37. Dorpsverhaal 16. Ome Jo, tante Gré en de eerste televisie

Op een dag liepen mijn broer en ik naar de overkant van de Sliksteeg, die tegenwoordig Westerweg heet. We liepen in zondagse kleren, erger bestond niet, en met een schaaltje met een peer, een appel en een banaan voor ome Jo en tante Gré Burger.
Tante Gré was lief en bescheiden en ome Jo werkte op de kaasfabriek. Hij was stug en hield van gezelligheid. Dat kan samen gaan. Hij vond dat iedereen gelijk was en dat niemand zich beter moest voordoen dan hij was. Doe maar gewoon.
Hij had één oog en altijd als we langsliepen zagen we hem de krant lezen. Op een decimeter afstand van zijn ogen. Ik dacht altijd dat als ome Jo twee ogen had gehad dat hij de krant dan twee decimeter van zich af kon houden. Dat gunde ik ome Jo, want ik gunde hem een lichter leven. Vrolijker.
Dat fruitschaaltje was voor ome Jo en tante Gré, want die hadden hadden iets wat wij thuis nog niet hadden en waar we naar mochten kijken: een televisietoestel! Met Ivanhoe!
Ridders, zwaarden, legers en vechten. Groter genot bestond er niet. Dan maar zondagse kleren, zolang er maar bloed vloeide en er slechte mensen waren die verloren. Op de televisie.
Het spannendst was natuurlijk als die slechteriken eerst dreigden te winnen en alle hoop verloren leek. Soms begonnen dan fictie en realiteit in mijn kinderhoofd door elkaar te lopen. Ik werd dan een beetje bang en dacht: ‘Nu hebben de makers het zelf niet meer in de hand.’ Linke soep, want wat dan? Dat zullen mijn makers misschien ook wel eens gedacht hebben: linke soep, wat nu?
Maar daar dacht ik toen niet aan. Ik dacht aan Ivanhoe die alles zou redden. En dat lukte altijd weer. Daar kun je verder mee. Met Ivanhoe en met die wijze optimistische makers van de TV-serie.
De eerste bij wie we televisie keken was dokter de Boer. We keken naar ‘Open het dorp’ met Mies Bouwman. Urenlang, want die uitzending duurde een etmaal.
Later keken we ook bij Couvert, de speelgoedhandelaar, naar het meest echte wat er was: Rawhide! Stoere cowboys en rennend vee. Een ‘stampede’ heet zoiets: een kudde voortrazende koeien en stieren die in toom gehouden moesten worden door vechtende cowboys met lasso’s op snelle paarden. Een hels kabaal.
We zaten als zesjarigen rood van opwinding te kijken naar dat razende geweld van ontembare actie. En als we keken wílden we niet die cowboys zijn. Nee, we wáren ze. Of desnoods dat vee. In ieder geval dat geweld, want dáár ging het om. Geweld!
De dochter van Couvert, die eerder geweldloos dan gewelddadig was, probeerde ons te kalmeren, wat niemand wilde, en sprak troostend: ‘Kijk eens jongens. Koetje boe.’
Ik voelde toen al ergens dat ze eenzaam was en dat ze zichzelf wilde kalmeren, want in haar brandde een vuur. Een snikheet vuur waar ze bang voor was en naar verlangde.
En nu besef ik: ze had een cowboy nodig, met een lasso en rennende stieren en een kampvuur. Snikheet. Maar ze maakte alles kleiner en van alles maakte ze speelgoed. Dus riep ze: ‘Koetje boe!’ De dochter van Couvert.
En wij beleefden onze dromen bij Couvert, dokter de Boer en bij ome Jo en tante Gré, voor de televisie, op de grond, duim in de mond, kijken naar bloedige gevechten en daarna weer eten bij moeder. Een veilige wereld vol actie en geweld.
Kom daar nog maar eens om.

Toen ik vele jaren later, op de leeftijd die ome Jo toen had, in de Prins Maurits op een zwoele zaterdagavond een feest organiseerde waarin iedereen schitterend verkleed was in jaren zestig en zeventig tenue, kwam ome Jo in zijn maandagochtendkleding binnen stappen. Niet verkleed. Soberder kón niet.
Terwijl iedereen uitgelaten, vrolijk en ‘roaring sixties-seventies’ was en ome Jo mij in flitsend wit John Travolta pak swingend zag dansen, liep hij ernstig naar me toe, zei ‘Leuk feessie Dick’, bestelde een koffie en ging langs de kant staan kijken. 
Ik wist dat hij het waardeerde dat hij was uitgenodigd. Zo deed ome Jo dat. 
Hij genoot op zíjn manier. 
Later op de avond liep hij door de zaal tussen de feestend uitgedoste menigte door. Hij droeg zijn maandagochtendkostuum zó natuurlijk en zó superieur, dat het even leek alsof iedereen normale kleren aan had en ome Jo de enige was die verkleed was. 
Even leek ome Jo hoger dan de anderen. 
Even maar. 
Bijna stiekem.

36. Dorpsverhaal 15. Ome Fer en tante Gré

Ome Fer was: Fer Keulen. Een echte Nierupper. Iedereen kende hem. Eerst groenteboer, daarna verzekeringsman.
In deze laatste functie werkte hij bij S.G. Wit. Ik keek nogal op tegen die twee letters, S.G., en dacht dat dat een teken was van rijkdom. Als we over hem spraken, zeiden we ook altijd: S.G.Wit. Wat zijn voornaam was hoorde ik pas toen S.G. overleden was.
Mijn vader noemde hem ‘de stokoude Wit’. Mijn vader noemde iedereen die minimaal een jaar ouder was dan hijzelf stokoud. Dat maakte hem jonger. Of hij praatte gewoon onzin. Dat deed hij ook graag.
De overstap van groenteboer naar verzekeringsman begrepen we niet helemaal van ome Fer. We wisten toen nog niet dat geld belangrijk was en dat je monden moest voeden.
Tante Gré had, zoals ome Fer dat noemde, ‘de eeuwige jeugd’. Ook dat begrepen we niet als jongeren. Tante Gré was toch al oud?
Veel mensen in het dorp noemden ome Fer ‘Slakroppie’. Zijn groentevrouw, tante Gré, noemden ze ‘vrouw Slakrop’.
Mijn vader, een grote vriend van ome Fer, galmde eens luidkeels tijdens een avondmaaltijd: ‘De slakrop van Slakroppie is lekker, maar vrouw Slakrop is lekkerder!’
Als ome Fer dit nog zou kunnen lezen dan zou hij hier ongetwijfeld hartgrondig mee instemmen. Hij weet tenslotte dat sla vergaat en liefde eeuwig is.
Ome Fer koppelde een veilige Westfriese eigenschap, dwarsigheid, aan een gevaarlijke daad: dienstweigeren. Met als gevolg: Nieuwesluis, gevangenis, daarna te werk gesteld in Veenhuizen, Drenthe. Zo gaat dat met dominee Schermerhorn-achtige principes. Of je destijds in Nierup woonde of nu in Damascus. Andere tijd, andere plaats, dezelfde compromisloze houding.
Ome Fer spreidde hetzelfde gedrag tentoon bij zijn grote hobby en talent: toneel spelen. Hiermee oversteeg hij de gebruikelijke kritieken uit zijn omgeving en trok hij volle zalen in theaters in de wijde omtrek.
Zijn weigering om te zwichten voor militaire flauwekul, zijn verzet tegen dorpse kleinheid en zijn bij vlagen jongensachtige humor, zijn de zaken die me altijd voor de geest blijven staan.
In 2015 overleed tante Gré. Enkele dagen voor haar overlijden sprak ik haar en haar familie in het Hospice in Schagen. Wat me altijd bij zal blijven is dat we ons die dag tranen hebben gelachen. Om álles.
Nog nooit heb ik iemand in het oog van de dood zó opgeruimd en zó vol humor gezien als tante Gré. Haar aanvaarding was totaal, haar leven was klaar.
En wát voor leven!

35. Dorpsverhaal 14. Ome Cor, de man van tante Tini, en de boer van Koetenburg

Ome Cor was getrouwd met tante Tini, maar hij was vaker jarig dan zij.
Meerdere keren per jaar.
Ome Cor vierde het leven wat frequenter dan de gemiddelde oom. Hiermee onderscheidde hij zich duidelijk van hen. Misschien zag hij er daarom ook wel ouder uit dan zij. Ik had het idee dat het gewoon niet ophield met die verjaardagen van Ome Cor. Iedere keer als mijn ouders op het punt stonden weg te gaan, gingen ze naar Cor Kooij, want die was jarig. Lente, zomer, herfst. Altijd maar jarig.
Ik kende zijn geheim toen nog niet.
Het geheim van Cor Kooij.

We konden ons niet voorstellen dat Ome Cor ook jong geweest was. Misschien was hij oud geboren. Dat veranderde toen mijn vader het volgende vertelde: ‘Cor Kooij durfde vroeger van de kanaalbrug te duiken.’
Voor de duidelijkheid: van de kanaalbrug duiken, dan wás je iemand, als je dat durfde. Springen kon nog, van de kanaalbrug, maar duiken was alleen voor de aller dappersten. Zoals Cor Kooij.
Dit was al een goed begin. Ome Cor steeg in onze achting.
Mijn vader ging verder: ‘Als Cor Kooij van de kanaalbrug dook en door de lucht zweefde, dan gilde hij heel hard en heel lang: ‘Hááááá!’ Tot hij vlak boven het water was en dan riep hij heel snel: ‘Kut!’ Meteen daarna plonsde hij in het water en bleef lang onder.’
Ademloos luisterden we, mijn broer en ik. Vooral die heilige drie-eenheid:
‘Háááá!’ ‘Kut!’ ‘Plons!’.
Dát was het summum.
Een weergaloze prestatie van Ome Cor. Niet alleen qua duiken, maar vooral qua levenslust.
Ook hadden we bewondering voor dat lange onder water blijven. Ik zag dat voor me: iedereen lachen om de grap van Ome Cor en Ome Cor was weg. Onder water. Alsof hij zijn publiek de tijd gunde om te schateren. Ik zag ook het moment voor me als Ome Cor dan weer boven water kwam: grijnzend. Sindsdien leek hij wel jonger. In mijn ogen dan.
Ome Cor deed overigens wel meer aparte uitspraken.
In het dorp speelde het fameuze NAO, het Niedorper Amusements Orkest.
Na lang aandringen ging Ome Cor daar ook een keer kijken.
En luisteren.
Na afloop zei Ome Cor niet zoveel en ging snel naar huis. Hij had alleen een andere naam bedacht voor het orkest. Geen NAO.
Hoe hij het voor elkaar kreeg weet ik niet, maar op de één of andere manier werd na dit concert de naam NAO steeds minder gebezigd in het dorp. En als men dan weer eens een concert had bezocht, dan zei men niet meer: ‘ik was gister nog bij het NAO.’ Men zei: ‘ik was gister nog bij Piep en Kras.’ En dan keek men zó serieus, dat het leek alsof de naam van het orkest daadwerkelijk zo luidde.
Jaren later tijdens een Floralia ving ik in de Prins Maurits eens een gesprek op over muziek. En over het NAO. Het viel me op, na zoveel jaren, dat men nog steeds heel serieus de naam Piep en Kras bezigde. Totdat iemand vroeg: ‘Wat een rare naam eigenlijk voor een orkest, Piep en Kras. Was dat écht de naam?’
Dat vonden de anderen bij nader inzien toch ook eigenlijk wel. Rare naam. Maar het antwoord op de vraag wat de échte naam nu was, moesten ze schuldig blijven.
Dus bleef het Piep en Kras. Door Ome Cor.

Toen Ome Cor écht oud werd, en al eeuwen niet meer van de kanaalbrug dook of naar Piep en Kras ging, droeg hij versleten klompen met gaten aan de onderkant.Toen iemand hem eens vroeg of hij geen nieuwe klompen moest kopen, zei Ome Cor:
‘Dut ken nag wel voor un drouge dag.’

34. Dorpsverhaal 13. Harm Hees

Hij was de zwijgende naar Nierup geïmmigreerde Drentse kastelein van een van de oudste café’s van Nederland, de Roode Eenhoorn.
Harm hield niet van gezelligheid en iedere avond stipt om elf uur, vlak voordat de gezelligheid dreigde uit te breken, deed hij zijn cafédeur stevig op slot.
Een ander kenmerk van Harm was dat hij bij het afschuimen van het bier het schuim altijd in een kom streek dat naast het glas stond. Zo ontstond de grote vraag in het dorp: is het Harm-bier voor hergebruik of is het hygiëne?
Na de repetitieavond van de fanfare wilden wij, als jonge 17-jarige trotse corpsleden, iets van de muziek van onze eigen juist opgerichte jazz-band ‘The Maurits Boys’ laten horen. Terwijl alle aanwezigen vol spanning zaten te wachten, zetten we de cassetterecorder op de bar, deden de stekker in het stopcontact , drukten de knop in en onze muziek begon te spelen!
Edoch, na de eerste swingende tonen trok Harm hardhandig aan het snoer waarop de stekker op de grond viel. Het was nog ruim vóór elf uur. Beteuterd keken we naar ons abrupt onderbroken concert. ‘Dat doen we hier niet’, beval Harm.
Het was de enige zin die Harm die avond, en op vele avonden, sprak. En waarom-vragen bestaan niet in Drenthe. Laat staan antwoorden.
Mijn vader had nogal de gewoonte om met het personeel van zijn fietsenfabriek op de vrijdagavond tot uiterlijk elf uur bij Harm Hees te bivakkeren. Hij vond dat gezellig, al begrepen wij niet waarom.
Tijdens een zomervakantie had mijn vader eens het aparte idee opgevat om de broer van Harm Hees op te gaan zoeken. Die had ook een café. In Drenthe.
Vol verwachting traden mijn vader, moeder en hun vier kinderen het Drentse café van de broer van Harm Hees binnen. In vakantiestemming.
Een vrouw stond achter de bar. Mijn vader stelde zich hoopvol voor en vroeg of de eigenaar, de broer van Harm Hees, ook aanwezig was. Wij installeerden ons inmiddels gezellig aan de bar met het voltallige gezin.
De vrouw wendde haar hoofd naar een kamer achter het café waar de beoogde broer zou moeten zitten. Ze riep: ‘Hier zijn mensen uit Nieuwe Niedorp!’
Lange stilte. Niets.
Daarna riep ze harder: ‘Van je broer Harm!’
Nóg langere stilte.
Toen hoorden we, héél ver weg, uit die verre kamer, een verre stem.
Een Drentse stem.
En die Drentse stem zei: ‘Oh.’

Dat is alles wat ik weet van de broer van Harm Hees.
We troffen het nog met Harm. Die ging om elf uur dicht. Zijn broer niet.
Die ging niet eens ópen.

33. Dorpsverhaal 12. De opperman en de eierenboer

In het dorp waren er nóg grotere bedrijven dan de kolenboer, zoals het garage- en touringcarbedrijf van Hil Peereboom, en de aannemerij van Thijs Sepers.
Mijn vader was in 1975 tijdelijk bij Thijs in dienst als opperman. Ze bouwden het nieuwe dorpshuis ‘de Prins Maurits’, waar mijn ouders beheerder van zouden worden en dan ook van hun woning in de Westerweg 10 naar het beheerderspand aan de Laagzijde 50 tegenover het dorpshuis zouden gaan verhuizen.
Mooie naam, opperman. Stenen sjouwen en kruiwagens rijden als aanvoer voor de bouwvakkers. Buurvrouw Bets Harberts zei bewonderend: ‘Gôh, die Jan Stammes werkt er nog maar een week en is nu al opperman.’
Later, op vakantie, kwam de familie Harberts bij de Duitse grens. Bets zei verwonderd:
‘Zoll? Wat een rare naam voor een plaats.’

Dit vertelde Piet Harberts, de doelman met de rode sweater die in Het Eerste had gekeept, dus nog steeds heilig was. Piet vertelde, behalve over onze buurvrouw en zijn vrouw Bets, ook wel eens iets over zichzelf. Dat was dan een ander soort verhaal.
Zoals:
Eén keer per week kwam de eierenboer langs de deur. Men bestelde dan tien, twintig of dertig eieren. De eierenboer had op een briefje de berekeningen al staan:
10 eieren x 15 cent = F1,50; 20 eieren x 15 cent = F3,-; 30 eieren x 15 cent = F4,50
Als je dus die eieren bestelde kon je direct betalen, want de eierenboer wist meteen het bedrag. Makkelijk zat. Toen kwam hij bij Piet en Piet hield niet van makkelijk.
Piet zei: ‘Doe mij maar negenentwintig eieren.’
De eierenboer keek verbaasd. ‘Nôh, geen dertig?’
‘Nee’, zei Piet, ‘ik heb er nog één.’

32. Dorpsverhaal 11. Een familienaam, een motor en een oude man

Wij woonden in de straat waar ook de familie Poepjes woonde. 
Gezien de nadelen die deze naam teweegbracht, lieten ze de naam veranderen in het gemeenteregister in Schuur. Maar dan ben je er nog niet, zo bleek.
Op een dag zat ik naast mijn vader in de auto. Hij keek in zijn spiegeltje en zei plotseling: ‘Kijk nou eens achter ons: een hele wagen met stront!’ 
Daar reden onze buren. Toen ze ons inhaalden zwaaiden ze vriendelijk, waarop mijn vader mompelde: ‘Kakwagen.’ Want hij kon het niet uitstaan als hij werd ingehaald.
Daarna maakten we deze grappen niet meer. Van de familie Schuur leerden we dat buren en respect bij elkaar horen.

Als we thuis zaten reed er soms een voertuig voorbij en dan stoorde de TV.
Alle TV’s. 
Norton was in die tijd een nieuwe motor en het symbool van flitsende snelheid
en Henk van der Oord was een trage stramme man van zestig jaar.
Toen Henk voetje voor voetje moeizaam bezig was op straat langs ons huis te schuifelen en langzaam maar zeker ingehaald werd door de kwieke 92-jarige Kuit,
riep mijn vader:
‘Kijk! Henk van der Oord. Op Norton!’ 

Ik vroeg eens aan mijn vader hoe het toch kwam dat Henk van der Oord er zo oud uitzag. Veel ouder dan zijn leeftijd. Meteen legde mijn vader samenzweerderig zijn wijsvinger op zijn lippen: ‘Sssst! Dat is een geheim!’
Ik keek verbaasd. 
‘Ja’, zei mijn vader, ‘niemand weet het, maar Henk is eigenlijk al dood.’ 
Ik sperde mijn ogen open. 
‘Henk moet zich iedere dag weer melden in zijn kist om vijf uur. Als Henk zich niet meldt, zwaait er wat voor hem en niemand weet wát. Daarom zie je Henk ook nooit
’s nachts of ’s avonds, want dan ligt hij onder de grond.’ 
Inderdaad, dat was waar, ik zag Henk nooit ’s avonds. Maar ja, dat kon natuurlijk helemaal niet, want dan lag ik in bed. Zo ver dacht ik echter niet en wilde ik ook niet denken. Het feit dat Henk levend over straat liep terwijl hij eigenlijk dood was, vond ik zó boeiend, dat ik het geheim voor mezelf wilde houden. Ik heb het nooit aan iemand verteld. Nu pas, na ruim een halve eeuw. Zó lang droeg ik dat geheim met me mee.
Het geheim van Henk van der Oord.

Toch bleef me het fascineren dat sommige mensen er jonger en anderen juist ouder uit zagen. Net alsof dat uiterlijk meer zei over die mensen dan over hun leeftijd.
Cor Kooij was er ook zo één. Een vriend van mijn vader, maar hij zag er ouder uit. 
Op een dag vroeg ik mijn vader hoe dat kwam. Ik verwachtte weer zo’n spannend antwoord en het stelde me een beetje teleur dat mijn vader zei dat Cor Kooij springlevend was.
‘Maar’, zei hij, ‘Cor Kooij heeft ook een geheim.’
Mijn opwinding steeg. 
Zijn stem werd zachter. ‘Cor Kooij ….’ 
Hij stopte even en keek spiedend om zich heen, alsof er gevaar was en alsof hij eraan twijfelde om dit geheim openbaar te maken. 
Toen fluisterde hij: 
‘Cor Kooij is de enige zoon ter wereld die ouder is dan zijn moeder.’

31. Dorpsverhaal 10. Rein Rougoor

Op de vaste kolf- en biljartavond van S.O.S. (Sajet is Onze Sport) en ‘Over de Helft’ in de oude Prins Maurits, was regelmatig volop aanwezig de postbode, barbier, kerkorganist en damesliefhebber Rein Rougoor. Rein was in de oorlog te werk gesteld geweest in Dresden, Duitsland, maar als je hem daarnaar vroeg bracht hij het gespeksonderwerp meteen op iets anders. Hij is na Dresden zijn hele leven nooit meer in Duitsland geweest en werd postbode in Nieuwe Niedorp. Als kapper zei hij:
‘Een proper hoofd en gladde kin, daar steekt der mannen schoonheid in.’
Daarnaast schreef hij een boek over het dorp: ‘Zo zag en zie ik Nieuwe Niedorp’ en schreef hij stukjes in het dorpskrantje of ‘ut Nierupper Sufferdje’, zoals het blaadje algemeen genoemd werd.
Rein was in het café nogal geliefd bij de dames vanwege zijn kunstzinnige toneelspel met hoogwaardige poëtische volzinnen dat tot steeds grotere hoogten steeg naarmate het aantal dames om hem heen toenam. Ordinair werd hij nooit en hij bleef het spel op speels en hoog niveau spelen.
Op een avond zat er een nogal schaars geklede vrouw in zijn buurt, waarbij Rein duidelijk zicht had op het nóg schaarser bedekte bovenstuk van de dame in kwestie. Rein sprak: ‘Geachte mevrouw, U vleit mij zeer met uw gewaagde ontboezeming, edoch, nog meer dan naar uw ontboezeming verlang ik naar uw innerlijke schoonheid. Laten we dáár op drinken.’
Om haar vervolgens een overheerlijke tropische cocktail aan te bevelen waarvan hij zeker wist dat die in het dorpscafé in geen velden of wegen te bekennen en in geen eeuwen te koop zou zijn.
Rein noemde zichzelf in dergelijk gezelschap niet Rein Rougoor, maar Koosje Akeligheid. En het was deze naam die als opmaat diende tot het hogere toneelspel dat Rein op zo’n avond ten beste gaf voor het vrouwelijk schoon in het dorpscafé. Nog hóger dan Cicero, hóger dan Dresden en hóger dan zijn postbodebestaan. Op de soosavond nam Rein een andere naam aan, sprak een andere taal, ontmoette schone dames en ontsteeg het rauwe bestaan met een andere identiteit, ander gedrag en poëtische volzinnen. Als een witte duif die over een zwarte omheining vloog.

Vaak bleef een vast groepje leden van ‘de Soos’ na de wekelijkse biljart- en kolfcompetitie nazitten. Zo ook Rein. Hij had het dan bijzonder naar zijn zin en kreeg, op Paul Breddels-achtige wijze, vaak de slappe lach. Een jongen.
Op zo’n late avond na een biljartwedstrijd zaten de Sociëteitsleden weer eens gezellig bij elkaar aan de stamtafel. Mijn vader had de wedstrijden die avond gewonnen en meerdere tegenstanders verslagen. Hij was zeer tevreden met zichzelf en in die volle voldaanheid pakte hij een hoed van de kapstok en begon die stukje bij beetje uit elkaar te scheuren. Bij ieder stukje dat hij van de hoed scheurde en met een grote zwierige zwaai het café in wierp, riep hij de naam van een verslagen tegenstander. Hij trok dan hard aan die hoed, scheurde er een stuk vilt vanaf en riep:
‘Hup! Dáár gaat de verliezende Piet Schuurman!’
En dáár vloog met een grote boog het kapotte stuk hoed onder de naam Piet Schuurman door de lucht. Eigenlijk riep hij dan niet ‘Piet Schuurman’, maar ‘Skiet Puurman.’ Mijn vader sprak namelijk Westfries en draaide namen door elkaar.
Daar zat dan mijn vader aan de stamtafel met een kapotte hoed in zijn hand en vliegende stukken vilt door het café. Totdat alle verslagen tegenstanders, ook die van vorige week en ook nog van ver dáárvoor, en van tegenstanders die nooit ook maar ergens hadden bestaan, totdat ze allemaal meerdere keren waren genoemd en er van de hoed vrijwel niets meer over was en de vloer van het café bezaaid lag met verscheurde stukjes hoed.
Rein Rougoor hád het niet meer en kreeg tranen in zijn ogen en de slappe lach. Hij huilde bijna en nam zijn zakdoek erbij om het hoge tij onder zijn wenkbrauwen te keren. En helder schalde zijn schaterende lach door de oude Prins Maurits als er weer een kapot stuk hoed door het café vloog. De avond kón niet meer stuk. Wát een plezier!
Tot helaas het onvermijdelijke moment van sluitingstijd kwam, iedereen zijn spullen pakte en aanstalten maakte om naar huis te gaan. En toen, ja toen, kwam ook het onvermijdelijke moment dat Rein zich langzaam begon te realiseren dat hij de enige man op de Soos was die een hoed droeg. Niemand anders. Deze belangrijke realisatie leidde daarna tot een onvermijdelijke en nóg belangrijkere conclusie bij Rein:
de verscheurde hoed was zíjn hoed! Geweest.
Inderdaad, hij was er geweest. De hoed. De hoed van Rein Rougoor.
Want zó staat het verhaal in het dorp bekend. Als ‘de hoed van Rein Rougoor’.

30. Dorpsverhaal 9. De legende van Jan Pep

Dat gebit verpestte veel, in de fanfare. Zijn longen later ook, in zijn leven. 
Iedere keer als ik terug ben in het dorp voel ik zijn afwezigheid. De afwezigheid van de levenskunst. Zíjn kunst.
In het fanfarekorps speelde hij eerst trompet en piston, die hijzelf ‘zeikton’ noemde, en na zijn gebitsherziening werd dat de esbas. Subtiele tonen weigeren uit een trompet te schallen als die wordt aangedreven door een kunstgebit. Een esbas vereist een andere embouchure, oftewel mond- en lipbeheersing, en ze kan enige kunsttanden verdragen. Een trompet laat dit niet toe en liet hém niet meer toe. Vandaar die esbas.
Ik heb het over Jan van Herwerden. Niemand noemde hem zo. Jan Pep. Dat was zijn naam in het dorp. Waar de naam Pep vandaan kwam was bij niemand bekend en niemand vroeg zich dat ooit af. Het leven gaat tenslotte door en men heeft niet altijd de tijd om stil te staan en na te denken.
Jan Pep stond dan ook niet veel stil en dacht ook niet altijd na. Hij touringcarde met veel genot door heel Europa met Amerikaanse toeristen in de bus van Peereboom. 
Altijd als hij na lange tijd terugkwam, was zijn eerste stap naar het dorpscafé van mijn ouders om te vertellen wat hij had meegemaakt. En dat kon hij: vertellen. 
Het bleek dat hij zijn verhalen net zo makkelijk kon schrijven als vertellen. Iedere keer als Jan terugkeerde van een Europese reis voerde hij een uiterst ingewikkelde correspondentie met schrijver dezes, waarvan hieronder twee brieven als voorbeeld worden geciteerd. De overige uitgebreide briefwisseling wordt zorgvuldig bewaard aan de Universiteit van ‘Terdiek sur Mer’ waar Jan de wetenschappelijke scepter zwaaide. 
Althans, zo luidt de legende. De legende van Jan Pep.
Hier een greep uit onze briefwisseling:

Geachte professor van Herwerden,

Zoals u weet ben ik sinds januari van dit jaar in Frankrijk om verder onderzoek te verrichten naar de semantische aspecten van rotstekeningen in de recentelijk ontdekte ‘Grotte Chauvet’. Enige belangwekkende conclusies kunnen nu al getrokken worden:
Op de tekeningen uit het pré-glaciale tijdperk, dus nog ver voordat de Kaninefaten bij Lobith via de Maas ons land binnenstroomden (en niet via de Rijn zoals velen nog steeds denken), zijn resten van boerenkool, appelmoes en zelfs pudding waargenomen. De gele pap is pas later ontdekt.
Als het dus waar is dat prostituee V. 128 kilo weegt en als het tevens waar is dat holbewoners boerenkool, appelmoes en pudding consumeerden, dan lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat Karel de Grote in 788 n.Chr. tijdens het vingeren van zijn maîtresse de kreet slaakte: ‘Ik lust er wel pap van!’
Zoals u weet is deze kreet eeuwenlang toegeschreven aan Karel de Stoute. Er bestond reeds twijfel over deze hypothese aangezien Karel de Stoute altijd al vóór het dessert de Fabeltjeskrant zat te bekijken.
De hypotheses zijn nog voorlopig. Ik ben zeer benieuwd naar uw bevindingen hieromtrent.

Met wetenschappelijke en hooggeleerde groet,
Prof. dr. ir. D.C. Stammes

Mijn geachte en hooglijk gewaardeerde professor Stammes,

Een kudde slakken kan zich alleen zo snel verplaatsen als de langzaamste slak en als de kudde wordt opgejaagd, is de langzaamste en slapste in de staart van de kudde, degene die het eerst gedood zal worden.
Deze natuurlijke selectie is goed voor de kudde als geheel, omdat het regelmatig verliezen van de slappelingen de gemiddelde snelheid en gezondheid van de hele kudde verbetert.
Op een gelijke manier kan het menselijk brein alleen zó snel opereren als de langzaamste hersencellen welke de elektrische signalen verwerken. Recente epidemiologische onderzoeken aan de Universiteit van ‘Terdiek sur Mer’ hebben uitgewezen dat het overmatig innemen van alcohol de hersencellen doodt. Alcohol valt de langzaamste en slapste hersencellen als eerste aan. Aldus het, in mijn geval, regelmatig consumeren van alcoholhoudende drankjes helpt het elimineren van de langzaamste hersencellen. Dit maakt het brein een steeds snellere en meer efficiënte machine.
Mijn conclusies luiden als volgt:
Carpe Diem. Ga terug naar de kroeg. Jouw land heeft jou nodig op het best van je kunnen. Onthoud jezelf niet van een onstuimig en bandeloos seksleven als je snelle hersencellen daarom vragen.

Deze studie is gedaan aan de Universiteit van Qinghai Hu door Prof. Dr. Ir. Jan K. Tuynenberg van Herwerden, Graaf van Noord-Scharwoude tot het verre Koedijk, tevens Sultan van Blokland.

Met universitaire groeten, Professor van Herwerden

PS.
Ik ben uitgenodigd om een eredoctoraat in ontvangst te nemen aan het conservatorium van de Zuid-Sandwich Eilanden iets ten Noordwesten van de Weddell Zee in Antarctica. Ik zou het op prijs stellen als je hierbij aanwezig zou willen zijn.

Met buitengewone intellectuele en muzikale groeten, 

Maëstro Don Giovanni Carlo Giuseppe da Herwerden.
———————————————————————————————————-
Naschrift.
Inmidddels is bekend geworden waar de naam Jan Pep vandaan komt. 
Zelfs zijn vrouw wist niet waarom men haar overleden man zo noemde. Zijn broer Kees van Herwerden, later woonachtig in Friesland, kende als enige de herkomst van deze naam.
Zijn verhaal luidt als volgt: 
Kees Schager, de zoon van Piet Schager, woonde vlakbij Jan. Deze Kees Schager had ze ‘niet allemaal op een rijtje’ en kon de naam ‘van Herwerden’ niet uitspreken, dus zei hij gemakshalve: Jan Pep. De broer van Jan, Kees van Herwerden, noemde hij Kees Pep.

29. Dorpsverhaal 8. De oude en de nieuwe Prins Maurits

De nacht van twaalf op dertien september 1973 was een zwarte nacht voor de inwoners van Nieuwe Niedorp. Toen brandde de oude Prins Maurits af, het gezellige dorpscafé met de kolfbaan en legendarische kasteleins. En met fameuze kolvers en kolfsters als Piet Persijn en Adri Smit, die wereldkampioen werden, want buiten Westfriesland wordt niet gekolfd.
De laatste kastelein in de oude Prins Maurits, Cees Molenaar, kwam uit Wervershoof, het dorp van Theo Koomen, de beroemde radio- en TV-reporter. Cees kon goed biljarten en briljant liegen. Dat laatste oefende hij dan ook vaak. Hij zei bijvoorbeeld:
‘Het begon die dag plotseling zó hard te vriezen, dat de schaatsers schaatsten áchter de schuit aan.’
Of hij vertelde een anekdote uit de arme tijd en zei dan:
‘Moeder zette de pan met piepers op tafel en haalde de deksel eraf. Die jongens hadden zó’n honger, dat vóórdat de damp van de piepers bij het plafond was, waren de piepers al op.’
Of:
‘Het kroos op de sloot was zó dik, dat ze liepen over het kroos de trekschuit te trekken.’
Of hij vertelde dat hij veel had gereisd en bij de douane het volgende had gezien:
‘Die man had zulke grote handen, hij mocht niet in Amerika komen.’
Als een luisterende klant deze veelbereisde wijsheid niet helemaal begreep en vroeg: ‘maar waarom dan niet, Cees?’ dan zei Cees: ‘Te grote handen.’
Hij keek dan opzij naar het luchtledige om de ultieme erkenning van zijn wijsheid te ontvangen. Die maar niet kwam. Dus loog hij door. Net zolang tot zijn café verbrandde en de waarheid aan het licht kwam. De naakte waarheid waar hij niets anders van kon maken. Toen de brand uitbrak was Cees met zijn familie op vakantie en terugrijdend reden ze de Dorpsstraat in tot aan de Prins Maurits. Plat. Verbrand. Alles. Niets van over. Ongelogen.

Meteen gingen betrokken dorpelingen aan de slag om dit verbrande gat te dichten en aldus bouwde men een nieuw café met zaal onder dezelfde naam: Prins Maurits.
Als beheerdersechtpaar werd gekozen voor Jan en Gerie Stammes, mijn ouders.
Mijn moeder hield zich in de zaak vooral bezig met de organisatie van bruiloften en partijen en ze deed het personeelsbeleid. Mijn vaders taak was de contractering van muziekgroepen en het barwerk. En beiden zetten zich in voor het reilen, zeilen en bedienen van de vele verenigingen die gebruik maakten van het in 1976 persoonlijk door Prins Maurits (Fer Keulen) geopende dorpshuis ‘Prins Maurits’. Of zoals mijn vader in zijn beste Latijn zei: de Mauritius Printius.
Mijn vader was na de oorlog eerst loodgietersknecht geweest bij Gert de Vries, daarna runde hij met Herman Vrede de fietsenmakerij Havrelux, vervolgens was hij bedrijfsleider bij de Veeno fietsenfabriek van de Wilde en nu, op bijna 50-jarige leeftijd, begon hij met zijn vrouw aan een nieuw avontuur.

Mijn vader had een nogal aparte manier van omgaan met zijn stamgasten. Hij hield ze zoveel mogelijk in leven, maar maakte ze soms wél onschadelijk.
Zo repeteerde op een late vrijdagavond een nogal luidruchtige muziekband in de ‘Prins Maurits’. Jan Goet, de aannemer, woonde er vlakbij en kwam kwaad het café binnengestapt. Hij zei: ‘Die muziek is veel te hard. Ik had mijn pyjama al aan en toen ik naar bed wilde gaan begon die herrie. Ik kan er niet van slapen.’
Mijn vader antwoordde: ‘Een pyjama? Wie trekt er nou op jouw leeftijd nog een pyjama aan? Wat een belachelijk gedoe!’
De discussie ging hierna niet meer over de harde muziek, maar over het feit of het nu wel of niet redelijk was om op een bepaalde leeftijd een pyjama te dragen in bed. Ondertussen speelde de muziek keihard door, discussieerde Jan Goet ook keihard door en had hij niet meer in de gaten dat hij eigenlijk voor iets anders kwam.
Nadat de ergste emotie geluwd was schonk mijn vader een borrel in en bleef Jan Goet nog lange tijd zonder pyjama en vlakbij de harde muziek zitten.
Zo verdiende mijn vader geld aan klagende klanten en stelde hij ze tevreden zonder ooit iets op te lossen.

In de tijd voordat mijn ouders de nieuwe ‘Prins Maurits’ zouden gaan beheren, was er nogal wat discussie over het soort bier dat getapt zou gaan worden.
Jan (Pep) van Herwerden was niet gelukkig met de keuze voor Skol bier. Een ander feit was dat Jan een nieuwe jas had gekocht. Een zwarte met een riem. Jan vond die jas mooi. Hij stond daarin alleen.
Op een zondagmiddag kwam Jan uit de voetbalkantine en liep langs ons huis. Hij droeg trots zijn nieuwe zwarte jas met riem, klopte uitvoerig op het raam en riep tegen mijn vader: ‘We komen niet naar je café, want wij moeten dat Skol bier niet!’
Mijn vader riep terug: ‘Dat geeft niet, want wij kopen niet zo’n jas.’

Er kwamen veel verschillende soorten mensen bij mijn ouders in de ‘Prins Maurits’ in het plattelandse Nierup, waar af en toe een fiets voorbij kwam.
Soms kwamen de gasten helemaal uit Den Haag. Ze stonden op camping ‘Het Witte Hek’. Als je na middernacht het café verliet en naar buiten wilde gaan naar de doodstille dorpsstraat, zeiden ze heel attent: ‘Kaêkie aût voâh de tram?’

Toen een agressieve dronken man over de bar wilde klimmen, hield mijn vader hem resoluut tegen.
De man schreeuwde: ‘Je moet me zeker niet, hè!’
Mijn vader antwoordde kalm: ‘Ik zal het netjes zeggen: als jij een fanclub had, werd ik géén lid.’

Als de bollenboer van Terdiek, Freek Koorn, veel had gedronken, viel hij vaak aan de bar in slaap. Tijdens een avond van de biljartclub was het weer eens zover en op dat moment was Frans Nieuwelink aan de stamtafel net bezig een kruiswoordpuzzel op te lossen. Hij vroeg aan de klanten: ‘Het zit aan de bar en het slaapt. Zestien letters.’ Niemand wist het antwoord, Frans wél: ‘Freek Koornroosje.’
Frans had wat meer doorgeleerd en stelde soms moeilijke vragen.
Wat gebeurde er in 36 kwadraat? Antwoord: Floris de Vijfde vermoord.
Wat gebeurde er in 40 kwadraat? Slag bij Nieuwpoort.

Zelf stond ik er ook vaak achter de bar.
Het mooie van het barkeepersvak is dat je alle tijd hebt om mensen te ‘lezen’.
In de Prins Maurits ging dat op een willekeurige zondagmiddag zo ongeveer als volgt:

Hans Bossen peutert in zijn neus, krijgt een bloedneus en zegt: ‘Zit ik in me gok te jorre, nou issie stik.’

Freek Koorn waarschuwt een nieuwe bezoeker: ‘Je moet hier gien rondje geve hoor, want ze zuipen ut op.’

Een uitermate keurige, ietwat sombere dame wenkt mijn vader en fluistert zacht in zijn oor: ‘Ik ken vandaag nag niet doôdgaan, want me kaste benne nag niet skoôn.’
Mijn vader antwoordt: ‘Nôh, doôdgaan is niet zo erg hoor, je benne allien de are dag zo staif.’

Guus Wiemeersch zegt na een halve liter jenever achterover geslagen te hebben:
‘Doe main maar un biertje, want ik moet nag raaie.’

Dan wordt vanuit de zaal plotseling een piano het café in gesleept. Een volslagen onmuzikale klant begint wild op de toetsen te meppen, ook op plekken waar geen toetsen zijn, terwijl Jan Pep naast de piano galmend een operalied zingt dat hij ter plekke verzint.

Na dit intermezzo komt een schele vrouw het café in met een papegaai op haar bochel. Ze is zó lelijk dat iedereen verbijsterd zwijgt. Ze loopt naar de bar en zegt tegen de barkeeper: ‘Als jij raadt wat voor dier er op mijn bochel zit, mag jij met me naar bed.’
Hij kijkt eerst naar haar …. dan naar de papegaai …. en zegt: ‘Dat is een krokodil.’
Ze zegt: ’Dat reken ik goed.’

28. Dorpsverhaal 7. Ome Dik, de man van tante Trijni

Ik had meerdere ooms en tantes, want in een dorp heb je vele ooms en tantes die helemaal geen familie zijn, maar die zo vertrouwd en nabij zijn dat ze een eretitel krijgen: oom of tante.
Ik had een oom en die was de boeiendste van allemaal én de minst makkelijke. Hij was de beste vriend van mijn vader en ook onze beste buurman: ome Dik.
Ik zie hem nog glashelder voor me staan: groot, bruinverbrand, oersterk, kaal en grote felle ogen. Indrukwekkende man, vooral als hij kwaad werd. En dat gebeurde wel eens.
De grote, sterke ome Dik had een apart kenmerk: als hij een paar borrels op had, werd hij steeds kleiner. Volgens mijn vader kon hij aan het aantal centimeters dat ome Dik kromp precies zien hoeveel die had gedronken.
Ome Dik deed vele dingen in zijn leven. In mijn jeugd was hij veerijder, haalde koeien op bij de boeren in de omtrek en bracht ze naar de markt. Handel.
Een keer zag ik ome Dik vechten met een jonge stier die zich heftig verzette toen ome Dik hem zijn veewagen in wilde trekken. Het beest begon wild te springen en te briesen. Ome Dik zijn geduld raakte, zoals gewoonlijk, snel op en hij nam de wilde stier in de houdgreep. De stier hapte amechtig naar adem en moest uiteindelijk zijn meerdere erkennen in ome Dik, de stierenbedwinger.
Inderdaad, zoals gezegd, kon ome Dik nogal kwaad worden. En als mannen kwaad worden, is de humor meestal ver weg of zelfs totaal afwezig. Bij ome Dik was dat anders. Zijn mooiste opmerkingen bracht hij naar voren als hij razend was. Hierbij moet gezegd worden dat ome Dik aan twee soorten mensen een hekel had:
1. Aan boeren
en
2. Aan Duitsers.
Dat was niet redelijk van ome Dik, maar hij kon er niets aan doen. Dat was nu eenmaal zo.
In de hete zomer van 1972 togen wij eens welgemoed op vakantie naar de Duitse grens: Glanerbrug.
Ondanks de allergie van ome Dik, staat een dagje Duitsland op het programma. Aangekomen bij de grens is ome Dik met zijn gezin het eerst aan de beurt: paspoortcontrole.
Wij staan achter ze in de wacht en zien wat er gebeurt: de auto van ome Dik draait plotseling om. Heel wild. En scheurt hard terug. Weer Nederland in. Mijn vader draait het portierraampje open en als ome Dik met gierende banden langs vliegt, vraagt hij:
‘Wat is er aan de hand, Dik?’
Ome Dik schreeuwt woedend:
‘IK BEN MIJN MITRAILLEUR VERGETEN!!’

En wég snelt ome Dik.

Mijn vader barst in lachen uit: ‘Oh’, zegt hij, ‘ik weet het al. Ellen (zijn dochter) is net zestien geworden en ze heeft nog geen paspoort.’
Teruggekeerd op de camping stelt mijn vader zijn goede vriend plagerig de vraag:
‘Hou je niet van Duitsers, Dik?’
‘Jawel’, zegt ome Dik, ‘alleen gewapend.’

Toen Jan, de zoon van ome Dik, in militaire dienst moest, vroeg hij de avond ervoor aan zijn vader wat hij de volgende dag zou moeten doen. Zijn vader gaf hem het volgende wijze advies: ‘Als ze je vragen wat je wilt, zeg dan dat je twéé geweren wilt. En als ze dan vragen waarom, dan zeg je: want mijn vader wil er ook één!’

In zijn werk ging ome Dik het liefst zijn eigen gang, maar als beheerder van het Recreatiepark ‘de Rijd’ met 74 huisjes had hij een bestuur boven zich.
Hachelijke zaak.
Ome Dik werd eens uitgenodigd op een vergadering, aangezien een paar bestuursleden enige kritische punten met hem wilden bespreken. Hij werd verzocht zolang even aan de bar plaats te nemen en te wachten tot hij aan de beurt was. Ze zouden hem roepen, zo zeiden ze. Dus wachtte ome Dik, heftig trekkend aan zijn sigaar, wilde ogen.
De serveerster vroeg aan mijn moeder achter de bar:
‘Hoeveel koffie moet er zijn voor het bestuur van Recreatiepark de Rijd?’
‘Twaalf’, zei mijn moeder.
‘Ja’, zei ome Dik, trekkend aan zijn sigaar, wilde ogen,
‘Twaalf koffie. Én een handgranaat!!’