47. Dorpsverhaal 25. Buurman en buurvrouw (1)

Eind jaren vijftig woonden aan de andere kant van het dunne wandje oude mensen met namen van lang geleden en arme tijden.
Tijden van werk maar gewoon door, in het zweet uwes aanschijns, zes dagen in de week, voor zes gulden in de week, €2,75, zestig uur.
Zonder CAO.
We noemden ze buurman en buurvrouw. Het waren Mak en Trijn de Boer.
Uit die arme tijd van de eerste helft van de 20e eeuw hadden ze ook bepaalde normen en waarden meegenomen naar de na-oorlogse periode.

Toen buurvrouw op tachtigjarige leeftijd in bejaardentehuis ‘de Vijverhof’ zat, kwamen mijn moeder en buurvrouw nog regelmatig bij elkaar ‘om un koppie’.
Ze hielpen elkaar dan met de afwas of met ‘piepers skille’.
Op een dag vroeg buurvrouw: ‘Ik wil graag naar Grietje in het bejaardentehuis in Schagen. Wil je me brengen met de auto?’
‘Natuurlijk’, zei mijn moeder.
Buurvrouw vroeg verder: ‘Wil je dan ook een paar kadetjes voor me smeren en meenemen? En ik wil ook graag een bos bloemen uit je tuin meenemen voor Grietje.’
Mijn moeder deed dat allemaal voor Trijn.
Buren.
Ook als ze niet meer naast je wonen.
Na een week kwam mijn moeder weer op de koffie bij Trijn.
Buurvrouw zei: ‘Ik zal je even betalen. Hoeveel geld krijg je van me?’
‘Nou’, dat hoeft niet hoor,’ zei mijn moeder.
‘Nee’, zei buurvrouw stellig, ‘dat wil ik niet. Ik betaal je netjes. Ik zal het zelf wel uitrekenen. Even kijken.
Nou ja, die auto van jou rijdt vanzelf, dus dat kost niks.
En die bloemen uit je tuin staan er toch al, dus die kosten ook niks.
En wat kosten de broodjes?’
‘Twintig cent’, zei mijn moeder.
‘Nou, dan heb je hier een kwartje, want er zat nog wat op ook.
Dan ben ik van mijn schulden af.’

46. Dorpsverhaal 24. Opa en oma Stammes en tante Rie

We zijn van opa en oma’s kant voortgekomen uit de Butters en de Stammesen.
Om het algemeen en enigszins zwart-wit te verwoorden:
De Butters waren compromisloos, avonturiers, wereldreizigers, strijdbaar, energiek, ondernemers en soms ook boze fanatici.
De Stammesen waren meer zachtaardig, vriendelijk, gezellig, sociaal en humoristisch.

Hét voorbeeld van het Butter-karakter was tante Rie die in 1920 op zeventienjarige leeftijd eerst naar Frankrijk en daarna in haar eentje naar Canada vertrok. Emigratie.
Toen ze vlak voor haar overlijden op 101-jarige leeftijd (want ze geven niet snel op die Butters) in Canada geïnterviewd werd door mijn broer Niko en hij haar nieuwsgierig de vraag stelde waarom ze ooit Nieuwe Niedorp had verlaten en in haar eentje naar het verre, vreemde Canada was gegaan, antwoordde ze met een luide krachtige roep: ‘TO FIND A JOB!’
Een baan, geld, actie. Dáár ging het om. Geen gezeur. ‘Ut benne gaanders’, zeggen ze in Westfriesland.
Die compromisloze actie had overigens vaak een sociaal doel. Zo stichtte tante Rie daar een bungalowpark, hielp gehandicapten en deed aan ‘Social Work’.
Er is nog een foto van haar waarop ze een oorkonde krijgt opgespeld als dank voor ‘good services for the community’.
Tante Rie kwam na haar emigratie nog een paar keer op familiebezoek in Nieuwe Niedorp. Ik herinner me een bezoek van haar in 1961. Ik, 5 jaar, had van mijn vader vlak daarvóór al het verhaal gehoord dat tante Rie in haar bos in Canada een grizzlybeer had weggejaagd.
Mijn vader deed tante Rie na: ‘Ksssst!!’ En met grote armzwaaien joeg hij de imaginaire beer weg. Dát maakte grote indruk op mij!
Toen ik enkele dagen later op mijn kleine rode fietsje het grindpad bij oma en opa opreed, verscheen daar plotseling de legendarische tante Rie! Ik zag haar voor het eerst van mijn leven. Vol ontzag keek ik naar haar grote gestalte op en stelde de vraag die me al dagenlang op de lippen brandde:
‘Tante Rie, bent u nérgens bang voor?’
Ze lachte hartelijk en zei toen: ‘Nee, ik ben nergens bang voor.’
Ik vroeg: ‘Hoe jaagt u dan beren weg?’
Tante Rie legde haar tasje op het grindpad, spreidde haar voeten stevig op de grond en riep keihard: ‘Ksssst!!’ En breeduit en voluit zwaaide ze met haar grote sterke Canadese armen.
Mijn vader had gelijk. Tante Rie was nèèèrgens bang voor ….

Toen ze op dat bezoek was, had ze allereerst het plan om gezellig bij haar zus Trien, mijn oma Stammes, te logeren. Echter, toen tante Rie na veertig jaar verblijf in Canada bij haar zus binnenstapte met haar koffers, kregen de gezusters binnen drie minuten slaande ruzie.
Veertig jaar, Canada.
Drie minuten, Nierup.
Butters ….

Na deze compromisloze oorlog is tante Rie toen bij de buren, de familie Brouwer, gaan logeren.
Echter, met buurvrouw Brouwer had oma ook wel eens ruzie. Waarom zou je vrede stichten als de kans op oorlog nog niet helemaal verkeken is?
Een keer ging het om een uiterst belangwekkende kwestie, namelijk over Ali Turkstra, de huishoudster (zo noemde men zo’n vrouw althans) van S.G. Wit, de verzekeringsman. Oma begon al snel te schelden en te tieren waarop vrouw Brouwer stante pede wegliep. Na tien minuten kwam oma snotterend met tranen in haar ogen bij vrouw Brouwer terug en bood haar excuses aan. Ze waren buren.

In de moestuin bij opa en oma Stammes en op het grasveld met de arrenslee rook het fris. In huis rook het naar oude mensen. Dat merkte ik, zij niet. Zij waren oud.
Ik herinner me de familiefeestjes in de tuin bij de arrenslee of in de Opkamer, aan de dorpsstraat. Die waren altijd heel gezellig.

Opa Stammes was boer om geld te verdienen en goochelaar als levenshouding.
Toen mijn vader als voorzitter van Sociëteit ‘Over de Helft’ de jeugdbiljartclub had opgericht, mocht ik, als beginnend biljartertje van 13 jaar, een aantal keer met opa biljarten in de Prins Maurits van Piet Bakker. We dronken dan eerst thee bij oma en opa thuis en gingen daarna naar het vlakbij gelegen dorpscafé.
Opa speelde heel goed driebanden (hij had een échte reputatie in de wijde omgeving op dit gebied!), maakte ze soms over zeven banden, en kon een leeg klosje garen om een biljartbal laten draaien. Dan grijnsde hij, vergenoegd.
Én … hij kon een paar kunststoten maken! Op het biljart goochelde hij gewoon door.
Na de, achteraf bezien, laatste partij tussen opa en kleinzoon schonk opa mij zijn biljartkeu. Het was er een van 530 gram, een échte zware driebandenkeu.
Later, veel later pas, besefte ik wat voor een bijzonder moment dat was.
Een opa van tegen de tachtig die zijn jarenlang gebruikte driebandenkeu schenkt aan zijn kleinzoon van dertien ….
Opa deed ook aan harddraven. Eben Heser en Polona S. waren zijn renpaarden. Geheimzinnige namen in een andere wereld. Hij gokte op paarden en goochelde met geld.
Na de harddraverij in Schagen was er ’s avonds altijd vuurwerk. Als men dan aan mijn vader vroeg wat er te doen was, antwoordde hij: ‘Er is hardvuurderij en draafwerk.’

Opa goochelde ook wel eens een scheet tevoorschijn in zijn grote, grijze stoel en grijnsde dan, net als na een mooie kunststoot op het biljart, vergenoegd. Steevast reageerde zijn publiek, oma, verontwaardigd. Zijn zachtheid kon niet tegen haar hardheid op en zijn hoorbare scheten waren zijn wapen tegen haar scherpe woorden.
Je moet wát.
Als man.

45. Dorpsverhaal 23. Dorpsfiguren (4)

Later werden de dorpsfiguren van een iets ander kaliber. Het voornaamste kenmerk daarvan werd niet alleen dat ze zo bijzonder waren, maar vooral tot stevige alcoholconsumptie in staat waren.
Zo hadden we de dorstige Kees Harberts. Mijn vader had voor alle klanten van zijn café bijnamen en als Kees het café dreigde binnen te stappen en zijn klompen voor de deur zette, zei mijn vader van achter de bar: ‘Oh jé, daar komt van Rampenburg’, en met gezwinde spoed verdween hij in de keuken.
Toen Kees voor de zoveelste keer dronken tegen een barkruk viel, waardoor de andere krukken als dominostenen omkegelden, riep mijn vader enthousiast:
‘Een record Kees. Het zijn er dit keer elf!’
En de stamgasten applaudisseerden als theaterbezoekers, want het was voorwaar geen geringe prestatie. Elf!
Ja, het is een levenskunst, kastelein zijn, en je moet de moed erin houden, anders val je geheid.
Op een dag ontstond er een discussie tussen mijzelf en Jan Pep, de touringcar chauffeur, die als reisleider ook geïnteresseerd was in geschiedenis. Het punt van discussie was of de Renaissance, de periode van herwaardering van de klassieke Griekse waarden uit de Oudheid, begonnen was in de 14e of in de 15e eeuw. We kwamen er niet uit en goede raad was duur. Maar vanuit zijn ooghoek zag Jan Pep Kees Harberts een barkruk verder zitten. Er gloorde hoop! Jan wendde zich verwachtingsvol naar Kees en vroeg:
‘Kees, weet jij wanneer de Renaissance begonnen is?’
Kees antwoordde:
‘Deer hew ik hillegaar gien taid voor. Ik heb die tuin van Jan Stammes en Milo Smak ok nag en morruge moet ik mun aigen land nog omploege ok.’
Einde discussie.

En er was Jan Bruin, de gemeentewerker, die iedereen regelmatig paling aanbood, overal tegelpadjes aanlegde en oude graven opruimde. Hij zei: ‘Ik ben de baas van het kerkhof. Ik heb veel mensen onder me.’
Men noemde hem Jan Zilvervos. Hij groeide op in het Waarland en daar waren al zoveel Bruinen dat men in de war raakte. Dus gaven ze Jan, met zijn blonde haren, een bijnaam, Jan Zilver. Aangezien hij de slimste was van het Waarland, wat niet heel moeilijk was, voegde men er ‘vos’ aan toe: Jan Zilvervos.
Jan had één groot talent: met lepels slaan. Daarmee bedoelde hij het tussen hand en knie met de achterkant van de lepels tegen elkaar aanslaan als ritmische begeleiding van de muziek. Hij deed dat vaak ongevraagd ook in andere café’s, zoals ’t Centrum in Winkel of in de Roode Eenhoorn. Toen hij dat in de Prins Maurits voor de achthonderdvierendertigste keer gedaan had en na de voorstelling de lepels van het café teruggaf, zei hij teleurgesteld: ‘Die lepels van ‘t Centrum benne beter.’
Vakman.

Op een avond werd Jan door iemand in een auto thuis gebracht. Jan stapte uit en liep op zijn klompen met een blad vol eieren in de hand richting zijn huis. Aangezien Jan echter flink aangeschoten was, hadden de eieren het zwaar te verduren. Bij iedere stap die hij deed vielen er enkele tere eieren van het blad. Eer hij zijn huis had bereikt lag de straat bezaait met kapotte eieren.
Het plan om die nacht gebakken eieren te gaan eten is vermoedelijk niet doorgegaan.

In Winkel kende men Ab de Graaf, de man met de hazenlip. Ab stapte eens dronken achterin zijn auto, terwijl hij dacht dat hij vóórin instapte. Toen hij eenmaal na lang gestuntel op de achterbank terecht was gekomen en de auto wilde gaan starten, riep hij verbaasd uit: ‘Nôh, ze hewwe me stuur stoôlen.’

Joop Koorn, de machinist, visboer, kastelein en sporthalbeheerder, kon er weinig aan doen dat hij gek was op vrouwen. Echter, toen een knappe dame hem eens ten dans vroeg, zei Joop tot haar verbazing: ‘Nee, laat ik dat maar niet doen.’
‘Maar waarom dan niet?’ , vroeg ze enigszins gekwetst.
Joop antwoordde: ‘Als ik dans, wil ik meteen neuken.’

44. Dorpsverhaal 22. Dorpsfiguren (3)

Buiten het dorp, aan de Langereis, woonde Simon Modder, de vrachtrijder die ook een kruidenierszaakje had aan huis, inclusief de bijbehorende mentaliteit.
Op zijn oude dag kwam Simon graag in de garage van Peereboom waar de monteurs Jan (Pep) van Herwerden en Jan Slijkerman sleutelden aan auto’s en bussen. Kennis hebbend van het karakter van Simon, legde Jan Slijkerman eens een kwartje op de grond, vlakbij de plek waar hij sleutelde. Simon kwam langs, stond te kijken naar het interessante gesleutel van Jan en ontwaarde toen het glinsterende kwartje op de besmeurde grond.
Stiekem, niemand mocht het zien, zette hij voorzichtig zijn voet op het kwartje. Nu moest hij het alleen nog pakken. Hij keek naar Jan die dóór sleutelde en langzaam begon de oude Simon zijn stramme lijf te bukken naar het kwartje op de grond. Toen hij halverwege zijn koortsachtige gebuk was, begon Jan plotseling op zijn broekzakken te slaan ten teken dat hij iets zocht. Jan zei ontzet:
‘Nôh Simon, nou schrik ik toch. Ik ben een kwartje kwijt. Het zal toch hier ergens in de garage moeten liggen.’
Simon schoot recht overeind en met tegenzin en met groot chagrijn haalde hij zijn voet weg en zei zwaar teleurgesteld: ‘Nou, hier ligt het.’
En Simon, de kruidenier van de Langereis, keek hoopvol naar Jan als de vinder van een verloren schat die een dankbare beloning verwacht van het innig gelukkige slachtoffer van het zoekgeraakte geld.
En Jan, hij sleutelde door.
En Simon, hij verliet de garage.
Zijn dag verpest.

Geïnspireerd door kruidenier Modder besloten Ruud Harberts, de zoon van keeper Piet,
en ik om een bericht te plaatsen in het Niedorper weekblaadje. Advertentiekosten: twee gulden vijftig. Ik schreef mijn advertentie:
‘Kwartje verloren. Op de Laagzijde. Tegen beloning terug te bezorgen bij Dick Stammes.’
Ruud zette tegelijkertijd zijn bericht in dezelfde uitgave van hetzelfde blaadje:
‘Kwartje gevonden. Op de Laagzijde. Tegen advertentiekosten op te halen bij Ruud Harberts.’
Na de plaatsing van de advertentie bij vrouw Bezuijen, belde ze me direct na publicatie heel attent op:
‘Ruud Harberts heeft je kwartje gevonden en je kunt het ophalen bij hem. Op de Laagzijde’
En ze voegde er trots aan toe:
‘Het is toch maar goed dat er een Niedorper blaadje bestaat, hè?’

Een dorpsfiguur ‘hors catégorie’ was Piet Oud. Hij ontsteeg alle voorwaarden voor een dorpsfiguur. Piet Oud deed alles wat god streng verboden en oogluikend toegestaan had. Hij was ondernemer, kastelein, evenementenorganisator, kapper, taxichauffeur, trouwde en hertrouwde en was tevens minnaar. Hij runde patatkramen, organiseerde autocrosses, introduceerde de Smiths Chips in Nederland en zette lastige klanten eigenhandig uit zijn café. Hij zat nooit stil, kende de hele kop van Noord-Holland en organiseerde als eerste een Nieuwjaarsbal voor 1100 gasten in zijn dorpscafé.
Piet had ook nogal de gewoonte om na een geboekte bruiloft in zijn zaak pas een paar jaar later of in het geheel geen rekening te sturen. In plaats van dat Piet aanmaningen stuurden aan zijn gasten, stuurden gasten aanmaningen naar Piet met de vraag waar de rekening nou toch bleef.
Verder had Piet een eigen radiozender, die op een zondagmorgen plotseling uit de lucht werd gehaald door de radio opsporingsdienst, was hij redacteur van de Schager Courant, organiseerde hij het jaarlijkse bietenbal waarbij de grootste biet van de nieuwe oogst een hoofdprijs kreeg onder het toeziend oog van minimaal duizend kritische boeren uit de omtrek, en, last but not least, was Piet de enige die de burgemeester van de gemeente, de heer Anker, persoonlijk bij hem thuis knipte.
Inderdaad, een volstrekt unieke man, ook al was hij niet één van ons.
Net als Jan van Dijk behoorde hij tot de ‘spreeuwen’, de bewoners van het naburige dorp Winkel, die in het algemeen minder aardig waren dan wij. Zo bevestigden we elkaar al eeuwen. En ze hadden maar één écht dorpsfiguur: Piet Oud. Armzalige score.
Maar eerlijk is eerlijk: Piet Oud telde voor drie.

43. Dorpsverhaal 21. Dorpsfiguren (2)

Nóg een apart figuur:
Jaap Langedijk, de kluizenaar met de lange baard, de boomgaard en de moestuin.
Hij woonde net buiten de bebouwde kom bij het kanaal aan het eind van de Westerweg.
We wisten niets van hem. We vonden het alleen erg dat hij geen vrouw had. Later, veel later, begrepen we pas dat zoiets niet erg was, maar Jaap wist dat al lang al. Hij had zijn boomgaard en moestuin en welke man met vrouw kan dat zeggen?
Wat bijna niemand wist was dat Jaap iedere week een paar kisten appelen naar de gevangenen in Alkmaar bracht. Kluizenaar?
We wisten ook niet dat Jaap Langedijk meerdere boerderijen had met veel landgoed. Hij verpachtte dat en had genoeg, ook aan zijn moestuin, en aan zichzelf.
Af en toe verschafte hij onderdak aan andere mensen en bij de buren Arts droeg hij op verjaardagen wel eens enige gedichten van Frederik van Eeden voor.
Hij ging in de Eerste Wereldoorlog naar een Esperantocongres in Brussel. Hij geloofde in de eenheid van mensen door landsgrenzen heen. Hij ontmoette daar Arpad Moldovan die Hongarije was ontvlucht. Arpad raakte onder de indruk van de verhalen over de Kolonie van Nieuwe Niedorp en van dominee Schermerhorn en hij ging mee naar Nieuwe Niedorp.
Toen we langzamerhand meer te weten kwamen, groeide het besef dat ons beeld van Jaap Langedijk nooit had geklopt. Nog steeds niet. En hoe langer het geleden is, hoe nieuwsgieriger ik word.
Wie was hij?
Wat deed hij?
Niet in zijn uiterlijke leven. Dat zag iedereen.
Nee, in zijn innerlijke leven. Waar hij geen kluizenaar was.
En waar de hele wereld welkom was.

De Hongaar Arpad Moldovan woonde, na zijn ontmoeting met Jaap in Parijs, in de Kolonie, een communistisch-anarchistische gemeenschap die leefde en werkte op basis van gelijkheid van rechten, inkomsten en goederen. Het lag aan het eind van de Westerweg, richting ’t Veld.
Arpad werd later fotograaf in Nieuwe Niedorp aan de dorpsstraat 1. Hij maakte een mooie foto op glasplaat van Schermerhorn, ‘de rode dominee’. Deze glasplaat bestaat nog steeds en is in bezit van zijn opvolger, Tjibbe de Vries.
Mijn broer Niko hield op 11 november 2018, de datum van het einde van WOI, een legendarische bijeenkomst in een stampvolle Fenixkerk, op de plek waar Schermerhorn zijn vlammende preken tegen het kapitalisme, het militarisme en het alcoholisme had afgevuurd. Schermerhorn kwam die dag, gespeeld door een acteur, speciaal terug om zijn indringende levensboodschap vanaf de kansel nog eenmaal te verkondigen. Ook op dat moment bleek weer hoezeer deze bijzondere en internationaal bekende dominee vele mensen en meerdere generaties heeft beïnvloed.

Een uniek persoon was ook Toôn de Soep die in werkelijkheid Anton de Wit heettte. Hij woonde eerst in het huisje in de Westerweg waar ík later werd geboren toen híj weg was. Hij rommelde wat in shag en smokkelwaar en zaken waar niet iedereen het fijne van wist en was nogal onbehouwen. Ook naar zijn vrouw, die geëvacueerd was in de oorlog vanuit Den Helder en in Nieuwe Niedorp terecht gekomen was. En bij Toôn. Volgens haar buurvrouw was ze een echt oorlogsslachtoffer. Niet zozeer door de evacuatie uit Den Helder, maar door het samenwonen met Toôn.
Als hij niet in de buurt was noemden ze hem ook wel Antoine de la Bouillon. Een jongen, die duidelijk goed was opgevoed, groette hem eens beleefd: ‘Dag meneer de Soep’ en kreeg meteen een klap voor zijn kop. Ik dacht toen dat Toôn de Soep geen meneer genoemd wilde worden. Dat kon ik begrijpen. Shag. Smokkelwaar. Toôn was Toôn. Geen meneer.
Je moet iedereen in zijn waarde laten.
Toôn stond ’s winters altijd met koek-en-zopie op ijsbaan ‘de Rijd’. Hij was groot, had een harde stem en langs de lijn van het voetbalveld was hij de enige die met voldoende autoriteit kon schreeuwen naar de op achterstand staande voetballers van Het Eerste:
‘Kom op zwarte leeuwen!’
Als Toôn de Soep dat riep dan wist ik dat alles goed zou komen en dat die achterstand van ons Heilige Eerste niet lang zou duren. Toôn de Soep was er. Als die er was wonnen we altijd. Ook als we 5-0 achterstonden met de rust, want Toôn wist precies wanneer hij zijn aanmoedigingen over het veld moest schreeuwen: in het beruchte ‘Nierupper kwartiertje’, het eerste kwartier na de rust.
Een trouwe fan van Het Eerste legde mij eens, blakend van zelfvertrouwen, uit hoe dit kwartiertje werkte:
‘Het is een geheim, maar als we achterstaan, dan wachten we gewoon op de rust.
Dan drinken we thee, de trainer roept iets en we rusten uit. Daarna begint de tweede helft én het Nierupper kwartiertje. En dan verslaan we de tegenstander.’
Hierna keek hij het veld in met een logische blik. Twijfelloos.
Het wachten was alleen nog op Toôn de Soep.

42. Dorpsverhaal 20. Dorpsfiguren (1)

Een dorp kent vele karakteristieke figuren. Die doen een dorp leven. En de meest karakteristieke van allemaal krijgt een eretitel: dorpsfiguur.
In ons dorp waren er vele bijzondere figuren. Niet allemaal dorpsfiguren, maar wél apart.
Zo hadden we Jan van Dijk, de voddenboer.
Zittend op een ‘kret’ op wagen met paard. Met grijs haar en pet. En hij galmde door de straten: ‘Vodden! Wie heeft er nog vodden!’
Hij deed me altijd denken aan iemand die naar lijken op zoek was, terwijl er een epidemie heerste. Net als in de middeleeuwen toen de Grote Pest woedde en men dagelijks met karren door de dorpen reed onder het slaken van de kreet: ‘Breng de lijken naar buiten!’ waarna die op de wagens werden gegooid en afgevoerd om besmetting tegen te gaan.
Ja, Jan van Dijk was eng en spannend en hij hielp mijn moeder van de vodden af.
Een hele geruststelling was dat hij geen kraai, maar een spreeuw was, zoals de bewoners van het naburige dorp Winkel werden genoemd.

En er was de ‘skeresliep’, oftewel de scharen- en messenslijper. Dat waren zigeuners, de eerste allochtonen, die ééns in de maand langs de deur kwamen. Je moest er voor uitkijken, zo zei het dorp, want zigeuners, ‘Je kent ze wel hè?’
Maar ja, je had ze ook nodig, dus ze leefden in een lastige dubbelrol zonder integratie, al kende geen bewoner dat woord toen. Laat staan dat het gebeurde. Alles buiten het dorp was de grote wereld en die bleef buiten de deur om de eigen kleinheid niet te voelen.
Ik spreek over de jaren vijftig en zestig, voordat alles anders werd en voordat de nieuwe zigeuners kwamen: de immigranten. ‘Je moet er voor uitkijken, je kent ze wel, hè?’
Roept de dorpsangst.

Verder waren er ‘de naaisters’ in het naastgelegen katholieke dorp ’t Veld.
‘Die roomsen’, zei mijn ongelovige en bijna altijd tolerante vader. Sommige kinderen riepen op straat: ‘Katholieke stinkfabrieke!’ en de andere partij riep: ‘Openbare stinksigare!’
Dat was alles wat nog overgebleven was van die goede oude godsdienststrijd uit de 16e eeuw toen de katholieken ‘het veld’ in waren gevlucht vanuit het grotendeels calvinistisch-protestantse Nieuwe Niedorp. Vandaar de huidige naam van het naburige dorp: ’t Veld.

Toen vanaf de jaren zeventig van de 20e eeuw gelovigen en ongelovigen ook nog met elkaar gingen trouwen, en nóg later zelfs gingen samenwonen zónder te trouwen, verdwenen tegelijkertijd die overgebleven zinnen uit het taalgebruik.
Ondanks de nog slechts uit twee uitroepen bestaande godsdienststrijd ging mijn neutrale moeder naar de naaisters in ’t Veld om onze kleren te laten verstellen. Ze was praktisch ingesteld en zag al snel in dat kleren verstellen belangrijker was dan geloof. Wat de naaisters deden waren de moeilijke klussen. Moeilijker dan sokken stoppen, wat tegenwoordig niemand meer kan, evenmin als wielen spaken.
Mijn moeder deed beide.
En, oh ja, ze voedde vier kinderen op.

41. Dorpsverhaal 19. Dorpsbewoners en meesters van school

‘De zieke vrouw’. Zo noemden we haar. 
Ze lag op een bed voor een groot raam en was altijd ziek, de hele schooltijd lang.
We zwaaiden iedere dag naar haar als we vanuit school, de OLS, de Openbare Lagere School, naar huis toe liepen en zij zwaaide terug. 
We dachten er niet over na, maar we wisten, voelden dat ze het fijn vond dat we naar haar zwaaiden. Het maakte haar blij, dus deden we het.

Verderop kwamen we Gert Wit tegen, de grijze man met de wandelstok. 
‘Ouwe Skimmel’ was zijn bijnaam. (in het Westfries wordt een sch een sk).
Eén keer noemde ik hem zo, midden op straat, ‘Skimmel’. 
Schimmel werd boos en zwaaide met zijn stok, maar hij was ook weer niet zo héél erg boos. Er zat iets gelatens in zijn boosheid. Hij zei toen nog wel: 
‘Nôh mujoôn, weerom moet je dat nou zegge? En van wie hèju dat leerd?’ 
En door zijn blik, zijn vragen en door zijn stem, kreeg ik eigenlijk al spijt. Ergens had ik gehoopt dat Schimmel heel kwaad zou worden, maar dat werd hij niet, eerder een beetje triest. En dat had ik Schimmel niet aan willen doen. Ik was niet hard genoeg. 
‘Dat hadden de buren van de Lange Jammer beter gedaan’, dacht ik.

Op straat zagen we iedereen, zoals:
Tjaad Druif, de lachende postbode; 
Freek Moeijes, die dikke sigaren rookte en, zittend aan een hoek van het biljart, de strakke leiding voerde over het vlotbruggen; 
Jan Barten, de koster op klompen die de klokken van de kerktoren ging luiden voor een geboorte, trouwerij, begrafenis of kerkdienst, of om de tijd aan te geven; 
Buur Jaan uit de Sliksteeg in haar invalidenkar, die ze voortbewoog door de lange handvatten van het stuur op en neer te bewegen; 
Boeren die hun kudden schapen door het dorp dirigeerden op weg naar het weiland of de boerderij; 
Jaap Kool, die, toen men ontdekte dat hij behalve gebittenmaker ook nog privé-detective was, voortaan op zijn Amerikaans Jack Cool werd genoemd.

Verder zagen we ventende bakkers, slagers, melkboeren en kruideniers; tractoren met stront en prut aan de banden en volgeladen hooiwagens; en meesters en juffen van school, waarvan we nooit wisten hoe we ze nou moesten groeten op straat. 
We vonden dat eigenlijk maar raar, die meesters en juffen op straat. We konden ons eigenlijk niet voorstellen dat ze buiten het klaslokaal ook nog een leven hadden. Eigenlijk gingen we ervan uit dat als ze de school verlieten, dat ze dan zouden oplossen in het niets, om de volgende dag weer tevoorschijn te komen in school. 
Een keer liep ik langs het huis van Meester Oosterhof in de Zaagmolenstraat. Zijn vrouw was bezig de ramen van de slaapkamer te lappen en ik peinsde over de mogelijkheid dat Meester Oosterhof in een bed zou liggen. Hier stopten mijn hersenen en besloten dat meesters en juffen misschien wel naar bed gaan, maar met als enig doel om te verdwijnen en daarna weer voor de klas te gaan staan. 
Gerustgesteld liep ik verder. 
Als Meester Oosterhof vanuit het niets weer voor de klas verscheen, vertelde hij mooie verhalen en gaf ons altijd toestemming om in de pauze te voetballen, ook bij regen; 
Juffrouw Overzee, van de eerste klas, was aardig, maar scheurde je wangen stuk (Au!), terwijl je alleen maar iets geweldigs had gedaan wat zij niet zo geweldig vond; 
Meester van Soest, de Hoofdmeester, las prachtig voor uit ‘Rob en de stroper van
Tjod Idi’, keek streng door zijn brillenglazen en uitte tegen drukke leerlingen zijn vaste vermaning:
‘Als er één radertje in het horloge niet goed loopt, 
dan staat het hele horloge stil.’
Dat laatste probeerde ik met het horloge van mijn vader. 
Het klopte! 
Ik was trots op mijn Soestiaanse ontdekking en begreep niet dat mijn vader me kwaad de straat op stuurde. 
Datzelfde had hij gedaan nadat ik zijn nieuwe volkswagenbus van het pad het gras op had gereden, helemaal tegen de heg. 
‘Dat kan niet iedereen,’ dacht ik trots. 
Ook toen stuurde hij me begriploos weg, na me over de knie te hebben gelegd en me zeven klappen op mijn billen te hebben gegeven.
Dat getal zeven kwam van Guurt Breed, de buurvrouw van de Lange Jammer. 
Die had ze gezien, die klappen. 
Én geteld.

40. Dorpsverhaal 18. Mijn vader

Als ik vroeger kwaad werd, riep mijn vader bezwerend:
‘Rust, kalmte en kruidenbitter.’
Die zin had invloed, want vooral dat woord kruidenbitter vond ik grappig.
Daardoor verdween die woede.
Toen ik jong was, was mijn vader ouder en tevens fietsenmaker. Hij werkte veel en alles moest altijd ‘zo hard mogelijk’. Soms bracht een klant een fiets met een doorgebogen voorvork. Mijn vader draaide dan stuur en wiel om en reed de fiets keihard tegen de muur. Voorvork weer recht, zeven gulden vijftig. Zowel de klant als mijn vader waren dan tevreden. Win-win situatie.
Mijn vader had tijdens het fietsen maken afwisselend drie soorten stemmingen: zwijgzaam, fluitend of kwaad. Vooral bij priegelwerk wilde die laatste stemming nog wel eens overheersen.
Laatst was ik thuis een band aan het plakken. Het zat niet mee. Ik ergerde me steeds meer aan die rotfiets en schold op het materiaal dat weigerde mee te werken. Ik zette het tegenwerkende rijwiel uiteindelijk aan de kant en ging kwaad en vermoeid van mijn eigen ergernis op de grond zitten. Toen stond mijn vader plotseling naast me en vroeg:
‘Wat ben je aan het doen jongen?’
Ik zei: ‘Ik erger me aan die rotfiets. Wat moet ik doen?’
Hij antwoordde vriendelijk: ‘Rust, kalmte en kruidenbitter.’
En verdween.
Dat werkte.
Net als vroeger, toen hij nog leefde, werd ik kalm, pakte de fiets en plakte verder.
Fluitend.
Ja, vaders snappen de woede van hun zonen, vooral bij priegelwerk en banden plakken. Welke zoon kan zonder hem?

39. De gloednieuwe RIVM EK-opstelling

Wij dienen ons iedere keer weer te realiseren dat Frank de Boer geboren is naast Lutjebroek. In Grootebroek. Ik bedoel: Westfriesland.
Hiermee is echter nog niet alles gezegd.
Frank is geboren in Oost-Westfriesland en dus niet in het meer ontwikkelde en beter voetballende West-Westfriesland. Vandaar dat Frank uiterst kundige specialisten om zich heen heeft verzameld teneinde de klassiek Oost-Westfriese blunders te voorkomen.
Zo worden de keepers Maarten Stekelenburg en Tim Krul beide vervangen door RIVM directeur, professor-doctor-doelman Jaap van Dissel.
Keeper Jaap zal bij iedere aanval van een tegenstander wijzen op de anderhalve meter afstand en het strafschopgebied zal door de aanvallende partij niet mogen worden betreden, behalve met een geel inentingsboekje van de plaatselijke GGD die men ter plekke aan controlerend doelwachter Jaap dient te tonen op straffe van drie penalties tegen.
Doelpunten moeten te allen tijde worden voorkomen, aangezien mensen dan de neiging krijgen hun monden juichend te openen hetgeen tegen de huidige coronaregels is.
‘Iedere ademhaling dient vermeden te worden’, aldus wetenschappelijk doelman van Dissel.

De zich veel te vrij bewegende en glimlachende Frenkie de Jong wordt vervangen door de veel serieuzere en zeer verantwoordelijk thuiswerkende Diederik Gommers die permanent gecoacht zal worden door het zelf geproclameerde multitalent Femke Louïse die iedere dag met een andere mening en opstelling zal komen voor het tot op het coronabot gemotiveerde elftal dat mét twaalf mondkapjes en mét korting van Sywert van Lienden zal spelen.

De grootste verrassing komt van Frank de Boer zélf. Hij zal worden gewisseld voor Ernst Kuipers die de wedstrijd zal coachen vanuit de gesloten IC-afdeling van het Erasmus ziekenhuis te Rotterdam.
Frank zal zich in de havenstad bezighouden met het afweren van goedwillende Feyenoordsupporters die er, zoals gebruikelijk, gewelddadig voor strijden het Feyenoord van 1937 weer terug te krijgen toen de club ook al nooit iets won en waaraan men zo intens gehecht is geraakt in de loop van de eeuw dat een wedstrijd winnen geen optie meer is. Vandaar de volstrekt begrijpelijke keuze voor de Oost-Westfries Frank.
Ons kent ons.

De aanvallende spitsen Fidan Ekiz en Renze Klamer worden gewisseld voor de aankopen van het roemruchtige FC Hilversum: Sophie Hilbrand en Khalid Kasem.
Door het nieuwe RIVM-KNVB beleid van positieve discriminatie moet ieder mannenelftal minimaal één blanke vrouw met blond haar en één getinte moslimbuitenlander van kleur met trimbaardje opstellen, zodat er toch nog enige herinnering overblijft aan de ook buiten EK’s strijdlustig volkerenoverwinnende, landenveroverende, meisjesminnende, vervaarlijk baardende profeet (Vrede zij met Hem).
Met deze profeet zou de finale op Wembley een eitje worden, maar helaas, Hij is dood, mors, ruim voor het EK. De profeet, bedoel ik.

De verplichte invoering van de boerka wordt nog nader onderzocht, al heeft die het grote voordeel van de automatisch ingebouwde mondkap. Sywert van Lienden heeft de eerste van overheidswege gesubsidieerde boerkafabriek met ingebouwde mondkap in Grootebroek (Oost-Westfriesland dus) reeds in gebruik genomen, want dralen, dat kost alleen maar geld.
De opbrengsten hiervan gaan naar de integriteitscommissie van het CDA die hiermee een project zal starten om integere Kamerleden definitief uit het parlement te weren teneinde alle toegekende toeslagen aan arme families per direct terug te vorderen.
Lukt dit niet dan start het CDA een christelijk Kalifaat in de Bijbelbelt met Staphorst als hoofdstad, Urk als handelscentrum en Frank de Boer als coachende burgemeester.

Verder geldt op dit EK:
Alle ballen op Pieter Omtzigt!
Die over iedere niet zuiver aangespeelde bal een aanvallend en aanvullend memo van honderd pagina’s zal schrijven in een ruit met knijpende buitenspelers en agressief aanvallende verdedigers, op de manier zoals die andere profeet, JC, Johan Cruijff, reeds propageerde in het schone Duitsland van 1974.
Dat zal ze leren, die gezonde tegenstanders met hun vrolijke strapatsen!
Aldus de ietwat bedrukte heer Omtzigt vanaf zijn integere ziektebed met toeslagenkorting.

Ik wens u een prettige week, beste lezers, en daarna sterkte met het zwarte gat
na 21 juni dat reeds door Stephen Hawkin was voorspeld.

Luctor et non emergo!

38. Dorpsverhaal 17. Opa en oma Kossen, de ouders van mijn moeder

Opa Kossen: 125 kilo en galgen. Die broek kon niet over zijn buik heen, maar moest wel érgens blijven hangen. Vandaar die galgen, als reddingsboei.
Hij trouwde met een vrouw die de naam droeg van Buik, Maartje Buik. Alsof hij aan die 125 kilo nog niet genoeg had. Alsof er nog iets bíj moest.
Opa en oma hadden een visserscafé-hotel in het noordelijke Noord-Hollandse Oudesluis. Dat lag vlakbij Koegras. Om je een idee te geven. Opa bediende ook de draaibrug naast zijn café, verhuurde roeiboten en bezat, tot ons grote genoegen, een motorboot! Beter dan al dat geroei. 
Als kind gleden we door de danszaal, gaven voorstellingen op het toneel, genoten van oma’s zelf gemaakte ijs, voeren met opa in de motorboot en rolden van de dijk die ons beschermde tegen het woeste zeewater. 
Een paradijs. Tenminste …. voor óns. 
In een paradijs worden geen vragen gesteld. Er zijn alleen maar antwoorden. Alles helder. Toch vroeg ik me vaak peinzend af hoe zo’n klein motorbootje dat voor elkaar kreeg: een opa van 125 kilo dragen en niet zinken.
Hoe kan een vliegtuig vliegen? Niemand weet het, toch vliegt het. 
Ik vond dat lastige vraagstukken.

Ik ben 10 jaar en met opa in een bootje aan het vissen.
En iedere keer als ik iets fout doe met mijn hengel en de vissen laat opa zien hoe het beter kan.
Ik vraag:
‘Hoe weet u nu iedere keer hoe het wél moet?’
Opa:
‘Er zijn nooit genoeg problemen voor mijn oplossingen.’