77. Dorpsverhaal 55. Uitspraken

In de nacht van 12 op 13 september 1973 voltrok zich de grootste openbare ramp in de Nierupper geschiedenis: de verwoestende brand van het gemeentehuis en dorpscafé ‘Prins Maurits’.
Ondanks het enorme werk van de plaatselijke brandweermannen hadden ze niet kunnen voorkomen dat alles volledig was platgebrand. Nadat de brand was uitgewoed en er niets dan puin en as restte van wat eens het warm kloppende dorpshart was geweest, vroegen omstanders bezorgd aan brandweercommandant Jan Goet hoe hij zijn zware taak en deze allesverzengende brandramp had ervaren. Jan staarde even mysterieus in de verte, keek daarna zijn ondervragers glimmend van genot aan, en antwoordde:
‘Nôh joh, ut was un skitterende brand! De mooiste brand uit mun leve!’

Op de laatste avond van een Schutkermis staan het slagerspaar Gert en Trien Langedijk en het melkpaar Henk en Riet Bruin bij de palingkraam op het erf van Jan Leegwater een ‘vissie’ te eten.
Gert zegt:
‘Zeg visboer, ik koop al je overgebleven paling, dan ben je er maar van af.’
De verheugde visboer pakt de overgebleven kilo’s gerookte paling in, Gert betaalt en loopt met de lading paling rechtstreeks naar de sluisbrug. Hij pakt de vis uit het papier, flikkert de hele voorraad paling over de brugleuning in de sluis en zegt:
‘Zo. Paling moet zwemmen.’

In de tijd dat de ‘Geheelonthouders Vereniging’ werd opgericht, was het opmerkelijk dat Nan Wit zich aanmeldde als propagandist voor de drankbestrijding. Nan stond namelijk bekend als een stevige innemer. Hij had dit werk echter aangenomen met de gedachte dat het hem de kracht zou geven om de steeds sterker wordende drankverleiding te kunnen weerstaan.
Met een blauwe knoop op zijn revers en met een tas pamfletten onder de arm die waarschuwden tegen de gevaren van het misbruik van alcoholhoudende dranken, stapte Nan menig café binnen om de folders uit te delen.
Op een dag was hij zodanig vermoeid geraakt van dit vele werk dat hij het laatste cafeetje binnenstapte om uit te rusten. Hij raakte gezellig aan de praat met enkele gasten aan de stamtafel en zonder erg gebruikte hij het borreltje dat voor hem neer werd gezet. De gezelligheid en de borrels liepen dermate uit de hand dat Nan enkele uren later volledig beschonken naar buiten liep, zijn tas met pamfletten open viel, Nan temidden van zijn pamfletten ineenzakte en zijn roes buiten uitsliep.
De week daarop riep de ‘Geheelonthouders Vereniging’ hem ter verantwoording en stelde men dat Nan een schandvlek had geworpen op de gehele vereniging van geheelonthouders. Nan antwoordde:
‘Meneer de voorzitter en bestuur. Als propagandist voor uw lofwaardig streven heb ik me geheel opgeofferd om mezelf in deze lamlendige staat te laten vinden als een afschrikwekkend voorbeeld. U zou mij dankbaar moeten zijn voor deze persoonlijke opoffering!’

Op een kermis in ‘Warremetuut’ staat Hans Bossen aan de bar te bestellen. Naast hem zit een man met het hoofd vollédig in het verband. Er is zóveel verband in, om, onder en naast zijn hoofd, dat alleen zijn ogen, neus en mond nog enigszins zichtbaar zijn. De rest van het hoofd is verdwenen onder enorme slierten bloeddoorlopen verbanddoek.
Hans kijkt de dichtgebonden man onderzoekend aan en vraagt: ‘Hoe is het met je voet?’

76. Dorpsverhaal 54. Het levenscadeau

Net als wij, is hij jong en onmisbaar.
Zo reed hij eens, op een onverantwoordelijke middernacht, vanuit Bar De Maurits samen met Ted en Laus Klaver en mijzelf naar het zwoele Parijs, terwijl thuis niemand wist waar we waren. Eenmaal aangekomen in Parijs stelde hij de legendarische vraag:
‘Waar zijn we nu eigenlijk?’
Ik antwoordde: ‘Dat is eigenlijk een diepe levensvraag.’
Elke keer als hij een bekende in Nierup zag begon zijn gezicht breeduit te stralen, strekten zijn arm en vingers zich recht naar voren uit en vanaf zijn rijdende cabine schalde zijn blije kreet door de hele dorpsstraat: ‘Eééh Dick!’
En op Witsmeeriaanse wijze riep ik terug: ‘Eééh Piet! Waar zijn we!?’
Niemand had zo’n vrolijke lach als Piet Witsmeer. Niemand kon zo stralend groeten als Piet en niemand kon zo koninklijk blij in een hoge shovel zitten als Piet.
Als ik Piets lachende shovel in de verte zag aanrijden had ik al plezier, omdat ik precies wist wat er even later zou gaan gebeuren. Ook liep ik vaak nog te glimlachen, lang nadat Piet uit het zicht was verdwenen. En zo herhaalde zijn grappige groet zich bij iedereen die hij kende en duurde het plezier veel langer dan de groet op zich.
Toch waren deze begroetingen veel meer dan alleen maar grappig. De levenskunst van Piet was dat hij je met zijn unieke groet het gevoel gaf dat hij altijd blij was je te zien en dat hij blij was dat je leefde. Dat híj leefde.
Een mooier cadeau kun je een ander niet geven.
Jezelf ook niet.

Sinds een aantal jaren moeten wij Piets groet missen.
Vandaar mijn vraag, nog één keer: ‘Eééh Piet! Waar bén je nu?’

75. Dorpsverhaal 53. Mannen en vrouwen

Vrouwen nemen het leven serieus, mannen niet. 
Een vrouw probeert de boel nog bij elkaar te houden, de man dóet maar wat. 

Terwijl mijn moeder tijdens een Schutkermis plichtsgetrouw de afwas deed en stofzuigde, tooide mijn volstrekt atheïstische vader zich in zwarte monnikspij, zette een rode zonnebril op, besteeg een oude damesfiets en reed traag en minzaam mee in de Nierupper wielerronde, onderwijl de lachende mensen langs de kant zegenend met zwierige gebaren en vroom Limburgs accent. 

Mijn lieve tante Trijni (Peetoom) kookte iedere avond trouw de groenten en piepers voor het gezin. Haar af en toe lieve man, ome Dik, vergat de maaltijd wel eens. In een poging de goede vrede dan weer te herstellen nam hij vanuit het gezellige dorpscafé van Harm Hees, waar dat vergeten plaatsvond, wel eens een paar kroketten mee. Totdat tante Trijni de gefrituurde staafjes oppakte, ze met uiterste precisie richting haar man wierp en uitriep: ‘Laat Harm Hees je kroketten maar opvreten!’

Tijdens een voetbalwedstrijd komt een nieuwe speler het veld in, een zekere Arie. En Arie speelt minder goed dan verwacht. Op de voetbaltribune zegt de vrouw benauwd tegen haar man: 
‘Arie doet het niet zo goed, hè? Misschien moet de trainer hem wisselen.’ 
Haar man knikt, gaat staan, brengt zijn handen als een megafoon naar zijn mond en schreeuwt galmend over het veld: ‘Arie, er is telefoon voor je!!!’

Voetbal is een spel, werk is een spel en het leven ook, denkt de jongen, in de man.
En de vrouw zucht. 
Tegen zoveel onvolwassenheid valt niet op te boksen.

74. Dorpsverhaal 52. Herinnering

Als we ons niets meer herinneren van vroeger is dat een teken dat we een goed leven hebben gehad. Of teveel pijn. Maar hanteerbare pijn en angst blijven nog lang hangen, terwijl geluk vluchtig is. We merken het vaak niet eens op, omdat we geluk altijd zoeken op de plek waar we nu niet zijn.
Het enige dat ik me echt goed weet te herinneren van de eerste klas van de O.L.S. is dat juffrouw Overzee hard aan mijn wang trok. Auw! De andere momenten ben ik vergeten, omdat ik toen probleemloos leefde. De lichtheid van het bestaan vervliegt in de wind van herinneringsloos geluk.
Als kind verwacht je niet anders dan dat je gelukkig bent. Pas als je het niet bent, ontstaat er pijn en die kerf wordt jouw herinnering voor later.
Dorpssmid Klaas Vermeulen en zijn vrouw Jeanette leidden in mijn jeugd de knutselclub in de Fenixkerk, die was opgezet door Cees van der Bijl. Knippen, plakken en figuurzagen op de dinsdagavond. De enige beelden die ik me herinner komen van een dorpsfilm waarop ik de veilige sfeer zag en het plezier van de knutselende kinderen. Het was niets bijzonders.
Liefde en geluk zijn heel gewoon en brengen een volstrekte afwezigheid van argwaan.
Dat was mijn kindertijd.
Alleen die wang, die gloeit nog na. Laat ik hem koesteren, mijn wang. Het is mijn enige herinnering aan de eerste klas. En, oh ja, een vriendje dat twintig jaar later een held zou worden en heel lang huilde op de eerste schooldag bij het afscheid van zijn moeder Annie. Dat weet hijzelf vast ook nog.
Wat betekent geluk als je niet weet wat pijn is?

73. Dorpsverhaal 51. Het fanfarekorps (3)

Vroeger zat het fanfarekorps van Nieuwe Niedorp tenminste nog normaal op een vrachtwagen te spelen. We toerden zittend door het dorp en als we van het ene dorp naar het andere reden, gaf de chauffeur, die ook maar wat deed, vol gas en vlogen de muziekpapieren de straat op en de sloot in. En altijd riep dan iemand vertwijfeld: ‘Nôh, weer is main blaadje nou?’
In de sloot.
Ofschoon hier al meerdere notulen aan waren gewijd, bleef dit vaste ritueel zich voorspelbaar herhalen.
Maar je hebt dan altijd weer mensen die het zo nodig vinden om de boel te veranderen en dus ging Theo van Herwerden in militaire dienst. Theo is één van de zeer zeldzame jongens in Niedorp die van zijn diensttijd een nuttige tijd heeft gemaakt. Theo vond oorlog voeren wel relaxt. Hij vocht weinig, maar speelde professioneel bugel in de militaire kapel en leerde marcheren. Toen Theo afzwaaide uit dienst gaf hij zijn nieuwe vaardigheden door aan het korps dat zodoende professioneel door de straten leerde lopen en musiceren.
Daar liep plotseling een hoogwaardig fanfarekorps waar het dorp trots op kon zijn!
Jaren later zit ik aan de bar van de Prins Maurits waar ook de oom van Theo vertoeft, fanfarelid Jan van Herwerden (Pep). De serveerster komt langs, kan iets niet vinden en roept vertwijfeld naar haar collega achter de bar: ‘Nou, waar is mijn blaadje nou?’
Jan kijkt me met een knipoog aan, zegt niets en wijst subtiel naar de voorsloot.

Ja, het waren mooie tijden!
Allemaal ‘verpest’ door die professionele Theo van Herwerden.
Ieder dorp heeft een Theo nodig. En een fanfare natuurlijk.
Zónder vrachtwagen!

72. Dorpsverhaal 50. Naastenliefde

‘God helpt ons, volgens Cees van der Bijl. Cees gelooft namelijk in God. Ja, ja …’
Zo vertelde mijn ongelovige vader. 
Deze zin maakte indruk op mij. Geloven in God. Allemachtig! 
‘Jullie gaan komend weekend naar de zondagsschool.’
Zo besliste mijn nadenkende moeder. 
‘Van Cees van der Bijl.’ 
‘Maar …. ‘, probeerde mijn vader.
Met een dubbele boodschap in mijn hoofd en met een dubbeltje in mijn 
6-jarige knuistjes liep ik met mijn broer Niko naar de oude Nederlands Hervormde Kerk waar, volgens ons, Cees van der Bijl woonde die in God geloofde.
De kleintjes gingen met de vrouw van Cees van der Bijl mee naar haar mooie, knusse huis tegenover de kerk. Ik dacht dat volwassenen alleen bestonden om je lastig te vallen, maar de vrouw van Cees van der Bijl (vrouwen hadden nog geen voornaam) deed iets bijzonders: ze luisterde naar je en ze stelde je vragen. En … ze vertelde prachtige verhalen! 
Zó mooi dat je ze geloofde. 
Toen we na de zondagsschool huiswaarts keerden vroeg ik aan Niko: 
‘Geloof jij nu in God?’
Peinzend antwoordde hij: 
‘Ik weet nog niet zeker of hij bestaat, maar hij bedenkt in ieder geval wél spannende verhalen!’
En de volgende zondag zaten we er weer. In het huis van de vrouw van Cees van der Bijl die mooie verhalen vertelde en tegenover de kerk van de man van Jans Vermeulen die in God geloofde. 
Negenendertig jaar later loop ik met een droevige boodschap in mijn hoofd en met een rouwkaart in mijn 45-jarige knuisten met mijn broer Niko naar de nieuwe Nederlands Hervormde Kerk, waar een oude bekende zijn woning gastvrij voor ons openstelt.
En Cees helpt ons.

71. Dorpsverhaal 49. Legende

Net als iedere zoon, geloofde ik mijn vader blindelings tot en met mijn 12e jaar.
Daarna verminderde dat heilige geloof vrij snel. 
Maar dit terzijde. 

Ik wil het hebben over een heel ander persoon: Anton van Beers. 
Anton was, behalve bikkelende linksback, tevens de snelste sprinter in het Eerste van Nierup. Het belangrijkste, enigszins risicovolle, kenmerk van deze sprintstijl was dat Anton de gewoonte had om later te vertrekken dan zijn tegenstander. Hij wekte aanvankelijk zelfs de indruk achteloos te kuieren. Dit was echter allemaal sluwe Beersiaanse tactiek, want plotseling versnelde Anton dan zijn loop om deze vervolgens iedere pas razendsnel op te voeren. En in dat opvoeren geschiedde het wonder: 
naarmate Anton sneller ging rennen, helden zijn rug en hoofd steeds meer voorover totdat zijn neus op gelijke hoogte belandde met zijn bekken. Zijn bovenlichaam lag dan geheel bewegingsloos horizontaal, terwijl zijn onderlichaam razendsnel voort ijlde. Dit was hét teken dat Anton op topsnelheid lag!
Mijn vader analyseerde deze unieke sprintstijl eens als volgt:
‘Anton van Beers loopt ónder de wind door.’ 
Ja, dát was het ultieme: ónder de wind doorlopen. 
Niemand kon het, Anton wél.
Op een keer, tijdens een pupillentraining, daagden wij onze trainers Dirk Boeve en de gebroeders Henk en Anton van Beers uit voor een sprintwedstrijdje in de gymzaal. Tot onze grote verbazing won niet Anton die wedstrijd maar Henk. 
Peinzend over deze onnatuurlijke gang van zaken slenterde ik huiswaarts en vertelde welke gebeurtenis zich op onze training had afgespeeld. 
Mijn vader sprak de geruststellende woorden: 
‘Ja, nogal logisch dat Anton niet won. In de gymzaal staat geen wind.’ 

De volgende dag werd ik 13 jaar.

70. Dorpsverhaal 48. Levenskunst

Op Koninginnedag 2009, overleed een bijzonder persoon: Ted Klaver.
Maar laat ik bij het begin beginnen.
De Niedorper gemeenschap zal Cor en Ada Klaver nooit genoeg kunnen bedanken voor het openen van Bar de Maurits op 14 maart 1975. De bar vulde een rampzalig gat dat was ontstaan na het afbranden van dorpscafé de Prins Maurits op 13 september 1973.
Vanaf 1978 zwaaide Ted Klaver tien jaar lang op geheel eigen wijze de scepter in de bar. Ted had een verfijnde smaak, subtiele humor en een haarscherp gevoel voor de juiste muziek op het juiste moment. De perfecte ingrediënten voor gezelligheid.
Er waren echter Kolhornse ‘gasten’ die dit unieke vakmanschap niet op waarde wisten te schatten en aangezien alles van waarde weerloos is en was, begonnen ze de boel en de bezoekers maar kort en klein te slaan.
De conversatie, de sfeer en de muziek die Ted creëerde, bracht ze in verwarring. Hun wereld bestond uit brallen, vechten en vernielen en onze wereld uit praten, lachen en gezelligheid.
De omslag kwam toen Ted iemand aanstelde als portier en barkeeper: Jan Oord.
Jan bezat het zeldzame vermogen met beide werelden goed om te gaan. En zo beleefden we prachtige feesten onder het soepele beheer van een vredestichtende portier en een legendarische eigenaar.

In het uitgaansleven zie je meteen dat alle mensen ongelijk zijn. Agressieve uitsloverij past niet in een gezellige kroeg. Goed uitgaan is een levenskunst die niet iedereen beheerst.
Als je geen talent hebt, moet je het spel niet spelen. Vroeger niet en nu niet.

69. Dorpsverhaal 47. Onzichtbaar

Voorheen vond ik alles en iedereen in Nierup heel normaal. Later veranderde dat en begon ik steeds méér mensen steeds mínder normaal te vinden. Zelfs abnormaal.
Zo vond ik voorheen onze melkboer Henk Bruin en zijn melkboerin Riet Bruin hele normale mensen. Gewoon, aardig, gezellig. Getrouwd, kinderen, melkzaak. Wat is er normaler dan dat? Ze deden ook altijd heel normaal: hard werken, lachen, bezorgd zijn, feestvieren, meedoen met dorpsactiviteiten en wonen in een normaal huis.
Iedereen vond het heel normaal dat hun deuren altijd gastvrij openstonden en dat veel jongeren daar tijdens Floralia’s en kermissen in en om het huis rondliepen, neerploften op stoelen en banken of bleven zitten om te kletsen. Die jongeren vonden het toen ook heel normaal om niet Henk en Riet te zeggen maar: vader en moeder Bruin.
Als er avonturiers een jaar of langer op reis gingen naar verre vreemde streken, dan ontvingen zij in die tropische landen lange en warme brieven: van Henk en Riet Bruin. 
In een rampjaar namen ze kinderen op die hun moeder waren verloren en hun vader kwijtgeraakt. Vader en moeder Bruin vonden het heel normaal dat ze klaarstonden toen de nood het hoogst was, opvang in hun eigen gezin regelden en liefde gaven.
Een leven lang.
Engelen bestaan en ze wonen vlak bij ons in de buurt. Ze verkleden zich dagelijks als normale mensen, omdat ze niet van opvallen houden. Toch zijn ze gemakkelijk te herkennen, aangezien verklede engelen in wezen maar één ding doen: wijzen naar ons eigen hart. 
In een land waarin de stelregel is ‘doe maar gewoon’, is dit inderdaad erg ongewoon.
Zelfs abnormaal.

68. Dorpsverhaal 46. Westfriese conferences, deel 2. De gebroeders Iendebak

Ik weet niet of jullie de gebroeders Iendebak uit Nuwe Nierup kenne. 
Arie en Dirk Iendebak wasse twai meubelmakertjes in Nuwe Nierup. 
En ze hadde un hoop meubeltjes ripereerd en ze hadde un hoop meubeltjes verkocht, en op un goeie dag zaide Arie teuge zun broer Dirk: ‘Wai gaan vaif dage nee Perais.’
En ze troffen ut mooi, want ze hadden un mooie bus, maar ze hadden un rotlaider. Want toen ze seevus in Perais ankwamme, toen zai die laider: ‘Main taak zit erop. Dut is Perais. Red je.’ 
Maar de Iendebakke wasse voortvarende Westfrieze en Arie zai teuge Dirk: ‘We gaan an de kuier.’ 
Nou moet je je dat effies voorstelle: twai Westfriese mensies in dat grôte Perais!
En ut was streetje in en ut was streetje uit en op un end kwamme ze hillegaar in dat grôte Mont Martele. 
En Dirk zaide: ‘wil je wel glauve dat ik loop te gille van de dorst?’ 
Nôh’, zai Arie, ‘den kope wai un potje bier.’ 
Nôh’, zai Dirk, ‘weet jee wat bier is in ut Frans?’ 
‘Ik niet’, zai Arie, ‘maar ik red me.’
En ze ginge zo’n kafeetje in en ze zate op witte stoeltjes en an un rond tafeltje en toen zai Arie: ‘Geef main urs un briefie met un potlôôd.’
En hai tekende op ut briefie un bierglas. Hai wenkte de ober, wees op ut glas, met twai vingers in de lucht en prompt stonde die twai potte bier op tafel. 
Hai zai: ‘Speek ik Frans of spreek ik ut niet?’
Nou zat ur effies verderop een Fransessie. Pittig waiffie hor, pittig waifie. 
En ze had aldurs knipoogt nee de manne, want ze zag ur brôôd in.
Dirk zaide: ‘Ik zou nog wel urs un glas van die Franse landwain wille jôh, dat moet bar leker weze.’ 
‘Nôh, kom op met je brieffie’, zai Arie. 
En hai tekende op ut brieffie een wainglas, wenkte de ober, wees op ut glas, met twai vingers in de lucht. En prompt stonde die twai glaze wain op tafel.
Leet nou dat Fransessie nee hullie tafeltje komme. En leet ze nou naast dat wainglas …. un klain ledikantje tekene. 
En toen zai Arie teuge Dirk: 
‘Hoe is ut gos mogelijk dat zai weet dat wai meubelmakers benne!’