Het einde van het tijdperk der oude notabelen is 1964, het jaar waarin meester Oepkes afscheid neemt als hoofdonderwijzer in Nierup.
Wat is een notabel?
Een notabel is achtenswaardig, opmerkenswaardig, iemand waar men acht op slaat en nota van neemt.
Een waarlijk groots notabel was Thijs Sepers, de aannemer. Begonnen als timmermansknecht bij de vader van Joop Faus, hielp hij mee aan de bouw van de O.L.S. , de Openbare Lagere School, de huidige ‘Snip’.
Hij werkte als aannemer eerst samen met Klaas ‘Knain’ Koopman en begon in 1962 zijn eigen bedrijf waarin ruim veertig mensen werkten. Later werd hij wethouder en loco-burgervader van de in bestuurlijke aanbouw zijnde gemeente Niedorp. Tussen alle bedrijven door voetbalde hij jarenlang in het eerste van Nierup.
Thijs was een harde werker, recht door zee, en goudeerlijk. Hij maakte als persoon zó veel indruk dat zijn kinderen thuis permanent zwegen. Een vader die thuis ook notabel is, dat is niet altijd eenvoudig. Zo merkte ik op toen ik daar als jongetje speelde met Martien, een van de ontelbare zonen van patriarch Thijs, die één heldhaftige dochter bouwde.
Zijn kleinzoon vandaag schopt het nog veel verder dan opa gister. De jonge Thijs, zijn partner Robert-Jan en het personeel van hun bedrijf TS Visuals bouwden enige jaren geleden mee aan de verwezenlijking van wat men noemt ‘de Sixtijnse kapel van Rotterdam’, de door Koningin Maxima geopende Markthallen. Thijs en medewerkers zorgden voor het aanbrengen van het imposante kunstwerk ‘De Hoorn des Overvloeds’ dat de gehele Markthal omkadert waardoor een ongekend unieke beleving ontstaat bij de talrijke bezoekers.
Waar opa Thijs een oúde notabel was, is jonge Thijs een níeuwe notabel.
Een noeste werker en waarachtig mens die het moderne notabelenschap een nieuwe inhoud, creatieve glans en krachtig karakter geeft waarbij veel valt te bewonderen, te praten en te lachen en waarbij niemand hoeft te zwijgen.
En vanuit de permanent in aanbouw zijnde ondernemershemel knikt opa Thijs vakkundig en liefdevol jaloers naar zijn notabele kleinzoon en ziet dat het goed is.
En hééél mooi.
Opdat men hier nota van neme!
83. Dorpsverhaal 64. Historische feiten
Historisch feit (1)
Op een herfstige avond in 1972 stapt een klein mannetje het knusse dorpscafé
de ‘Roode Eenhoorn’ binnen. De tot Westfries genaturaliseerde Drentse immigrant Harm Hees kijkt de man vanachter zijn tapkast stilzwijgend aan.
Het mannetje ziet er zó oud uit dat zelfs de bejaard geboren Henk van der Oord erbij in het niet valt. Hier komt nog bij dat de kromme korte man een gloednieuw en immens groot pak draagt. Terwijl hij hijgend en puffend op een barkruk klautert, zwabbert zijn grote nieuwe kostuum om zijn kleine oude lichaam.
Eén kruk verder zit Dik Peetoom. Dik neemt de ruim bepakte senior met grote ogen op en vraagt: ‘Zo jôh, hejjum op de groei kocht?’
Historisch feit (2)
Op een lentezondag in 1971 slingert een scorende midvoor van Nierup zich dolblij aan de doellat. Die breekt.
Slagvaardig arbiter Herman Harberts verwijst de elftallen direct door naar het pas geopende B-veld. Alvorens de wedstrijd te hervatten, spreekt hij de spelers streng toe met de memorabele woorden:
‘Jongens, scoren mag, maar niet aan de lat hangen hè, want de doelen zijn op.’
Historisch feit (3)
Het is 1983.
Een stamgast gaat iedere zondag naar de warme dames op de Achterdam in Alkmaar en verdrinkt daarna zijn blijdschap in het dorpscafé ‘Prins Maurits’.
Op een dag komt hij in iets andere stemming binnen dan gebruikelijk en dorpshuisbeheerder Jan Stammes vraagt hem wat er is gebeurd.
Hij begint: ‘Ik ga vezellef altoid naar die nummer achtenvoiftig.’
Jan vraagt nog: ‘Zijn de dames tegenwoordig genummerd dan?’,
maar de barklant zegt dat hij het huisnummer bedoelt en vervolgt:
‘Ik zag een mooie nieuwe moid, maar toen ik binnen was vroeg ze de dubbele prois
en toen skeet ik in bed.’
Jan vraagt: ‘Waarom scheet je in bed dan?’
Hij antwoordt: ‘Omdat ik razend was vezellef.’
82. Dorpsverhaal 63. Tante Nel
Mijn vader, zijn broer Kees en hun vier oudere zussen Jannie, Nel, Ries en Trien zijn allemaal geboren in een Terdiekse boerderij, op de plek waar enige tijd geleden een Bed & Breakfast zich vestigde.
Aan de overkant van het weggetje bestierde Jo de Weerd zijn kruidenierswinkel naast de langharige hippie Hark Bood met gezin. Tegenover Bood woonde de familie Koster, waarvan Hans Bossen ooit zei dat het net guppen in een aquarium waren.
Het Koster-voorraam was nogal groot uitgevallen. Vandaar.
Mijn Terdiekse, later Nierupse, later Stompetorense, later Haagse tante Nel overleed enkele jaren geleden, eenennegentig jaar oud.
Mooi woord: overleden.
Het lijden is over, het leed is geleden.
Tante Nel was een liefdevolle, mooie vrouw die heerlijk kon lachen. Echter, soms duren levens te lang. Dementie. Wellicht is, naast verdriet en pijn, een van de kenmerken van de dood: opluchting.
Tante Nel was getrouwd met ome Klaas, een soort volledig ABN sprekende Godfried Bomans met bril, pijp, grijs haar en intelligentie. In familieverhalen werd vaak verteld dat ome Klaas in een ‘Commissie van Wijzen’ zat die de regering adviseerde over de internationale handel. Dat maakte indruk op mij. Tijdens verjaarspartijtjes genoot ik als jongen altijd als het gesprek over politiek ging en ome Klaas erbij was.
Op een keer riep een niets vermoedende gast kwaad:
‘Die Partai fan de Arbaid snapt vuzelluf ok hillegaar niks van die arbaiders!’
Ongelukkigerwijze zat de man naast ome Klaas. Verwachtingsvol keek ik toe.
Ome Klaas stopte opnieuw zijn pijp, keek de man recht in de ogen en sprak bedachtzaam:
‘Nee, mijn beste, dit klopt niet wat je zegt, de feiten wijzen in een andere richting.’
Stilte. De gast slikte.
Ome Klaas begon daarna een helder pleidooi dat gebaseerd was op échte feiten.
Dát vond ik het meest geweldige: ome Klaas kende de feiten! De rest ríep maar wat. Net als vroeger en vandaag waren en zijn velen vooral bezig de eigen boosheid en ontevredenheid te richten op iets wat niets met politiek te maken heeft, maar eerder met, ja, met wát eigenlijk? Met wie? Van wanneer?
Ofschoon ik het destijds als jongen niet zo kon verwoorden, leerde ik van ome Klaas het volgende: waar de emotie hoog is, is de feitenkennis laag.
Met de Terdiekse, Stompetorense, Nierupse en Haagse tante Nel is een twintigste eeuw het graf in gegaan. Mooi dat ze er was, is.
Én ome Klaas.
81. Dorpsverhaal 62. Volwassenen en kinderen
Brugklas, Schagen, eerste dag. Wij, twaalf jaar. Hij, Wim Gorter, leraar wiskunde.
Vóór de les kletsen we wat in de klas. Dan stuift hij plotseling kwaad binnen en scheldt ons uit.
En nog altijd, als Wim Gorter in mijn herinnering komt, zie ik die blik, die leerlingen-willen-straffende boze blik van die schreeuwende man.
Kouwenberg. Zo heet onze nieuwe overbuurman in de Westerweg.
Kouwenberg komt geen kennis maken, dus stapt mijn vader op hem af om zichzelf even voor te stellen. Mijn vader zegt:
‘Het is hier een gezellige buurt met leuke mensen, dus je zult wel snel wennen hier.’
Kouwenberg kijkt strak voor zich uit en zegt:
‘Stammes, ik zal het eerlijk zeggen, ik ben zeven keer verhuisd in mijn leven en ik heb het nooit getroffen met mijn buren.’
Nog geen dag later gooien wij kluitjes tegen zijn ruiten en schieten voetballen in zijn tuin. Kouwenberg rent en scheldt en tiert en treft het nooit met de jongens in zijn buurt.
En nog altijd, als Kouwenberg in mijn herinnering komt, zie ik die blik, die jongens-willen-straffende boze blik van die getergde man.
Hij zit op zijn knieën op het grasveld voor zijn huis en kauwt relaxt op een grassprietje.
Cor Blokker kijkt glimlachend de wereld in.
Wij rennen van huis naar huis en trekken, in onze broek pissend van het lachen, belletje. Een man in pak, de vriend van Ina Compas, rent razend achter ons aan en geeft mijn broer een klap. Dan kijkt hij hijgend naar de grinnikende Cor die zegt:
‘Oh jôh, je motte de humor van die joôs een beetje snappe.’
En nog altijd, als die man in pak in mijn herinnering komt, zie ik zijn handen,
die kinderen-willen-straffende boze handen van die slaande man.
En nog altijd, als Cor Blokker in mijn herinnering komt, schiet ik in de glimlach en denk:
Cor Blokker, wat fijn dat hij nog grappig-grassprietjes-kauwend dóórleeft.
In mijn grinnikende hoofd.
80. Dorpsverhaal 61. De beste
De nog immer onbeantwoorde vraag luidt:
Wie was de beste voetballer van het Nierupper kampioenselftal uit 1968?
Sindsdien zijn er vele véél minder belangrijke vragen gesteld:
Wat veroorzaakte de val van de Berlijnse muur?
Wie zitten er achter de onthoofdingen van IS?
Waarom smelten de Noordpoolkappen?
Maar ik begrijp nu dat het leven van mij vraagt het definitieve antwoord op die ene belangrijkste vraag te vinden, hóe dan ook en ten koste van wélk offer dan ook.
Mijn zinderende zoektocht brengt mij naar een van de kampioenshelden uit die tijd:
Henk van Beers.
Meteen stel ik de (toen) vliegensvlug sprintende rechtsback de vraag der vragen:
’Wie was de beste?’
Ik kijk hem verwachtingsvol aan.
Henk haalt diep adem en spreekt met grote stem:
‘Karel Koorn was de beste van de achterhoede, Jan Jes van het middenveld en Ben van Herwerden van de voorhoede.’
Shit!
We hebben nu dus drie de besten in plaats van één!
Lastige zaak.
En ik wéét,
Ben was topscorer en stak met zijn brandende schoten bovenlatten in de fik en brak ze aan flarden, iedere wedstrijd weer. Schroothopen werden ze, die latten.
En ik wéét,
Jan was de onnavolgbare dribbelaar die makkelijk twaalf tegenspelers in één schijnbeweging volledig kapot speelde. Huilend verlieten ze het veld, carrières gebroken.
En ik wéét,
Karel was de meedogenloze achterste man die ook in het Noord-Hollands elftal speelde en die bovendien levensgevaarlijk was als hij in de aanval ging. ‘Karel gaat naar voren!’ riepen wij jongens dan bewonderend hoopvol.
Henks genuanceerde antwoord maakt mij radeloos en mijn knagende twijfel is nu:
Moet ik mij verzoenen met deze ‘drie-de-besten-theorie’ van ervaringsdeskundige van Beers?
Of moet ik mijn wetenschappelijke zoektocht voortzetten om tot een allesomvattende ‘één-de-beste-theorie’ te komen?
Ik vrees:
De queeste gaat voort, want waarheid laat zich slechts strijdend en bloedend veroveren. Dus luidt nog immer de prangende vraag:
Wie was de beste? De enige beste.
Wie …?
79. Dorpsverhaal 60. De beeldschone dame
Ik noemde Bert Kuiper nooit Bert Kuiper. Ik noemde Bert altijd: Scherts Terzijde.
En later gewoon Scherts. ‘Hoi Dick.’ ‘Hoi Scherts.’
Onze begroetingen waren kort en efficiënt, teneinde snel tot de kern van alles te komen. Tijd is kostbaar. Leven ook.
Een acteur die je persoonlijk kent, wordt nooit een echte acteur. Hoe hij ook zijn best doet, zijn échte persoon schijnt voortdurend door de rol heen en is altijd sterker aanwezig dan de rol die hij geacht wordt te spelen.
Dit fenomeen zag ik in de jaren tachtig eens voor mijn ogen gebeuren in de ‘Prins Maurits’ tijdens een toneelvoorstelling van Cicero. Bert Kuiper speelde die avond met grote verve zijn rol van heldhaftige kapitein met vlijmscherpe sabel en vuurrode mantel die rust en rechtvaardigheid moest brengen in een bekvechtende familie. Aangezien Bert niet al te groot van stuk was en de sabel die hij droeg nogal groot, gaf dit de scène van Bert-met-sabel-en-rode-mantel een ietwat wonderlijke aanblik. Vooral toen Bert als kapitein plotseling (heel hard en boos en orde op zaken stellend) uitriep: ‘Scherts terzijde!’
Omdat Bert een zachte stem had, was deze heldhaftige uitroep vrij lastig hoorbaar en verdwenen zijn dappere woorden al snel in de ijle lucht. Je zou kunnen stellen dat de rol van kapitein lichtelijk disproportioneel gespeeld werd door Bert. Evenals zijn attributen.
Deze zin ‘Scherts terzijde!’ is me altijd bijgebleven, niet alleen door haar buiten de tijd staande deftigheid, maar vooral doordat de hele donkere zaal met al die volwassen mensen aldoor maar zo enorm serieus bleef kijken met een blik alsof het heel normaal was dat Bert heel hard en heel zacht ‘Scherts terzijde!’ riep.
En plotseling rolde toen, middenin deze fameuze Bert-zin en middenin die bloedserieuze zaal, de zwoele lach van een beeldschone dame in het publiek.
Iedere twijfel verdween.
Bert kon niet meer terug.
Zijn reputatie als door vrouwen aanbeden held met opgeheven zwaard was definitief gevestigd. Op het toneel, in het licht.
Sinds deze wereldscène op het lichte toneel voor het donkere publiek, noemde ik Bert altijd Scherts Terzijde. Wetend dat zijn enige échte beeldschone dame hem al een leven lang bewonderend toelachte. En hij haar. Op en achter het toneel, in licht en in donker. Overal. Dáárom stond Bert daar!
Bert leefde samen met zijn Wil op wijze wijze. Een écht persoon die het dorpse leven zowel actief betrokken als mild schertsend terzijde aanschouwde.
En daardoor voorbij de uiterlijkheden kon kijken en door de rollen heen kon schijnen. En daardoor háár ziel zag. Kostbaar, tijdloos, levend, tot in de dood.
En nóg verder.
Dát was Bert.
81. Dorpsverhaal 59. De óude van der Bel
De winkel van de óude van der Bel, daar begon niet alleen alle levensmoed.
Daar begon álles.
Hoort aan!
‘De boze man’, zo noemden we de vader van Roel van der Kooi, had alle Sliksteeg-jongens verteld dat als je de winkel van de oude van der Bel binnenging je er nóóit meer uit zou komen en de rest van je leven zou moeten doorbrengen tussen slapende prinsessen en bezemsteelrijdende schoonmoeders en brood met spinnen moest eten.
Ik was negen jaar, raapte alle moed bij elkaar, en liep trillend van de zenuwen naar de Malle-Pietjes-Winkel van de stokoude van der Bel die mistig en schimmig verscholen lag achter de dorpsstraat-huizen aan het eind van een donkere steeg op een plek aan de rand van de Aarde.
Toen ik eenmaal de indrukwekkend piepende krakende schurende winkeldeur aan de kant had geduwd, stond ik plotseling in een betoverende wereld van grote mysteriën. Achter de toonbank verrees de doorschijnende gestalte van de oude vrouw van der Bel.
Bibberend vroeg ik: ‘Hebt u een fietsbel te koop voor vijf cent?’
Vrouw van der Bel zei niets en rende pront en stante pede achter de toonbank vandaan, beende tussen alle her en der verspreide stoelen, planken, boren, hamers, tuinharken en condooms door naar een donkere hoek in de zaak, smeet met een oorverdovend geraas vijftien emmers, twintig koekenpannen, dertig dweilen en honderd zesentachtig ijzeren buizen aan de kant, bukte in de pikdonkere hoek naar de vloer en toverde daar onder veertig spinnenwebben en vijftig dinosaurussen een glimmende tweedehands fietsbel vandaan.
De bel lag namelijk tússen de stoelen, de planken, de boren, de hamers, de tuinharken en de condooms, ónder de emmers, de koekenpannen, de dweilen en de ijzeren buizen in een pikdonker hoekje waar nooit iemand kwam, behalve giftige spinnen, dode dinosaurussen, toverfeeën en de springlevende doorschijnende vrouw van der Bel.
Want vrouw van der Bel? Die wist waar álles lag. Álles!
Tússen en ónder de ….
Juist.
80. Dorpsverhaal 58. Vriendschap
Met zijn gedrongen gestalte, kaal hoofd en ietwat sombere blik zag hij er voor de oppervlakkige beschouwer onopvallend uit. Freek Koorn was dan ook een bescheiden, schuchtere man die geen enkele pretentie had om op te vallen, met als gevolg dat hij opviel. Tegen zijn zin.
Die tegenzin verdween als hij twee ‘gele rakkers’ achterover had geslagen, twee kleintjes pils. Deze rakkers waren zijn geneesmiddel om te leven. Na twee pils opende Freek zijn deur, begon breeduit te praten en liet iedereen genieten van zijn slimheid en zijn sprankelende humor.
De functie die bij zijn karakter en slimheid paste was die van secretaris in diverse besturen. Zijn kwaliteit was het fluisterend adviseren van bestuursleden die pratend op de voorgrond traden, terwijl Freek zwijgend op de achtergrond zag hoe zijn influistering met algemene stemmen werd aangenomen.
Mijn vader, als voorzitter van sociëteit ‘Over de Helft’, en zijn broer Kees, als voorzitter van ‘IJs en Volksvermaak’, maakten regelmatig handig gebruik van de wijze adviezen van Freek om lastige besluiten door tumultueuze vergaderingen te leiden.
Freek had talent. Freek had macht. Freek had intelligentie.
En Freek had vrienden.
Op de vaste maandagmiddag kwamen ze altijd allemaal gezellig bij elkaar in Freeks bloeiende bollenbedrijf op Terdiek om de gele rakkers te verorberen die in zijn grote koelingen lagen opgeslagen. Als onvolwassen jongens, die in zomervakanties bij Freek bollen zochten, was het ons al veel eerder opgevallen dat Freek zich met zijn volwassen vrienden onder werktijd soms fluisterend terugtrok achter gesloten bollenschuurdeuren.
Vele jaren na mijn jongenstijd (drank is tergend geduldig), lag Freek in het ziekenhuis met een vernietigde lever en alvleesklier. Zijn bollenschuurvrienden bezochten hem lachend en namen heel attent een cadeau mee: een fles Jägermeister. Het bezoek duurde kort. Freek fluisterde slechts.
Vlak na het Jägermeister-bezoek stierf Freek. Zijn geneesmiddel om te leven werd zijn dood.
De deur ging zachtjes dicht. Zijn vrienden lachten breeduit en proostten hun gele rakkers.
Hun doel was bereikt.
79. Dorpsverhaal 57. Ontdekkingsreizigers
‘Ze zeiden wel eens: ‘Ze is niet makkelijk.’
Ze zeiden ook dat ze ‘naggal aparterug’ was.
Inderdaad, je móet maar durven!
Een spiritueel Yoga centrum opzetten in een dorpje op het Westfriese platteland in de jaren ’70 van de vorige eeuw. Maar dat is wél wat Rie van Seventer deed, dwars tegen alle roddelende commentaren in.
Op de vraag welk pad van Yoga zij bewandelt en aanhangt, de koninklijke weg van de Raja Yoga, de toewijdingsweg van de Bahti Yoga of de lichaamsbewuste weg van de Hatha Yoga, antwoordt Rie: ‘Ik praktiseer de Westfriese Yoga.’ En voegt toe: ‘Met beide benen op de grond dus.’
Gewoon is zij niet.
Ze zeiden wel eens dat hij teveel rekening hield met iedereen en dat hij anders was dan andere Nieruppers, en inderdaad, het was wél Cees van der Bijl die als voorzitter van het Rode Kruis de eenzame schoenmaker Henk Dekker een week aanbood in een vakantieoord en ervoor zorgde dat de straatarme Henk een genoegdoening ontving toen hij op de dag voor Kerstmis uit het tehuis werd geplaatst.
Gewoon is hij niet.
Ze zeiden wel eens dat hij dagdroomde, dat het nooit zou lukken en dat er teveel obstakels op het pad waren, maar het was wél de deftige en kundige gemeentesecretaris Willem Bakker die door dik en dun doorzette en overal geldpotjes van gemeente, provincie, Rijk en particulieren wist te vinden, waardoor het uiteindelijk lukte om het verbrande gemeentehuis en dorpscafé te vervangen door het moderne dorpshuis ‘Prins Maurits’.
Gewoon was hij niet.
En onlangs waren ‘ongewonen’ bezig dat andere café, de historische Roode Eenhoorn, om te toveren tot een inmiddels prachtig huis voor menslievende zorg.
In ieder dorp bestaan ze, de gevaarlijke buitenbeentjes die vaak als ‘nogal apart’, ‘anders’, ‘deftig’, ‘gek’ , ‘verwaand’ en ‘roekeloos’ worden bestempeld, ingaan tegen alles wat normaal is, en pas omhelsd worden als alle risico’s achter de rug zijn.
Pionier zijn is niet alleen geloven in je dromen. Pionier zijn is: eenzaam durven zijn, je verdriet verbijten, en geduldig wachten tot bloemen gaan bloeien.
En weten dat het niet om jou draait.
78. Dorpsverhaal 56. De kruidenier
Als kind ga je er vanuit dat volwassenen serieus zijn en dat je dat zelf nog moet leren.
Zo kende ik Aris Wagenaar als de serieuze Centra kruidenier van het dorp die, eveneens serieus, was getrouwd met Ries Prins met wie hij twee kinderen had: Ina en Jaap.
Aris kwam oorspronkelijk uit Oterleek, kon goed pianospelen, biljarten en kunstrijden.
Dat was alles wat ik wist van Aris.
Onlangs hoorde ik een ander soort verhaal over deze serieuze dorpskruidenier.
Aris reed in zijn jonge jaren op een motorfiets die om onnaspeurlijke redenen ‘De Slang’ werd genoemd. Het was in die tijd en op die motorfiets dat Aris op zoek ging naar zijn geliefde van dat moment, een zekere Trien, die in Wognum woonde. Aangezien hij daar de weg niet kende, vroeg hij aan een jonge vrouw die net naar buiten kwam naar het adres van Trien. Ze zei:
‘Iets voorbij de brievenbus en wil je dan ook deze brief voor me posten. Niet vergeten, want het is belangrijk.’
Aris stak de brief in de zak van zijn leren jas, maar vervuld van romantische en erotische gedachten was hij dat ‘belangrijk’ al na drie seconden vergeten.
Een paar dagen later vertelde hij zijn vrienden in het dorpscafé vol verve over zijn hevige ontmoeting met Trien. Hierbij schoot hem de brief te binnen die hij vergeten was te posten. Aangezien het een belangrijke brief was, zoals dat meisje had gezegd, besloten de cafégangers de brief open te maken met de stomende tuit van de waterketel.
Inderdaad was het een belangrijke mededeling, want er stond in dat ze zwanger was. Wel met de opbeurende slotzin voor haar geliefde: ‘Hou je haaks.’ Hieraan voegden de stamgasten naadloos toe: ‘Ouwe neuker.’
Na deze toevoeging werd de brief weer dichtgeplakt en ditmaal werd niet vergeten de brief te posten. Want serieus, dat was Aris tóen al.