als de doener afwezig is.
98. Inleiding tot Fluisteringen van de ziel
De voornaamste kwaal van deze tijd, zowel individueel als maatschappelijk, is verlies van ziel en innerlijke vrijheid.
Dit verlies uit zich o.a. in verslavingen, angsten, fanatisme, geweld, narcisme, verdringing van pijn en verdriet, overmatige hechting aan eigen mening, ontkenning van feiten, gebrek aan empathie, tweedeling in onszelf en dus ook in de maatschappij, een leven van druk, druk, druk en streven naar meer, meer, meer. Alsmede contactarmoede en eenzaamheid.
De grootste gift die we onszelf, onze medemens en onze planeet kunnen geven is niet het repareren van onze persoonlijke problemen, maar het zorg dragen voor het contact met onze ziel en innerlijke vrijheid. De mens heeft aandacht, aanvaarding, verbinding, schoonheid, vrede en vrijheid nodig om een waardevol en goed leven te leiden en dit zijn precies de kenmerken van bezieling. Bovendien, willen we als soort overleven dan is het leiden van een bezield leven noodzakelijk.
De ziel is in dit verband niet een ‘ding’, maar een manier waarop we het leven ervaren. Ze heeft te maken met persoonlijke essentie die in verbinding staat met het totale leven. Bezield leven heeft diepte, waarde, warmte. En gloed.
De teksten die hierna volgen zijn een voorbeeld van de vele uitingsmogelijkheden van de ziel. Het biedt de kans onze ziel te voeden en hiermee ons dagelijks leven te doordrenken met betekenis, zingeving en verbeeldingskracht. En het leven lief te hebben in ál haar facetten, van duister tot licht.
Ik wens u zielsveel lees – en levensvreugde de komende tijd.
En altijd.
97. Dorpsverhaal 78. Het badhuis en dokter de Boer
In de tijd van onze ouders en grootouders, en wellicht in die van u, was het bezit van toilet en douche een teken van welstand. In die tijd beschikten de meeste huizen weliswaar over een WC, een poepdoos, maar vaak was die buitenshuis gevestigd op 10 à 15 meter afstand.
Daar vond men dan een vervallen, houten gebouwtje dat op vier palen boven een sloot stond en waarvan je niet wist of het wel vertrouwd was om erop te gaan zitten. Veel zorg aan de palen werd er tenslotte niet besteed!
Daarom werd er in veel plaatsen een badhuis gebouwd. In Nieuwe Niedorp was deze gevestigd tussen de kleuterschol en de NH kerk. Hier konden de dorpelingen zonder douche twee keer (!) per week een bad nemen. Welvaart!
Een man die vermoedelijk geen gebruik van het badhuis maakte was dokter de Boer, die altijd in zijn handen wreef en om een lepel vroeg. Het maakte niet uit wat je mankeerde, een gebroken been, een hersenschudding, of iets anders, maar dokter de Boer vroeg bij huisbezoek altijd om een lepel en keek altijd in je keel.
Raadselachtige man.
Deze dokter was in de jaren ’60 supermodern, want hij deed zijn huisbezoeken per auto. Zijn voorganger, dokter Maats, deed dit per paard en rijtuig. Hij had hiervoor een speciale koetsier in dienst, Dirk Brouwer, die tegenover de dokter woonde.
Kijk, dat waren nog eens notabele tijden!
96. Dorpsverhaal 77. Rein Rougoor (2)
Rein was samen te vatten in drie delen, namelijk een begenadigd kolver, zich bij de dames gedragend als Casanova en aan de bar zich gelijkwaardig wanend aan een tempelier.
Die bewuste soosavond was er een wedstrijd in de Prins Maurits en Rein wist de ideale mix van deze drie vaardigheden te bereiken. Na afloop werd hij door een drietal medekolvers in de auto naar huis gebracht aan de toen nog doodlopende Zaagmolenstraat. Daar het uitstappen wat moeilijk verliep, namen twee vrienden hem bij de arm en begeleidden Rein huiswaarts. Een tiental meters van de deur rukte hij zich los en schreed kaarsrecht naar de voordeur, alwaar zijn vrouw Grietje Spreeuw (mijn vader noemde haar altijd: Sprietje Greeuw) de deur open zwaaide en de twee behulpzame vrienden stomverbaasd buiten liet staan.
De mannen liepen naar de auto en wilden huiswaarts keren, maar door de ruime draai belandde de auto muurvast in een greppel. In het daarna ontstane tumult ging hier en daar het licht aan en kwamen wat mensen naar buiten om poolshoogte te nemen.
Ook bij de familie Rougoor ging het licht aan en Rein kwam zelfs naar buiten met een slaapmuts op en een kamerjas aan, snel aangeschoten over het uitgaanstenue. Als een krijgsheer stapte Rein op de auto af en sprak de legendarische woorden:
‘Heren, heren, het is hier een nette buurt en ik verzoek u om geen lawaai te maken.
Mijn vrouw Grietje en ik willen van een fatsoenlijke nachtrust gebruik maken.’
Na deze woorden draaide hij zich om en liep waardig naar zijn woonhuis, iedereen verbouwereerd achterlatend.
95. Dorpsverhaal 76. Het muziekconcours
Ver terug in de vorige eeuw gingen Harmonie- en Fanfare korpsen 1x per jaar naar een muziekconcours om te strijden om de hoogste eer.
Zo ook ‘Excelsior’ uit Nieuwe Niedorp, dat later met ‘Crescendo’ uit Oude Niedorp zou fuseren tot Niedorps Fanfare.
Er was stevig gestudeerd en men had goede verwachtingen.
Het verplichte stuk had echter een nogal lastig begin: één lange noot van acht tellen, beginnend met ‘pianissimo’, oplopend in een klein crescendo naar ‘forte’.
Het publiek zat klaar, de jury was kritisch, en op het podium zat iedereen op de punt van de stoel, alert en attent.
De lippen tegen het mondstuk, de juiste embouchure, de vingers op de ventielen en kleppen, en de ogen gericht op de dirigent. Deze maakte een klein gebaar voor een zo zacht mogelijk gelijk begin en ……. men zette in.
Meteen ging het mis.
Waar het vandaan kwam en wie het was, wist niemand, maar het klonk niet goed. Iémand blies uit de toon. Alle ogen schoten verward heen en weer: wie was het? was ík het? was jíj het?
De ogen van de dirigent vlogen van links naar rechts, maar het tij was niet meer te keren: de inzet was miserabel. Het was zelfs oorverdovend vals!
En ja, het zou acht tellen duren, mét crescendo, en men was slechts drie tellen op weg.
Toen ging er nog meer niet goed ….
Tussen de muzikanten op de eerste rij ontstond verwarring, want één van hen zakte van z’n stoel langzaam naar beneden en viel op de grond tussen de benen van de anderen. Z’n hoorn gleed uit z’n handen en rolde onder een stoel.
Er waren op dat moment nog een paar mensen die tóch door bliezen en de acht seconden afmaakten. Maar de meesten stopten en keken ontsteld naar hun clublid die nu levenloos in hun midden lag.
Groot tumult barstte los.
De man, Rein Rougoor, werd , zo goed en zo kwaad als het ging, bij bewustzijn gebracht en later tussen twee collega’s naar de zijkant afgevoerd. Er werd tussen de juryleden en met de dirigent overlegd. Iedereen moest weer gaan zitten en er mocht opnieuw worden gestart.
Ondanks de verwarrende situatie was ieder weer bij de les en er werd voor de tweede maal ingezet. Ditmaal zuiverder dan zuiver en men oogstte veel en lang applaus na het verplichte nummer. Ook de andere muziek werd goed vertolkt, het korps promoveerde, en zo kwam alles weer op z’n pootjes terecht.
Ook het ingezakte lid Rein Rougoor was na de competitie weer helder aanspreekbaar en deelde in de goede afloop.
Wél had hij nog wat op te biechten.
Hij zei:
‘Na die eerste slechte inzet bedacht ik razendsnel hoe ik de hopeloze situatie nog kon redden. Ik aarzelde geen moment en deed net of ik flauwviel. Ik dacht:
misschien mogen we dan opnieuw beginnen, want anders zijn we bij voorbaat reddeloos verloren. En aldus voerde ik mijn snode plan uit.’
De flauwgevallen muzikant werd door iedereen geëerd en geprezen om zijn heldhaftige reddingsactie.
En zó redde Rein Rougoor het Fanfarekorps Excelsior van een uiterst smadelijke degradatie.