94. Dorpsverhaal 75. De muzikant en de zakenman

Zijn naam was Cees Ouwehand. 
In zijn woonplaats Winkel zeiden ze dat Cees rijk was. 
Ze zeiden dat, omdat je het niet aan hem kon zien. 
Wat je wél zag, was zijn gezicht met smakkende tong die vooral begon te leven bij toekijkend publiek. 
Cees was niet alleen rijk, maar ook gek op muziek én op zichzelf, dus kocht hij een drumstel met heel veel trommels en formeerde een trio voor de ogen en oren van zijn verbijsterde publiek onder de naam: The Colly’s. 
Cees werd drummer, als hobby. Hij was een goede leerling, want hij kon drummen zonder te zien wat zijn handen deden. Dat was nodig, want hij had daar geen tijd voor. Hij was namelijk bezig de zaal in te kijken, net zolang tot iemand terugkeek. 
Als je terugkeek, kwam de tong van Cees volop tot leven, begon te kwispelen, slingerde sappig van de ene wang naar de andere en leefde zich uit. Hoe meer de tong kwispelde, hoe meer optredens Cees kreeg. En vice versa.
Op een avond stonden Betty Smit (Wiedijk) en ik in de achterzaal van de Prins Maurits achter de bar. Tijdens de verloting, er waren altijd verlotingen, waarom wisten we nooit, tijdens de verloting dus, zat Cees met zijn trio op het toneel. Hij speelde nog niet, maar een deel van die tong was al bezig voorbij zijn lippen te kwispelen. 
Dát beloofde wat!
In de zaal stond een tafel met producten van de middenstand en ernaast stond een onbekende man. Hij praatte héél hard en dat begreep ik eerst niet. Later wél. 
Een andere man stond met een grote mand op het toneel, naast de trommels van Cees, en in die mand zaten de lootjes. De zaal wachtte in spanning af, want iedereen wilde wel zo’n lekker product van de middenstand winnen. 
Er was een vaste procedure, zo bleek, want je kunt natuurlijk niet zomaar wat doen. De man op het toneel zou een lootje uit de mand trekken en het getrokken nummer bekend maken aan de man naast de productentafel. Die zou dan dat nummer hardop roepen, een prijs van de tafel pakken en dat product naar de winnaar brengen in de zaal. Afgesproken. Zo gezegd, zo gedaan. 
De man op het toneel zei: ‘Nummer 347’. 
De man bij de producten keek hem vragend aan en haalde zijn schouders op. De man bij de mand keek vragend terug. De productenman hield zijn hand bij zijn oor. De mandenman deed een nóg luidere poging: 
‘Nummer 347!’ 
Aarzelende blik van de productman, die zich daarna tot het publiek wendde en luid en duidelijk riep: ‘Nummer 237!’ 
En met de mooi verpakte rookworst liep hij zelfverzekerd en mank, ook dát nog, de zaal in naar de winnaar die geen winnaar was. En daar begon het compromisloze gevecht tussen de twee winnende giganten om de grote prijs der middenstand. Nummer 347 gaf zich niet zonder slag of stoot gewonnen en nummer 237 had het voordeel van zijn grote schare fans. De opwinding om de begeerde rookworst nam toe en terwijl het duel nog onbeslist en in volle gang was ging de reeds in gang gezette procedure voort, want er was op gezweet dus afschaffen kon niet. 
‘Nummer 861!’
Vragende blik, schouderophaling, hand naar het oor, nóg luidere poging, wending naar de zaal: ‘Nummer 651!’ 
En hinkend en mank en zelfverzekerd gingen de volgende slechthorende schnitzels en halfdove leverkazen de zaal door naar de nieuwe winnaars. 
Zo ontstond voorbij de eerste boksring een tweede en hoe duurder de prijzen van de middenstand, hoe heviger de gevechten in de zaal. Bij het laatste gevecht zag men alleen nog rollende en roepende mensen over de vloer, terwijl de door beide partijen gewonnen fruitmand eenzaam in een hoek lag. Gesloopt.

Na de verloting en het vechten begon de muziek.
Nou ja …. Cees. 
Er was een sexy zangeres bij in een kort rokje en met een tamboerijn die ze zwoel tegen haar swingende dijen sloeg. 
In de zaal stond Jan Bruin, het dorpsfiguur. Zijn grote talent was om ritmisch met lepels te slaan en hij kon dat zó goed dat hij het ook deed als mensen er niet om vroegen. Hij had de lepels meestal al op zak als hij binnenkwam, want je wist maar nooit, en zo klom hij, getooid met bestek, vuile overall en klompen, het toneel op en wilde de dijenkletsende tamboerijn pakken, terwijl de muziek lustig doorspeelde. 
Tamboerijn …. Concurrentie …. Lepels ….
De sexy zangeres in het zwoele rokje gaf zich niet gewonnen en trok de tamboerijn terug, terwijl Jan in zijn besmeurde overall en op klompen aan de andere kant van de tamboerijn bleef trekken. 
En daar stonden ze, op het toneel voor het oog van het hele dorp en de middenstand, als twee touwtrekkers aan weerskanten van de tamboerijn. Het ging om grote reputaties en geen van twee gaf op. De tamboerijn wél. Die brak, dus vielen vuile Jan en zwoele zangeres alle twee een andere kant op, terwijl de muziek gewoon doorspeelde en Cees gewoon doorsloeg.
Wég tong, wég aandacht voor Cees, díe was bij de tamboerijn. 
Wij zagen dat zelfs achter een drumstel met veel trommels Cees niet altijd zijn zin kreeg.

Die avond stonden er drie mannen bij mij aan de bar. Ze voerden een discussie en die ging over Cees. Ze zochten een compromis en die was lastig te vinden. Na lang nadenken deed één iemand een verzoeningspoging en zei tegen de andere twee: ‘Oké, vooruit, dán maar die muziek, laat ze maar doorspelen, maar dan onder één voorwaarde: zónder dat gezicht en zónder die tong van die drummer. Dit gaat niet langer. Ik houd dit niet vol.’ 
Maar ja, hoe krijg je dat voor elkaar? 
De drie mannen liepen weg en even later zag het publiek, dat al heel wat te verduren had gekregen die avond, wederom iets onverwachts gebeuren: 
de gordijnen van het toneel schoven langzaam en piepend dicht. Cees speelde ondertussen gewoon door achter het gesloten gordijn. Verzoeningspoging geslaagd! Dé oplossing! Hét compromis! 
De mannen gingen tevreden weer terug naar de bar, maar op het toneel en achter het gordijn dienden zich nieuwe ontwikkelingen aan. Cees zijn getrommel hield langzamerhand op, niet in één keer, maar net als een oude auto die hijgend en puffend met tegenzin tot stilstand komt. Cees begon iets door te krijgen! Terwijl de muziek helemáál stilviel, keek de voltallige zaal ademloos toe. Even bewoog er niets en het leven kwam tot een einde. 

Toen gebeurde het. 

Een lichte beweging in de gordijnen, zoekende vingers naar de scheiding, een kiertje, een opening en …. het verbaasd vragende onbegrijpende gezicht van Cees als een doodsmasker tussen de twee kierende gordijnen, ditmaal zónder tong en zónder muziek. 
Tegenovergestelde oplossing, tegenovergesteld compromis.

Cees was een doorzetter en door dat drummen leek het net alsof hij het niet breed had, net als wij, zijn publiek. Eigenlijk vond Cees zijn rijkdom een beetje vervelend, want dan voelde hij zich niet één van óns. De wens van Cees was dus om de indruk te wekken weinig geld te verdienen en tegelijkertijd zijn vermogen te behouden. Dilemma. 
Dat drummen leek de uitkomst te brengen, vandaar die tong, die zei: 
‘Ik hoor erbij. Ik ben één van jullie.’ 
Maar eigenlijk uitschreeuwde: ‘Ik mag bestaan. Eindelijk!’ 
Op een kermisavond zat Cees weer eens in vol ornaat achter al zijn trommels op het toneel. Een dronken klant liep naar hem toe en pakte in één van de vele onbewaakte momenten, als Cees weer eens de zaal in keek, de reserve drumstokken weg. 
Woest werd de verstokte drummer en hij riep: ‘Geef terug! Ik zit hier voor mijn vreten!’ 
‘Ik zit hier voor mijn vreten’, zei Cees, met véél méér dan gevulde maag. 
Zijn publiek keek wederom ademloos toe en voelde zich door al deze koningsnummers van Cees en zijn trawanten zó normaal en zó gewoon dat ze allen opkeken naar hun smakkende idool die hun eindelijk gaf wat ze zichzelf nooit hadden durven geven. 
Dankbaar sloten ze hun geliefde Cees in de armen. 
Hij was onmisbaar. 
Zij ook.

93. Dorpsverhaal 74. Mijn oma en Toon Hermans

Mijn oma plaste nooit in haar slipje.
Waarom zou ze?
Het leven was al zwaar genoeg.

Mijn oma was oma Stammes, alias Trien Butter, alias Trien Margarien, zoals ze rond dorpsstraat 91 ook wel werd genoemd. Geboren nog net in de 19e eeuw: 1899.
Ze was een hardwerkende, regelvaste, strenge vrouw die, behalve zes kinderen, ook nog een boerderij op Terdiek runde. Opa deed wel mee, maar die was wat meer geïnteresseerd in biljarten en in, zoals mijn vader het noemde, ‘hardvuurderij en draafwerk.’

Toen kwam 1956.

Het was voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis dat op een gedenkwaardige avond het hele land keek naar één man: Toon Hermans. Het was stil op straat.
Nadat oma de TV-show had bekeken wilde ze Toon beslist in het echt zien.
Aldus geschiedde.
Begin jaren ’60 togen mijn vader en moeder met oma en opa naar theater Carré in Amsterdam. Daar zou de inmiddels legendarische Toon optreden.
Die unieke avond is er Nierupper familiegeschiedenis geschreven.
Het is een historisch feit dat oma die avond zó gierend hard heeft gelachen dat zelfs haar stoel in theater Carré bevlekt was met urine. Zo bleek na afloop.
In plaats van hard overleven was daar plotseling de humor, de lichtheid, en het even geen zorgen aan oma’s hoofd hebben.
Ik ben hem nog steeds dankbaar, Toon, voor alle lachtranen.
En ook koester ik de humor-herinnering aan het plasnatte Carré-slipje van mijn strenge oma die zichzelf één avond in haar leven durfde te laten gaan en volledig los ging in onstuitbare slappe schaterlachen.
De slappe lach. Het maakt het leven zo draaglijk.
Vooral met zes kinderen, een man, een crisistijd, een wereldoorlog, en een Terdiekse boerderij om te overleven.
Mijn oma was een dappere en energieke vrouw. Met een heerlijke schaterlach.
Eén keertje maar.
Maar wát voor een keer!

92. Dorpsverhaal 73. Mijn vader als monnik

We schrijven 1982.
Mijn ouders zwaaien sinds 1976 vol verve de scepter in dorpshuis en café de ‘Prins Maurits’.
Enkele dagen vóór de jaarlijkse kermis heeft mijn vader een lumineus idee, maar hij houdt dit stil voor bijna iedereen. Thuis fluistert hij het mij in vertrouwen toe.
Ik zwijg als het graf.
Op kermisochtend zitten stamgasten Guus Wiemeersch, Jan Pep, Henk Limpers en nog enkele klanten aan de bar. Plotseling komt mijn volstrekt atheïstische vader in katholieke monnikspij vanuit de duistere drankenkoeling midden in de lichte bar gestapt. Hij begint water vanuit de spoelbak op de hoofden van de klanten te sprenkelen en zegt plechtig op z’n zachte gee Limburgs:
‘Dit café is mijn kerk, ik ben Frater Jan en ik zegen jullie voor de Nierupper Kermis en de Ronde van Nierup.’
Ik zie nóg voor me hoe de voltallige bar het uitschatert van de lach.
Hij wijst naar de in het complot betrokken Guus Wiemeersch (die hij altijd zijn ‘meesterknecht’ noemde) en zijn broer Kees en roept: ‘En jullie gaan met me mee als hulpmonniken.’
Hij pakt nog twee monnikspijen uit het papier en zo gaan ze gebroederlijk met z’n drieën als vrome monniken op weg naar de Nierupper Wielerronde.
Vlak voordat het wielerspektakel zou losbarsten, kijkt mijn vader vanaf de startstreep recht omhoog richting hemel, maakt een zegenend gebaar naar het publiek en vertrekt dan totaal onverwachts en pijlsnel als eerste van de renners.
Het organisatiecomité blijft verbijsterd achter, zonder nog maar één startschot te hebben gelost. Monnik Jan wil in ieder geval, al is het maar één keer in zijn leven, drie seconden vóór de rest uitrijden en dat lukt wonderwel. Het zijn misschien zelfs víér tellen als triomferende monnik volstrekt alleen aan kop van het getrainde peloton!
Welke monnik in Nederland kan dit zeggen?
Fietsend door Zwagermanstraat, Kostverlorenstraat en Westerweg gaat Monnik Jan dóór met het zegenen van het lachende publiek langs de kant en stapt uiteindelijk, na maar liefst één volle ronde gereden te hebben, van zijn fiets.
Deze gedenkwaardige ronde van 800 meter duurt overigens ruim een kwartier. Een tijdsbestek waarin monnik Jan minimaal vijf maal ingehaald wordt door het voltallige peloton.
Na zijn ‘Het is volbracht’, blijft hij uitgeput aan de finish staan nahijgen naast zijn oude, niet optimaal voor wielerrondes geschikte Havrelux damesfiets. Dan bukt hij om zijn vermoeide monniksbenen te masseren, richt zich weer op en roept luidkeels:
‘Ik dank u, geachte mensen! Maar de plicht roept. Mijn kerk wacht op mij!’
Waarna hij terug gaat naar ‘zijn’ Prins Maurits om kermisband Shoreline te verwelkomen die die avond zou spelen.

Ja, het waren gedenkwaardige tijden!
Als zoon van zó’n vader ….

91. Dorpsverhaal 72. Het Westfriese karakter

Hoe is het karakter van de Westfries ontstaan?

1.
STRIJD TEGEN HET WATER
Allereerst was daar: het water.
Moerasgronden, plassen, sloten, vijvers, meren, de zee. En tussen al die nattigheid in woonden mensen. Ieder overleefde voor zich en saamhorigheid ontstond vooral door de gezamenlijke strijd tegen het water.
Dit eendrachtige gevecht tegen de zee is in Westfriesland altijd veel belangrijker geweest dan welke overheerser of welk geloof dan ook, ondanks heftige pogingen tot onderwerping door buitenstaanders. De Westfriese Omringdijk is voor een Westfries altijd nog steeds veel belangrijker dan de regering en de Tweede Kamer in Den Haag.
Of waar dan ook.

2.
STRIJD TEGEN OVERHEERSERS
De grote aversie tegen een verre regering in den Haag bestond in Westfriesland al in de tijd van Willem II, graaf van Holland en Zeeland, die de Westfriezen eronder probeerde te krijgen in de Slag bij Hoogwoud in 1255.
De Westfriezen voerden toen al een slimme guerilla oorlog waar Fidel Castro (RIP) jaloers op zou zijn geweest. Graaf Willem had hier slecht verweer tegen en zakte bij Hoogwoud door het ijs. Hoe symbolisch kan een daad zijn?
Hij werd hierna afgeslacht door de Hoogwouders en onder een huis begraven. Tegenwoordig ligt hij in Middelburg.
Hoogwoud werd overigens later totaal uitgemoord door Willems zoon, graaf Floris V, aan wie wij ook de Ridderzaal in Den Haag hebben te danken, waar koning Willem-Alexander jaarlijks uiterst vredig de troonrede voorleest.

3.
STRIJD VOOR VRIJHEID
Een derde invloed, vooral op die van de Nierupper, is geweest de predikingen en persoonlijkheid van dominee Schermerhorn (1866-1956), ‘de rooie dominee’, in de
NH-Kerk in Nieuwe Niedorp. Hij was een vrijdenker die als stelregel had:
‘Een mens heeft net zoveel vrijheid als hij durft te nemen.’
Zijn invloed ging zelfs zó ver dat men besloot een communistisch-anarchistische kolonie te stichten. Een leven in gemeenschap van goederen, vrije liefde en vrij huwelijk.
Een goede vraag van dominee Schermerhorn zou vandaag kunnen zijn:
Hoe vrij en angstloos bent u op dit moment in uw gedachten?
Wellicht zou een goede verstaander kunnen antwoorden:
‘Héél vrij en veilig. Zolang de Westfriese Omringdijk mij maar beschermt.’

PS.
Mijn broer, Niko Stammes, organiseert op 14 november a.s. de 2e Schermerhorndag in de NH-Kerk in Nieuwe Niedorp, waarin het Vrijdenken en enkele vrijdenkers centraal zullen staan. U kunt zich hiervoor nog opgeven.

De strijd gaat voort!

90. Dorpsverhaal 71. De Kerk

Op een dag in 1962 vond mijn moeder het welletjes:
‘Jullie gaan naar de zondagsschool van Cees van der Bijl.’

Aangezien mijn broer en ik volledig ‘atheïstisch zonder visie’ (een bekende stroming binnen de familie Stammes) waren opgevoed, was dit een nogal curieuze daad van mijn moeder. Ofschoon ze wilde dat wij wat meer van de Bijbel zouden weten, kwam vele jaren later de echte aap uit haar moedermouw: ze wilde ook wel eens een uurtje zondagrust hebben zonder die kabaalmakers van een zoons om haar heen.
Een herinnering: ik playbackte de psalmen in de kerk, aangezien ik nog niet kon lezen.
Een kind moet overleven, nietwaar?
In 1963 begon men de kerk te slopen, zoals destijds op vele plaatsen in Nederland.
Het kerkbezoek liep terug en de kosten voor onderhoud werden onbetaalbaar.
Rond 1800 stond er al een kerk in Nieuwe Niedorp. Die is afgebroken, maar in bijna haar oorspronkelijke vorm weer opgebouwd in 1876. In 1963 was het houden van een kerkdienst niet meer verantwoord, aangezien de stukken kalk van het plafond vielen.
Ook het mooie kerkorgel ging eruit en werd, na restauratie, geplaatst in de grote kerk te Ede.
De huidige Fenixkerk werd gebouwd door de firma Klaver en Goet uit Nieuwe Niedorp en in gebruik genomen in 1965. De ietwat scheve toren is gelukkig altijd blijven staan, omdat die onder beheer valt van de gemeente en niet van de kerk.
Het oude smeedijzeren hek om de kerk verdween ook.
Als teken van de opener kerksfeer wellicht?
Mijn opa, Ko Stammes, schreef in 1963 een vlammend stukje in de ‘Schager Courant’ tegen de afbraak van de oude kerk. En in 2021 denk ik: die ouwe had het toen al goed gezien, ook al was hij geen kerkganger.
Het verlies van deze monumentale parel uit het dorpshart wilde ik vandaag graag even memoreren met u.

89. Dorpsverhaal 70. Zaagmolenstraat

‘Het Bos’, dat was in de jaren ’60 de gedeelde boomgaard van Hans Peterse en Jan Kater waarin wij, Sliksteeg jongens, naar hartelust kloetsprongen, in bomen klommen en elkaar als cowboys en indianen zowel dood als weer levend schoten.
Na de vernietiging van Het Bos kwam de nieuwbouw, de Zaagmolenstraat, met, zo bleek al snel, nogal unieke bewoners.
Zo woonde daar Guurt Breed, oorspronkelijk uit ‘de Lange Jammer’, die haar welluidende stem regelmatig liet galmen door de buurt, zodat iedereen per minuut wist wat er zich in huize Breed afspeelde. Op een dag hoorden we Guurt luidkeels roepen: ‘Arjen doe die deur dicht, ut saaigt an me pôte!!’
En tot vér voorbij ’t Hoefje en West-Europa reikte Guurts pedagogische stemgeluid.

Naast Breed woonde de familie Dekker.
Man Roel was en is uiterlijk volwassen, maar innerlijk een kwajongen met geweer om te schieten (wat wij vreesden) en motor om te prutracen (wat wij bewonderden).
Man Roel trouwde ooit met vrouw Rina. Rina was en is er altijd en deed wat nodig was zonder ophef te maken. Ze was vriendelijk en behulpzaam en toen ik vele jaren later met haar achter de bar in de Prins Maurits werkte, begrepen we elkaar zonder woorden waarbij een enkele blik of knipoog voldoende was.
Er zijn van die vrouwen die niet enorm opvallen, maar juist daardoor zo eeuwig zijn. Zonder hen, zonder hun stille waakzame arbeid, wordt niets volbracht.
Soms heb ik het idee dat bepaalde mannen niet zozeer getrouwd zijn met een vrouw, maar beschermd worden door een engel. Zoals de mannen in de Zaagmolenstraat, waar heilige vrouwen woonden die tijdig zagen wat mis dreigde te gaan vóórdat mannen ook maar iéts opmerkten. Engelen die nooit beloond werden, omdat ze zo vanzelfsprekend aanwezig waren.
Misschien zijn engelen wel échte engelen als mannen niet zien wat zij wérkelijk doen.
Toch zijn ze er altijd.
Je eigen vrouw.

88. Dorpsverhaal 69. Jaap Blokker

De Terdieks-Nierupper-Helderse rijwielhandelaar en zweefvlieger, Jaap Blokker, is overleden, 90 jaar oud. Na de afscheidsdienst sprak ik een aantal Nieruppers, zoals de immer glimlachende oud-garagehouder Jan Kout en zijn vrouw Sientje, levenslang schoolmeester Jan Keuken en ‘de vrouw van de man van de leesportefeuille’, Gea van der Stok.
En altijd als ik Nieruppers spreek, komen er (stok)oude beelden in me naar boven.

Bijvoorbeeld die van de oud-buurman van Gea, Jaap Wetsteen en zijn superknecht Arie Bood. En herinnerde ik me weer de uitspraak van (ome) Dik Peetoom die ooit als buschauffeur van Peereboom het jubilerende brandweerkorps naar theater Vredenburg in Utrecht reed en hij Jaap Wetsteen wilde verbieden om naar binnen te gaan. Op de vraag aan Dik waarom hij dit wilde doen, antwoordde Dik met grote ogen en overtuigde stem:
‘Die árme mensen in de schouwburg zullen wel denken: man, man, wat zie jij eruit!’
Jaap keek Dik aan en zei:
‘Dan lijkt het me het beste dat we sámen als tweeling naar binnen gaan.’
En onder luid gejuich van de brandweerlieden betraden Jaap en Dik gebroederlijk de Utrechtse schouwburg.

Hierna herinnerde ik me de vader van Arie Bood, Hark, die, toen de oorlog begon, zwoer dat hij zijn haren pas zou afknippen als de oorlog voorbij was.
Aldus geschiedde.
Vijf jaar later …

En herinnerde ik me het verhaal van Jaap Blokker dat er vroeger een begrafenisondernemer was in Nierup die bij zijn toespraken zeer deftig sprak en achter ieder woord ‘euh’ zei.
Zo zei hij bij een begrafenisdienst:
‘Als nog euh iemand euh het woord wenst euh, is daartoe euh nu euh de gelegenheid.’
Mijn vader zat op een avond avond met Jaap Blokker in de Prins Maurits. Hij wenkte de barkeeper en zei: ‘Geef ons nog een euh borrel, want euh nu euh is daartoe euh de gelegenheid.’

En bij al deze herinneringen hoorde ik Jaap weer even hartelijk schateren ….

87. Dorpsverhaal 68. Een buurtje met geschiedenis

De leukste en meest pittoreske boekhandel van Westfriesland is uit Nierup verdwenen.
Het stond in een buurtje met waarlijk grootse dorpsgeschiedenis.

Daar was:

Het postkantoor, waar de heer Boon in stofjas achter het loket bivakkeerde, postzegels verkocht en pakjes verplaatste. Na zijn pensioen woonde hij aan de Zaagmolenstraat. Waarvan het verhaal gaat dat Boon thuis een privé-loketje liet bouwen om de indruk te wekken dat hij hard werkte en nuttig leefde.

Naast het postkantoor woonden melkboer en melkboerin Kater. De andere melkboer heette Adriaan Krabman die vrijgezel was, mét bijbehorend gedrag. Dus zei mijn vader: ‘Er is maar één kater en dat is Krabman.’

Naast de zaak van Kater vertoefden ooit Willem en Mart Lakeman in hun boekhandel. Waarvan het verhaal gaat dat Willem in de oude Prins Maurits eens een verhaal vertelde aan de stamtafel, van zijn stoel gleed, onder tafel viel, en daar zijn verhaal vervolgde. Líggend.

Naast dit huis woonde Arie van Leijen, de zoon van de molenaar aan het kanaal. Waarvan mijn vader zei dat als ik nog één keer zijn auto de tuin inreed dat hij me dan vastgebonden aan Arie´s molenwieken zou laten ronddraaien zónder dat ik naar de WC mocht.

Naast dit pand stond de sigarenwinkel van Gert Grootes. Waarvan het verhaal gaat dat er vóór Gert iemand de zaak had gekocht die na een week merkte dat hij allergisch was voor tabak. De man heeft toen uit wanhoop alle tabak in de fik gestoken en is gillend vertrokken.

In de boekwinkel van Lakeman zaten later Margriet en Flip Julius. Waarvan het verhaal gaat dat Flip zoekend op bedevaart ging, Margriet al haar boeken verkocht, schatrijk werd, en sindsdien nóg inniger van haar teruggekeerde Sint Flip hield dan daarvóór.

Inderdaad, het waren en zijn legendarische tijden.
Én mensen.

86. Dorpsverhaal 67. Mensencorso

Afgelopen nacht trok een stoet prachtige mensen aan mij voorbij in een zee van bloeiende bloemen.

Eerst ontmoet ik onze buurvrouw in de Sliksteeg, Trijn de Boer. Ze is de enige buurvrouw die altijd zónder bloemen naar het kerkhof gaat en mét bloemen terugkomt.

Dan zie ik kluizenaar Jaap Langedijk voorbij komen die appelen uit zijn eigen boomgaard brengt naar de gevangenis in Alkmaar. Ik zie hem ook onderdak verschaffen aan mensen die niets hebben.

Hierna kijk ik naar de lachende blik van Loek Bruin die met Schutkermis bij mij aan de bar een biertje bestelt en zegt dat ik het moet opschrijven voor Gert Benit. Ik zie alle mensen om Loek heen vervuld zijn van vreugde, aangezien Loeks leven eruit bestaat om mensen blij te maken.

Daarna komt Jan Pep langs die, volgens hém, al vele jaren wetenschappelijk onderzoek doet aan de ‘Universiteit van Terdiek sur Mer’ om aan te tonen dat het drinken van alcohol noodzakelijk is om de slappe hersencellen te doen afsterven, zodat alleen de sterke cellen overblijven.

Dan ben ik opeens dertien jaar en overhandig ik als aanvoerder van het kampioenselftal aspiranten C een grote bos bloemen aan de ongeneeslijk zieke Jo de Weerd als dank voor zijn grote verdiensten voor de voetbalclub.

Vervolgens word ik nóg jonger en hang met mijn lagere school vriendje Jan de Graaf aan de rand van het diepe kanaal, zónder dat we kunnen zwemmen.

Aan het eind van de optocht loopt Rein Rougoor die zich in café de oude Prins Maurits tranen lacht om een hoed die mijn vader aan stukken scheurt. Waarna Rein plotseling in verbijstering achterblijft als hij ontdekt dat het zijn eigen hoed is.

En uiteraard groet Piet Witsmeer de wereld hartelijk vanuit zijn lachende shovel.

Op de een of andere manier wás ik gisternacht ál deze mensen en waren zij mij.
Zo liepen wij eeuwig voort in een eindeloze stoet van schaterende schoonheid.
En brachten we elkaar naar huis. Het huis waar iedereen was.
En waar iedereen altijd had gewoond.

85. Dorpsverhaal 66. Fanfare legendes

Jaar: 1973.
Plaats: Stadsgehoorzaal Leiden.
Net op het verstilde moment dat dirigent Nico Braas zijn baton opheft voor de ouverture door Niedorps Fanfare, stelt schoenmaker Henk Dekker vanaf het balkon zijn oude luidruchtige filmapparatuur op stalen statief in werking om het muzikale spektakel te vereeuwigen.
PRRRRRRRRR ……
Braas slaat ogenblikkelijk af, draait zich om, en roept dwars door een stampvolle Leidse zaal heen: ‘Henk! Stoppen daarmee!’
Aangezien Henk al enige weken intensief met de technische voorbereidingen van zijn filmopnames bezig was geweest, duurt het een tiental tergend taaie minuten alvorens men de schoenmaker het gewaagde idee uit zijn hoofd kan praten.
Dit adembenemende tafereel speelt zich af onder de verbijsterde blik van de volle zaal, het voltallige orkest én de kritische juryleden.

Niedorps Fanfare heeft altijd geleefd op het snijpunt van grote ambities en dorpse gezelligheid.

Zo was daar in de jaren vijftig het legendarische fanfarelid Arie Mijts, de uitbater van ‘Het Wapen van Nederland’ op ’t Verlaat.
Na iedere fanfare repetitie bleven Arie Mijts en dirigent den Das met z’n tweetjes naborrelen. Den Das klom dan als eerste op het mini-toneeltje met Arie als enige toeschouwer in het middernachtelijke piepkleine zaaltje. Den Das begon daar zijn ter plekke verzonnen voordracht onstuimig te declameren, waarna Arie een staande ovatie bracht aan de dappere dirigent en zij beiden proostten op het behaalde succes. Hierna wisselden zij van plek en herhaalde hetzelfde schouwspel zich in omgekeerde rollen.
Na zo’n lange avond werd de handelingsonbekwaam geworden den Das eens door welwillende buren achterin de auto geladen. Toen de beschonken concertmeester twintig kilometer lang achterstevoren op knieën op de achterbank door het achterraam had getuurd, kwam men op de thuisbestemming aan. De dirigent tuimelde ruggelings uit de wagen, stond waggelend op, omhelsde de chauffeur en sprak dankbaar:
‘Je benne een merakel beste stuurder, man. Ik heb nog nooit iemand zó lang
zó hard achteruit zien rijden. Mijn complimenten!’