27. Dorpsverhaal 6. Westfriese vertelkunst (1)

In de Middeleeuwen had je rondtrekkende ‘troubadours’ die de verhalen doorvertelden die ze op hun reizen hadden gehoord. Zo bleven de mensen op de hoogte van wat er gebeurde in stad en land.
Die troubadours van toen bestaan in Westfriesland nog steeds. Het zijn de verhalenvertellers op straat en in de kroeg. Ieder dorp kent ze. 
Zo’n moderne troubadour was ook de Westfriese verhalenverteller Kees Stet. In een beroemd verhaal vertelt hij dat het fanfarekorps van Aartswout (Ierswout. Voor de échte kenners: Blôtebieneland) zeventig jaar bestaat, de mannen van het bestuur ontdekken dat er geen bloemen zijn in de feestzaal en daarop besluiten de bloemen ergens van een balkon af te gaan slepen. De verteller gaat dan verder en verpakt alle informatie in één ellenlange zin:

‘En zo raakte de manne
met un kartje op luchtbande
en un klain laddertje mee
deur ut skemerugge durrep 
nee ut huis
van Arie Klôsterboer
en ut laddertje ging bai ut balkon op
en de voorzitter stond bove
en de penningmeester benede
en de sikkerretares hallefweg
en ze gave mekaar de potte deur.’

Het trage ritme van de zin, de toon, de keuze van de woorden, de timing en het beeld dat je voor je ziet in je hoofd, is de grote kunst van het verhalen vertellen.
De allermooiste Westfriese zin van de 20e eeuw komt echter voor in een ander verhaal.
Als een Westfriese jongen bij de militaire dienstkeuring voor de kapitein verschijnt en deze hem beveelt andere schoenen aan te trekken, namelijk dezelfde schoenen als de andere soldaten, dan vraagt de soldaat: ‘Hoekkus hewwe are den an?’

26. Dorpsverhaal 5. Ome Cees

Er was een vrouw in het dorp die in een tehuis werkte en later niet meer. 
Hij zei toen niet:
‘Ze stal en daarom werd ze ontslagen.’
Hij zei: 
‘Ze werd uitgebonjourd, want ze kon niet met haar handjes van het goud afblijven.’ 

Ik heb het over ome Cees Slikker. 
Die zei zelden normale dingen, net als mijn vader. Behalve zwagers waren ze dan ook vrienden. 
Ome Cees werkte op een kraanwagen en was bezig met de dijkversteviging van de Hondsbossche Zeewering bij Petten. Ik dacht vroeger als jongetje dat hij dat in zijn eentje deed, die dijk ophogen. Ik dacht dat Nederland zonder ome Cees zou overstromen. Ik vond dat een enge gedachte en was blij dat hij bestond, want dat gaf een veilig gevoel.
Door ome Cees zou 1953 niet meer terugkomen. 
Sterk als hij was, gaf hij me altijd een stevige handdruk en dat deed zeer. 
Ik dacht dan altijd dat dat kwam door die dijkversteviging. Hoe zou je een dijk kunnen bouwen als je slap was?
Behalve dijkversteviger was ome Cees ook een geboren observator. 
In latere jaren werkte ik met hem achter de bar in de Prins Maurits en in ’t Centrum in Winkel. Soms was hij plotseling weg. Dan zag ik dat hij zijn bril in de bar had achtergelaten en stond hij tussen klanten de boosheid te sussen. Hij was erbij voordat het uit de hand liep en voordat de klappen vielen. 
Hij was pro-actief, werkte preventief en deed aan agressie-regulatie. 
Al kenden ze die woorden niet op de Hondsbossche Zeewering. 
Als een agressieve klant hem uitschold, dan keek hij achterom, alsof dáár het beoogde slachtoffer zou moeten staan, draaide zijn hoofd weer naar de klant en haalde dan verbaasd zijn schouders op. 

Levenskunst. 

Op een keer kwam hij onverwachts bij ons thuis en zei: 
‘Ik kom hier even, want mijn vrouw maakt van alle deuren draaideuren ….’

Die scherpe blik, die relaxte houding bij agressie en die aparte humor kwamen érgens vandaan, maar ik wist niet precies wáár. Dat ontdekte ik pas later, want hij sprak er nooit over.
Ome Cees zat in de Tweede Wereldoorlog in het verzet. In 1940 was hij twintig jaar jong. Wapens oppikken bij wapendroppings en ze dan verspreiden met gevaar voor eigen leven, zoals zovele onbekenden. 
Zonder lintje van de Koningin, maar die heeft zélf ooit een aanslag overleefd in Apeldoorn, vierenzestig jaar na de bevrijding. Ik denk dat ome Cees haar gered heeft. Op het nippertje.
Zijn werk was zand en prut en van die prut maakte hij juweeltjes in zijn uitspraken. 

Toen een armoedig iemand, en die waren er genoeg, enige dagen achter elkaar dezelfde oude kleren droeg, zei Ome Cees niet: ‘Hij is arm’ of ‘wat een oude kleren’. Hij zei:
‘Onze miljonair zit zeker wat matig in zijn manufacturen.’ 

Poëzie.
In de prut. 

Zijn humor had meerdere functies. Zo wist hij veel conflicten te voorkómen.
Toen hij van een aardig familielid die op haringvangst was geweest gratis een haring kreeg aangeboden, ontdekte ome Cees dat die haring niet zo lekker was, dus ja, hoe los je zoiets nou tactisch op? 
Op de vraag van de man ‘Hoe vind je mijn haring?’ antwoordde ome Cees: 
‘Ik heb zelden zo’n haring gegeten.’ 

Een andere functie van zijn humor was om samen plezier te maken. Toen hij en mijn vader eens op een terras zaten (‘mooi zitten, mooi kijken’), kwam er een man langs gelopen met een nogal opvallend hoofd. Mijn vader zei niets en dacht: ‘Die man lijkt precies op een hond’. En terwijl hij daarover in gedachten verzonken was, hoorde hij naast zich Ome Cees zachtjes blaffen …. : ‘Woef’.

Ome Cees is overleden op 100-jarige leeftijd.
Zijn stevige handdruk geeft hij niet meer op aarde.
Zijn werk is gedaan.
We zijn veilig.

25. Boekuitreiking

Op dinsdag 11 mei 2021 mocht ik mijn tiende boek

GELUK IN TIJDEN VAN CRISIS
Het Delftse coronadagboek 2020-2021

uitreiken
aan Marja van Bijsterveldt, burgemeester van Delft.

Het boek laat zien dat ons geluk en onze vrijheid onafhankelijk zijn van uiterlijke omstandigheden.
Het legt de drijfveren bloot van het menselijk gedrag in tijden van crisis.
Tevens geeft het een compleet chronologisch overzicht, alsmede heldere inzichten en analyses, van de nationale en internationale gebeurtenissen vanaf 1 januari 2020 tot aan vandaag.
Zodoende geeft het een uniek historisch beeld van deze bijzondere tijd
waar we komende generaties over zullen vertellen.

Het boek is verkrijgbaar bij Boekhandel de Omslag te Delft.
En deze week op de voorpagina van de Delftse Post.

Veel leesplezier!

24. Dorpsverhaal 4. De voetbalcoach

De voetbalvereniging van Nieuwe Niedorp bestaat 100 jaar. Ter gelegenheid hiervan is een prachtig jubileumboek uitgebracht vol historische verhalen, foto’s en feiten. Dit boek werd uitgereikt aan erelid Roel van der Kooi die zoveel betekend en gedaan heeft voor ‘de voetbal’.
Nou heb ik de lengte van Roel van der Kooi de laatste tijd niet meer bijgehouden, maar ‘in onze tijd’ was hij een lange vent van 1 meter 99 met een grote baard en hij was onze favoriete voetbalcoach in de junioren. We waren zestien jaar en de serieusheid voorbij.
Roel reed ons in zijn busje naar alle wedstrijden. Wij hielden van Roel en hij moet ook van ons hebben gehouden anders hou je zoiets niet vol met die zestienjarige ettertjes.
Welke man is in staat om jongens die los willen gaan goed te begeleiden? In het geval van Roel was er sprake van een unieke combinatie van factoren.
Ten eerste hield hij van voetbal.
Ten tweede was hij op en top verenigingsmens.
Ten derde nam hij zijn verantwoordelijkheid.
Ten vierde kon je erg met hem lachen.
En ten vijfde bezat hij iets unieks: een warm hart.
Tijdens zijn afscheid als coach mocht ik een speech voor Roel houden. Ik deed mijn best en ons elftal overlaadde hem met dankbare cadeaus. Met als topper een grote, door mijn broer Niko gemaakte en ingelijste foto die de jaren daarna in de voetbalkantine zou hangen en die nu ook in het jubileumboek staat afgebeeld.
En toen, bij die uitreiking, zagen wij, zestienjarige etters, iets nieuws. En dat moment zijn we nooit meer vergeten. Daar stond hij, Roel, onze prachtcoach, sterke vent, twee meter lang, grote baard, luide stem, alleskunner. Onze vervangende vader op de zaterdagmiddagen. We zagen dit: Roel had tranen in zijn ogen.
Ontroering, stilte, prachtmoment!
Op dat moment werd Roel onsterfelijk. En de beste. Niet met voetbal, wél als mens.
De perfecte les voor zestienjarige etters.
Bedankt, Roel!
Achtenveertig jaar na dato.

23. Dorpsverhaal 3. Een held

Het beste elftal van de gemeente Niedorp dat ooit gespeeld heeft, voetbalde in het seizoen 1969-‘70. De aspiranten-C van Nieuwe Niedorp werden dat jaar kampioen in een zinderende wedstrijd tegen de club met de wereldse naam: BOL, Broek Op Langedijk.
Klinkende namen als Leo Wissink, Jaap Wagenaar en Martien Sepers galmen nog steeds door de catacomben van het voetbalimperium Nierup en hun namen worden fluisterend en met ontzag uitgesproken.
Ja, dromen is leuk, maar wat is de realiteit? Jongens hebben helden nodig en ze zoeken helden die altijd winnen. Rawhide! Kent u de TV-serie nog? Vechtende cowboys en één daarvan was de sterkste: Gill Favor. Hij was een held, vonden we.
Maar terug naar de heldentocht van de aspiranten-C. Hoe gingen ze verder? Ach ja, al snel kwam de puberteit, later drank, de eerste meisjes en rock&roll. En ieder ging zijns weegs. Alleen de allersterkste bleef over: Cor Goet. En hij bereikte het hoogst haalbare: het eerste van Nierup. Wij waren opscheppers, maar Cor was bescheiden en hij voetbalde gewoon door.
Later zag ik hem spelen in het eerste elftal waar de jeugdige aspiranten langs de lijn bewonderend naar hem keken. Ze hadden een held. Niet van TV, nee, in levende lijve. Beter dan Gill Favor. En echter.
Ja, jongens hebben helden nodig. En Cor? Hij voetbalde, trouwde en kreeg een kind, zwaar gehandicapt. Hij voedt zijn zoon liefdevol op, samen met zijn vrouw Ria. Zware taak, maar zo doen helden dat. En Cor Goet is een held. In vele opzichten.

22. Dorpsverhaal 2. Mijn moeder

Ik moet u dit keer helaas teleurstellen, beste lezer. U dacht dat u de liefste moeder van de wereld had, maar dat is een misvatting. Die had ik al. En aangezien twee liefste moeders niet gaan, valt de uwe dus af. Neem uw nederlaag echter sportief op, want ik kan mijn bewering met feiten staven. U bezwijkt dan vanzelf wel voor de waarheid.
Mijn moeder had gevoel voor humor, was altijd betrouwbaar, de stabiele factor in het gezin en de zaak, ze voedde ons zorgzaam op, verzoende tegenstellingen en je kon goed met haar praten. Ze hield niet van conflicten en als er thuis een begin van een conflict dreigde te ontstaan, riep ze: ‘Kijk eens naar buiten!’
Over moeders valt vaak wat minder flamboyants op te merken dan over vaders, omdat moeders veel stabieler zijn en minder gek doen. Ik vond vaders vroeger vaak interessanter dan moeders, omdat ze altijd een beetje raar deden en onvoorspelbaar waren.
Moeders staan echter altijd voor je klaar en dat voorspelbare geeft een kind veiligheid.
Moeders zijn meestal ook sterker dan vaders, op de lange termijn. Verschil tussen 100 meter en marathon. Vaders zijn fel, vlammen op en doven uit. Moeders branden gewoon door, gestaag.
Samengevat:
moeders zijn normaal en vaders niet, daarom zijn ze beide nodig.
Vaders zijn meer van de buitenwereld, daar waar de strijd en het plezier is.
Moeders zijn meer van de binnenwereld, daar waar de rust en de zekerheid is.
Strijd en rust, plezier en zekerheid.
De menselijke bestanddelen waaruit leven wordt gevormd.
En dood.
En liefde.

21. Dorpsverhaal 1. Mijn vader in militaire dienst

In zijn militaire diensttijd (1947-48) in Breda noemde mijn vader zichzelf niet Jan Stammes, maar Iwan Stammenoski. Aangezien hij er niets voor voelde om voor militair te spelen en naar de oorlog in Indonesië (de ‘politionele acties’) te worden uitgezonden, en bovendien wist dat communisten in die tijd verdacht waren en daarom niet in dienst hoefden, deed hij gek (wat hem makkelijk afging) en gebruikte die zogenaamd Russische naam van Iwan Stammenoski.
Op de deur van de barak waar de lastigste soldaten sliepen, spijkerde mijn vader een bordje met de tekst: ‘De witte ratten van El Alamein.’ El Alamein was de Egyptische plaats waar de Engelse generaal Montgomery de Duitsers in de pan had gehakt in de Tweede Wereldoorlog.
Als mijn vader verhalen vertelde en iedereen zich tranen lachte dan sloot hij zijn verhaal vaak plechtig af met de zin: ‘Aldus doctor Göbbels in Das Reich.’ Göbbels was één van de kopstukken geweest van het Hitler-regime die regelmatig officiële communiqués verspreidde in Nederland en dit ondertekende met de zin: ‘Aldus doctor Göbbels in Das Reich.’
Zelfs van massamoordenaars wist mijn vader lachwekkende figuren te maken.

Zijn dienstkameraad en buurjongen van Terdiek, Jaap Blokker, werkte in de keuken van de officiersmess waar mijn vader hem regelmatig bezocht. Al snel werd het Jaap duidelijk waarom mijn vader daar zo graag kwam. Dreigde de melk over te koken dan draaide hij het gas niet lager, maar stond er vrolijk in te spugen, roepende: ‘Dit geeft écht!’ Hetzelfde deed hij met de doorbakken biefstukken voor de officieren. Ook daar spuugde hij in en zei dat het eten dan lekkerder smaakte.
Zijn opvallende gedrag werd beloond. Hij kreeg de kwalificatie S5, die stond voor ‘Ontoerekeningsvatbaar’.
Op zijn laatste avond als soldaat hielden mijn vader en zijn kameraden een kroegentocht waarbij hij halverwege de avond op de hoge trap van het stadhuis van Breda een luide toespraak hield voor het verbaasd langslopende publiek, al roepende: ‘Wir haben den Krieg nicht gewollt, Siep Heill!’
Met ‘Siep Heill’ in plaats van ‘Sieg Heill’ verwees hij naar Siep Booij uit Nieuwe Niedorp die eens met opgerolde broekspijpen en dansend op het biljart van café de ‘Roode Eenhoorn’ een Oostenrijker had pogen te imiteren onder het uitslaken van de jodelende kreet: ‘Ich bin ein Österreicher!’ Waarop mijn vader had geroepen: ‘Das haben wir immer gewusst!’
Maar van dat alles wist men in Breda toen nog niets af …..
De dag na de Bredase kroegentocht verliet mijn vader de kazerne. Als een vrij man en als een triomferende Winston Churchill, lachend met een enorme sigaar in de mond en groetend met het V-teken, zwaaide hij naar zijn achterblijvende kameraden. Zijn dienstkameraad Jaap Blokker was zijn getuige en zwaaide treurend terug. Jaap had nog enige tijd te gaan en, zo verzucht hij in zijn boek ‘Jaap Blokker vertelt’, ‘het zou saaier worden in de kazerne.’
Overigens had mijn vaders weigering om in het leger te vechten niets te maken met pacifisme of vredelievendheid. Als hij écht een hekel had aan iemand, zei hij: ‘Die? Die moet je net zo lang onder water houden tot het niet meer borrelt.’
Na zijn geslaagde actie gebruikte hij die naam Iwan Stammenoski om zijn gedichten (‘rijmen en dichten, zonder je hemd op te lichten’, zei hij dan) voor het motorblad te signeren. Mijn broer Niko en ik werden in het dorp vaak ‘de Stammenoski’s’ genoemd en Niko werd op de Lagere School door zijn vrienden aangesproken met de bijnaam ‘Noski’. Wij hadden toen nog geen idee waar die aparte naam vandaan kwam.
Het S5-voorbeeld van mijn vader inspireerde mij dertig jaar later om eveneens de militaire dienst te ontwijken zonder ook maar ooit één militair te spreken. Ik voerde mijn oorlog schriftelijk. De correspondentie duurde jarenlang zonder dat men op het Ministerie van Defensie enig idee had waar ter wereld ik mij bevond en wat ik nu precies mankeerde of deed. Tot ze er genoeg van kregen en ik ‘Buitengewoon dienstplichtig’ werd verklaard.
Doel bereikt, oorlog gewonnen. Met de pen.
En volledig ‘Toerekeningsvatbaar’.

=========================================================================

Mijn vader links (voor de kijker) en Jaap Blokker rechts.
Het is het jaar 1947.
Ze zijn hier 20 jaar oud.

Kan een afbeelding zijn van 2 mensen

20. Het wonderkind

Zijn naam is Arthur Rimbaud.
De grootste dichter uit de wereldgeschiedenis.
Wat hem zo zeldzaam maakt, is dat hij zijn gehele oeuvre schreef van zijn zestiende tot negentiende jaar.
Een jongen.
Rimbaud wordt in 1854 geboren in het dorpje Charlesville-Mézières in Frankrijk.
Hij is een brave en briljante leerling aan de buitenkant, maar zielseenzaam in zijn binnenkant. De enige die zijn persoonlijkheid en onwaarschijnlijke talent ziet is zijn leraar Georges Izambard. Dit ‘diepgaand gezien worden’ doet de geest en het gedrag van de hypergevoelige jongen veranderen waardoor hij de vrijheid voelt om zijn echte talent aan te boren. Tot een punt waarop Rimbaud onhoudbaar wordt.
Hij vertrekt van het provinciedorp naar Parijs waar hij de gehele literaire elite beledigt, belachelijk maakt en verre overtreft in poëtische zeggingskracht.
Rimbaud is op dat moment zeventien jaar …. (!)
De beroemdste dichter van dat moment, Paul Verlaine, neemt hem onder zijn hoede. Ze gaan samen op reis, bezatten zich aan de zwaarste absint, snuiven de heftigste cocaïne, liggen dronken in de goten van Londen, zijn straatarm, en verwonden elkaar geestelijk en lichamelijk. De ooit zo brave Rimbaud is een losgeslagen schoft waar Verlaine aan kapot gaat.
Hierna keert Rimbaud terug en sluit zich op in een schuur op het erf van zijn moeder. Een week lang hoort men een vreselijk gehuil, gekerm en geschreeuw uit de afgesloten schuur komen. Hierna komt Rimbaud totaal uitgeput en verwilderd naar buiten. Hij heeft zijn meesterwerk geschreven: ‘Une saison en Enfer’. ‘Een Seizoen in de Hel’.
Het is dit werk dat de literatuur van de gehele twintigste eeuw voorgoed zal veranderen.
Een eeuw definitief veranderd, door een wonderkind van negentien jaar dat hierna nooit meer iets op papier zal zetten.
De wereld moet deze jongen eeuwig dankbaar zijn.


19. Ramadan

Stralend van licht komt ze de klas in: “Mees, ik vast!”
Het is ook altijd wat met die moslims. Gaan ze een maand niet eten, zijn ze dolblij.
Denk ik.
Afijn, ik ken mijn jonge pappenheimers en zeg belangstellend: “Tjonge, wat leuk zeg!”
Het programma gaat echter voor en ik wil verder met de les. Maar ook enkele anderen komen dolblij op me af en roepen: “Meester, ik vast!”
Licht in een maaltijdloze maand, althans, overdag.
Iedere Ramadan herinner ik me weer hoeveel moslims er zijn in de klas. Ze vasten vrijwel allemaal. Stelletje egoïsten: de schoolkantine doet slechte zaken.
Het is onrustig aan het begin van de les. Ze willen hun ei kwijt (dat ze toch niet opeten, denk ik grappig). Natuurlijk zijn er klasgenoten die het maar raar vinden, dat niet eten. Dit vraagt om een tegenaanval, vindt de andere club. Felle argumenten, stemverheffing, stijgende emotie. Wie wint?
Midden in deze woestijn van schreeuwend onbegrip blijft ze zwijgen: Zakiah, mijn leerling, mijn bron, mijn licht, mijn moskee van stilte.
Ze is zestien van buiten, moslim, Marokkaanse, hoofddoek, grappig en lief.
Ze is zestig van binnen, moslim, Marokkaanse, hoofddoek, barmhartig en wijs.
De woestijn van niet luisteren gaat intussen door in de klas. Geschreeuw, geroep, schelden, intimideren, aanvallen. Vrijheid van meningsuiting, wát een verworvenheid van de Westerse maatschappij! Ik gebied streng om stilte. Stil.
“Wie weet wat vasten écht betekent?”, vraag ik.
Zakiah wacht af. Geen leerling weet het. Of ze roepen dat ze de armen helpen of punten krijgen voor de hemel, maar niemand meent het, niemand weet iets.
Er is nog hoop: Zakiah.
Ik vraag: “Maar wat betekent vasten nu écht?”
Zakiah ziet, weet, dat als de storm is uitgeraasd, de zoektocht naar water begint.
Alle ogen gaan naar de bron. Zestien jaar.
En ze spreekt:
“Vasten is niet alleen niet eten, het is veel meer. Volgens een Hadith, een overlevering uit het leven van de Profeet Mohammed, vragen volgelingen hem wat ze moeten doen tegen de vele bedreigingen die ze krijgen van tegenstanders. Moeten ze terugslaan? Terugvechten? Moorden? Ze kunnen toch niet zomaar over zich heen laten lopen?”
De Profeet zegt:
“Als ze je lastigvallen, bedreigen, naar het leven staan, zeg dan: ‘Ik vast’. Niet alleen met eten, maar ook met mensen, met verleidingen, met je emoties, met situaties, met ruzie, met onrechtvaardigheid, met alles. Zeg: ‘Ik vast’ en ga niet op de verleiding in. Laat ze en vervolg de juiste weg. Dat is genoeg.”

Muisstil is de klas.
Als het donker is, is een kaars genoeg.
De les kan beginnen,
en het vasten,
en de vrede.

Het is ook altijd wat met die moslims.

18. Geldt vrijheid voor ieder mens?

Haar dichtgeslagen ogen kijken me brandend aan.

“Je zult eeuwig branden in de hel”, had hij haar toegeschreeuwd, terwijl zijn slagen op haar inbeukten. Tot ze niet meer kon en vluchtte. De nacht in.
Naast haar zit Ajna, 16 jaar, beeldschoon. Ze weet niet precies wat ze voelt (“klopt het wel?”), maar ze is verliefd op haar. En andersom.
Ajna is niet geslagen. Ze weten van niks, thuis. Ze bewaakt haar geheim. En dat kan ze: zwijgend een geheim bewaren. Dat leerde ze al vroeg, thuis, op school, op straat.
Iedere cultuur heeft zo zijn voordelen.
Veel zien, veel voelen, veel willen, en …… zwijgen.
Ook als haar ouders, haar familie, spraken over haar toekomst. Over een goede opleiding, een mooi huis, een baan met aanzien, een leuke man. “Eén van ons natuurlijk, je begrijpt wel.”
Maar ze begreep niet, niet echt. Ze begreep iets anders, maar zweeg.

Ik luister naar hun verhalen en vraag me voor de zoveelste keer af hoe ouders het in godsnaam voor elkaar krijgen een kind ter wereld te brengen en vervolgens een leven lang een oorlogscampagne op touw zetten om hun lieve kind in de wurggreep van hun eigen angsten te dwingen. Om een godgans leven lang niet naar hun eigen kind te luisteren, het niet te zien, en nooit, werkelijk nooit, de oerschreeuw om erkenning en aanvaarding te horen waardoor ze hun bloedeigen kind van eeuwige verdoemenis zouden kunnen redden.
En zichzelf.
Ik vraag me af:
Waar zijn die ‘normale’ ouders die hun kind begrijpend aanhoren in hun kronkelige, kwetsbare weg door het leven, ze niet veroordelen, hun hand vasthouden als het nodig is en weer loslaten als het daarom vraagt, als de tijd rijp is?
Waar zijn die vreesloze ouders die hun kind zien zoals het is, niet vermorzeld door angstbeelden van cultuur, traditie en zogenaamde religie?
Of bestaan ze niet, die ouders die hun kinderen gewoon liefhebben, koesteren, aardig vinden?
Of bestaan ze niet, die ouders die genieten van de sprankelende kracht van hun kind?
Die zien dat hun kind anders is dan zij. En die begrijpen dat hun kind niet hun bezit is.
Zo vraag ik me af, terwijl Ajna en Fatima elkaars hand vastpakken.
Prachtige kinderen, eenzaam, op de rand van de hel. Denken ze, denkt hun familie.
En alles wat ik aan aandacht, interesse en vaardigheden inbreng, kan voor nog geen millimeter de allesverzengende haat van hun familie verzachten, laat staan verdrijven.

Na een maand komt de oplossing.

“Het spijt me dat mijn dochter u zoveel last heeft bezorgd. Ze was in de war. Ze ziet nu in dat ze fout was. U begrijpt wel waarom. Ik wil u wel bedanken voor uw tijd en moeite. Ze zal niet meer op school komen.”
De woedende flikkering in zijn ogen ontgaat me niet.
Terwijl de grond onder mijn voeten vandaan getrokken wordt, stort ik, met zijn kind, in een brandend vagevuur. “Het vuur dat uw kind van alle zonden zal zuiveren.”

Want zó staat het geschreven.

==========================================================================

NASCHRIFT.

Het percentage zelfmoordpogingen onder Hindoestaanse meisjes is veel groter dan bij meisjes uit andere etnische groeperingen, zo blijkt uit cijfers van de GGD.
Oorzaken zijn:
1. Te hoge verwachtingen van de familie.
Onder veel Hindoestanen is de buitenkant heel belangrijk: knap uiterlijk, mooie kleren, dure auto, hoge opleiding, hoge status, een baan met veel geld, succes in de buitenwereld.
Veel Hindoestaanse ouders willen dat hun kind aan dat beeld voldoet.
2. Communicatieproblemen: de oudere generatie mist veelal het vermogen om open over hun innerlijk van gedachten, gevoelens en emoties te praten. Kinderen ervaren zo’n milieu en zo’n opvoeding volgens de strakke regels van traditie, familie en cultuur vaak als verstikkend. Persoonlijke problemen kunnen niet of nauwelijks worden besproken en er is vaak te weinig affectie van de ouders voor het kind.
3. In Bollywood films komt vaak zelfmoord aan bod.