67. Dorpsverhaal 45. Westfriese conferences, deel 1. Ut fanfarekorps van Ierswoud

Ut fanfarekorps van Ierswoud bestond zeuventig jaar! Ik zal ut nooit vergete.
Toen seeves de voorzitter, de penningmeester en de sikrutarus de feeszaal in kwamme, toen zai de voorzitter: ‘Benne dur gien blomme? Dur moete toch blomme komme? De hille feeszaal loopt aasus vol volk. Dur moete toch blomme op tonil staan, dur moete toch blomme in Ierswoud ok komme?’
‘Ja’, zei de sikrutarus, ‘dat is miskien wel vergete.’
En de penningmeester had ur ok niet an docht, maar toen zai de sikrutarus:
‘Op ut blakon van Arie Klôsterboer stane 12 potte guraniums, miskien kenne we die ur wel afslepe.’
Dat vond de voorzitter un lumineus idee en zo raakte de manne met un kartje op luchtbande en un klain laddertje mee deur ut skemerugge durp nee ut huis van Arie Klôsterboer. En ut laddertje ging bai ut balkon op, en de sikrutarus stond bove, de penningmeester stond halfweg en de voorziter stond onderan. En ze gave mekaar de potte deur. En toen ze dur van de twaaluf vaif op ut kartje hadde staan, toen kwam de pliesie.
Hai zai: ‘Wat moet dat met die potte!’
‘Ôh’, zai de voorzitter, ‘Klôsterboer is morruge jarig, we zalle un blompie op zun balkon zette.’
‘Nôh’, zai de pliesie, ‘dat wul ik niet hewwe, ut is alemaar wat, ut is den dut en den dat en nou weer met die potte. Voorut, dur of die potte, allegaar of!’
En zo raakte de potte met toestemming van de pliesie nee ut feeszaaltje van ut zeuventug jarug bestaan van ut Fanfarekorps in Ierswoud.
En ut werd un monsterluk feest, ut werd un prachtfeest. En toen seevus om een uur of ien de pliesie kwam, duzellufde de Leeuw, toen zai ie:
‘Ik kom urs kaike jôôs, want ut wordt aas sluiterstaid.’
‘Ôh’, zai de voorzitter, ‘neem effies un slokkie de Leeuw.’
‘Nee’, zai de Leeuw, ‘ik ben in functie.’
‘Ôh jôh, ien den.’
‘Nôh vooruit den, ien den.’
Maar de voorzitter trakteerde. En de penningmeester trakteerde. En de halluve zaal trakteerde. En de Leeuw was dronke.
En ut was om twai uur sluite en om halluf vier danste ut fanfarekorps nag volop.
Arie Grôôt had de pliesiepet op. De pliesie zat zelluf onderan un tafel. De pliesie had zun uniform los en toen tikten-ie de voorzitter zo an. Hai zaide:
‘Hoor us effe jôh, hoor us. As ut nou waar is dat die Klôôsterboer morruge jarig is, ken je die potte dur straks wel effe op zette hoor.’

66. Dorpsverhaal 44. Dwarsheid

Om enigszins grip te krijgen op het karakter van de Westfries, is het nuttig hem te observeren als hij discussieert. Wat dan meteen opvalt is dat de Westfries veelal niet zozeer discussieert op basis van argumenten, maar meer om zijn identiteit en zijn rol te bevestigen. Hij weet dan waar hij staat, zowel in het leven als ten opzichte van de ander en dat geeft zekerheid. 
Als een Westfries érgens veel van houdt dan is het zekerheid. 
Wat wil je ook? 
Na eeuwen van onzekere strijd tegen water, rampspoed en overheersers, om nog maar te zwijgen van zijn privé situatie, heeft hij maar één ding nodig: zekerheid. 
Daarom is een Westfries nooit helemaal zeker van zijn oordeel, maar hij wekt graag de indruk dat hij dat wél is. Met trots noemt hij zichzelf ‘dwars’ en de meest gebezigde uitdrukking in de cafés in Westfriesland die bij dat ‘dwarse’ hoort is: ‘ZEKER WETEN!’
Met hoofdletters. 
Als hij dat, na zijn ongetwijfeld boude uitspraak over politiek, voetbal of lekkere wijven, zegt, is het de bedoeling dat hij heel zelfverzekerd kijkt, een klap op de bar of op tafel geeft, zijn hoofd meerdere keren traag en gecontroleerd op en neer knikt, dan zijn gesprekspartner recht aankijkt en daarna de ultieme bevestiging uit van zijn twijfelloze zelfverzekerdheid door te roepen: ‘Jahaa!’ En terwijl hij dat roept wordt er van hem verwacht dat hij zijn ogen sluit in een zodanige superieure twijfelloosheid dat het iedere verdere discussie niet alleen uitsluit, maar bij voorbaat tot een zinloze en volkomen belachelijke actie degradeert. 
Dit veel voorkomende gedrag en deze code heeft een niet onbelangrijke functie, want ergens is de Westfries bang. Bang dat als hij zijn controle verliest, dat dat water van vroeger hem weer overspoelt, die overheerser hem weer overheerst en die rampspoed alles weer vernietigt wat hij heeft opgebouwd. Om van zijn privé situatie, afijn, u begrijpt het inmiddels wel.

Een ander voorbeeld van deze dwarsheid zien we in de kolfwereld waar gummikolvers en sajetkolvers elkaar bestrijden. 
Waarom twee soorten ballen in één spel? Vraagt een normaal mens zich af. 
De Westfries stelt deze vraag niet, want hij vindt twee ballen logisch.
In deze oude richtingenstrijd tussen gummi en sajet, in deze twee soorten kolfballen, zien we het Westfriese karakter en zijn omgangsvorm terug: 
de weigering het met een ander eens te zijn en tóch met hem om te gaan.
Dus als je lekker allemaal al eeuwen met sajetballen kolft, is er altijd wel een Westfries die iets anders gaat uitvinden. Een buitenstaander zou dan denken dat hij iets uit gaat vinden om het béter te maken. Dat is logisch, denkt de buitenstaander. 
Maar de Westfries heeft zijn eigen logica en vindt iets uit met als énig doel om het vooral níet met de ander eens te zijn. Dat vindt hij prettig. Dus vindt iemand een gummibal uit, niet alleen om mee te kolven, maar vooral om tégen de sajetbal te kolven. 
Er móet namelijk een tegenpartij zijn. Er móet iets zijn om je tegen af te zetten anders leeft de Westfries niet. Niet echt. Hij weet dat hij dat doet om straks, na de heftige strijd tégen de ander, mét die ander gezellig na te zitten. Gezelligheid vaart wel bij concurrentiestrijd. Die strijd wordt in Westfriesland aan de bar voortgezet in katten en jennen en sarren en plagen en in elkaar zogenaamd niet mogen. Het is juist in dat ‘zogenaamde’ waar de kern van de sterke band tussen de Westfriezen ligt, want ze hebben elkaar nodig. Vroeger tegen het koude wilde water en de gevaarlijke overheersers en nu tegen de grotere, sterkere buitenwereld. Een wereld om je tegen af te zetten en een wereld die je nodig hebt. 
Maar dat laatste zeggen ze niet snel in Westfriesland: ‘Ik heb je nodig.’

Dwarsheid is het tegenovergestelde van kwetsbaarheid.
Snapt u?

65. Dorpsverhaal 43. Kermis

Hij zat na het Luilakken met Pinkster achter zijn speelgoedkraam op het Kerkplein en met Schutkermis op het erf van Jan Leegwater, wiens boerderij ‘Uit de schaduw in het licht’ heette. Dik, sigaar, pet op en zittend op een krukje. Jaap Vod. 
Toen Jaap stopte met het vak, dreigde er paniek uit te breken bij de kinderen in het dorp. Maar Jaap had de bedrijfscontinuïteit goed geregeld en hij werd opgevolgd door zijn zoon Nico. Dus noemden we hem Nico Vod.
Het was de mooiste kraam van de kermis, want alles lag door elkaar, dus was het net alsof je overal in kon graaien. Bovendien voelde Jaap haarfijn aan wat kinderen wilden: spanning en speelgoed. Zo kon je aan touwtjes trekken waarvan je nog niet wist welk stuk speelgoed eraan zou blijven hangen. Als je dan teleurgesteld keek, verzon Jaap snel een list en gaf je een nieuwe kans of een groter stuk speelgoed. Want daar ging het om: groot. Groter dan de ander en alles voor jezelf. Lekker pûh!
Dat was de kermis, voor kinderen, in de buitenlucht. Met de zweefmolen, de schietkraam van Blokker en de patat van Alles. 
Dat stond op zijn kraam: ‘Patat van Alles!’ 
Door dat uitroepteken kreeg ik zin in die patat. Ik vond dat slim van Alles, 
dat uitroepteken. Goed bedacht.
Zo heette hij.
Alles.
Grote man in kleine kraam met lekkere friet. Nou ja, het was eigenlijk geen kraam, maar het patatgedeelte vormde een eenheid met de auto die eraan vast zat. Alles kon zó wegrijden met zijn kraam en zijn mobiele eenheid en dan óp naar de volgende kermis.
Ik dacht altijd dat die grote Alles in zijn kleine kraampje wóónde. Dag en nacht.
Dat vond ik erg voor Alles, want Alles was te groot voor zijn te kleine kraam. 
Ik vond het nóg erger, omdat ik Alles nooit buiten zag. Altijd maar binnen. 
En binnen was alles te klein en Alles zélf was te groot.
Hier kwam nog bij dat ik Alles ook nooit zag rijden in zijn mobiele eenheid. Altijd maar patat bakken en verkopen, kromgebogen met zijn hoofd tegen dat lage kleine plafonnetje. Alleen als hij je het zakje patat aanreikte kwam zijn hand even buiten het luikje. Alleen de hand hapte naar lucht, maar Alles zelf niet. Hij bakte door. Alleen.
Het leek me wel lekker voor Alles als de kermis voorbij was. Dan hoefde hij niet meer te bukken en zo krom te staan. Lekker languit liggen en uitstrekken op de vloer van zijn patatkraam, want Alles ging niet naar buiten. Nooit.
Ik gunde Alles die uitgestrekte liggende positie, maar zag ook wel in dat dat slechts een tijdelijke oplossing was. Echter, hoe graag ik hem ook wilde helpen, ik kon het probleem niet oplossen voor Alles. Bovendien had ik genoeg aan mijn patat. Als ik dat had dacht ik nergens meer aan, ook niet aan Alles. 
Of het nu patat mét was of patat zónder met.

64. Dorpsverhaal 42. ‘Schrijf maar op voor Gert Benit’

Gert Benit zat ook ‘op de Soos’, de sociëteit, de wekelijkse biljart- en kolfavond in de Prins Maurits.
Hij was aardig, stug en deed geen vlieg kwaad, overdag, maar ik heb de grootste en dapperste mannelijke helden, die alles al hadden meegemaakt en door wilde stormen waren gegaan in hun leven, in paniek zien sidderen voor Gert Benit als Gert hun tegenstander was op de biljartavond. Gert was, wat ze noemden, een sloper. Hij bracht zijn tegenstanders regelmatig tot grote wanhoop, want hij beheerste niet het subtiele kleine spel, maar wél het brede ruime spel. Nou ja, beheersen. Hij maakte het spel eerder totaal onbeheersbaar door met harde stoten binnen de kortste keren alle dicht bij elkaar gelegen ballen zo ver mogelijk uit elkaar te stoten tot ze in alle hoeken van het biljart lagen en de volgende stoot voor de tegenstander een onmogelijke opgave werd. Niet te maken. En Gert ging dan na zijn keiharde stoot meteen zitten en wachtte af. Met gesloten mond. Bloedserieus. 
Deze onmogelijke stootbeelden stonden al snel bekend onder de nog altijd gebezigde uitdrukking: ‘Gert Benit ballen’. Als je een Gert Benit bal krijgt, berg je dan maar en begin er maar niet aan, want de bal is niet te maken. ‘De bal is niet te maken’ wil in biljarttermen zeggen dat je weliswaar de gelegenheid krijgt een bal te stoten, maar dat het absoluut zeker is dat het geen punt zal opleveren, geen carambole. Dus niet aan beginnen, want je verlies staat bij voorbaat vast. En je vernedering.
Gert Benit was alles wat een goede biljarter niet was: groot, mank, boer, oud en grove vingers. Gert was niet iemand voor de subtiele piqué en massé, die gemaakt worden met de knie op de biljartrand, de keu verticaal omhoog, de rechterpols soepel op en neer bewegend en de verfijnde vingers van de andere hand wijd gespreid op het groene laken om de noodzakelijke steun aan de keu te geven die daar lichtjes op en neer langs glijdt.
Nee.
Dat deed Gert allemaal. Helemaal. In de verste verte. Absoluut. Niet.
Gert deed dat nóóit. 
Hij hield de keu altijd met beide grove handen muurvast en stevig vastgeklemd, alsof hij hem ieder moment kon vermorzelen of kon breken. Hij hield de keu ‘vals plat’, dat wil zeggen dat het léék alsof hij de keu horizontaal had, maar in werkelijkheid hield hij hem schuin omhoog van achter, zodat de keu aan de voorkant schuin omlaag richting laken en ballen ging. Dé ideale houding om het laken te doen scheuren. Gert gaf dan in die houding zijn stootbal vanuit zijn hele achterarm een enorme oplawaai over zes banden of meer waarbij noch van tevoren noch tijdens de loop der ballen helemaal duidelijk werd waar de ballen heen zouden gaan rollen. Er was maar één uitkomst altijd absoluut zeker: de tegenstander zou een Gert Benit bal krijgen.
Niet te maken.
Die bal.
Wanhoop.
In het dorp bestaat de uitdrukking: ‘Schrijf maar op voor Gert Benit.’ Dit zeggen mensen wel eens als grap aan het begin van de kolf- of biljartavond als de ober hun bestelling opneemt. De oorsprong van deze uitdrukking komt uit Luxemburg.
Mijn vader was daar eens met zijn compagnon Herman Vrede aan het stappen zonder geld op zak. Na de eerste bestelling in het café te hebben gedaan zei mijn vader tegen de Frans sprekende barkeeper: ‘Schrijf maar op voor Gert Benit.’
De goede man kende noch Nederlands noch Gert Benit, maar mijn vader wist hem toch te bewegen de consumpties op de rekening te zetten onder de naam Gert Benit. Halverwege de avond nam een andere barkeeper de plaats in. Even later stapten mijn vader en Herman op, maar werden tegengehouden door de nieuwe barkeeper met de rekening onder hun neus gestopt. Mijn vader liet de Luxemburger vol overtuiging zijn paspoort met de naam Jan Stammes zien. 
Er bleef de man niets anders over dan hen beleefd en zonder af te rekenen uitgeleide te doen. Met dank aan Gert Benit.

63. Dorpsverhaal 41. Westfriese vertelkunst (3)

Zoals we bespraken in het vorige hoofdstuk zijn we inmiddels via
a. Het voorgesprek
en
b. De inleiding
aangekomen bij
c. Het vervolg op de inleiding van het gesprek.

Het vervolg op de inleiding, dat deel uitmaakt van het voorgesprek, gaat dan bijvoorbeeld als volgt. En denk eraan: we zijn in Westfriesland, de koffie pruttelt en we hebben álle tijd van de wereld.

‘Ken jij Siemen van der Oord nog?’

‘Siemen van der Oord?’

‘Ja, Siemen van der Oord ja.’

‘Is dat niet die man die getrouwd was met Pleuntje Speets?’

‘Ja, maar dat was zijn tweede vrouw.’

‘Ôh. Wie was dan zijn eerste?’

‘Dat was Trui Wit, maar die is jong overleden en Siemen was nog niet uitgekeken.’

‘Ja nogal wiedes. Zeg, Siemen woonde toch bij de school?’

‘Nee, dat was zijn broer, Cor.’

‘Ôh, maar hij hád daar toch gewoond?’

‘Nou, hij woonde eerst een tijdje vlakbij de kerk, maar dat beviel hem niet zo.’

‘Ôh, waarom niet?’

‘Er was teveel lawaai daar, zei Siemen. Hij verhuisde toen naar de Zaagmolenstraat, nog voordat die straat verlengd werd met nieuwbouw. Hij woonde aan het eind, in zo’n wit huisje. En daarachter stond vroeger de oude zaagmolen, waar de Zaagmolenstraat naar vernoemd is.’

‘Waar is dat precies?’

‘Nou, als je langs Rein Rougoor loopt, je weet wel, de postbode die ook kapper is, en waar die nieuwe meester Oosterhof in de kost is, en dan even verder, aan het eind.’

‘Daar woont toch die familie van Gelder?’

‘Ja, nou, dáárachter.’

‘Je bedoelt, waar nu Rinus Kossen woont en ook Bertus Bos?’

‘Ja, precies daar ja.’

‘Is dat die Siemen van der Oord die in de Kalverstraat in Amsterdam liep en een blaffend hondje zo’n enorme trap gaf dat die door de lucht vloog?’

‘Ja, precies, die ja.’

‘En die Siemen van der Oord is toch nog familie van Trudy Band?’

‘Trudy Band?’

‘Ja, de vrouw van Jan van Herwerden.’

‘Van de garage van Peereboom?’

‘Nee, dat is de andere Jan van Herwerden. Van de benzinepomp. Ik bedoel Jan Pep. Van de fanfare.’

‘Ah, die Jan. Ja, die ken ik wel. Barre kerel.’

‘Ja, zeker, barre kerel. Nou, zijn vrouw is Trudy Band, je weet wel, van de gymvereniging Sparta, die gaf les met Gon Keetman en Geertje Hannema.’

‘Geertje? Die later pedicure werd?’

‘Ja, die ja.’

‘Nou, de moeder van Trudy Band is een van der Oord, Geertje van der Oord. En haar man was Piet Band.’

‘De olieboer uit Winkel zeker?’

‘Precies.’

‘En die Geertje van der Oord was de dochter van Siemen van der Oord. Dus Siemen is de opa van Trudy Band.’

‘Oh vandaar. Is het trouwens Trudi met een i of Trudy met een y?’

‘Volgens Jan Pep is het officieel Trudi Band met een i. Zo staat het tenminste in haar geboorteakte. Maar, zo schreef Jan eens in een ingewikkelde brief aan iemand, toen Trudi met Jan ging trouwen moesten ze die naam iets deftiger maken, omdat Jan in een oeroud aristocratisch milieu was opgevoed en daar was geen plaats voor eenvoudige ambachtslieden waartoe haar familie behoorde. Daardoor is het Trudy geworden. Met y.’

‘Is dat echt waar?’

‘Nou ja, Jan heeft dat geschreven aan die persoon in zijn ingewikkelde brief, dus dan zal het wel zo zijn.’

‘Oh ja, ik snap het. Jan aristocraat, oeroud, dat wist ik niet.’

‘Nee, Trudy ook niet. Zo zie je maar.’

‘En die kinderen van Jan en Trudy, die zie ik nooit meer. Waar zijn die?’

Die wonen in Alkmaar.’

‘Oh ja, dat gaat tegenwoordig zo hè, ze gaan allemaal weg die jongeren.’

‘Ja, dat is zo. Maar goed, ik had het over Siemen van der Oord. Barre kerel. Luister.’

En nu pas is de luisteraar voorzien van voldoende informatie en klaar voor wat komen gaat. Hij leunt achterover en luistert naar het verhaal.
Het verhaal over Siemen van der Oord:

In de dertiger jaren van de 20e eeuw ging de toenmalige jeugd op de zaterdag- en zondagavond ‘stappen’. Het was dan de gewoonte om bij thuiskomst, vaak diep in de nacht, nog even na te praten over de beleefde gebeurtenissen. Deze bijeenkomsten vonden plaats in de ‘Kerrukkekestreit’, het plein voor de N.H. kerk.
Op één van die nachten kwam er iemand op het onzalige idee om een deksel van een putje van de riolering te lichten en hiermee langs het gietijzeren hek van de kerk te lopen, hetgeen natuurlijk tot in de verre omtrek een hels kabaal veroorzaakte. De mensen die daar in de buurt woonden werden allemaal gestoord in hun nachtrust en er werd heel wat gemopperd, want dit was toch geen manier van doen.
Op de één of andere manier werd er politiewerk van gemaakt en een paar van de boosdoeners moesten in Alkmaar voor de rechter verschijnen. Vlak naast de kerk woonde toen Siemen van der Oord. Deze man was getuige, want iemand had hem daar die nacht gezien toen hij het hele gedoe stond aan te kijken. Toen hij voor de rechter als getuige moest verschijnen en deze hem vroeg:

‘Getuige van der Oord, wat heeft u die bewuste nacht vernomen?’,
antwoordde Siemen:
‘Edelachtbare meneer de rechtbank, ik heb die nacht slechts enig geritsel gehoord, maar meer ook niet.’

Op het gelaat van de rechter verscheen een lach, hij bedankte Siemen voor de getuigenis en sprak de lawaaimakers vrij.
Zo vestigde zich de faam van Siemen van der Oord als de Don Corleone van Nieuwe Niedorp. Vér voor de verfilming van ‘The Godfather’.

62. Dorpsverhaal 40. Westfriese vertelkunst (2)

Verder terug in de tijd waren er ook dorpsbewoners met onvermoede talenten.
Zo sprak men met ontzag over de naam Siemen van der Oord.
De basis van dit ontzag vindt zijn oorsprong in het volgende Maffia-achtige verhaal.
Maar laat ik van tevoren even iets uitleggen. We zijn hier namelijk in Westfriesland en als je in Westfriesland een verhaal vertelt, dan begin je niet zomaar. Dat kan helemaal niet, want niemand luistert. Men is er nog niet klaar voor. Bovendien ligt het tempo van de conversatie laag, want men past zich aan de seizoenen van de oogsten aan en iedere oogst kent zijn eigen vaste tijden en ritmes. In het verhaal kan dus ruimschoots bij nutteloze details worden stil gestaan, want je hebt tijd zat.
Je zegt dus niet: ‘Ik sprak laatst Truus Blauwboer nog.’
Nee.
Fout.
Niet doen.

Je zegt:
‘Iemes leste liep ik deur ut deurp. En ik keek zo urs in de verte. En ik dogt bai mun aige: as je nou niet beter wiste. Den komt deer Truus Blauwboer. En toeze digterbai kwam, was utter ok nag.’

Vertaling:
‘Ik liep laatst door het dorp, en ik keek zo eens in de verte, en ik dacht bij mezelf: als je nou niet beter wist, dan komt daar Truus Blauwboer aan. En toen ze dichterbij kwam was het haar ook nog.’

Kijk, zo doe je dat in Westfriesland. Niet te snel en met oog voor detail.
‘Ik keek zo eens in de verte’.
Dat deed hij, dus dat moet erbij verteld worden, dat is belangrijk.
Ook de punten aan het eind van de zin zijn van belang. Dat betekent dat de zin een zelfstandig geheel vormt en dat het enige tijd duurt voordat de volgende zin uitgesproken gaat worden. De spreker geeft zodoende de luisteraar de gelegenheid de zojuist uitgesproken informatie tot zich te nemen en er zijn eigen conclusie aan te verbinden. Vandaar die punt. Die pauze. Rust. Alle tijd.
Pas aan het slot verdwijnen de punten en voeg je alleen nog maar komma’s in. Als je veel durft laat je ze helemaal weg. Het verhaal loopt op zijn eind, dus kan het vaart krijgen. Voor die vaart is het nodig dat je de woorden loslaat, zodat er een snellere stroom op gang kan komen. Die snellere stroom, dat is de climax van je verhaal. Althans, van je inleiding, want we zijn er nog lang niet. Het verhaal komt later, we beginnen pas. We zijn in Westfriesland.

Wil het verhaal écht op gang komen dan is de volgende stap om allerlei belangwekkende informatie in kaart te brengen voor de toehoorder.
Vanaf het begin moet volkomen duidelijk zijn over wie het gaat. Niet alleen zijn naam, maar vooral zijn karakteristieke kenmerken. Die kenmerken herhaal je dan. Niet één keer, maar meerdere keren en steeds in andere bewoordingen. Zo probeer, je via deze verteltechniek, te bewerkstelligen dat de informatie die je verschaft diep doordringt bij de luisteraar, want eerder kun je niet verder.
Dus als je over iemand wilt spreken die rijk is, dan zeg je niet:

‘Dat is Piet en die is rijk.’

Nee.
Fout.
Niet doen.

Je zegt:
‘Wai hadde bai ons op ut deurp un boerekirrul. En dat was un raike kirrul. Dat was un kirrul met sente. En ut was un hille raike boer en en zun ouwers en voorouwers wazze ok al raik, want hai had un hoop urrefgoed en hai had allegaar sulvere lepels op tafel en porselaine borde. Dat was un man, die zattur goed bai. En die raike kirrul. Dat was Piet Tuinman.’

Vertaling:
‘Er was bij ons op het dorp een boerenman en dat was een rijke man. Dat was een man met centen. En het was een hele rijke boer en zijn ouders en voorouders waren ook al rijk, want hij had veel erfgoed en hij had allemaal zilveren lepels op tafel en porseleinen borden. Dat was een man die er goed bij zat. En die rijke man was Piet Tuinman.’

Dit is alleen nog maar een korte, doch noodzakelijke inleiding. We zien hier tevens dat de verteller geoefend is, want het eerder genoemde principe van vaart brengen in het verhaal, gebeurt hier al middenin het verhaal. En aan het eind gebruikt hij de punten weer. Een rasverteller waarmee we ons voordeel mee kunnen doen in deze minicursus Westfriese vertelkunst.
Nu de belangrijkste kenmerken van de hoofdrolspeler bekend zijn, kun je verder gaan.
Niet met het verhaal, maar met het vervolg op de zojuist ingezette inleiding, want de toehoorder wil nog veel meer met je bespreken voordat je verhaal echt van start kan gaan.
Je gaat dus door en vertelt dan waar hij woont en vooral ook: waar hij daarvóór heeft gewoond en wat de reden was van zijn verhuizing. In die uitleg moet er dan ruimte zijn voor nieuwe uitwijdingen over buren en kennissen en wat daarmee gebeurd is.
Daarna wordt ingegaan op de familierelaties, wat de kinderen doen en of er ook sprake is van onoorbare praktijken of rare voorvallen in iemands leven. Doe je dat allemaal niet, dan krijg je verwarring en dat moet te allen tijde voorkomen worden. Zo’n voorgesprek heeft dus ook als functie om eventuele toekomstige fouten uit te sluiten en met respect voor de feiten. Historisch besef. En gezellig kletsen en ouwehoeren over de medemens die de historie maakt.

In het volgende hoofdstuk zullen we deze taalkundige theorie en verteltechniek weergeven in een concreet gesprek zoals die dagelijks in Wesfriesland moeiteloos plaatsvindt.
En oh ja, we hadden het over Siemen van der Oord.

61. Dorpsverhaal 39. De man mét gevoel en zónder regels

En er was Wouter Brander. 
Wouter bezat meerdere persoonlijkheden. 
Hij was heel technisch, briljant monteur en zowel anarchist als min of meer pacifist.
Hij had het unieke vermogen twee talen vloeiend naast elkaar te spreken en zei dan in hoogdravend Nederlands: 
‘Ja, kijkt u eens hier meneer, we hebben pacifisme nodig als tegenwicht tegen het gewelddadige kapitalistische systeem. We dienen heldere keuzes hieromtrent te maken, begrijpt u?’ 
En een tel later, als hij een mooie vrouw zag, sloeg hij plotseling om en riep uit:
‘Nôh, kaik nou urs wat un vurlegen pittig waifie deer loopt! Zuks hewwe wu toch nôdig hier, mense!’
Wouter was nerveus, praatte veel, luisterde minder en verzon verhalen die nooit waren gebeurd. Ik had dat eerst niet door, want ik geloofde hem. Totdat hij een gebeurtenis vertelde waar ik zelf bij geweest was en wat een totaal ander verhaal bleek te worden dan ik gezien had en veel mooier was.
Jazz.
Wouter liep zwierig, vooral als hij het naar zijn zin had of vond dat hij een geslaagde opmerking had gemaakt. Dan zweefde hij bijna. Het hoofd wat scheef naar links, de rechterschouder opgetrokken, de rechteronderarm horizontaal en het handje slap naar beneden hangend. Artistiek. 
Hij biljartte zoals hij muziek maakte: improviserend. Maar ik zoek naar een beter woord. Nauwkeuriger. Preciezer. Hij maakte stoten die nooit iemand eerder had gemaakt en hij herhaalde ze niet, want het ging niet om de overwinning bij Wouter, maar het ging om de uitvinding. 
Ja, dát is het woord, dát was zijn échte vak: Uitvinder.
Zijn allergrootste uitvinding creëerde hij tijdens een jaarvergadering van de Fanfare. Het jaar daarvoor had hij zich beschikbaar gesteld als secretaris en werd belast met het maken van de notulen van de vergaderingen. 
Geen geringe taak. 
Toen volgens de door hemzelf opgestelde en verstuurde agenda van de volgende vergadering de notulen aan de beurt waren, werd door een kritisch lid de vraag gesteld waar die waren. Wouter nam het woord en zei in zijn hoogste Standaard Nederlands: 
‘Meneer de voorzitter, het spijt me. Ik heb me tijdens de laatste vergadering zo laten gaan en me in al mijn enthousiasme zozeer gemengd in de discussie dat ik geen tijd kon vinden ook nog de notulen bij te houden. De notulen blijven derhalve dit keer achterwege. Mijn welgemeende excuses hiervoor.’ 
Wij, zestienjarigen, konden wel juichen. Notulen! Papier met regels, en met sub A en sub B, en leden die op punt sub C wilden terugkomen, en boze blazers die kommaneukten en miereneukten om agendapunt 4 of 5 van een vergadering van vorig jaar. 
En Wouter? Geen notulen! Hij had ze gewoon niet! 
Hogere vormen van vrijbuiterij en anarchisme zijn hierna nooit meer ontdekt in het land der muziekkorpsen. 
Wouter verliet het korps. De anarchist had zijn revolutie gepleegd.
Zijn top was bereikt. En zijn vrede.
Min of meer.

60. Dorpsverhaal 38. Het fanfarekorps (2)

Jarenlang zwaaide dirigent den Das de scepter en de dirigeerstok over het korps.
Hij had zo zijn voor- en afkeuren: 
‘Wat is erger dan een sopraansax? Twee sopraansaxen!’ 
En hij had dorst. 
Toen hij in beschonken staat in de auto naar huis werd gebracht, zat hij de hele rit op zijn knieën op de achterbank en keek glazig uit het achterraam naar buiten. Thuis aangekomen wankelde hij uit de auto en schudde zijn chauffeur dankbaar de hand: 
‘Wat kan jij geweldig goed achteruitrijden. En zo láng!’

Het fanfarekorps zou later pas professioneel gaan spelen, leren marcheren en promoveren door Theo van Herwerden. Theo was een van de zeer zeldzame jongens in het dorp die aan zijn militaire diensttijd een zinvolle invulling gaf. Niet door te schieten of te vechten, maar door bugel te spelen in de militaire kapel en te leren marcheren. Theo vond muzikaal oorlog voeren wel relaxt. 
Op mijn dertiende speelden we echter met het korps achterop een vrachtwagen door de straten, omdat één ouder lid niet goed ter been was. Om de afstand tussen twee dorpen snel te overbruggen gaf de chauffeur plotseling volop gas en vlogen alle muziekpapieren van de standaards de berm en de sloot in. 
Iedereen stapte geroutineerd en enigszins verveeld van de wagen om papier te gaan rapen, want het was niet de eerste keer dat dit gebeurde, ondanks de vele notulen die hier al aan gewijd waren. 
De penningmeester pakte zijn afgebroken takje uit zijn binnenzak, liep naar de sloot, reikte met het takje naar het papier en viste met bekwame en ervaren hand zijn eveneens wat vermoeid kijkende muziekpapier eruit. Hij wreef het droog over zijn kleren, klom weer op de wagen, pakte een knijper, pinde het papier vast op de standaard en keek om zich heen. 
Vol vertrouwen. 

Echter, het oudere lid en zijn been stierven en we gingen marcheren. 
Omwenteling!
Op een donkere avond marcheerden we over straat en bliezen, op de aanwijzingen van Theo, in gelid en in strakke uniformen als een professionele militaire kapel bij het licht van brandende fakkels. 
De fakkels waren niet alleen romantisch, maar dienden tevens ter verlichting van de noten op het muziekpapier. Kwestie van praktisch denken en uitvoeren.
Tót het begon te regenen en de fakkels doofden. Toen bleef er voor de ijverige muzikanten niets anders over dan razendsnel uit het strakke gelid te treden en in groepjes rondom de verlichtende lantaarnpalen te gaan spelen om nog enigszins de noten op de papieren te kunnen ontcijferen. 
Ja …. 
Het was een fanfare, maar improviseren kónden ze. 

Jazz!

59. Dorpsverhaal 37. Het fanfarekorps (1)

Je moest echt heel goed zijn als je bij ons in het dorp in het fanfarekorps wilde spelen. Dat ging niet zomaar, dus kreeg ik als dertienjarig jongetje muziekles van de befaamde altsaxofonist en vrachtwagenchauffeur Klaas Smit. Na een half jaar zwetend oefenen en bij de les blijven, was het zover: ik mocht vóórspelen in het korps. 
De ultieme test. Ik speelde vol verve de fanfareklassieker, de ‘Briket Polka’. 
Virtuoos! 
Natuurlijk. Twijfel kende ik nog niet, laat staan zelfkennis. 
Ik vond het leuk, die fanfare, en het was gezellig, maar eigenlijk wilde ik nog iets anders. Ik had noten geleerd van Klaas, maar wilde ze niet heel precies spelen. Meer eromheen en niet in de maat, maar ernaast. Later pas begreep ik dat daar een woord voor was: jazz. 
En nóg later begreep ik dat dit een manier van leven was. 
Improvisatie, intuïtie, humor. 
Maar zover was het nog niet, ik was dertien en improviseren en naast de noten spelen mocht niet. Dat was fout vonden de gerespecteerde oude fanfareleden. 
Toen we zestien werden en ook stemrecht wilden hebben op de vergaderingen probeerden dezelfde gerespecteerde leden dat opkomende vuur eronder te houden. En net als brandweercommandant Lakeman bij de Koninginnestook sloten ze hun gordijnen. Ze dreigden het korps te verlaten, liepen weg uit de vergadering en zegden hun lidmaatschap op. Een week later speelden ze echter weer mee, want ze konden wel zonder die muziek, maar niet zonder die fanfare. En wij niet zonder ons stemrecht, dus bleven wij ook. In de fanfare, niet in de harmonie.

Er waren ook ouderen met andere kenmerken: improvisatie, intuïtie, humor. 
Zo was daar de trompettende touringcarchauffeur Jan van Herwerden. Niemand noemde hem zo. Iedereen zei Jan Pep en niemand wist waarom.
Zo hadden we ook Martien Boertje, die noemden we Tijd.
Waarom? 
En Hans de Graaf en Cees Helder, die noemden we alle twee Miene
Geen idee. 
Meer logische bijnamen waren er ook. De voorzitter van de biljartclub was Piet Heneweer en we noemden hem Piet Retour. En de ober, Cor Angevare, noemden we Cor Lekgestote. 
Die zaten echter allemaal niet op de fanfare. Jan Pep wél. 
Jan was groot, dik en altijd op zoek naar scheuren in vaste patronen en naar lichtheid in de zwaarte. Improvisatie. Hij zei bijvoorbeeld midden in een serieus gesprek over bestuursbeleid: 
‘Als er iets wordt uitgevonden dat lekkerder is dan neuken, blijf ik het er evengoed gewoon bij doen.’ 
Dat was geen agendapunt van het gesprek, maar Jan vond dan dat het allemaal te serieus werd. En dan begon hij over neuken.
Hij deed ook het tegenovergestelde. Als iedereen gezellig met elkaar sprak, bleef Jan lange tijd heel boos kijken alsof iets hem enorm dwars zat. Net zolang tot iemand vroeg: ‘Wat is er aan de hand Jan? Je kijkt zo chagrijnig.’ 
En Jan antwoordde met norse blik: 
‘Mijn uitsmijters willen niet opkomen. Ik heb ze in het najaar geplant, maar er komt niks en al mijn geld zit erin. Dus ik weet niet of ik de zomer haal, de dooiers zijn ook al kapot.’

Jazz!

58. Dorpsverhaal 36. De miljardair en de dikke vrouw

Er woonden bijzondere vrouwen bij ons op het dorp en één daarvan was Aaltje Tuinman.
Ze woonde tussen garage Peereboom en de familie Sepers in. Sommige jongens beweerden stellig dat Aaltje wel duizend gulden had! Dus besloten we dat ze miljardair was.
Ze was óók miljardair, omdat haar huis altijd donker was. Geen licht, alleen een radiolichtje. Typisch miljardairsgedrag. Wij zouden dat anders doen, als we later groot en rijk waren. Grote lichten, daar ging het ons om en we riepen: ‘Later? Grote lichten!’ En rijk. Maar dat was al een uitgemaakte zaak.
Zo riepen we wel meer.
‘Die vrouw van Sinus Veldhoen is ploft’, zei mijn neef Hans, de zoon van ome Kees.
Geploft.
Hans kon het weten, want hij woonde er vlakbij, dus geloofden we hem meteen. Je ploft als je te dik bent en dát was de vrouw van Sinus. Véél te dik. Het verbaasde ons dat ze al niet eerder geploft was.
Wat ons nog meer verbaasde was dat de vrouw van de kolenboer nooit plofte. Dat was vrouw Dijkstra, de allerdikste, die tegenover de school woonde, de O.L.S. .
Tussen haar huis en de kolenschuur was een smal steegje en het verhaal ging dat ze op een dag vast raakte in dat steegje en geen kant meer op kon. Ze hebben de muren van het steegje moeten weghakken en toen kreeg ze pas weer lucht.
Maar ze bleef dik en plofte niet.
Vanuit de klas zag ik haar later eens door het steegje lopen. Niets aan de hand!
De steeg was veel breder dan vrouw Dijkstra en dat viel me tegen. Ik was verbaasd dat ze gewoon doorliep zonder vast te raken. Maar het verhaal bleef waar, want mijn vrienden hadden het zélf verteld en die konden het weten. Zoals gezegd, ze woonden er vlakbij.
Net als bij de vrouw van Sinus.