57. Dorpsverhaal 35. De Schulpweg, bejaardentehuis Nijerop, de slager en de bakker

Cor en Tini Kooij woonden net buiten het dorp op boerderij ‘Koetenburg’, 
niet ver van de Schulpweg, het smalle weggetje aan het eind van het dorp dat heden ten dage een chique villawijk is met permanente prijswinnaars tijdens de jaarlijkse Floralia. 
In de Schulpweg woonden allerlei mensen in eenzelfde soort ‘Lange Jammer’ als bij ons in de Westerweg. In deze huizenrij woonden de families Groes, Jellema, Oostra en Oord. 
Vader Jan Oord had een glazen oog. Op een dag zat hij bij Fer Keulen voor een verzekering. De dochter van Fer, Annemieke, die nogal spontaan uit de hoek kon en kan komen, komt binnen, ziet het oog en roept: ‘Nôh, wat is die man skêel!’
Er gebeurde wel meer bij de familie Keulen. Zo droeg Fer zijn dochter op een dag op om haar wratten te gaan verkopen aan Arie Oud.
Tegenover Oord en naast de Indonesische familie Caro, die er heel interessant uitzagen vonden wij, daar woonden twee oude dames, Alie en Hielke, en één van die twee noemde mijn vader ‘de Gelukspop’. 
Voorbij de Gelukspop woonden de rijkere mensen, zo hadden we besloten. Sommigen woonden in grotere huizen, zoals postbode en pupillentrainer Dirk Boeve met zijn ouders. 
Tegenover Dirk Boeve stond ‘De Maalderij’ waar hard sjouwende werkers als Sint van der Kooi, Kees van Eeten en later ook Bertus Bos bezig waren vanaf de lopende band grote meelzakken de vrachtwagens in te laden en er altijd spierwit bemeeld uitzagen. 
Aan het einde van de Schulpweg woonde de geheelonthoudende loodgieter Gert de Vries met zijn vrouw Aaf op het mooiste plekje van het dorp: aan de Rijd.
Tegenover de Vries stond de laatste woning van het dorp naast het bordje ‘Einde bebouwde kom’. Dat huis heette: ‘de Punt’. Hier woonde toen de familie Heemsbergen en later de gezinnen van de Amsterdamse voetbaltrainer Eric Brouwer en van de timmerende en voetballende Kees Sepers met zijn vrouw Tini de Geus en kinderen.

Als je terugliep uit buitenwijk de Schulpweg en je liep vanaf het Kerkplein,
‘ut Kerrukkeplain’, even door richting de speeltuin dan kwam je bij slager Maarten Dekker, later Gert Langedijk, nog later Peter Bleeker. Nu zit er een Pizzeria-boer.
Voor die laatste twee slagers brachten mijn broer Niko en ik op de zaterdagen het vlees rond in de slagersmand voorop de slagersfiets en dan kwamen we onze vriend Paul Breddels tegen met de bakkerskar van Simon Wijn. Vaak kwamen we samen aan bij het bejaardentehuis ‘Nijerop’ voor de nog goed ter been zijnde en nog niet zo erg zwakke bejaarden, zoals mevrouw Groot-van den Heuvel en Chris Berg met zijn vrouw. 
Die oudere mensen hadden zo hun eigen uitspraken. Bij mist zei de stokoude Brugman: ‘Klein wereldje, slager.’ 
Ik was zeventien en ze noemden me slager, terwijl ik nooit een koe had vermoord. 
Dat deden Maarten Dekker en Gert Langedijk wél. Die schoten nog koeien dood in de schuur. Peter Bleeker, zijn opvolger, schoot niet meer. Het slagersvak verloor zijn romantiek van zichtbare bloed, moord en doodslag. Saaie boel.

In Nijerop woonde ook Siep Booi. Siep was uiterlijk nog niet bejaard, maar woonde samen met zijn moeder, Antje Bruin, in het bejaardentehuis Nijerop. Siep was de gemeentewerker die je altijd op straat aan het werk tegenkwam met zijn collega’s Henk Oostra, Arie Arts en later Jan Bruin. De berm aanharken, herfstbladeren opruimen, de sluis schoonmaken, bestraten, maaien. Je kon het zo gek niet bedenken in het dorp of ze deden het. Vaak succesvol, niet altijd.
Op een keer reed ik langs Nijerop en zag dat het prachtige groene keurig onderhouden gazon voor het tehuis plotseling van de ene dag op de andere geel was geworden en totaal verdord. Siep had vruchtbaar zaad gestrooid over het gazon, maar niet het juiste. Gif. Bestrijdingsmiddel. 
Sommigen riepen ontzet: ‘Siep wordt te oud. Hoog tijd voor het bejaardentehuis.’
Maar hij zat er al. Met zijn moeder.
Als we het vlees bij zijn moeder kwamen brengen, zat ze altijd al klaar met haar mandje met de portemonnee erin. Stipt. Maar we kwamen op wisselende tijdstippen, want dat hing van de drukte af, van onszelf, onze zin en van de avond ervoor.
Dat zinde Siep niet, dus kwam hij op een dag razend aan de deur en riep luid: 
‘De ene keer kom je om half elf en de andere keer om elf uur. Dat moet over wezen! Je komt voortaan op één tijdstip! Om half elf! Hejjut hoord?!!’ 
En Boem! smeet Siep de deur met een harde zwaai dicht. Potdicht. 
Bij dit soort gebeurtenissen werd ik altijd gelukkig. Ik leerde het meest van de mensen die niet luisterden. Ze leerden me vooral hoe je niet moest leven. Dat scheelde me een hoop werk en zo leerde ik sneller dan ik had durven dromen. 
Mijn begrip voor Siep ontwikkelde zich wat trager. Pas toen mijn eigen deuren zich begonnen te openen.

In Nijerop leefde tevens Aaf Korver, die vaak sliep als we langskwamen en zelden de bel hoorde. Als ze dan eindelijk uit bed was, sprak ze alleen maar in het meervoud. 
Ze woonde alleen en plaatste dan bij Paul de volgende bestelling: 
‘Eén kadetjes graag, bakkers.’ 
Als Paul dat vertelde aan ons kreeg hij altijd de slappe lach en tranen in zijn ogen. Mijn moeder vertelde dat dat kwam door de puberteit. ‘Volwassenen lachen wel’, zei ze, ‘maar ze hebben nooit de slappe lach. Dat gaat over als je ouder wordt.’
De theorie van mijn moeder bleek niet helemaal te kloppen. Paul lapte haar theorie aan zijn laars en dat doet hij nog steeds. Misschien dat hij daarom als architect wel van die mooie gebouwen ontwerpt. Die slappe lach bevordert de creativiteit. 
Het zou verplicht moeten zijn op de Academie voor Bouwkunst. 
Met op het lesrooster: maandag 10-12 uur, lokaal 34, vak: de slappe lach, 
leraar: Paul Breddels. 
Gegarandeerd hoogstaande architectuur. En dat allemaal door één kadetjes.

56. Dorpsverhaal 34. Gerard van der Stok, nummer 100, het Michelin mannetje en Henkie Dekker

Op een paar honderd meter afstand van de school en van Meester Schutte was de sigarenwinkel van de lange manke Gerard van der Stok. Daar rook het altijd lekker, ook voor niet-rokende kinderen.
In de andere tabakszaak in het dorp had ook zeer tijdelijk een eigenaar gezeten, maar na een week bleek dat die allergisch was voor tabak. Gerard had het tegenovergestelde.
Het winkeltje van Gerard was kleiner dan Gerard zelf en hij paste er eigenlijk niet helemaal in. Iedere keer als hij vanuit de zijkamer via de gang het winkeltje binnenstapte leek er wel geen plaats meer voor de tabak. Alleen maar voor Gerard met zijn houten been. Als hij dat been optrok voor de volgende stap, hees hij zichzelf heel traag omhoog en leek hij nóg reusachtiger te worden dan daarvoor.
Dan keek hij op ons neer, vanuit de hoogte. In zijn piepkleine winkel met het lage plafond.
Gerard was kaal en ik dacht altijd dat er een verband moest bestaan tussen zijn haarloze schedel, het lage plafond en zijn houten been. Het leek wel bij elkaar te passen. Eén groot noodlot.
Het verhaal ging dat ze Gerard eens dronken naar huis brachten, hem in de kamer op de bank legden, weer naar buiten liepen en toen zijn houten been uit de auto haalden. Ze riepen: ‘Hier komt je poot, Gerard!’ En hup! gooiden ze het houten been van Gerard via het piepkleine sigarenwinkeltje richting de gang naar binnen. Om er weer aan te schroeven. Sociale daad.

GOD EN MEVROUW KOOPS
Honderd meter voorbij Gerard van der Stok, aan de andere kant van de voorsloot, stond de woning met huisnummer honderd. De bewoonster daarvan heette mevrouw Koops, maar dat wisten we niet. Onbelangrijk. We noemden haar: ‘Nummer Honderd’. Lekker getal en mooi rond.
Ook als mevrouw Koops boodschappen deed en we zagen haar lopen, dan riepen we tegen elkaar: ‘Kijk, daar heb je Nummer Honderd!’ Dat nummer maakte ons blij.
Alsof alles klopte. En dat wilden we: dat alles klopte.
Ik had iets met dat getal honderd. Ik dacht toen zeker te weten dat alle mensen honderd zouden worden en dan pas dood zouden gaan. Iedereen even oud, honderd. Klaar.
Ik koppelde die rechtvaardigheid dan altijd aan het lachende en hollende Michelin- mannetje op het uithangbord bij de garage van Peereboom. Dat was God. Rechtvaardig en lachend. En Nummer Honderd. Dat was één geheel.
Heel logisch als je honderd procent vertrouwt.
Later is Nummer Honderd ingestort. Het huisje. Ook het hollende Michelin-mannetje verdween, bij de bus van Peereboom. Daarna geloofde ik niet echt meer in God.
Hij werd onzichtbaar en mijn vader zei dat wat je niet zag, dat dat ook niet bestond.
Ik wist toen nog niet dat liefde ook onzichtbaar was en wél bestond.
Ook zonder het zichtbare Michelin-mannetje.

HENKIE DEKKER
Tegenover Nummer Honderd woonde Henkie Dekker met zijn moeder Sofietje.
Vanaf de stoep keek je naar beneden rechtstreeks in zijn schoenmakerij. Hij had altijd een ‘snotbriebel’ onder zijn neus hangen en toen hij sopraansax speelde in de fanfare kwatte hij meer in het instrument dan dat hij erin blies.
Tijdens de oliecrisis in de jaren zeventig vertelde Henkie dat de machines in de fabrieken ook wel eens een spuitje olie nodig hadden en dat dat wel een probleem zou gaan worden met die crisis. Voor die machines dus.
Henkie bracht ook telegrammen rond op de fiets. Bij het afgeven bleef hij altijd nog even bij de deur staan wachten. Hij was nieuwsgierig naar de inhoud.
Deze verhalen vertelden we graag, want Henkie Dekker bleef Henkie, dus ach …

Tót hij zichzelf in het kanaal verdronk.

‘Henkie droeg twee zware jassen,’ zo zei men ontzet, ‘om er zeker van te zijn dat hij zonk.’ Anderen meenden te weten dat de verdrinkingsdood de mooiste dood was, omdat je dan prachtige dingen zag en muziek hoorde. Maar ik vond niks prachtig.
En het ergste vond ik dat het kon bestaan dat je een leven lang voor het hele dorp had klaargestaan en voor iedereen schoenen had gerepareerd en dat niemand, helemaal niemand, wist wie je werkelijk was. Alsof de dood al was ingetreden tijdens zijn leven. En alsof het hele dorp daar aan mee had gedaan.
Heel diep van binnen voelde ik een onbeschrijflijke wanhoop. Alsof ik zelf even Henkie Dekker was die zich in het kanaal wilde verdrinken. En niemand die het zag.
Zelfs niet het Michelin-mannetje van Peereboom.

55. Dorpsverhaal 33. Meester Schutte

Meester Schutte, die les gaf aan de 2e en 3e klassen, was een grote concurrent van Schimmel als het om ouderdom ging. Bovendien liep hij krom en was hij eeuwig vrijgezel. Bewijzen genoeg dus.
Met ‘Keuvelen’, tijdens Sint Maartensavond, ging iedereen met zijn ‘keuvel’ of lampion naar Meester Schutte om zijn snelle liedje te zingen, want het ging natuurlijk niet om het zingen, maar om de snoep die je daarna kreeg, dus zong je snel. En lelijk.
Maar hoe vals je ook zong, van Meester Schutte kreeg je een reep! Net zo lekker als die van de vrouw van Cees Stammis.
In de klas deelde hij af en toe bij goede prestaties Italiano snoepjes uit. Aan de meisjes. Een jongen moest dan zo’n rolletje snoep gaan halen bij de vrouw van Cees Stammis. Loopjongen.
Hij viel ook wel eens in slaap. Dan ging het hoofd van de oude meester tergend langzaam naar beneden en bleef ergens halverwege hangen. De nek brak niet.
Nét niet.
Op een dag nam mijn neef Hans een wekker mee naar school. Op het schoolplein liet hij het enorme ding aan ons zien, zette het aan en de machine begon als een gek luid kabaal te maken. Grote herrie! We waren revolutionairen die hun eerste aanslag gingen plegen. Dat zou de slapende Schutte mores leren! Zijn dagen waren geteld! We waren eensgezind tegen de slapende Meester Schutte.
In de klas, terwijl iedereen keek en iedereen zweeg, verstopte Hans met een rood hoofd het enorme apparaat in zijn kastje in de schoolbank. Hij had de wekker keurig gezet op half drie, siësta tijd. De scène van het traag in slaap vallen en het net niet breken van de nek gebeurde altijd in de middag, dus de tijdbom zou zeker op het juiste tijdstip ontploffen. Meester Schutte zou wakker schrikken en de half gebroken nek zou opspringen en recht overeind schieten. Binnen een tel. Dat wisten we zeker! Over de gevolgen dachten we nog niet na. We waren actiegericht, want actie hoort bij revolutie, dus geen gezeur.
Ondertussen leefde Meester Schutte in een totaal andere en volkomen onrevolutionaire wereld en was hard bezig met de houten stok met gummi dopje de plaatsnamen van Noord-Holland op de landkaart voor de klas aan te wijzen, die wij dan in een vast ritme op moesten dreunen:
Amsterdam , Zaandam, Koog, Zaandijk, Wormerveer, Krommenie, Uitgeest, Castricum, Heiloo, Alkmaar, Broek op Langedijk, Noord-Scharwoude, Schagen, Anna Paulowna, Den Helder, Den Burg.
De meester was volop in actie. Klaarwakker. En hij ging, helderder van geest dan ooit tevoren, ijverig door:
Noordzee, Marsdiep, Waddenzee, Amstelmeer, IJsselmeer, Hoornse Hop, Gouwzee, het IJ, Groot-Noordhollandskanaal, Noordzeekanaal.
De meester hield gewoon niet meer op met wakker blijven. Hij was volkomen in zijn element met zijn stok en gummidop. Wij keken elkaar allemaal gespannen aan en begonnen steeds ongeruster te worden. Het was toch tijd voor zijn dutje? En onze revolutie? Maar Schutte ging door. Onverdroten.
En toen.
Toen gebeurde het.
Plotseling ging als een oorverdovende ratelende aardbeving met een enorm klaterend kabaal die gigantische grote wekker af in het kastje in de schoolbank van Hans. Het lawaai blééf maar doorgaan, minutenlang, en iedereen zat als verstijfd. Na heel veel en heel lange uitzinnige herrie hield het bizarre apparaat het eindelijk voor gezien.
Stilte.
Doodse stilte.
Alle ogen waren gericht op de klaarwakkere Meester Schutte die al die tijd geen millimeter had bewogen.
IJzig kalm, zwijgend als het graf en met priemende ogen verplaatste de meester zijn stok met gummi dopje tergend langzaam van het Noordzeekanaal naar Hans en van Hans naar de wekker en van de wekker naar de gang. Inleveren. De wekker aan de meester. Hans naar de gang, ‘tegeltjes tellen’, straf, geen revolutie, geen Italiano en geen knuffel van Meester Schutte. Die was voor de meisjes, de lieve meisjes.

Na schooltijd praatten we nog geruime tijd na over de mislukte aanslag. Iedereen had suggesties voor een verbetering van de planning en logistiek van onze volgende revolutie. We zouden niet opgeven. Nooit! Slapen zál-ie!

54. Dorpsverhaal 32. De groenteboer

Tegenover school woonde Cees Stammis, de groenteboer. Stammis met ‘is’, geen ‘es’, dus geen familie, wat iedereen altijd vroeg. ‘Ben je familie van Cees Stammis?’ 
Nee. 
Sommige dingen herhalen zich eindeloos in een dorp. Net als Simon Wijn, de bakker, die mijn broer Niko altijd Dick noemde en mij altijd Niko. Altijd. Nooit niet. En hij bleef het doen ook toen hij al lang geen bakker meer was. Eeuwig in de war is ook een vorm van duidelijkheid. 
Cees Stammis had een paard en wagen om zijn producten in het dorp te verkopen. 
Op een nacht schilderden enige guiten, belhamels en schavuiten uit het dorp met grote witte letters KUT op de harige huid van het paard. Cees Stammis werd de volgende ochtend wakker en ontdekte de witte wandaad nog net op tijd. Slim als hij was pakte hij zijn grote schapenscheer tondeuse en schoor precies op het formaat en de dikte van de letters de witte verf weg. Met als gevolg dat dat enorme woord KUT er de komende drie maanden op bleef staan. In vol ornaat op de huid van het paard, zonder verf en precies volgens de lijnen van de verf. 
Inderdaad. Cees Stammis was slim, hij hield niet van verf en had een tondeuse.

De vrouw van Cees Stammis was altijd ongeduldig als ze haar smalle deurraampje van de winkel met tegenzin voor ons opendeed. Ze wist dat het keuzeproces van die kinderen eindeloos ging duren en dat de netto opbrengsten ongeveer nihil zouden zijn. Dus had ze geen zin. Wij wel. 
Dat was het grote conflict: Zíj niet, wíj wél. In snoep. En om daarover heel lang na te denken en te praten. Dat was deel van het genot voor ons en deel van het drama voor de vrouw van Cees Stammis. We zeiden trouwens nooit vrouw Stammis, maar altijd: de vrouw van Cees Stammis. 
Ze hadden een zoon, Joop, die ook geen familie van mij was. Iedereen kende Joop, want iedereen had wel eens bij hem in de klas gezeten. 
Meester Schutte, onze meester van de tweede klas, las altijd de cijfers op en het aantal fouten. Hij begon dan bij de besten en daalde langzaam maar zeker af naar de laagste cijfers en naar Joop. Maar plotseling zei de meester dit keer al heel vroeg in het rijtje: ‘Joop Stammis, drie fout’. 
Terwijl Meester Schutte dit zei keek hij stomverbaasd de klas in. Naar Joop. Alsof ook de meester het getal voor het eerst van zijn leven zag. Drie fout. Joop bloosde. 
Paul Breddels, die altijd goede cijfers haalde en voor één keertje naast Joop had gezeten, bloosde mee. Sociale daad van Paul voor een staaf drop van Joop, bij zijn moeder, de vrouw van Cees Stammis. Maar daar wist Meester Schutte niets van af. Dáár was Joop te slim voor. 
Jaren later werd Joop nóg slimmer. Zelfs zó gewiekst dat hij zijn motorrijbewijs haalde, een motor kocht en verkering nam. Verleden gewist. Na een paar weken was de verkering alweer uit. 
‘Waarom?’ vroegen we aan Joop. 
‘Ze ging niet mee in de bocht,’ antwoordde Joop.

53. Dorpsverhaal 31. De half gestaakte wedstrijd

De grootste overwinning die wij als als voetballertjes van Pupillen A ooit behaalden was tegen het lang niet altijd lastige naburige Winkel.
De tegenstander kon al die ballen in eigen net moeilijk verkroppen dus gooiden de
11-jarige blauw-witten hun koppen in de wind en konten tegen de krib waardoor drie Winkeler spelers het veld voortijdig moesten verlaten wegens gemeen spel.
Aldus besloot ervaren arbiter Anton van Beers sr., de vader van, inderdaad, Anton van Beers jr.
Nadat de derde speler het veld had moeten verlaten, staakte Anton de wedstrijd in de volle overtuiging dat het voor een elftal met slechts acht spelers niet toegestaan was om de match te vervolgen. Na zijn fluitsignaal pakte hij de bal en marcheerde kaarsrecht richting kleedkamers met de jonge spelertjes gedwee en teleurgesteld achter zich aan.
Aangekomen bij de achterlijn werd hij echter staande gehouden door enige heftig protesterende en boze Nierupper toeschouwers, waaronder een woedende Klaas Kliffen, de vader van Piet. Kaas brulde met rood hoofd:
‘Ju benne hartsikke fout, man! Met acht speulers ken je best doorspeule, met zeuven moet je stoppe, níet met acht!’
Twijfelend keek de normaal zo rechtlijnige en zelfverzekerde arbiter om zich heen, maar hij vond geen steun, want nu begonnen ook andere toeschouwers Klaas bij te vallen:
‘Ja, Anton, je moete deurgaan hoor, dur is nag niks an de hand, met acht kennut nag best.’
Hierop stopte Anton gedecideerd zijn scheidsrechtersfluit weer in de mond, blies streng, rende het veld in en wees kordaat naar de middenstip waar de wedstrijd met een stuitbal gewoon werd hervat. Met elf tegen acht spelers.
Einduitslag: 21 – 0.
Vólle speeltijd!

52. Dorpsverhaal 30. Dirk Boeve

Hij was onze voetbaltrainer van de pupillen en woonde in de Schulpweg aan het einde van het dorp.
Dirk was snel kwaad en had alles voor ons over. Voor ons, voetballende jongens met grote dromen. Dirk was postbode en had ze ook gehad, die dromen. Hij leerde ons dat het ook mogelijk was om van boze mensen te houden. Boze mensen met een gouden hart, zoals Dirk.
Dirk had zo zijn eigen stemmingen en formuleringen. Vaak bestond er bij hem geen genuanceerde tussenweg of een neiging tot democratische besluitvorming. Hij was óf blij óf kwaad. Hij hield niet van gelijkspel. Het was óf winnen óf verliezen en er was geen tussenweg. Precies wat jongens willen. Duidelijkheid. Houvast.
In latere jaren kwam ik Dirk wel eens tegen in het café. Als hij dan kwaad werd begon hij niet te praten, te schelden of te vechten. Nee, Dirk wilde dan iemand in de fik steken. Met zijn aansteker.
Op een avond werd hij wel kwáád, maar het café was vrijwel leeg en Dirk kon geen tegenstander vinden. Ik hoorde hem plotseling roepen: ‘Ik steek die plant in de fik!’ Dirk sprong van zijn barkruk en liep doelgericht naar zijn niets vermoedende tegenstander:
de plant!
Ik heb zeer veel ingewikkelde situaties en conflicten meegemaakt in het Horeca-leven, maar dit was de eerste en de laatste keer dat ik een klant kwaad heb zien worden op een plant en dat een portier een klant moest tegenhouden omdat die de argeloze plant in de fik wilde steken bij gebrek aan andere tegenstanders.
Dat was Dirk. Hij hield niet van gelijkspel. Het was winnen óf verliezen.
Ook van planten.
Dat compromisloze pad leidde eens tot de ontdekking van onvermoed commerciële talenten bij Dirk. Begin jaren zestig, het begin van de seksuele revolutie, werden er condooms verkocht door de familie Singer, die dit deden voor de NVSH, de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming.
Tijdens een busreis met de voetbalvereniging naar Oostenrijk galmde Dirk toen een gloednieuwe reclameslogan door de volle bus:

‘Singer kapotjes. Het merk met wereld reputatie!
Met Singer gewerkt, niets gemerkt!’

Verder was Dirk beroemd, omdat hij tijdens de Floralia aan het Rad van Avontuur draaide en prijzen uitdeelde. Na iedere ronde gaf hij een harde draai aan het ratelende wiel en riep dan luid door de zaal: ‘Ja mensen, en weer die oude kaarten terug! Nieuwe kaarten, nieuwe kansen, nieuwe prijzen! Winnen, winnen , winnen, steeds maar prijsjes winnen!’
Als iemand een rookworst had gewonnen, dan wachtte Dirk niet tot de winnaar de worst kwam ophalen. Nee, hij gooide hem door de hele zaal heen naar de gelukkige. Dat vond ik het mooiste, dat harde gooien en dat lachen erbij met dat luide roepen. Uren kon ik ernaar kijken.
Naar Dirk die de hele zaal aanstak. Niet met zijn aansteker, maar met zijn lef en zijn humor. En zijn vrolijkheid.

51. Dorpsverhaal 29. Terdiek, Jo de Weerd en ut foebulland

Na ’t Paadje kom je ‘op Terdiek’, een buurtschap van enkele boerderijen en huizen. Mijn vader, zijn vier oudere zussen en zijn jongere broer Kees zijn er allemaal geboren. Het is tegenwoordig een Bed & Breakfast. 
Ome Kees had vroeger astma, zo hoorde ik, en had het met die astma tóch maar gebracht tot de B-kernploeg van de schaatsers, vlak onder de top. Dat vond ik knap van ome Kees. Hij schaatste, samen met Klaas Koorn van de Langereis, helemaal in Noorwegen.
Zijn zoon Huub had vroeger ook astma en die is later algemeen directeur van de KNSB geworden. Ook schaatsen. Je zou het iemand bijna gunnen om astma te krijgen. Succesvolle aandoening.

Op Terdiek bestierde Jo de Weerd zijn kruidenierszaak annex café. 
Later woonde daar Hark Bood, de oude hippie met het lange haar. 
Anarchist. Ongrijpbare man.
Hark had na de Duitse inval in 1940 gezworen dat hij zijn haar zou laten groeien net zolang totdat de Duitsers weer zouden vertrekken. 
Aldus geschiedde.
In 1945.
Zijn vrouw liep mank als gevolg van een vergroeide voet, een ‘horrelvoet’. Iedereen kende die medische term, door vrouw Bood. Toen ze een keer in het zwembad zwom, dacht mijn zus Marga: ‘Ik snap wel waarom ze zwemt. Nu ziet tenminste niemand haar voet.’ 
Tot vrouw Bood met haar hoofd onder water dook, op haar handen ging staan en alleen haar benen boven water uitstaken. 
Ze had niets te verbergen.

Jo de Weerd verhuisde intussen van Terdiek naar het huis vóór het voetbalveld. 
We zeiden trouwens niet voetbalveld. We zeiden: foebulland, oftewel voetballand. Eerder voetbalde men op weilanden. Dus voetballand. Later maakte men aparte velden. Dus voetbalveld. Logische redenering.
Ome Jo had een enorme reputatie in het dorp. Hij was voetbalkenner, niet alleen omdat hij van mij had gezegd ‘Kijk, jij kan het’ (wat ik een onomstotelijk feit vond), maar ook om andere redenen. Bovendien was hij elftalbegeleider. Én … hij had in ‘Het Eerste’ gespeeld! Dus was hij sowieso heilig. ‘Hors catégorie’, zeggen ze in de Tour de France. 
Het Eerste, dat is het beste elftal met de beste voetballers van het dorp. Daarbuiten wordt het moeilijker, zoals met alle Eersten van alle dorpen. 
Mijn favoriete speler was Karel Koorn, de aanvoerder en achterste man. Achterste man, dat vond ik een mooier woord dan ausputzer of stoppersspil.
Karel was misschien niet beter dan Jan Jes, de dribbelaar, maar hij was nuttiger. Jan Jes pingelde soms net zolang tot de tegenstander hem vloerde. Dan werd hij kwaad en begon te schelden op zijn medespelers. Dat vond ik niet goed. Karel pakte de bal af en speelde hem meteen door. Dat vond ik beter.
Karel was teamplayer en aanvoerder. Jan Jes was individualist en pingelaar. Jan voelde zich onbegrepen, vandaar die boosheid. Misschien had hij wel gelijk. Het is niet makkelijk als je meer ziet dan een ander en beter bent. Ik dacht altijd dat als je eenmaal de beste was, dat het leven dan makkelijker zou worden, maar bij Jan Jes was dat niet zo. Daar dacht ik wel over na. Jan maakte me realistischer. 
Als Karel er stond kwam er geen man langs en geen bal door en daarom vond ik dat woord zo goed: achterste man. Na de achterste man komt er géén voetballer meer en zéker geen tegenstander. Die houd je tegen en dat deed Karel. 
Na Karel kwam alleen nog de keeper, de allerachterste man. In mijn jeugd waren dat eerst Piet Harberts, de keeper met de rode sweater, en daarna Willem Woudt die wij beiden beschouwden als onoverwinnelijke tijgers zónder een spoor van medelijden voor zwakkelingen. 
Piet ging bij belangrijke wedstrijden bidden in het klooster voor de overwinning en daarna kauwde hij heel hard op kauwgom met een blik en hardnekkigheid alsof hij zijn tegenstanders vermorzelde tussen zijn tanden. Kijk, dat soort meedogenloze mannelijke voorbeelden hebben jongens nodig. Jongens die later de beste van de wereld zouden gaan worden. Hierover bestond geen twijfel.
Willem Woudt stond op doel met de onoverwinnelijke houding van de Siciliaanse Don Corleone die vlak voor de wedstrijd de tegenstander met een gewelddadige liquidatie had bedreigd, oftewel ‘He had made them an offer they couldn’t refuse.’ 
Op het moment dat spelers van de tegenpartij het strafschopgebied betraden, begonnen ze te trillen van de zenuwen, zagen in hun hoofden een afgehakt bloedend paardenhoofd in hun bed liggen en daalden smekend op hun knieën waardoor ze ter plekke veranderden in radeloze slachtoffers alleen al bij de aanblik van onze Tijgerkeeper. Willem hoefde niet eens te brullen. 
En terwijl tegenstanders her en der huilend van wanhoop op de grond kronkelden, pakte de zelfverzekerde doelman kalm de bal en poeierde hem snoeihard en kaarsrecht naar voren om de volgende vlammende aanval te openen. Géén genade.
Dit gaf ons als jonge toeschouwers geruststelling. Wij voelden ons sterker door Willem en kracht heb je nodig als twaalfjarige toekomstige beste van de wereld.

Na Piet en Willem kwam een man met nóg minder medelijden voor de tegenstanders.
Dat was de legendarische Cees Helder, die later in het Noord-Hollands elftal keepte. Kennelijk was er dus nóg een categorie buiten de ‘hors catégorie’. Grotere wereld.
Maar tegen die tijd was ik al ouder en realistischer geworden. Door Jan Jes.
Karel was de absolute top, dus vroeg ik hem op straat een handtekening. 
Hij deed toen een beetje moeilijk. Aarzelend, verlegen bijna. Zo had ik Karel nog nooit gezien. Ik wist niet dat als je de beste was, dat je dan ook verlegen kon zijn. Ik dacht dat de besten alles durfden met alles. Karel zette zijn handtekening en liep meteen door, alsof hij een tegenstander achterna liep. Zó snel.

Voor de tuin van kruidenier Jo de Weerd stond het bordje met de opstellingen. Dat was altijd spannend, die opstellingen. Als de wereld vergaat is dat niet zo leuk en Hiroshima was ook geen pretje, maar niet opgesteld staan is veel erger. Dan vergaat je eigen wereld en dat betekent levend sterven. In het weekend. 
Dat begrepen de opstellingmakers niet zo erg, die jongenswereld. De wereld van de beste zijn, altijd willen spelen en nooit moe. Maar iedereen kwam aan de beurt en soms stond je er zomaar buiten en mocht je niet spelen. Daar werd je wél moe van. En razend. 
Haat gaat heel diep bij jongens die niet mogen voetballen. Zo’n Al Qaida en IS moeten daar ook door ontstaan zijn. Terrorisme is logisch. Allemaal jongens die niet mogen spelen. Dan maar bommen gooien in plaats van doelpunten zetten.
Ik snap dat wel. 
Mijn broer Niko werd niet opgesteld, omdat hij zijn mond niet wilde houden. Dat mocht niet van de machtige heerser De Aansteller. Zo noemden we de Opsteller. 
Mijn broer wilde bommen gooien. Ik begreep dat meteen, als jonge extremist. Ik hielp mijn broer met kussens. Ik hield het kussen vast en mijn broer beukte er op los.
Op de Opsteller. De Aansteller.

Toen ik dertien jaar was, was de voetbalvereniging vijftig. Groot feest. 
Ik kreeg als aanvoerder van de kampioenen, aspiranten C, de eer bloemen te overhandigen aan de inmiddels doodzieke ome Jo, die zoveel had betekend voor ‘de voetbal’. 
Enkele weken daarna stierf hij. 
Veel later in mijn leven begon ik te beseffen hoe mooi en hoe belangrijk dat moment was: dertien jaar jong en bloemen overhandigen aan de beroemde Jo de Weerd.
En terwijl ik deze zin schrijf is het alsof ik ome Jo die bloemen nu pas echt geef.
Misschien nog nét op tijd.

50. Dorpsverhaal 28. ’t Paadje, de Bigband en eentje van de melkboer

’t Paadje.
Zo heette het smalle kronkelige weggetje tussen Oude en Nieuwe Niedorp.
Als je tegenwoordig tussen de twee dorpen pendelt moet je over het viaduct dat over de provinciale weg loopt. Na het viaduct ligt aan je linkerhand een brede weg die nog steeds heet: ’t Paadje.
Op ’t Paadje stonden boerderijen waar je in het hooi kon spelen en met touwen aan hanenbalken kon zwieren. Daar woonde Bart de Vries, die kon alles. Nog steeds.
Langs ’t Paadje lagen bollen- en aardappelvelden. Daar verdienden we geld in De Grote Vakantie die nooit stopte. Oceanen van tijd en ruimte en bollen en aardappels rooien voor een kwartje per kistje. Bij rode aardappels 30 cent. ‘Want die rooie dat kaikt effe wat moeilukker’.
Dat zei Klaas Eijssen, de aardappelboer, die vaak dezelfde zinnen eindeloos herhaalde waardoor een kort verhaal heel lang werd. Hij wreef dan ook altijd over zijn gezicht. Mijn vader zei: ‘Als Klaas Eijssen over zijn gezicht wrijft, begint hij te liegen.’
Toen Klaas eens over zijn gezicht wreef en zei: ‘De wagen staat in de schuur’, geloofde ik hem niet. Tóch stond hij er. Mijn vader had niet altijd gelijk. Misschien loog hij ook wel eens.

Verdriet en vreugde komen samen in een dorp en op ’t Paadje. Ik spreek over het jaar 2001. Daar verongelukte Loek Bruin. Jonge vent. Zo’n jongen die iedereen kende. Een jongen van het dorp.
Toen we in de twintig waren en ook maar wat deden, stond ik met kermis achter de bar. Loek kwam binnen en zei dan altijd: ‘Ik spreek je vannacht om half vier op het kerkhof.’
Wrede ironie van het lot. Hij ligt er nu.
Ik spreek hem wel eens als ik op het bankje zit voor zijn graf. Niet om half vier ’s nachts. Loek ligt vlakbij mijn ouders dus ik kan ze allemaal tegelijk spreken. Er ligt daar een heel dorp van vroeger. Ik zou er een boek over kunnen schrijven.
Naast Loek ligt zijn vader die bij hem wilde zijn. Dat was Henk Bruin, de melkboer.
Loek Bruin kon dus met recht zeggen dat hij ‘er eentje van de melkboer was’. En Loek wilde me spreken op het kerkhof en dan vechten. Hij zei dat om plezier te maken en om te lachen. Onzin, dáár ging het om. Lol maken en dan iets uitvechten, net als in boeken. Wraakacties. Hij kreeg dan een glas bier van me, we proostten en we lachten. Daar was kermis voor, om te lachen en om bier te drinken.

Én we speelden samen in de bigband.
Ja, die bigband dat wás iets.

Twintig gekken. Een paar organisatorische steunpilaren, zoals Paul Breddels en Jan Peetoom, en een inspirerende orkestleider, Johan van Slageren, legden de basis voor het succes en het plezier. Het was mooi om te zien dat die drie bijzondere mensen wel normaal probéérden te doen, maar hun pogingen daartoe regelmatig in rook zagen opgaan en daarom wonderwel in die band pasten.
Een uitgekomen droom, dát was die bigband. Nog mooier dan de fanfare.
Jazz.
De geboorte vond plaats in 1968 en de oprichting in 1981.
Op mijn twaalfde keek ik met Paul Breddels naar een film over Glenn Miller, de beroemde Bigband leider. Blikseminslag. We waren verkocht voor het leven.
Als jongen weet je niet wat je diepste droom is. Die is te dichtbij dus je kijkt er, zoals iedereen, overheen en daarom pak je iets tastbaars of hoorbaars. Jazz. En die jazz was het uiterlijke kenmerk van die innerlijk droom, dat innerlijke verlangen dat we nog niet kenden. Vandaar die Bigband, waarin we ons verlangen konden uitdrukken om te spelen, eindeloos te spelen. En om daarmee onszelf te bevrijden. Als kinderen, gelukkige kinderen.
Loek Bruin heeft dat meegemaakt. Spelen om zich vrij te maken en om kind te zijn.
Zijn leven was eindeloos waardevol, want hij wist wat geluk was.
Ik weet het zeker. Ik heb het zelf gezien.

Vóór Henk Bruin waren er twee melkboeren op het dorp, Adriaan Krabman en Jan Kater. Jan Kater was getrouwd en Adriaan Krabman was vrijgezel. Mijn vader zei daarom:
‘Er is maar één kater en dat is Krabman.’
En dat werd dus Henk Bruin.
De familie Bruin woonde naast het postkantoor. Toen mijn vader in arme tijden verkeerde en geen auto bezat ging hij op een dag op een oude eenvoudige roestige fiets, zonder enige accessoires, naar het postkantoor. Riet en Henk Bruin keken net uit het raam. Toen mijn vader ze zag begon hij zogenaamd heel deftig te kijken, bracht zijn hand omlaag naar de plek waar op een dure fiets een glimmende versnellingshendel zit en maakte een schijnschakelbeweging op de oude roestige fiets.
Henk Bruin schaterlachte om deze rijke humor in arme tijden, wat niet iedereen kon.
Mijn vader zei: ‘Henk Bruin heeft de mooiste lach van West-Europa.’
Mijn vader relateerde alles aan West-Europa. Ook zei hij wel eens: ‘Van West-Europa en omstreken.’ Dat was een extra categorie. Topklasse.
Hij zag eens een mal uitgedoste vogelverschrikker in een veld staan en zei:
‘Kijk! De slechtst verklede skrogelverfikker van West-Europa.’
Toen dacht hij even na en voegde eraan toe: ‘en omstreken’.
Met een blik alsof hij een juiste beslissing had genomen. Tevreden, zo keek hij dan.
Ook omdat zijn woord skrogelverfikker goed gelukt was.
In één keer.

49. Dorpsverhaal 27. Ut huissie van van der Kooi

Als jongens kenden we in het dorp veel geheimzinnige plekken. Die waren er om je te verschuilen, in te spelen of dingen te doen die ouders niet mochten weten. 
Onze favoriete plek was: ‘Ut huissie van van der Kooi’. 
Het was een ‘onbewoonbaar verklaarde woning’ of, zoals mijn vader zei, een ‘onverklaarbaar bewoonde woning’. Een oud klompenmakershuisje met de werktuigen er nog in. Je kon er eindeloos spelen, fantaseren, vechten en van alles uitvinden. 
Zo wilden we hooi malen tot gebakken aardappelen. We fantaseerden gewoon dat het kon, dus lukte het. Bijna.
Op straat voetbalden we dag en nacht. Tegen de blinde muur van het oude huisje heb ik jarenlang honderdduizenden ballen getrapt. Ik zou tenslotte de beste voetballer van de wereld gaan worden en daar moest iets voor gedaan worden. Compleet verslaafd was ik. Ik ging er zelfs mee naar bed. Met de bal.
Van der Kooi, dat was ‘de boze man’. Toen we nog héél jong waren, vroeg mijn vader ons wel eens: ‘Zal ik de boze man bellen?’ Dan sidderden we van opwinding en spanning. Mijn broer met zijn paardje van doek in zijn hand en ik met mijn wollen beer. Trillend voor de boze man. 
Mijn vader draaide dan een drie-cijferig telefoonnummer en gaf ons meteen de hoorn. 
We hoorden een stem. Die stem zei ….‘Ja?’
Héél zwaar en héél boos. 
Dan gilden we en grepen huiverend naar paard en beer. Mijn vader legde de hoorn er weer op en lachte. Híj was niet bang voor de boze man. 
Mijn vader durfde álles. 
Dachten wij.

De boze man was een Groninger, sterk en groot. Hij was ooit met zijn familie per wals vanuit Groningen met een woonwagen erachteraan, als een trage boze Pipo de Clown zonder schmink, over de Afsluitdijk naar Nieuwe Niedorp gereden. Wij dachten toen dat alle Groningers boze mensen waren. Wij kenden er maar één en dat vonden we al eng genoeg.
De zoons en de vrouw van de boze man waren vriendelijk. Logische reactie.
De boze man was de vader van Roel van der Kooi, onze favoriete elftal begeleider in de junioren, en van Sint en Klaas. Ze waren allemaal groot en sterk, maar mijn vader, die alles wist, zei dat Klaas de allersterkste was. Zijn ultieme argument was: 
‘Klaas van der Kooi is zó sterk, hij rúíkt helemaal sterk.’ 
Alles was enorm aan Klaas: armen, benen, hoofd, overall, laarzen, reuk. 
Als hij zich langzaam over straat voortbewoog dacht ik altijd dat hij expres vertraagd liep. Alsof al die massieve spieren tijd nodig hadden om in dat lichaam mee te kunnen; om zich naar de bewegingen van dat lichaam te richten. Eén stap te snel en je verliest ze, die trage spieren. 
De van der Kooien waren imméns groot en hun huisje imméns klein. 
Ik vroeg me altijd af hoe al die enorme van der Kooien in dat piepkleine huisje pasten. Ik hoopte maar dat er ook een tuin zou zijn achter het huis of dat er ramen open konden. Ruimte.
Sint, de broer van Roel en Klaas, was ook groot en sterk en rook ook. 
Naar alcohol. Veel. 
Het stamcafé van Sint was één van de oudste café’s van Nederland, de Roode Eenhoorn. Dat was van Harm Hees, de Drentse kastelein mét bijbehorende Drentse eigenschappen. 
Sint van der Kooi bleef dagelijks aan de bar zitten bij Harm, ook als Harm weg ging om te eten. Daar zat Sint, in het café: alleen, stil, drinkend. Hij staarde dan altijd zwijgend naar de vloer. De grote Sint ging niet naar zijn kleine huisje. Daar zat zijn vader, de boze man. Ik begreep Sint wel.
Sint moest een keer naar de dokter, omdat hij last had van zijn lever. 
Dokter van Os vroeg: ‘Hoeveel drinkt u dan per week? Wel tien glazen bier of zo? 
Sint antwoordde: Ja, misschien. Of zeventig.’
Op een dag hoorde de grote Klaas in het kleine huis een enorme dreun uit een slaapkamer komen. Het hele van der Kooi-huisje trilde van de klap en de schok. 
Klaas liep naar de plek waar de beving had plaatsgevonden en daar lag zijn broer. Alleen. Zwijgend. Gevloerd.
Een passender dood voor Sint konden we ons niet voorstellen.

48. Dorpsverhaal 26. Buurman en buurvrouw (2)

Toen mijn moeder eens met haar pasgeboren zoon Niko (1955) in de kamer zat bij de buren, was buurman de Boer net bezig in datzelfde vertrek zijn voeten te wassen in een kom met warm water. Plotseling moest mijn broer poepen en hopsakee pakte buurvrouw het kleine kind snel beet en droeg hem richting waterkom. Buurman de voeten eruit en Niko de ontlasting erin. Klaar.
Buurman zette daarna zijn voeten er kalm weer in. In het warme water tussen de drollen. Om ze te wassen. Zijn voeten.

Bij buurvrouw gingen de bepaalde waarden en normen uit de straatarme voor-oorlogse tijd gewoon door.
In het dubbele huisje met het dunne wandje kon je vaak letterlijk horen wat de buren zeiden. Toen mijn ouders, Jan en Gerie, op een avond in bed lagen hoorden ze Mak tegen Trijn zeggen: ‘De kolen zijn op.’
Trijn zei kalm:
‘Oh, ik haal morgen wel wat bij Gerie uit de schuur, die heeft nog een hele zak staan.’

Toen Mak overleed en op het kerkhof terecht kwam, maakten we voor het eerst in ons leven mee dat een vrouw haar overleden man op het kerkhof ging bezoeken zónder bloemen mee te nemen en dat ze mét bloemen van het kerkhof terugkwam.

Na onze verhuizing in 1958 verzorgde mijn moeder zorgvuldig de mooie nieuwe tuin.
Op een dag kwam buurvrouw weer eens op bezoek, ‘om un bakkie’. Koffie, dat wilde Trijn altijd drinken, maar dan wel mét een vel erop, ‘un vluus’. Het vel ontstond als je de koffie met melk van de vorige dag opwarmde.
Ze vroeg aan mijn moeder: ‘Gerie, wat heb je een mooie narcissen staan in de tuin. Mag ik er een paar meenemen?’
‘Nou, liever niet’, zei mijn moeder, ‘ze staan nu net zo mooi en zóveel heb ik er niet.’
Buurvrouw knikte en dronk haar koffie met vel.
Na ‘koppiestoid’ nam buurvrouw afscheid en liep de kamer uit richting keuken.
Mijn moeder bleef zitten en dacht even later: wat raar, wat blijft Trijn lang in de keuken staan.
Vanuit de keuken liep buurvrouw vervolgens naar de bijkeuken waar de nieuwe wasmachine stond die volop in bedrijf was. Een apparaat dat buurvrouw niet kende. Ze bleef staan, bukte zich, zwaaide naar de wasmachine en riep: ‘Zo jôh, draai je lekker.’
Hierna liep buurvrouw de deur uit, over het pad, langs de tuin. Mijn moeder keek haar na, vanachter het raam. Buurvrouw stopte, pakte de schaar van mijn moeder die ze uit de keukenlade had gepakt, knipte enige narcissen los, stak ze in haar mandje en liep weg naar huis.
Toen mijn moeder een paar dagen later bij Trijn op bezoek was, stonden ze daar te bloeien: mijn moeders eigen narcissen. Trijn zei eerlijk: ‘Oh Gerie, ik had een schaar van je geleend. Hier heb je hem weer terug. Ik was het bijna vergeten.’
‘Bedankt’, stamelde mijn moeder.
En zo zaten ze daar. Aan de koffie met vel. In een kamertje met een dun wandje, met narcissen en een schaar. En mijn moeder die niet van conflicten hield en een buurvrouw die niet wist wat ze waren en die vroeger alleen maar armoede had gekend. Die twee vrouwen van twee generaties.
Ze waren buren, weet je.