17. Vader en zoon

Het 10-minuten gesprek voor het 3e rapport is achter de rug.
Onweer: 6 onvoldoendes.
Ze zitten naast elkaar. Nacht en dag. Gegroefd gelaat, doffe ogen, gekromde schouders naast ‘gedjeld’ haar, glinsterende ogen en zin in alles. Niet in leren.
Hij zegt Thom even buiten te wachten. Hij is nog niet klaar. Thom wel. Verlaat de kamer. Huppelend.
Ik probeer:
“Hij is nog jong, soms hebben ze een jaar extra nodig, moet nog rijpen, intelligent genoeg, goed karakter, komt er wel, aardige jongen.”
Maar zijn andere zoon. Daar wil hij het over hebben, over de basisschool.
“Hij doet het goed. Helpt iedereen. En leren, meneer, zo goed. En zo serieus. Nooit problemen. De oogappel van zijn moeder.”

Het is alsof hij naast hem zit.

Tot die auto hem schepte.

De dood van zijn zoon leeft door in zijn lichaam. Alsof ook hij tegen die auto liep, ook hij werd geschept. Buiten klinkt geren en gelach. Thom leeft door.
“Geen probleem, Mees. Nooit”. Zo verzekert hij me na iedere onvoldoende.
“Nee, nooit”, zegt vader. “Het komt nooit meer goed. Dit kán je niet goedmaken. Hij komt nooit meer terug.”

Met zoveel verdriet leven kan niet. Zonder hoop ook niet. Dus moet een ander het doen. Terugkomen. Zo wórden. Hij heeft nog steeds twee zonen. Ziet ze beiden niet.
“Ik zeg altijd: doe je best, we hebben alles voor je gedaan, wees succesvol, verdien goed geld later en: haal nu goede cijfers. Maar Thom snapt er niets van.”

Thom snapt alles. Hij weigert deze leugen te zijn, weigert zijn broertje te zijn, weigert dood te zijn. Daarom zes onvoldoendes, daarom huppelend naar buiten, daarom zin in alles, daarom niet in leren. Iedere onvoldoende schreeuwt: “Laat me leven! Míjn leven.”

De opmerkingen van de rapportenvergadering verzwijg ik:
“Thom moet harder werken. Kan het wel, maar denkt dat het allemaal vanzelf gaat. Vindt meisjes erg leuk. Zit meer in. Is erg druk. Lacht veel.”

Hij komt er wel, Thom.
Hij is er al.
Nu wij nog.
Dan komen die voldoendes vanzelf.

16. Delft bestaat dit jaar 775 jaar

En Dick Stammes spoelde 20 jaar geleden als immigrant uit warme, verre buitenlanden aan in Delft.
Over dat eerste vertel ik je graag wat meer.

1246:
Delft krijgt stadsrechten van Graaf Willem II en jonkvrouw Rikarde

Op 15 april 1246 vaardigde graaf Willem II van Holland (het huidige Noord- en Zuid-Holland) in het huis van zijn tante, jonkvrouw Rikarde, een oorkonde uit, waarbij aan de bewoners (‘de poorters’) van Delft stadsrechten werden verleend.
De poorters waren de mensen die ‘binnenpoorts’ woonden, oftewel veilig achter de acht stadspoorten en stadsmuur van Delft. Deze muur en deze poorten zijn op een na allemaal afgebroken in de 19 eeuw, aangezien Delft zich uitbreidde, en ja, die ouwe troep stond maar in de weg. Vond men toen. Alleen de historische en tegenwoordig in de avond verlichte Oostpoort is nog behouden gebleven, aangezien deze geen obstakel vormde voor de uitbreiding en het toenemende verkeer.
Door de stadsrechten werden de bewoners ontslagen van allerlei verplichtingen die golden voor plattelandsbewoners en kregen ze meer zelfstandigheid op het gebied van bestuur en rechtspraak. De economie werd krachtig gestimuleerd door maatregelen die de marktfunctie van Delft versterkten, zoals de vrijstelling van tollen. Ook toen al was er weekmarkt op de donderdag, net als vandaag.
Voor deze rechten moesten de Delftenaren in ruil dan wel een jaarlijks bedrag betalen aan de graaf.
De privileges golden aanvankelijk niet voor heel Delft, maar alleen voor de nederzetting die werd aangeduid als ‘Nieuwe Dilf’. Deze naam verwijst naar de gracht die loopt langs Lange en Korte Geer, Koornmarkt, Wijnhaven, Hippolytusbuurt en Voorstraat.
De ‘Oude Dilf’, het stuk ten noorden van de Oude Kerk naar het Noordeinde, werd in 1268 bij de stadsvrijheid gevoegd.
Pas in de loop van de 14e eeuw werd het stedelijk gebied uitgebreid met het zuidelijke deel van de Oude Delft en het gebied ten oosten van de Brabantse Turfmarkt, Burgwal, Vrouwenregt en Verwersdijk.
In 1251 kreeg Rikarde van Willem II toestemming om in haar hof een klooster te stichten. Zij noemde dit: Koningsveld. De naam van de huidige straat herinnert hier nog aan. Het klooster lag aan de Schie en vlakbij waar nu de Porceleyne Fles is gevestigd, aan de rand van het TU-gebied.
Zij noemde dit klooster Koningsveld, omdat Willem inmiddels ook roomskoning was en dus beoogd opvolger van de keizer van het Heilige Roomse Rijk, oftewel Duitsland. Die keizer was de eigenlijke baas in Holland en de graven moesten geld en verantwoording afleggen aan die almachtige Duitse keizer. Je zou dus kunnen zeggen dat we eigenlijk toen al ‘van Duitsen bloed waren’.
Willem is overigens nooit keizer geworden, aangezien hij in ‘de Slag bij Hoogwoud’ door die vermaledijde Westfriezen, mijn eigen voorouders, werd vermoord en onder een boerderij begraven. De zoon van Willem, graaf Floris V, heeft later Hoogwoud compleet platgebrand, de inwoners uitgemoord en het lijk van zijn vader opgegraven en meegenomen. Tegenwoordig ligt Willem in vredige ruste in Middelburg. De fontein op het Binnenhof in den Haag, gemaakt door Pierre Cuypers, herinnert nog aan hem.
De Ridderzaal op het Binnenhof is gebouwd door Floris V. Hier leest onze koning Willem-Alexander iedere derde dinsdag in september uiterst vredig de troonrede voor aan het Nederlandse volk. Het kan verkeren …
Terug naar Delft nu.
Onder de bezittingen van Koningsveld was ook het gasthuis van Delft. Dit stond tot 1968 aan de oostzijde van de Koornmarkt. Tegenwoordig heet dit ‘De Zusters’, een naam met de verwijzing naar die tijd. Hier werd namelijk de eerste opleiding in Nederland voor vrouwen ingevoerd, een opleiding tot vroedvrouw. Emancipatie avant la lettre!
De instelling is opgegaan in het Reinier de Graaf Gasthuis. Dit is dus vanaf 1252 het oudste gasthuis van Nederland.

En zo is het gekomen, waarde Delftenaren.

15. Corona en de angst voor vrijheid

De kreet ‘We willen onze vrijheid terug!’ hebben we de afgelopen tijd vaak gehoord.
Wat is vrijheid eigenlijk?
We onderscheiden twee soorten vrijheden.
1. Vrijheid van.
Dit is vrij zijn van verplichtingen en verantwoordelijkheden.
We zijn bijvoorbeeld vrij van school, van werk, van corvee, van verplichte bezoekjes.
‘Vrijheid van’ is een soort vakantie waarin niets meer moet of hoeft. Dit roept lustgevoelens in ons wakker, zoals lekker eten en drinken, luieren in de zon en vrijblijvend kletsen. Vrije tijd dus.
2. Vrijheid tot.
Dit is de vrijheid van de mens tot het bewust heersen over zichzelf en tot individuatie: het verwezenlijken van zijn individualiteit.
Het is de mens die zich los heeft gemaakt van zijn primaire banden met ouders en familie en die bewust bezig is met zijn ontwikkeling tot een vrije, autonome, contactgerichte, scheppende persoonlijkheid.
Kinderen willen graag ‘vrijheid van’, omdat zij gericht zijn op bevrediging van lusten. Voor een baby en kind is deze fase prima in orde. De moederborst was tenslotte niet alleen lustbevrediging, maar ook overleving.
Volwassenen zijn vooral bezig met ‘vrijheid tot’. Hun persoonlijke, innerlijke ontwikkeling staat voorop. Hiertoe behoren ook de volwassenen die vrij zijn van het zuigen aan vervangende moederborsten als sigaretten, drank, drugs, enz. , omdat ze vrij zijn tot zichzelf.

DE LUST
Freud maakt het onderscheid tussen lustprincipe (kind, vrijheid van) en realiteitsprincipe (volwassen, vrijheid tot). Nu zijn er echter nogal wat volwassenen die meer bezig zijn met het lustprincipe van de ‘vrijheid van’ dan met het realiteitsprincipe van de ‘vrijheid tot’. Stellen we ons nu eens zo’n kinderlijke volwassene voor in tijden van een ‘intelligente lockdown’. Wat doet hij?
Hij zal de lockdown als beklemmend ervaren, omdat hij zijn lusten niet volledig kan bevredigen. De huidige situatie vraagt van hem zich tot zichzelf te verhouden in een op individuatie gericht leven, maar hiertoe is hij niet in staat. Dit onvermogen kan leiden tot machteloosheid, woede en depressie. Vandaar dat we heden ten dage een toename zien van huiselijk geweld en van drank- , sigaretten- en drugsgebruik thuis. Om over toiletpapier nog maar te zwijgen. Het is vanuit dit onvermogen om zich tot zichzelf te verhouden, zich hierin te ontwikkelen, bewust te worden en tevreden te zijn met zichzelf, dat de ‘vrijheid-van-mens’ zijn spandoek gaat beschilderen, de straat op rent en schreeuwt: ‘Nederland is een dictatuur!’ ‘Ik wil mijn vrijheid terug!’ ‘IK!’ Met vrijheid bedoelt hij dan de vrijheid om zijn lusten bot te vieren, als een kind dat snoep eist en buiten wil spelen.
Deze mens maakt hierin twee vergissingen:
– Hij denkt alleen aan IK en niet aan de ander, niet aan wij.
– Hij is zich onbewust van zijn angst en projecteert deze daarom op de overheid en de deskundigen.
Hij maakt van hen vervolgens zijn vervangende papa die regels stelt en hem van alles verbiedt. Dus gaat hij kinderlijk stampvoeten tegen papa, terwijl hij zichzelf wijsmaakt dat hij volwassen protesteert tegen de overheid.

DE REALITEIT
Heel anders vergaat het de volwassen en vrije mens. De mens die leeft in ‘vrijheid tot’ zal deze periode van lockdown ervaren als een uitgelezen kans om zichzelf nog beter te leren kennen, kansen te pakken, voordelen te zien, zich te ontwikkelen, in dialoog te gaan met zijn innerlijk, bewust te worden van de kracht en kwetsbaarheid van mens en planeet en hiernaar te handelen, in aandacht te leven, anderen te helpen, creatief te zijn, emoties te verwerken, uit te rusten, enz. .
Als we ‘onze vrijheid terug willen hebben’, moeten we ons dus eerst de vraag stellen:
Is onze vrijheid verdwenen?
Of is ze juist sterker aanwezig dan ooit?
Het gaat bij ‘vrijheid tot’ eerder om blij te zijn met wat je doet dan iets te doen wat je blij maakt.
Als je blij bent met wat je doet, en niet meer zoekt naar iets buiten jezelf wat jou blij moet maken, dan ben je niet meer afhankelijk van uiterlijke omstandigheden, activiteiten en andere mensen. Een lockdown bepaalt dan niet meer jouw stemming, omdat je je vrij hebt gemaakt van de primaire banden met je ouders, je familie en van de conditionering uit je verleden. Je staat vrij tot je eigen innerlijk en je heerst over jezelf zonder controle uit te oefenen. Vanuit dit bewustzijn ben je ook in staat tot echt contact maken met anderen en je te verbinden met iets groters dan jezelf.

ANGST VERSUS VRIJHEID
Volwassen, verantwoordelijk en vrij. Deze drie-eenheid is de gesteldheid die ons werkelijk tot waarachtig mens maakt, waar ons diepste verlangen ligt. En waar we bang voor zijn. Als kinderen zo bang. Vandaar dat de stampvoetende kreet ‘Ik wil mijn vrijheid terug!’ in wezen betekent: ‘Ik wil mijn kindertijd terug!’ Oftewel: ‘Ik ben doodsbang!’
Het is deze angst die sommige mensen verwarren met vrijheid. Deze bange mens is niet alleen in de war, hij heeft ook nog een mening. Natuurlijk! Oh zo belangrijk!
Het wonderlijke fenomeen doet zich voor dat we in een vrij land leven waarin nogal wat onvrije mensen wonen. Zodoende hebben we hier vrijheid van meningsuiting en is tegelijkertijd de geuite mening zélf vaak onvrij. De mens die de mening uitspreekt heeft zichzelf in veel gevallen namelijk niet bevrijd.
Hij mag dus alles zeggen, als hij dat wenst, maar zijn opinie dienen we niet serieus te nemen. De huilende kleuter bepaalt tenslotte niet wat er in dit land gebeurt.

14. Een leerling

Rashid, 15 jaar, 3 Havo, Hagenees, komt de klas binnen. Hij gooit zijn tas hard tegen de bank, duwt een medeleerling omver en gaat met strakke armen over elkaar zitten.
Felle uitdagende blik: wat mot je?!!
Vanachter mijn bureau kijk ik naar hem en hij ziet dat, maar doet alsof hij niets merkt.
Ik begin met de les, hij draait zich om.
Ik corrigeer, hij reageert niet, praat door.
Zo gaat hij verder. Luidruchtig.
Er is iets, maar ik weet niet wat en hij reageert alleen maar met nóg grotere boosheid. Overal steeds harder tegenin. Tot hij gaat schreeuwen en dreigen. Hij is nu onhandelbaar geworden. Niets meer mee te beginnen. Ik grijp naar mijn laatste ordemaatregel en stuur hem de klas uit. Streng zeg ik dat hij zich bij me moet melden om 4 uur.
Tas door de klas , slaan met de deur, schreeuwen op de gang. Het hele Schilderwijkse puberrepertoire gaat los. Alles in hem schreeuwt datgene wat het echte moet bedekken en wat niemand nog ziet.
Als hij weg is vraag ik de klas of iemand weet wat er met Rashid is. Niemand. En ook is iedereen opgelucht dat hij nu het lokaal uit is.
De les gaat verder. Met het persoonlijk voornaamwoord lijdend – en meewerkend voorwerp. Dat komt namelijk in het Frans vóór de persoonsvorm wanneer er geen infinitief in de zin staat. Belangrijk!
Volgende week repetitie. Telt drie keer mee!

16.00 uur, na schooltijd.
Ik zit in mijn lokaal en Rashid komt binnen.
Dezelfde stemming, maar nu is hij alleen, geen medeleerlingen, geen oordelende blikken, geen eer om te moeten redden.
Alleen ik ben er, zijn leraar en mentor.
En de stilte.
De tafeltjes en stoelen heb ik van tevoren op gelijke hoogte geplaatst en ik ga schuin naast-tegenover hem zitten, zodat hij makkelijk mijn blik kan ontwijken als hij wil.
Ik vraag: ‘Ik snap je niet, Rashid. Normaal kun je ook wel druk zijn, maar vandaag was je anders in de klas. Ik kon je niet bereiken. Ik zou graag van je willen weten wat er is met je, want ik wil je graag begrijpen. Kun je me dat vertellen?’
In een flits kijkt hij me met zijn felle donkere ogen aan en kijkt meteen weer weg.
Hij zegt niets, staart naar de grond. Dan begint hij langzaam met verstikte stem te praten.
Na een tijdje slaat hij midden in het verhaal zijn blik op en kijkt me met open ogen aan. Zijn gezicht is zacht geworden, maar ik heb nog geen idee wat er is gebeurd. Hij kijkt verbaasd en zegt:
‘Mees, ik ben niet meer kwaad.’
Ik slik iets weg en vraag: ‘Hoe komt dat?’
Hij: ‘U luistert naar me. Echt. U valt me niet in de rede en beveelt me ook niet wat ik doen moet.’
Ik: ‘Wat fijn, Rashid. Wie doet dat niet zo bij jou dan?’

Zonder dat ik hoef aan te dringen gooit hij alles naar buiten wat hem dwarszit, al járen.
Tot hij langzaam aan rustiger wordt. Na twee uur praten, en wat daar bij komt, slaakt hij een diepe zucht en leunt achterover.
Ik snap hem nu. En zijn gedrag van vanmorgen. En van alle keren daarvoor.
Na het gesprek staan we op, omhelzen elkaar en vegen ieder onze natte ogen droog.
Hij zegt komisch : ‘Wat gezellig, hè, het leven.’
‘Ja’, zeg ik, ‘heel gezellig allemaal, we kunnen onze lol niet op.’
We schieten beiden heel hard in de lach, waardoor de huiltranen plaatsmaken voor slappelachtranen.

De volgende dag zie ik hem op de gang tussen het drukke gewoel van honderden leerlingen. Hij staat stil en kijkt me een fractie langer aan dan normaal. Die fractie vertelt zijn leven dat ik nu ken. En begrijp.

Twintig jaar later.
Ik kom Rashid in een weekend onverwachts tegen op de Vaillantlaan in Den Haag. Met zijn vrouw en twee kleine kinderen.
Hij herkent me al van verre: ‘Mees!’
‘Hé, Rashid!’
Hij loopt op me af en omhelst me spontaan.
Enthousiast wijst hij naar mij en roept blij tegen zijn vrouw en kinderen: ‘Dit is mijn Franse meester van school!’ Trots stelt hij zijn vrouw en kinderen aan me voor. Zij zegt vriendelijk: ‘Rashid heeft me vaak over u verteld.’
We praten wat en over hoe het gaat en wat hij doet. Dan moeten we beiden weer verder, maar nog even houdt hij me tegen, kijkt me aan met zijn donkere, lieve ogen en zegt zacht:
‘Mees, weet u nog?’
Ik zeg: ‘Ja, ik weet, Rashid, heel goed.’
Hij: ‘Ik zal het nooit vergeten.’
‘Ik ook niet, jongen, bedankt voor je vertrouwen. Fijn dat het zo goed met je gaat nu.’

Ze lopen weg, naar thuis.
Ik kijk ze na en hij draait zich om. Hij zwaait en veegt dan met een mouw over zijn ogen.
Ik doe precies hetzelfde. Net als twintig jaar geleden, in het klaslokaal na schooltijd.
Toen Rashid 15 jaar was.
En toen hij nog een jongen was.

13. De moord op George Floyd en de berechting van Derek Chauvin. Wat is ons antwoord?

De jury van de rechtbank in Minneapolis heeft de voormalige politieman Derek Chauvin op alle aanklachten schuldig bevonden aan de dood van George Floyd. Over acht weken maakt de rechter de strafmaat bekend.

Zowel de moord als de berechting roepen sterke emoties op bij veel mensen.

Hoe kunnen wij antwoorden op deze moord die zoveel woede en verontwaardiging in ons teweeg brengt, zonder dat we de verdeeldheid die aanleiding gaf tot deze gebeurtenis nog erger maken?
Hoe kunnen we afzien van onze oordelen en vooroordelen, terwijl we tegelijkertijd een juist antwoord geven op de huidige situatie?
Laten we te rade gaan bij onze innerlijke wijsheid en vragen wat ze te zeggen heeft aan ons.

Wijsheid zou zeggen:
Ga in gedachten eerst door de lagen heen van conditionering van politieman Derek Chauvin en zie hoe deze hem hebben gemaakt van de baby die hij was tot de persoon die hij nu is.
Ga vervolgens in gedachten helemaal terug naar zijn ongeconditioneerde ziel, zijn originele Zijn, die hij in de kern is.
Deze ziel, dit Zijn, is precies dezelfde als jouw ziel en precies dezelfde als de ziel van George Floyd.
Ga dan met je aandacht heen en weer tussen de ziel van George Floyd en die van Derek Chauvin, tot je alleen nog maar hun gedeelde ziel ziet, hun gedeelde Zijn.

Kijk in hun ogen, pauzeer, adem, voel.

Denk niet aan wat je over ze weet en ga niet in op je eigen gedachten en gevoelens van dit moment. Kijk ze gewoon in de ogen en kijk in hun ziel die ze beiden delen met elkaar, die ze delen met ieder van ons, en met ieder van wie we houden en van wie we ooit hebben gehouden.
Zie de ziel van George Floyd, Derek Chauvin, jezelf, je dierbaren, en ga met je aandacht van de een naar de ander en zie dat wij allen deze ziel delen met elkaar.
Wees alert en gevoelig op ieder gevoel en iedere gedachte van ‘leuk’ of ‘niet leuk’, van ‘aardig’ of niet aardig’, van ‘aangenaam’ of ‘onaangenaam’ vinden, die in je naar boven komt als je aan hen en aan jezelf denkt.
Wanneer deze gevoelens naar boven komen, probeer ze dan niet weg te drukken, maar laat ze voor wat ze zijn en ga er niet op in. Kijk er doorheen zoals je door een raam kijkt.
Als je langere tijd in deze ene ziel blijft die wij allen delen, dan merk je na verloop van tijd dat hun beider zogenaamd aparte, gescheiden bestaan verdwijnt.

Blijf hierbij, pauzeer, haal adem, voel deze eenheid.

En merk op dat deze eenheid van ziel, van Zijn, van Leven, volledig onafhankelijk is van individuele kwaliteiten als slim, dom, arm, rijk, wit, zwart, vrouw, man, Nederlander, Amerikaan, buitenlander, links, rechts.
Deze eenheid die we nu zien, en die we zijn, is het meest intieme in ieder van ons en tegelijkertijd volledig onpersoonlijk. Het heeft geen beperkingen en deze bewuste aanwezigheid schijnt in ieders hart.
Wanneer we zien dat we dit zijn, voelen we liefde en dat gevoel is er nu.
Ga dan met je liefdevolle aandacht naar de twee mannen, van de een naar de ander en terug, net zolang tot je voelt dat je van beide mannen evenveel houdt.

Blijf hierbij, pauzeer, haal adem, voel deze eenheid, deze liefde.

Het gaat er niet om om beide mannen even leuk te vinden. Wat je van ze vindt is onbelangrijk. Je voor- en afkeuren en je meningen doen niet ter zake.
Waar het om gaat is dat we evenveel van beide mannen houden, dat we ze even lief hebben.
De oorzaak dat deze situatie is ontstaan, als onderdeel van een oneindig lange reeks gruwelijkheden, is precies omdat mensen elkaar niet evenveel liefhebben. Mensen zijn alleen maar in contact met hun ‘leuk’ of ’niet leuk’ vinden, met iemand ‘aardig’ of ‘onaardig’ vinden. En wat men ‘leuk’ of ‘niet leuk’ vindt in een persoon is hun conditionering die verbonden is met onze eigen conditionering. Dat is dus nogal oppervlakkig en kinderachtig en zo schieten we steeds in het voorspelbare, zich steeds herhalende actie – reactie patroon, dat ieder van ons zo goed kent.
Onze liefde voor een persoon heeft echter niets te maken met onze conditionering, met onze voorkeur of afkeur voor een persoon. Als we ons alleen richten op onze voorkeur of afkeur voor een persoon dan is conflict en oorlog onvermijdelijk. Zowel in relaties als tussen landen als op Facebook.

Wat we te doen hebben is van ieder mens evenveel houden.
Dat is iets anders dan dat we ieder mens even aardig of leuk moeten vinden.
Houden van heeft niets te maken met een mening.

Het passende antwoord op deze situatie, en op iedere situatie van onrecht, moet voortkomen uit ons begrip van ons gezamenlijke Zijn, onze gezamenlijke ziel, ons gedeelde Leven. Doen we dit niet dan zal het onrecht en de verdeling die dit onrecht teweeg heeft gebracht aanwezig zijn in onze reacties. En met deze reacties van ons zullen we het onrecht in de wereld alleen maar voortzetten en vergroten.
Ieder van ons moet zijn eigen antwoord geven op deze gebeurtenissen en ons antwoord moet voortkomen uit onze liefde voor beide mannen. Als je dit weet dan weet je ook wat je te doen staat en welke actie je hebt te ondernemen. In dit geval is krachtige actie noodzakelijk.
Als onze actie echter niet voortkomt uit ons begrip van ons gedeelde Zijn, oftewel wanneer het niet voortkomt uit liefde, dan zal het niet de kracht hebben om de verandering in onze maatschappij en onze wereld tot stand te brengen waar zoveel mensen zo diep naar verlangen.

12. Complottheorieën

Ze komen van origine uit de roddelcultuur en achterdochtpolitiek van het Midden-Oosten: complottheorieën. En altijd komen ze sterker op als een samenleving in de problemen zit en mensen onzeker worden. Zoals nu.
Complotdenkers maken zichzelf graag wijs dat zij iets ‘zien’ wat anderen niet zien. Zij zijn ‘wakker’. Roepen ze.
Nou is hier door meerdere gerenommeerde onafhankelijke wetenschappers en journalisten vele malen grondig onderzoek naar verricht en steeds blijft van de samenzweringstheorieën geen spaan heel. Men noemt ze dan ook wel Voodoo verhalen.

De vraag is:
wanneer is iemand een complotdenker en wanneer een rationele, kritische scepticus?

Zo hebben sommigen kritiek op 5G-zendmasten. Er zijn mensen die daar inderdaad gevoelig voor zijn en last van hebben en we weten dat adviescommissies in enkele gevallen het belang van de industrie dienen. Dus een kritische, sceptische blik is vereist.
Ook bij de toeslagenaffaire kan ik me heel goed voorstellen dat mensen nog verder gaan en er bij voorbaat niet meer vanuit gaan dat de overheid goed voor ze zorgt en zijn werk goed doet.
Het kantelpunt van gezonde scepticus naar complotter ontstaat wanneer men na de kritiek op de 5G-zendmasten of de toeslagenaffaire beweert dat mensen de wereldmacht willen pakken om een (digitale) dictatuur te vestigen. Of dat er machten zijn die het gewone volk bestuurbaar willen maken via aluminiumdeeltjes in vliegtuigsporen en via een chipje in de cornavaccins. De drijfveer van dit kantelpunt is de argwaan dat alles binnen een hoger plan valt.

ARGWAAN
Het interessante hiervan is dat deze argwaan veel eerder is ontstaan in het leven van de complotdenkers en niet is ontstaan door de bouw van 5G-zendmasten. Het wantrouwen was er al.
Het blijkt vrijwel altijd dat de mensen met deze argwaan ooit ergens slachtoffer van zijn geworden. En dit gebleven zijn. Ze hebben bijna allemaal een burn-out gehad, of een ziekte, of ze zijn weggepest, of uitkeringstrekker geworden als gevolg van arbeidsongeschiktheid, of alcoholist, of drugsgebruiker.
Velen van ons kennen dit leed tijdelijk in hun leven. Het verschil met de complotdenker is echter dat die niet meer is opgestaan om het heft in eigen handen te nemen, zich verantwoordelijk te maken, maar slachtoffer is gebleven en de schuld blijft zoeken bij een externe, georganiseerde instantie die door hogere machten wordt bestuurd.
Het blijkt dat vrijwel al deze mensen te maken hebben met een onderliggend lijden dat niet is gehoord. Ze staan alléén in hun gevoel van verlatenheid. Het is te gemakkelijk om ze allemaal onder de noemer van ‘wappies’ te stoppen. Hiermee wordt hun verlatenheid alleen maar versterkt.

IN GESPREK MET EEN COMPLOTTER
Wanneer we in gesprek gaan, is het dus zaak om zowel naar de inhoud als naar het onderliggende lijden te luisteren, mee te voelen, empathie te hebben.
Het is hierbij goed te weten dat, net als in de beginfase van therapeutische gesprekken, we in dit gesprek allereerst praten tégen een weerstand en niet mét een persoon. De persoon is nog verscholen, het masker spreekt, niet het individu.
Deze levensangst dient met empathie benaderd te worden anders raken we de gesprekspartner kwijt. Als we dit niet doen dan komt hij weer alleen te staan, waar hij altijd al was, en wordt hij bevestigd in zijn overtuiging dat niemand te vertrouwen is.
Lukt het ons om met inlevingsvermogen en empathisch doorvragen in werkelijk contact te blijven met de argwaan dan zakken we stap voor stap naar de onderstroom van het gesprek. Daar vinden we, na eerst alle lagen afgepeld te hebben, uiteindelijk datgene wat nooit gevoeld mocht worden: een diep, eenzaam verdriet.
Wanneer het verdriet er mag zijn, wanneer het volledig gevoeld en geuit mag worden, pas daarna en ook beslist niet eerder, kunnen we een redelijk gesprek voeren over de inhoud.
Die inhoud zal dan echter niet meer gaan over complotten. Deze denkbeelden zijn dan namelijk weggespoeld door de zachtheid en de waarachtigheid van de tranen.

RATIO EN EMOTIE
Werkelijk doorvoelde emotie is altijd oneindig veel sterker dan welk rationeel argument dan ook. Daarom heeft discussiëren vaak zo weinig zin. En daarom ligt de oorzaak van ieder maatschappelijk en persoonlijk probleem nooit op het rationele, maar op het emotionele vlak. Het is altijd het innerlijke, onuitgesproken verbod op de emotie dat een bevrijdende oplossing in de weg staat.
Zo zien we heden ten dage vele zogenaamd boze mensen die schelden op de politie en de overheid. Hun boosheid heeft echter niets met de politie of de overheid te maken. De functie van deze woede is om de angst te verbergen die eronder ligt. En die angst ontkent men.

DE WORTEL VAN IEDER PROBLEEM
Er is één wortel waaruit alle andere problemen voortkomen, zowel die van op het oog normaal functionerende mensen, als van complotters, jihadisten en terroristen: gebrek aan erkenning.
Mensen die zich niet erkend voelen lopen rond met een gekwetste, pijnlijke, innerlijke wond. Zij zullen er alles aan doen om hun pijn niet te voelen en niet te tonen.
In plaats daarvan openen ze hun magische goocheldoos om alle trucs tevoorschijn te toveren die ze maar kunnen verzinnen. Van het ophouden van een permanente glimlach tot het vertellen van complottheorieën. Van het overdreven hard werken tot het overmatig zuipen van drank. Van het gooien van stenen naar de ME tot het onthoofden van een leraar die een Mohammed cartoon bespreekt. En tot het werpen van kernbommen op steden aan toe.

De meeste relatieproblemen, conflicten en oorlogen ontstaan vanuit een verborgen, verboden, niet erkende kwetsing. En zelden vanuit een ideologie of een rationele maatschappijvisie.
Laat staan vanuit waarheid.
Of schoonheid.

11. Het gaat steeds beter met de Aarde. Met de mens. En door de mens.

Hoe staan we ervoor? Als Aarde en als mens?
Dat kunnen we zien wanneer we teruggaan in de tijd en die vergelijken met onze tijd.
Bijvoorbeeld de 16e en 17e eeuw. Deze laatste is onze veelgeroemde Gouden Eeuw!
Wat was daar zo Goud aan?

DE WERELD IN DE 16E EN 17E EEUW
De menselijke levensverwachting was 35 jaar. Vandaag zitten we rond de 80 jaar.
Moeder- en kindersterfte waren torenhoog.
Er waren niet alleen vele ziektes, maar vooral veel ongeneeslijke en dodelijke ziektes, zoals dysenterie, malaria, difterie, pokken, lepra, cholera en de pest. Er waren nog geen wetenschappers zoals nu die binnen een jaar een vaccin konden uitvinden om ziektes te bestrijden.
Er waren zelfs nauwelijks nog wetenschappers en er waren al helemaal geen vaccins.
Dus stierven mensen jong.
Er waren in die tijd enorme milieuproblemen. Bossen gingen massaal tegen de vlakte voor de bouw van schepen en huizen, maar vooral om te verstoken. Er waren nog geen alternatieve energiebronnen voorhanden. Die zijn pas in onze tijd ontdekt en in gebruik gezet door wetenschap en technologie.
In Engeland verbrandden huishoudens destijds volop kolen. Boven Londen hing een permanente deken van rook. Roet daalde overal en doorlopend neer. De Londenaren spuwden zwart.
Er bestond een onvoorstelbare wreedheid tegen dieren. Men dacht toen nog dat dieren geen pijn voelden en niet konden lijden.
De misdaad tierde overal welig, ondanks de gruwelijke straffen en martelingen. Iedere stad had zijn galgenveld waar de lijken net zolang bleven hangen tot het vlees door de beesten was weggevreten. De stank was afschuwelijk, ook die van de grachten die open riolen waren vol vuilnis, poep en pis. En waar mensen dorstig uit dronken.
Mensen met psychische problemen werden niet behandeld, maar buiten de maatschappij geplaatst in gekkenhuizen of dolhuizen waar ze vastgebonden werden aan hun bedden en op openbare dagen tegen geld tentoongesteld werden aan de bevolking. Het geld waar zij zelf overigens niets van zagen. De bestuurders wél.
Overal in Europa woedden verwoestende oorlogen. Ieder land was wel een keer met een ander in oorlog. Van eenheid, vrede of unie was nergens sprake, hoezeer de katholieke Bourgondische en Habsburgse heersers ook hun best deden. Wij hadden de Tachtigjarige Oorlog en voerden daarna vier oorlogen tegen Engeland.
Als we nog verder teruggaan in de tijd waren er in de 14e en 15e eeuw de Hoekse en Kabeljauwse Twisten, waarin de Nederlanders 150 jaar lang met en tegen elkaar in oorlog waren. We konden van dit interne Nederlandse geweld toch echt niet de schuld aan ‘die buitenlanders’ geven, want die waren er niet. Later, toen we de zeeën en oceanen gingen veroveren, hebben we ons binnenlandse geweld geëxporteerd naar onze koloniën, naar Indonesië en Suriname.

DE WERELD HONDERD JAAR GELEDEN
Maar goed, dit is allemaal lang geleden. Populistische politici verwijzen graag naar wat meer recente tijden toen Nederland nog Wit en Groot was. Wellicht dat in die prachtige vroegere tijd weldadige en vredige zaken zijn aan te wijzen? Laten we eens honderd jaar teruggaan.
In 1921 stierven ruim drie op de tien kinderen vóór hun vijfde jaar.
Nu, in 2021, zijn dit er vier op de honderd.
In 1921 leefden zeven op de tien mensen in extreme armoede.
Nu, in 2021, zijn dit er minder dan een op de tien.
In 1921 was het gemiddelde aantal oorlogsdoden per jaar twintig op de honderdduizend.
Nu, in 2021, is dat aantal minder dan één op de honderdduizend.
Overal ter wereld neemt het geweld, en ook het aantal terroristische aanslagen, in verbazingwekkend snel tempo af.

KLIMAAT
Een van de grootste ontwikkelingen is geweest dat we erin zijn geslaagd het aantal klimaatdoden af te laten nemen. Ja, je hoort het goed! Een geweldige prestatie!
In de jaren twintig van de vorige eeuw stierven jaarlijks 500 duizend mensen aan stormen, droogte, overstromingen en hittegolven.
Het afgelopen decennium waren het er minder dan 20 duizend per jaar.
Verrekend met de bijna zes miljard mensen die er sindsdien bijkwamen, is dat een daling van 98% (!).
Dit alles gebeurde dus ondanks de klimaatverandering, ondanks het verlies aan biodiversiteit en ondanks de immense bevolkingstoename. Of misschien dankzij de bevolkingstoename?

DE WERELD VANDAAG
Hoe kan deze prachtige ontwikkeling en deze nieuwe immense kwaliteit plaatsvinden?
De oorzaak is de enorme toename van het probleemoplossend vermogen van de mens. We zijn veel creatiever geworden op alle gebieden, intelligenter ook, en welwillender. We zijn vooral veel meer in staat tot samenwerken dan vroeger. Inmiddels zelfs op Europees – en wereldniveau. Met landen waar we vroeger oorlogen tegen voerden, zitten we nu mee aan overlegtafels. En spreken we met elkaar.
Hierdoor komt het ook dat onze Europese bossen weer groeien. De lucht die we inademen is veel schoner dan tijdens de Industriële Revolutie van de 18e en 19e eeuw. In de grote rivieren zwemt weer volop vis. In Nederland keerden de zeearend, de wolf en de wilde kat terug. Bovendien is de mens bezig de oerang-oetang en de panda voor uitsterven te behoeden en de sakhalinwolf en de atlasbeer te beschermen. Iets wat in het hoofd van een 17e of 19e eeuwer nooit zou hebben kunnen opkomen.
Zelfs de onstuimige groei van de wereldbevolking vlakt inmiddels af.
In 1920 baarden vrouwen gemiddeld 5,2 kinderen.
In 2020 waren dit er 2,4.
Dat aantal zal volgens de voorspellingen tot nabij de 2 zijn gedaald rond 2070. Hierna zal de wereldbevolking weer beginnen te krimpen. Ook in Afrika zet nu de daling al in.

Een hele vooruitgang sinds de tijd dat de Gelderlanders oorlog voerden tegen de Overijsselers, de Friezen tegen de Groningers, de katholieken tegen de protestanten. Toen iedereen tegen iedereen en een straffende God tegen ons allen was.
Een hele vooruitgang sinds de tijd toen iedereen dom, gewelddadig en lelijk was vergeleken met de menselijke intelligentie, de slimheid en de schoonheid van vandaag. En met de gigantische toename van kennis, wetenschap en technologie.

Gezien deze enorme kennis en dit snel groeiende probleemoplossend vermogen van de mens, waarom zouden we er dan ook niet in slagen de klimaatverandering te neutraliseren? En de biodiversiteit weer op te krikken? Waarom zou het ons niet lukken om het basisinkomen in te voeren? Om wereldwijd de armsten een bestaanszekerheid te geven? Waarom zouden we honger niet nóg verder kunnen terugdringen? Waarom zouden we niet fatsoenlijk om kunnen gaan met migranten?
De toekomst is wat wij ervan maken en we zijn op de goede weg.

Die betere wereld is dus geen vaag ideaalbeeld van een verre toekomst.
Zij is er nu al.
En het leven wordt alleen maar nóg beter op Aarde.
Omdat WIJ beter worden.
Het is onvermijdelijk.

Zie!
De mens!
De prachtige mens!

10. De prins en zijn ziel

In een ommuurd paleis woonde een norse prins.
Hij was ongeduldig en boos, schold op zijn personeel, eiste het onmogelijke, en alles in het paleis draaide maar om één persoon: de prins. Mensen vlogen voor hem, bang dat hij ze zou straffen of ontslaan. Er was slechts één mens in het hele paleis die niet bang was voor de prins: zijn knecht, tuinman en raadgever, die hem zijn hele leven trouw had gediend.
Op een nacht, toen de zon en de maan elkaar kusten en alle sterren glimlachend toekeken, dwaalde de prins door zijn lege paleis, keek in zijn ziel en zag peilloze, zwarte duisternis.
‘Wat moet ik doen?!’ vroeg hij wanhopig aan zijn oude knecht
‘Ga naar Isfahan, daar wacht iemand op u. Hij zal u raad geven.’ antwoordde de knecht.
De prins wilde meteen zijn lakeien bars gaan bevelen om zijn koets gereed te maken, maar de knecht zei: ‘U gaat lopend. En alleen. Anders zult u uw bestemming niet bereiken.’
Een kille siddering kronkelde door het lichaam van de prins. Hij staarde verbijsterd naar zijn knecht, maar deed gedwee wat hem werd opgedragen.

De volgende dag ging hij op pad.

Deze eerste dag ging goed, vond hij, en monter liep hij op de weg naar Isfahan, zijn voorgenomen einddoel.
De tweede dag zinderde de zon en verbrandde zijn huid.
De derde dag liep hij door het drassige dal van donker moeras, waar hij wegzakte in de modder en nog net op tijd een tak aan een struik wist vast te pakken om zich uit de zuigende aarde weg te trekken.
De vierde dag barstte een hevige storm los die hem omver blies, meesleurde en hem tegen een rotswand smeet. Gebroken bleef hij de hele nacht liggen in het dal, omringd door giftige slangen.
De vijfde dag beklom hij de hoogste berg die bedekt was met sneeuw en ijs. Hij bevroor, klom door, bezweek, klom door, bereikte de top, gleed uit en stortte in het ravijn, waar hij kermend zijn zesde nacht doorbracht, ditmaal omringd door krijsende aasgieren.
De zesde dag kroop hij uit het ravijn en werd op de kale vlakte aangevallen door een wolf. Hij vocht, verwondde zich, wurgde de wolf en vrat hem op, aangezien zijn voorraad voedsel vrijwel was uitgeput.
De zevende dag baande hij zich met zijn kapmes een weg door dicht, stekelig, donker bos en eenmaal aan het eind gekomen vond hij met bebloed lijf en zoute ogen de weg terug naar zijn einddoel.
Toen hij op zijn bestemming arriveerde, scheen Isfahan stralend over hem heen, maar de halfnaakte, uitgeputte prins in zijn gescheurde kleren, met geblakerde huid en gebroken botten, zag slechts duisternis.

En in zijn duisternis verscheen de dood.

‘Je bent gekomen, eindelijk’, sprak de dood vriendelijk, ‘ik zat al enige tijd op je te wachten.’
De prins zweeg. Hij wist dat dit zijn einde was. Zijn leven had geen zin meer. Zijn keel was gortdroog en instinctmatig greep hij naar de fles aan zijn riem, maar voordat hij het water aan zijn lippen kon zetten, sloeg de dood het uit zijn handen, omhelsde de prins en nam hem liefdevol op in haar zwarte duisternis.
En alles waarvan de prins dacht dat hij het was, verdween in de tedere omhelzing van de dood.

De prins huilde veertig dagen;
veertig dagen van rouw om zijn eigen sterven.

Toen verdween de dood.

De prins stond op en ontdekte de lichte stad die haar schone schittering nog immer over hem uitstortte. Zij deed dit al sinds mensenheugenis, ofschoon slechts enkelen haar lichte schoonheid zagen. De stad kende weinig geliefden en het deerde haar niet.
Toen keek hij naar binnen.
En zag hij dat de dood het diepste zwart in hem zichtbaar had gemaakt.
En ontdekte hij dat midden in het zwart van zijn ziel het licht van Isfahan begon te schijnen dat daar al sinds onheuglijke tijden verborgen lag te wachten.
En ontwaarde hij datgene waar hij vele levens lang overheen had gekeken en blind voor was geweest: het huwelijk van het eeuwige licht van de stad met het ontluikende licht van zijn ziel dat onder de duisternis verstopt had gezeten en door de dood was geopenbaard.
Zo zag de prins dat alles wat hem donker had geleken, in de wereld en in zichzelf, nooit iets anders was geweest dan de eenzame bruid die los gesneden wachtte op de handreiking van haar geliefde voor het huwelijk van de ziel met de wereld.

Die nacht vond de mooiste eeuwige bruiloft op aarde plaats.

En wist de prins wat hij altijd al had geweten, niet had beseft, en nooit had durven zien.
Na het huwelijksfeest legde hij zich volledig voldaan en dronken van geluk te ruste en sliep een lange zachte nacht in Isfahan.
De volgende dag stond hij geheel verfrist op, gaf alle bedelaars een aalmoes en bedankte de stad hartelijk voor haar warme gastvrijheid. Hij bestelde vriendelijk een nieuwe koets met jonge paarden en reed met losse teugels terug naar zijn paleis. Daar zag hij zijn oude, trouwe knecht die kalm zaadjes plantte in zijn vredige tuin.
Hij knielde voor zijn tuinman, bedankte hem innig en vroeg hoe een arme tuinman kon weten wat er zou gaan gebeuren met een rijke prins in een verre stad.
De knecht wees naar de tuin en sprak:

‘De arbeid die ik hier volbreng is nooit af. De tuin vraagt al mijn aandacht. En de bomen zullen in de zomer alleen vrucht dragen als ik de zaadjes plant met de grootste toewijding en in het volste vertrouwen in hun natuurlijke aard. Doe ik dat niet dan zal de tuin dor en droog worden en veranderen in een boze vijand. Daarom wijd ik mij iedere dag nederig aan dit werk, omdat ik weet dat de tuin mij niet alleen datgene zal schenken wat ik er zelf in heb geplant, maar vooral hóe ik dat heb gedaan.
Slechts zij die gestorven zijn terwijl ze leven, zijn in staat hun tuin op natuurlijke wijze te onderhouden, omdat ze weten dat bloesems en dode bladeren, bloei en verval, gezondheid en ziekte, leven en dood, twee onafscheidelijke kanten zijn van één en dezelfde medaille.
Ik, of vroeger uw ouders, hadden u wel kunnen opdragen om andere mensen vriendelijk te behandelen en een goed leven te leiden, maar u zou het dan alleen gedaan hebben uit plichtsbesef, uit gehoorzaamheid, uit denken, maar niet vanuit uw hart, niet vanuit uw wezen.
Nu weet u dat u niet meer kunt kiezen, maar dat u keuzeloos zult doen wat het leven van u vraagt.
U beseft nu dat alles voorbij gaat, dat de mensen, net als u, stervende wezens zijn en dat er tussen u en hen geen enkel verschil bestaat. Dat u hén en zij ú nodig hebben en dat wij allen onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn.
Dit is niet wat ík, maar dit is wat uw tocht door de hel en de liefde van de dood u hebben onderwezen. Uw innerlijk sterven is uw grootste schat voor de uiterlijke wereld.
Ga nu naar uw paleis en regeer uw land zoals een ware prins en een dienaar van de wereld betaamt. De tijd is gekomen om te trouwen met uw volk en te dansen op het bruiloftsfeest van het leven.
En, oh ja, de muur om uw paleis heeft zich gister afgebroken.
De weg is vrij.’

De prins boog diep voor zijn knecht en bedankte hem met zijn hand op zijn hart. Hij liep naar de ingang van zijn paleis en op het moment dat hij de poort opende, binnentrad en zich op zijn troon zette om zijn toegestroomde volk warm te verwelkomen, kusten de zon en de maan elkaar innig en keken alle sterren stralend toe.

9. Mijn vader

28 jaar lang had ik een vader.
Vandaag heb ik 36 jaar lang geen vader meer.
Toch leeft hij gewoon door in mij.
En houden we van elkaar.
Hoi Pa! ❤
——————————————————————-

MIJN VADER
Ik zie hem nog zitten in zijn eigen oude stoel
Een Lexington sigaret in zijn bruine vingers
waarmee hij ook de bladzijden van zijn boeken omsloeg.
En ons waarschuwde

Hij was grappig en goed
Hij was mijn vader

Hij was de fietsenmaker van het kleine dorp
gelegen aan de sloot met de sluis
Hij leerde me het leven zoals men een fiets maakt
een wiel spaakt, een band plakt.
En brackets invet

Hij was grappig en goed
Hij was mijn vader

Ik weet dat hij domme dingen had gedaan
Op sommige dagen trapte hij in grote valkuilen
Maar hij gaf niet op
voor ons.
En hij huilde

Hij kon frames bouwen en fietsen maken
waarop verliefden naar hun slaapkamers reden
waarop bejaarden hun levensverhalen verteldenen
waarop kleine kinderen grote dingen deden
opdat volwassenen zouden begrijpen

Hij was grappig en goed
Hij was mijn vader

Ik weet dat hij slimme dingen had gedaan
Op sommige avonden vertelde hij mooie verhalen
over avonturen van ‘lang leden, ver weg, nooit beurd’
En hij was gebleven
voor ons.
En hij lachte

Ik zie hem nog staan
zoals hij was en zoals hij deed
in de warme werkplaats tegenover ons huis
met het vet aan zijn handen
in de geurende reuk van banden en olie

Vandaag precies zesendertig jaar geleden ging hij definitief op reis

Hij was grappig en goed
Hij was mijn vader

8. Het intelligente virus

Kan een virus intelligent zijn?
Sterker:
Kan het wezen van een virus intelligentie zijn?

Zo ken ik iemand die vond dat hij altijd maar moest doorgaan, nooit opgeven, sterk zijn, en die door corona drie maanden lang vrijwel niets anders kon doen dan energieloos op bed liggen.
En nu, na ziekte, tot een nieuw besef komt van een leven zonder moeten. Van geluk en moeiteloosheid. Van minder ik en meer wij. Van ontspanning en samen delen.
En dit waarderen.

Zo ken ik iemand die altijd hard werkte, altijd alle verantwoordelijkheid op haar nam, altijd voor dag en dauw op, altijd de helper en redder van anderen, nooit zeuren, altijd alle taken zwijgend doen.
En nu, na ziekte, tot een nieuw besef komt van kwetsbaarheid en hulp vragen. Het hoofd buigen. Bescheiden zijn. De controle en de drang tot perfectie uit handen geven.
En dit waarderen.

Zo ken ik iemand met altijd scherpe antwoorden, haantje de voorste, winnen, en altijd eerder en beter zijn dan de ander.
En nu, na ziekte, tot het besef komt dat hij ook vragen kan stellen aan de ander, kan luisteren, afwachten, geduldig zijn en zwijgen.
En dat zowel hij als zijn omgeving hier rustig en gelukkig van worden.
En dit waarderen.

Het virus heeft zijn redenen die ons verstand niet kent. Maar we kunnen er een glimp van opvangen, mits we onze eigen intelligentie afstemmen op de intelligentie van het virus. En zien dat hierin geen verschil bestaat.
Mocht dat lastig zijn dan kunnen we ook gewoon kijken naar de concrete, tastbare buitenwereld.
Naar de afname van files, de schonere luchten, de rust op straat, de vredige avonden, het verdwijnen van de ochtend- en avondspits, de zegeningen van de toerismeloosheid, de toename in bewustzijn voor de eigen (on)gezonde levensstijl, voor eetgewoonten, immuunsysteem, milieu, klimaat, planeet.
En naar de toenemende samenwerking tussen politici en wetenschappers en tussen wetenschappers onderling, alsmede de versnelde medische en technologische ontwikkeling.
Ook kunnen we kijken naar het feit dat er nogal wat leerlingen en studenten zijn die het thuiswerk als veel prettiger, rustiger en leerzamer ervaren dan op school en universiteit. En dat het begrip ‘leerachterstand’ de prullenbak in kan. Waar het thuishoort.
Eindelijk.

En ja, inderdaad, er zijn ook dramatische nadelen van het virus. En op faillissementen, werkloosheid en sterfgevallen zijn misschien weinig of geen goede rationele antwoorden te vinden. Of troost.

En toch.
En toch, hè.

Het virus is de wijste les, het allerbeste,
en het meest intelligente wat ons maar kan overkomen.

Nee! Nee!
Niet nadenken nu!
Stop!

Intelligentie heeft met denken niets te maken.
En alles met stilte.

Dus
wees stil.
En luister.

Wat vertelt ons het virus?

Sssst ….