7. Eerbetoon

Ken je hem nog?
De beste volkszanger die Nederland ooit heeft gekend:
Johannes (Jantje) Hendricus van Musscher.
Nee, die naam kent niemand.
Johnny Jordaan.
Ja, die naam kende iedereen.
Jij ook?
Hij was de Johan Cruijff van het levenslied in de jaren ’50, ’60 en ’70 van de twintigste eeuw.
Zoals hij, was er geen één.

Hoe kon dat?

Hij werd geboren in 1924 in de Jordaan, de armste volkswijk van Amsterdam. Zijn neefje was Carel Verbrugge, later bekend als Willy Alberti. Ook zo’n geweldige volkszanger. De neefjes Kareltje en Jantje waren al vroeg vrienden en zongen samen op straat, en later in de kroeg, om geld te verdienen voor hun familie.
Dat werd anders toen tijdens een knokpartij Kareltje Jantjes oog zodanig verwondde dat het eruit moest. Jantje moest hierna door het leven met een glazen oog. Zijn moeder heeft het Kareltje nooit vergeven.
Jantje was zo gehecht aan zijn moeder dat hij tijdelijk letterlijk verlamd was van verdriet toen zij stierf. Drie jaar na de ter aarde bestelling in een gemeenschappelijk graf liet hij de kist opgraven en openen om zijn moeder nog één keer te zien. Daarna werd ze in een door hem betaald eigen graf overgeplaatst. Dat gaf hem rust.
Jaren later zong hij het lied: ‘Moeder, ik ben toch zo blij als u lacht.’

Na een aantal jaren als zingende kelner in een café gewerkt te hebben, won Jantje een zangwedstrijd in de Jordaan en werd hij bekend. Hierna noemde hij zich Johnny Jordaan, de naam die Kareltje, inmiddels Willy Alberti, voor hem bedacht had.

En toen … barstte de wereld open.

Johnny bracht het nummer ‘Bij ons in de Jordaan’ uit waarvan binnen een jaar ruim 1 miljoen (!) platen werden verkocht, wat nog nooit eerder was vertoond.
Even later gebeurde hetzelfde met ‘Geef mij maar Amsterdam’. Hij werd hiermee de best verkochte zanger die er in Nederland ooit was geweest.
De volksjongen werd de Koning van de Jordaan. Iets wat Johnny helemaal niet wilde, want hij wilde één van hen, één van het volk zijn, het volk waaruit hij voortkwam. Maar dat ging niet meer. Niet omdat hij niet wilde, maar omdat het volk hunkerde naar een held die boven alles verheven was. Een heilige bij wie ze hun alledaagse armoede en ellende even konden vergeten. Van wie ze dachten dat hij ze kon redden.
Wat zijn ontzaglijke muzikale talent betreft was dat geen probleem. Qua stem, qua muzikaliteit, timing, ritme en contact met het publiek, was hij de absolute tovenaar die zalen inpakte en in lichterlaaie stak.
Menigten bij de duizenden werden gillend gek wanneer ze niet de eenvoudige volksjongen uit de Jordaan zagen, maar de verheven magiër hoorden die de mensen betoverde.

Nou was er wel iets wat in die tijd nog als een groot probleem werd gezien. Johnny was getrouwd met zijn vrouw, ‘Totty’, ze hadden een dochter, ze hielden van elkaar. Tot zover alles in orde. Maar Johnny worstelde met een geheim: hij viel op mannen, maar wist dat dit onmogelijk was.
Homo zijn in de jaren ’50 in de Jordaan is net zoiets als ongelovig zijn in 2021 als moslima in de Schilderswijk. Je wordt verguisd, verstoten en bedreigd. Toen zijn geheim uiteindelijk uitkwam, gebeurde dat ook.
Eerst probeerde Johnny hier aan te ontkomen door een zelfmoordpoging, die mislukte. Na hersteld te zijn vertrok hij naar België, ging naar Engeland, trad op in Australië, Nieuw-Zeeland, Japan, Amerika, Canada, deed shows met Wim Sonneveld in Londen voor de BBC, runde cafés en clubs in Rotterdam en Antwerpen en werd overal op handen gedragen, maar in ‘die mooie, in die fijne Jordaan’ kon hij zich niet meer vertonen.
Uiteindelijk, na jaren van verminderd succes, veel leed, verdriet, belastingschulden en heimwee keerde hij in 1968 op aandrang van tante Leen terug in Amsterdam en kwam de acceptatie uiteindelijk toch nog goed. Bovendien scoorde hij meteen een nieuwe hit met ‘Een pikketanissie’, gecomponeerd door Harry de Groot.
Hij had 31 jaar een relatie met zijn vriend Ton Slierendrecht en ontving een ontroerend afscheid in 1972 dat op de televisie werd uitgezonden en waarbij hij nog eenmaal zijn mooiste nummer ten gehore bracht voor zijn publiek dat hem toejuichte en omarmde.

Wat Johnny Jordaan zo uniek maakt is dat hij gebeiteld is in het harde marmer van de kern van de Jordanese volksaard. Hij is nooit veranderd en altijd dezelfde gebleven. Hij maakte zijn school niet af, hij leerde geen algemeen beschaafd Nederlands, hij had nooit zangles. In interviews en in zijn liederen spreekt en zingt hij plat Mokums. Hij rolt zijn rrr zoals hij als jongetje al deed, hij galmt zijn klanken zoals hij zijn vriendjes riep in de vuile straten van de arme Jordaan.
Niets is gepolijst, niets is aangeleerd, alles is hij, en in alles zingt hij het leven, het plezier, de pijn en het rauwe noodlot dat hij is.
Er is nooit een zanger in de Nederlandse geschiedenis geweest die zo, ja, die wat eigenlijk was?
Als je oppervlakkig kijkt zou je van hem zomaar iets lacherigs, iets spottends en denigrerends kunnen maken. Zijn schreeuwerig kleurende stijve pakken, de kitscherige inrichting van zijn woning, zijn simpelheid, zijn platte onbeschaafde accent, zijn ongeschooldheid, zijn bijna kinderlijke eenvoud van karakter en zijn volksaard die ervoor zorgde dat hij geen verweer had tegen al die mensen die hem geld probeerden af te troggelen.
Echter, wanneer je het vermogen hebt om werkelijk de man te zien die hij is dan kun je niet anders dan hem en zijn gouden muziek, zijn levenswerk, hogelijk waarderen en bewonderen. En hiervoor buigen. Dan zie je, dan voel je, dan weet je, hoe schoon en lief, hoe fenomenaal en werelds dit alles is. En ook hoe enorm Jordanees en tegelijkertijd universeel zijn volksmuziek is.
Als je echt de ziel van de man en zijn muziek kunt horen dan kun je ook een besef krijgen van de enorme hoeveelheid mensen die hij met zijn levensliederen heeft opgetild uit hun zware miserabele bestaan.

Johnny Jordaan bracht licht.

Het zijn precies deze eerder genoemde zaken die hem zo uniek en eenmalig maken. Hij IS dat namelijk allemaal. Hij speelt niets. Hij doet dit alles in de volste overtuiging en authenticiteit zonder dat hij die woorden noemt of kent. Alles wat hij doet en laat zien dat IS hij.
Voeg hierbij zijn van God gegeven stem, zijn muzikaliteit en ritme, zijn schrijnende levensloop, en dan zie je dat we hier te maken hebben met een artiest van wereldniveau die, volgens de echte kenners uit het vak, qua timing zelfs Frank Sinatra overtrof, en die wereldberoemd in Nederland en tevens de best verkochte artiest in dit land was.
Hij werd geadoreerd door miljoenen mensen van alle rangen, standen en leeftijden die tientallen miljoenen platen van hem kochten en zijn concerten bezochten, en tegelijkertijd werd hij een deel van zijn leven uitgekotst door zijn vroegere stadsgenoten en dierbaren, gewoon omdat hij was wie hij was. Ook leed hij aan een zwakke gezondheid, ging hij door een zware depressie, en kreeg hij meerdere maagkwalen, hersenbloedingen en hartaanvallen.

Je zou zeggen: zo’n unieke beroemdheid verdient een standbeeld.
Inderdaad. Dat heeft hij ook.
Op het plein op de kop van de Elandsgracht in Amsterdam staan standbeelden bij elkaar van de groten uit de Jordaan: Tante Leen, Johnny Meyer, Manke Nelis en de man die de allergrootste van allemaal was. Het plein waarop dit standbeeld staat is genoemd naar deze allergrootste: Johnny Jordaan.

Nederland moet deze man, en zijn verdiensten voor dit land, eeuwig dankbaar zijn.

————————————————————————————————————
Op Youtube staat een historisch muziekfragment onder de titel:
Rinus Michels – Ode aan de Westertoren
Dit fragment is van juni 1974, opgenomen tijdens het WK-voetbal in Duitsland (inderdaad, die ja) waarbij de spelers natuurlijk ook geëntertained moesten worden, in dit geval door Willy Alberti en Johnny Jordaan.
Aan het eind hoor je ook nog coach Rinus Michels met zijn geweldige zangstem!

6. Ons dagelijks leven in het vreselijke Delft

Naar de berichten te oordelen van de machtige meningenmedia, de virusrechtszaakaanspanners en de straatstenende jongeren is het nogal een onrechtvaardige puinhoop in de wereld.
Aangezien ik vroeger als jongetje al snel avonturen wilde beleven, wil ik dit natuurlijk vandaag ook meemaken!
Daarom trek ik mijn stoute schoenen aan en ga op pad om wetenschappelijk, experiëntieel en empirisch vast te stellen hoezeer de puinhoop om ons heen vandaag weer huishoudt en alsmaar erger wordt.
Anders gezegd: ik ga een wandeling maken en eens kijken wat er gebeurt.

Eerst maar eens door winkelcentrum ‘de Hoven’ lopen, daar zal het ongetwijfeld heel erg zijn allemaal. Vlak voordat ik binnentreed, laat ik een vrouw (zwart!) voorgaan die mij met haar mondkapje om vriendelijk bedankt. Ja, kijk, dit is natuurlijk niet de bedoeling vandaag. Maar goed, ik moet objectief blijven, dus vermeld ik deze menselijke vriendelijkheid er als uitzondering maar even bij. Straks zal het vast vreselijker worden. Ze zeggen het tenslotte niet voor niets.
In het winkelcentrum zijn twee aparte paden gemaakt om elkaar op afstand te houden.
Ik verheug mij reeds, want hier gaat natuurlijk geen Delftenaar zich aan houden. Dat wordt flink door elkaar en aan de andere kant lopen. Zeker weten!
Edoch, niets van dit alles. Iedereen loopt met mondkapje op en ook nog eens aan de juiste kant, zoals aangegeven. Ik hoor geen geschreeuw of protest, men zwijgt of kletst rustig wat met elkaar op gepaste afstand. Men oogt tevreden.
Ja zeg! Het lijkt verdorie wel een vooropgezet complot tegen de media, de viruswaanzinnigen en de straatstenende jongens die het dagelijks leven totaal anders zien en beleven!
Maar goed, als levensonderzoeker geef ik de moed niet snel op. Straks kom ik in de brandhaard van alle ellende: het centrum van Delft! Midden in de problematische randstad. Erger kan niet!
Bij Café Cortado koop ik een Americano. Ik word geholpen door een vriendelijke en zeer schone jongedame die mij ook nog eens smakelijke koffie en fijne dag toewenst.
Mijn twijfel neemt toe: gaat dit zo wel de goede verkeerde kant op?
Maar niet getreurd. Welgemoed en optimistisch over de foute menselijke aard ga ik zitten op een bankje op de sneeuwvrije Beestenmarkt. Ik pak de eerder gekochte snickers (bij AH, waar ook al niets aan de hand was, dus die sla ik nu maar even over) uit mijn zak en begin genoeglijk aan de weldadige chocolade te peuzelen en de warme koffie te drinken.
Nu zal het toch wel écht gaan gebeuren.

En jawel!
De aanhouder wint.

Daar komt een jongen met lang haar aangereden met een oranje bezorgtas op zijn rug. Jongen, lang haar. Dat kannie goed gaan.
Het agressieve langharige tuig zet de fiets netjes tegen een bank. Daarna doet hij enige rek- en strekkende yoga-oefeningen en glimlacht vriendelijk terug als hij ziet dat ik zijn bewegingen gadesla. Ik kijk nog wat langer, want ik lees wel eens over jongeren dat als je langer naar ze kijkt dat ze dan gaan roepen ‘Niet kijken! Wat moet je van me!’ en dat ze je dan in elkaar slaan.
Deze jongen blijft echter zwijgend zijn oefeningen doen.
Hij zegt niets!
Na enige tijd stapt hij weer op de fiets, zwaait me vriendelijk tot ziens en rijdt kalm verder. Ook de koffiedrinkende dame op een ander bankje glimlacht vriendelijk naar me en zegt: ‘Wat is het hier heerlijk, hè! En zo rustig!’

Ja, nu begint het toch wel een beetje nijpend te worden met deze omstandigheden. Ik druk mijn opkomende wanhoop weg en ben vastbesloten nu alles uit de kast te halen. Wandelend, wantrouwend en spiedend zie ik een groepje jongeren.
Aha! Die zijn niet op school! Fout!
Die gaan natuurlijk blikjes en papiertjes en vuil op straat gooien en daar ga ik dan een foto van nemen en verontwaardigd op Facebook zetten en dan gaan anderen net zo verontwaardigd mijn verontwaardiging bevestigen en zeggen dat het helemaal de verkeerde kant op gaat met de jeugd van tegenwoordig en dat ze al die buitenlanders ook niet moeten binnenlaten in dit land want we hebben het al moeilijk genoeg hier met de politie en de regering.
Maar dan begint mijn ontluistering: ze gooien hun blikjes en papiertjes in een vuilnisbak!

Donkere wolken pakken zich samen boven mijn objectieve oordelen.
Wat moet ik nou nog?
Ik besluit mijn ultieme experiment te doen.
Ik loop richting Markt en kijk nors voor mij uit.
En jawel!
De mensen die ik tegenkom en mij aankijken, kijken ook nors.
Gelukt!
Dan zet ik mijn neutrale blik op. Helaas, de mensen om mij heen kijken me nu ook neutraal aan, niet nors.
Hierna zet ik mijn tevreden glimlach op en jawel, de mensen kijken glimlachend naar me terug.
Peinzend loop ik verder. Wat is dit voor vreemd gedoe? Hoe kan dit? Raar.
Tot slot haal ik de laatste truc uit mijn goocheldoos. Die lukt altijd.
Ik begin krijsend straatstenen door ramen te gooien, auto’s in brand te steken, mensen te bedreigen en anderen te slaan. Ik hoor sirenes en hierna slepen politieagenten mij hardhandig een busje in en voeren mij af.
Ah! Zie je wel! Zie je wel dat het een puinhoop is op de wereld! En zie je nou dat we in een dictatuur leven! En dat het overal helemaal de verkeerde kant op gaat zo! Met die regering en die buitenlanders en die corona, die AIVD en dat KNMI of RIVM. Nou, als je dat niet ziet, als je niet wakker wordt, als je niet ontwaakt, als je niet je eigen onderzoek doet, dan blijf je een gehoorzaam schaap en kun je dit nooit echt helder zien. Dan kun je nooit ontdekken wat ik zojuist duidelijk heb ontdekt, gezien, ervaren en aangetoond:
dat de media, viruswaanzinnigen en straatstenende jongens volkomen gelijk hebben en dat het één grote, onrechtvaardige, agressieve puinhoop is op de wereld. En dat alle mensen heel onbeschoft en respectloos zijn. Allemaal!
Was het maar weer vroeger toen iedereen altijd beleefd en leuk was. Toen Nederland nog Groot was!
Je moet het zien, hè, anders ben je blind. Stekeblind. En onwetend. Kijk dan toch, mensen! Kijk objectief! En besef wat je doet!

5. Nee, dan vroeger!

Vroeger!

Toen had je tenminste nog échte winters!

Neem nou de strenge winter van 2021.
Maar nu praat ik over héél lang terug, hoor.
De rondvaart ging maandenlang niet, van november tot april lag hij stil.
Dat deed hij normaal ook al, stilliggen, maar toch, om je een idee te geven.
En we dronken hete chocolademelk met slagroom op een bankje op de Beestenmarkt.
Dat deden we normaal ook altijd al, maar dan op stoelen, en die waren er toen niet meer.
Ja, zeg, vóór die tijd waren er nog terrassen. Kun je je vandaag ook niet meer voorstellen, hè?
Maar sneeuw was er wél in die dagen.
Volop!
Toen had je nog veel mensen met gebroken ledematen, omdat ze gingen schaatsen op het ijs, aangezien dat op iets anders dan ijs niet zo goed en glad ging.
Mensen schaatsten toen nog zélf. Ja, sinds robotten het schaatsen hebben overgenomen kunnen we er alleen nog maar naar kijken. Zij doen tegenwoordig alles. Ook werken.
Wij doen niets meer.
Daarom heben we ook geen ledematen meer.
Nutteloos geworden.

Ja, joh, 2021, zooo lang geleden alweer.
Destijds had je nog gewoon één soort corona. En toen kwam er ook één soort vaccinatie.
De medische wetenschap stond toen nog in de kinderschoenen.
In 2021 kwamen er een paar varianten bij. Dat was best nog wel romantisch in het begin.
Nu hebben alle landen hun eigen varianten. Er zijn er nu 196, net zoveel als dat er landen op de wereld zijn. Ze willen allemaal aan bod komen, want ja, wat aandacht krijgt, groeit, hè.
We gaan nu iedere dag naar de vaccinatiecentra voor weer een nieuwe prik tegen weer een nieuwe variant van weer een ander land. Best wel gezellig.
Die vaccinatiecentra zijn eigenlijk de nieuwe kroegen en kerken geworden waar we allemaal eensgezind bij elkaar komen. We spreken anders nooit iemand meer, omdat die robotten al ons werk hebben gepikt. Jammer dat er geen strenger robotbeleid is om ze uit dit land te weren. Ze pakken alles van ons af!
Tenminste, dat zegt de bastaardzoon van Thierry Baudet die zelf in het demente bejaardentehuis zit van het COC waar hij de Gay-krant checkt op nepnieuws.
De nieuwe Mars – en Venusvarianten zijn ook al in aantocht. Ja, joh, dat virus komt tegenwoordig ook uit het heelal, hè. Dat wist die Bill Gates natuurlijk al in 2021.
Tsss..

Trouwens, 2021.
Weet je dat nog?
Nee, zal wel niet, zo lang geleden alweer.
Ja, ja, buurvrouw, vroeger bleef alles nog hetzelfde, maar tegenwoordig gaat alles voorbij, hè. En volgende week barst de lente alweer los, zeggen ze van het RIVM. Of van het KNMI.
Ach, wat maakt het ook uit, allemaal één pot nat, want sinds Europa overstroomd is door de zeespiegelstijging van zeven meter is alles drijfnat.
Het is me toch wat, zeg, met al die jaargetijden. Vindt-ie ook niet, buurvrouw?
Gelukkig dat Rutte en Trump nu alweer veertig jaar aan de macht zijn, anders was het nóg erger geweest met al die natte jaargetijden. Door hen hebben we tenminste nog ansichtkaarten van de Noordpool en Europa die vroeger nog bestonden.
Ja, die Noordpool is nu een tropenstrand met golfbaan in privébezit van Trump. Nou, hij heeft het verdiend hoor, sinds hij al die Democraten heeft verdronken in dat stijgende water. Daarom was hij ook altijd al tegen die klimaatakkoorden, anders had hij ze nooit allemaal kunnen verzuipen.
Rutte gaat er wel eens heen, naar de Pool, in zijn plezierjacht. Vroeger deed hij dat op de fiets, maar ja, sinds zijn lekke band en sinds Nederland is ondergelopen door die gesmolten poolkappen kan dat ook niet meer.

Tja…
Het is me het wereldje wel hoor, buurvrouw.

Enne …
Het was lekker, zeg, de chocomel met slagroom.

Vroeger, dan, hè.

Vgoegâh!

Gelukkig hebben we de foto nog.

Kan een afbeelding zijn van buitenshuis

4. Jacoba van Beieren en de Zoen van Delft

Toen Jacoba van Beieren (1401 – 1436) vijf jaar oud was, huwelijkten haar trotse ouders, Margaretha van Bourgondië en Willem VI van Holland, haar uit aan de tweede zoon van de Franse koning. Ook de bruidegom was toen net kleuter af, maar dat was geen enkel bezwaar. Een strategische verbintenis kon niet vroeg genoeg gesloten worden.
De twee groeiden samen op en toen ze de leeftijd bereikten waarop het huwelijk geconsummeerd kon worden (oftewel, waarop ze geslachtsgemeenschap konden hebben met elkaar, op hun veertiende jaar) was de verbintenis een feit.
Toen de Franse kroonprins overleed was Jacoba’s echtgenoot de eerstvolgende in de erfopvolging, waardoor zij koningin van Frankrijk zou worden.

Wat een vooruitzicht!

Jacoba was gravin van Holland (= het huidige Noord- en Zuid-Holland), Zeeland en Henegouwen. Die graafschappen stonden eigenlijk onder het beheer van de Duitse keizer, de keizer van het Heilige Roomse Rijk, zoals men het noemde. Dit was een zekere Sigismund (die eerst koning en later keizer was) die als opperleenheer de officiële zeggenschap over opvolgingskwesties had. Hij was dus helemaal niet zo blij met die toenadering van Jacoba tot zijn concurrent Frankrijk.
Verder was er ook nog Jacoba’s oom, Jan van Beieren, die zijn oog had laten vallen op de erfenis van die graafschappen.

En toen gebeurde het.

DODEN EN HUWELIJKEN
Jacoba’s vader, Willem VI, stierf in 1417, en ook haar Franse man stierf. Meteen hierna begon het getouwtrek om de erfenis. Jacoba was toen zestien jaar oud en kon deze ingewikkelde situatie niet ‘handelen’. Haar moeder, die Jacoba in alles streng adviseerde, vond al snel een partner voor haar dochter: neef Jan van Brabant.
De man zou een rampzalige keuze blijken te zijn en hij was bovendien ook nog eens zeer makkelijk te beïnvloeden door tegenstanders.
Ze trouwden voor de wereld en voor de kerk. Dit laatste huwelijk werd voltrokken in de Haagse Hofkapel, op het Binnenhof.
De hele gang van zaken was echter nogal incestueus, aangezien ze elkaars volle neef en nicht waren. Dus dienden ze een verzoek in bij de paus voor dispensatie, oftewel voor opheffing van deze zonde. Al snel kwam het Ja-woord van de paus.
Onderhand had Jan van Beieren ook niet stil gezeten en die deed zijn beklag bij koning Sigismund. Hij voerde aan dat hijzelf de wettige erfgenaam van de overleden Willem VI was. Sigismund stuurde hierop snel een delegatie naar de paus om het huwelijk van Jacoba met Jan van Brabant onwettig te verklaren. Dit had meteen effect, want de paus trok zijn instemming in. Maar de nieuwe bul kwam te laat; het huwelijk was al voltrokken.

Dit alles speelde zich af midden in de Hoekse en Kabeljauwse twisten die een gevecht om de macht waren. Jan van Beieren streed in het kamp van de Kabeljauwen en Jacoba bij de Hoeken. Na veel strijd en onder druk zetting van slapjanus Jan van Brabant verpandde die de economisch rijke graafschappen Holland en Zeeland aan Jan van Beieren. Jacoba hield knarsetandend alleen Henegouwen nog over.

Hoe nu verder?

Ze moest allereerst van haar volstrekt incapabele man af, dus richtte ze haar blik op de overkant van de zee: Engeland. Hier woonde Humphrey, de hertog van Gloucester en broer van de Engelse koning. Die leek Jacoba de meest geschikte huwelijkskandidaat en aangezien de paus haar vorige huwelijk niet had goedgekeurd, maakte ze van dit aanvankelijke nadeel haar voordeel.
Het is een wonderlijk ‘toeval’ dat juist in diezelfde tijd Jan van Beieren plotseling overleed. Hij was vergiftigd: de hoeken van zijn gebedenboek waren ingesmeerd met gif.
Wie zouden dat nou gedaan hebben?

FILIPS VAN BOURGONDIË
Toen betrad een nieuwe en zeer machtige deelnemer het speelterrein: Filips de Goede, de nieuwe hertog van Bourgondië. Hij was eveneens een oom van Jacoba en meende ook aanspraak te moeten maken op haar erfdeel. Verder had hij geld nodig, niet in de laatste plaats omdat hij van die enorme en dure feesten gaf aan zijn uitbundige hof. Bovendien had hij, voor zover bekend, dertig minnaressen en zesentwintig bastaardkinderen die onderhouden moesten worden. Het geld dat hij nodig had, was vooral te vinden in het in opkomst zijnde Holland.
Opziend tegen de overmacht van Filips gooide Humprey de handdoek in de ring en ging terug naar Engeland. Ondertussen werd Jacoba in verzekerde bewaring gesteld door Filips in Gent en had Jan van Brabant opnieuw het bestuur van Holland en Zeeland overgedragen, ditmaal aan Filips, die hiermee erfgenaam van Jacoba werd.
Filips liet Jacoba overbrengen naar Lille, ver weg van haar Hoekse machtsbasis. Jacoba verzon echter een list, trok mannenkleren aan, liep ongestoord de stad uit en ging naar Schoonhoven waar ze juichend werd ontvangen door haar Hoekse aanhang.
Dit was natuurlijk een enorme vernedering voor Filips!
Hierna probeerde Humphrey Jacoba nog bij te staan met zijn leger, maar hij leed een smadelijke nederlaag tegens Filips en vertrok definitief terug naar Engeland.
De burgeroorlog, de strijd om de macht, duurde hierna drie jaar. De oorlogvoering kostte bakken met geld en hele dorpen werden met de grond gelijk gemaakt.
Jacoba raakte financieel aan de grond, verloor haar politieke steun en werd gedwongen haar meerdere te erkennen in Filips.

DE ZOEN VAN DELFT
Op 3 juli 1428 werden de nieuwe machtsverhoudingen vastgelegd in wat is gaan heten:
de Zoen van Delft.
Jacoba droeg de macht over aan Filips, maar mocht haar titel van gravin behouden.

Ofschoon ik het nog nergens heb kunnen lezen, speelden deze onderhandelingen van de Zoen van Delft zich volgens mij af in ’s Heerens Herberg. Deze lag in het gebied wat nu de Boterbrug heet, de overkluizing tussen de Oude Delft en de Wijnhaven. Dit gebied was grafelijk bezit. In ‘s Heerens Herberg werden altijd de graven van Holland ontvangen als ze voor een inspectie in de stad kwamen. Vandaar mijn veronderstelling.

Na deze onderhandelingen was Jacoba’s rol uitgespeeld en ze was zo goed als blut. In 1433 huwde ze voor de vierde keer, ditmaal met de rijke Zeeuwse edelman Frank van Borssele.
In Delft liggen tegenwoordig de Jacoba van Beierenlaan en de Frank van Borselenstraat (en niet Frank van Borsselestraat) vlak naast elkaar achter het station.
Met Frank heeft Jacoba een goed en welvarend leven gehad. Vermoedelijk was er zelfs sprake van liefde.

In 1436 stierf Jacoba aan tuberculose, destijds tering genoemd. Ze werd slechts 35 jaar oud. Ze ligt begraven in de Haagse Hofkapel op het Binnenhof, als enige gravin tussen de vele mannelijke graven. Bij haar begrafenis stond het Binnenhof vol mensen.

BELEG VAN DELFT
De opa van Jacoba was Albrecht van Beieren. Tijdens de felle Hoekse en Kabeljauwse twisten, die het land verscheurden en 150 jaar duurden, belegerde deze Albrecht in 1359 een maand lang Delft. Delft was een bolwerk van Kabeljauwen, maar het stadsbestuur koos toch de Hoekse kant waardoor het tegenover de Kabeljauwse Albrecht van Beieren kwam te staan.
Na de overgave van Delft werden de stadsmuren afgebroken en gebruikt om de muren rond het Haagse Binnenhof te versterken. Duizend Delftse mannen en vijfhonderd vrouwen moesten na de bestraffing op blote voeten door Den Haag lopen en knielen voor Albrecht van Beieren en hem vergiffenis vragen.

3. Corona en de kunst van het niet-doen

Corona is een gratis retraite.
Het is alsof we een glas vuil water vullen met schoon water.

Wat gebeurt er dan met je?
Wat gebeurt er dan met ieder mens?

Wat dan gebeurt is dat allereerst het vuile water naar boven komt in het glas.
Oftewel:
Pijnlijke, angstige, eenzame, boze, verontwaardigde, teleurgestelde, verdrietige, ‘vuile’ gevoelens van jaren, eeuwen geleden komen in ons naar boven.
Alle gevoelens die opkomen lijken nieuw, maar ze zijn oud, heel oud.
Een gebeurtenis van vandaag ‘triggert’ een verborgen gevoel van lang geleden, zodat het naar boven kan komen, bewust mag worden, ervaren mag worden.
Hier kunnen we niets aan doen, het is niet onze schuld, we doen niets fout.
Het gebeurt, dat is alles.

Wat doen we hiermee?

Mijn suggestie: niets.

Doe niets.
Druk ze niet weg.
Verdring deze gevoelens niet.
Heb er geen mening over, geen oordeel.
Uit ze ook niet.
Gooi ze niet naar buiten.
Denk ook niet:
dit gevoel is fout, dit moet niet, zo gaat het de verkeerde kant op met me, dit moet anders, beter.
Deze gedachten kunnen in je opkomen, je mag het denken, maar doe niets met deze gedachten. Veroordeel je oordelen niet. Heb geen mening over je meningen.
En als die er zijn: laat ze hun gang gaan, maar bemoei je er niet mee.
Ga ze niet corrigeren.
Ga ook niet positief denken.
En als je denkt:
ik zit hier ook maar in m’n eentje, ik ben niet nuttig en ik moet iets gaan doen,
doe dan niets, blijf zitten waar je zit.
Ga niet wandelen, ga geen activiteiten ontplooien, niet iemand bellen, niet facebooken, niet sociaal doen, geen wijn drinken en geen chips eten, niet schoonmaken, niet nadenken.
Ga niet visualiseren. Ga niet mediteren. Doe geen yoga oefeningen, geen thai chi, geen ki kong. Vlucht niet.
Probeer niet ervan af te komen of het mooier of anders te doen zijn.

Laat je niet afleiden.
Blijf.

Geef ook je ouders, of vervangende ouders zoals autoriteiten, de regering, politici, wetenschappers, het RIVM, de illuminati, je buurman, en geef ook Marokkanen en moslims niet de schuld van jouw rotgevoelens van dit moment.
Ga niet discussiëren, verontwaardigd demonstreren of bevestiging van je boosheid en gelijk halen bij andere bozen, verontwaardigden en eenzamen.
Zoek geen eensgezindheid.

Doe niets.

Doe niets uiterlijk en doe ook niets innerlijk.
Het enige wat je doet is geen doen, maar een zijn: observeer wat gebeurt.
Niet observeren in de zin van kijken met je ogen, maar beseffen wat er gebeurt, je bewust zijn van wat zich afspeelt.
Constateer wat is.
Blijf in milde, neutrale aandacht deze beweging volgen, zonder erover na te denken en zonder je ermee te identificeren.

Blijf erbij, leef het.
Omarm het, behuis het.

Verwijl erin.
En wees alleen. Volledig alleen.

Doe niets.

Zeg en denk ook niet:
ik moet dit gevoel erkennen, ik moet dit aanvaarden, accepteren.
Je mag het wel zeggen en je mag het wel denken, maar doe niets met die woorden, doe niets met die gedachten.

Laat ze.
Bemoei je er niet mee.

Laat al dit leven in jou dóórleven en doorléven en doe er niets mee.

Als je bang wordt, zeg dan niet: ik ben bang.
Vergeet de woorden en voel alleen maar wat je lichaam voelt, hoe heftig dit gevoel ook kan zijn.
Noem het geen gevoel, wees alleen aanwezig, neem waar, observeer.

Besef wat er gebeurt en laat het daarbij.
Reageer niet.

Verwijl in je angst zonder het angst te noemen.

Wat merk je dan op?

Dan merk je dat angst geen angst is, maar een sensatie in je lichaam dat gevoed wordt door de gedachten in het hoofd die gevoed worden door omstandigheden en mensen van nu en vroeger. En waar jij een mening over hebt.
Het is niet eens een sensatie, het is gewoon een energie, en zelfs dat niet. Geef ook dát geen naam, noem het niet sensatie, noem het niet energie.
Het gevoel, de energie, is geen woord. Het is een directe ervaring.
Voel zonder woorden, besef zonder te benoemen.
Wees helemaal die energie, die sensatie in je lichaam, maar geef er geen naam aan.

Het is er.
Wees het.

Als je daar dan midden in bent, dit volledig ervaart, het niet aanraakt.
En wanneer je dit bént:
dan kun je een verschuiving van deze innerlijke ervaring waarnemen.
Tot het steeds meer gaat verschuiven, zonder dat de omstandigheden veranderen.
En uiteindelijk gaat de ervaring zich transformeren.

Wat je aanvankelijk als een groot probleem ervoer, als rotgevoel, als lijden, als je absoluut klote of eenzaam voelen, dat blijft niet voor altijd, dat is tijdelijk.
Door alleen maar dit waar te nemen, krijgt het een andere lading, kan het lichter worden, zonder dat je probeert het lichter te maken.
Je hebt geen enkele verwachting meer, want je bent datgene geworden wat je waarneemt.

De observator is het geobserveerde geworden.
De waarnemer het waargenomene geworden.
Degene die de angst ervoer, is de angst zélf geworden, zonder het woord angst.

Wanneer jij en je angst uiteindelijk helemaal samenvallen, wanneer er geen scheiding, geen splitsing meer is tussen jou en je angst, zonder dat je dit hebt geprobeerd of er moeite voor hebt gedaan, dan gebeurt er iets anders.

De angst lost op.

En wanneer de angst oplost wat komt er dan voor in de plaats?

Jij.

Degene die jij écht bent.
Dit is degene die angst in de kern is.
In het midden van het midden van de angst (woede, verdriet, enz.) heerst volkomen angstloosheid. Deze angstloosheid is bewustzijn.
Het is het bewustzijn dat jij bent.
Dit bewustzijn is helderheid, is geluk.
Het is geen gevoel, geen gedachte.
Je voelt het niet, je denkt het niet, je doet het niet.

Je bént het.
Maar het is niet je lichaam, het is niet je hoofd, terwijl het er wel in doordringt.

In plaats van angst ben je geluk geworden.
Of eerder:
je merkt op dat je altijd al geluk was, maar dat angst dit geluk, OGENSCHIJNLIJK, verborgen hield.
Ik zeg niet dat je altijd al gelukkig was, nee, het is veel sterker, je was altijd al geluk. En je bent dit altijd geweest.
De kern van angst, van woede, van depressie, en de kern van iedere emotie, dat is geluk. Dat ben jij.

Wéét dus
dat als je bang bent, woedend, hatend, teleurgesteld, jaloers, verdrietig,
dat je dan niets hoeft te doen.
Je hoeft slechts de richtingaanwijzer van de emotie waar te nemen, te volgen, deze emotie te omarmen, te worden. Het zijn gang te laten gaan.

Dit te zijn.

En merk dan op hoezeer de wolken van de bange blindheid verdwijnen en dat dan niet de zon van het geluk begint te schijnen, maar dat je dan ziet dat deze zon van geluk altijd al heeft geschenen, er altijd al is geweest.
Dat jij die zon van geluk altijd al was en altijd zult zijn.
Geluk is tijdloos en is niet afhankelijk van wat jij denkt, voelt of doet.

Het is er.

Angst, en iedere emotie,
is de richtingaanwijzer naar het geluk dat erin verborgen zit.
‘A blessing in disguise.’

Je kunt dat geluk niet pakken, je kunt het niet bedenken, je kunt er niet naar streven, je kunt niet proberen het te worden.
Alles wat je probeert, is denken en jij bent niet je gedachten.
Gedachten komen en gaan, jij blijft.
Geluk is een onaanraakbaar midden dat in alles aanwezig is (zelfs: dat alles is!) en tevens met de zintuigen niet is waar te nemen, met gedachten niet te pakken, met voelen niet te ervaren. Zelfs met intuïtie niet te zien.

Het is het geluk dat jij bent.
Het is je identiteitsloze identiteit, de identiteit van iedereen.

Altijd.

Wat je hebt, kun je verliezen.
Wie je bent, kun je niet verliezen.

Nooit.

En als je dit weet, als je dit ziet, doe dan wat je wilt.
Wat dat ook moge zijn.

Alles is goed.

2. Spiritualiteit in de Rooms-Katholieke Kerk

Spiritualiteit en regelgeving: gaat dat samen?
Laten we als voorbeeld nemen: de Rooms-Katholieke kerk.
Hier bestaat de regel: priesters mogen niet trouwen.
Aanvankelijk dacht ik nog dat zo’n regel een spiritueel effect zou kunnen bewerkstelligen. Een soort Freudiaanse sublimatie waarbij de seksuele driften overwonnen worden om het goddelijke te absorberen. Want dat wil een priester natuurlijk. Waarom zit hij anders in die kerk? Toch?

Afijn. Zoiets, dacht ik. Misschien.

Dit blijkt echter nogal anders te liggen.
Eerst was het celibaat namelijk helemaal niet verplicht. In de begintijd van het christendom was kuisheid een vrije keuze, geen opgelegde plicht. Jezus leefde weliswaar sober, maar nergens rept hij over de plicht tot kuisheid.
Het priesterlijk celibaat is dan ook geen onderdeel van de rooms-katholieke geloofsleer. Het is een na veel interne strijd tot stand gekomen disciplinaire maatregel, waarbij kerkpolitieke belangen een grote rol speelden.

Wat waren die belangen?

In de middeleeuwen werd het kerkelijk ambt steeds meer een zeer gewilde carrière mogelijkheid, waarbij veel priestervaders hun kinderen als hun erfopvolgers het kerkelijk ambt binnenloodsten. Zo ontstonden hele dynastieën die het kerkelijk bezit generatie op generatie in de familie hielden en opmaakten. Ook kinderen die niet tot de kerk behoorden eisten hun deel op. Zodoende sluisden priesterfamilies flink veel kerkbezit weg.
Hierdoor wilden de bisschoppen uiteindelijk dat de kerk een waarlijk onafhankelijke grootmacht zou worden. Onafhankelijk van wereldse machten zoals de keizer, maar ook onafhankelijkheid van priesters ten opzichte van de dynastieke belangen van hun nakomelingen.
Met andere woorden: de kerk wilde haar geld en bezittingen behouden.
Vandaar de uitvinding van het celibaat voor priesters.

In 325 was op de allereerste kerkvergadering, het Concilie van Nicea (het tegenwoordige Iznik, Turkije), de verplichting tot celibaat nog verworpen.
Het is pas ruim acht eeuwen later, in 1139, tijdens het Tweede Lateraanse Concilie in Rome, dat het besluit tot celibaatsverplichting werd ingevoerd.
Dit was geen theologisch leerstuk, maar een disciplinaire maatregel.

Het gevolg was dat er quasihuwelijkse relaties met een vrouw ontstonden, zoals een zogenaamde huishoudster. Hier had de kerk minder moeite mee dan met de wisselende seksuele contacten van priesters. Pas na de Reformatie begon de kerk het concubinaat aan te pakken. Althans, dat wilde men graag doen geloven.

In andere delen van de katholieke wereld pakt men het weer anders aan.
Door een groot tekort aan priesters verliest de katholieke kerk veel volgers in het Amazonegebied. Een meerderheid van bisschoppen uit de regio stemde daarom in 2019 in met de Amazonesynode. Een voorstel om getrouwde mannen voortaan ook tot priester te kunnen wijden. Zo hoopt men het priesterlijk ambt aantrekkelijker te maken en het verlies in gelovigen af te remmen

En oh ja, ik zou het hebben over spiritualiteit.
Helaas heb ik over spiritualiteit in de rooms katholieke kerkorganisatie niets kunnen vinden. Wél over kindermisbruik.
Maar ja, wat wil je ook. Trek een man een jurk aan, zeg hem dat hij van vrouwen moet afblijven, zet kinderen om hem heen in een afgesloten gebouw, en wat denk je dat zo’n eenzame man dan gaat doen? Spiritueel bidden?
Kerkvader Augustinus, die hét voorbeeld is van vele christenen en die het zowel met vrouwen als met jongens deed, verzuchtte al in de 4e eeuw: ‘Oh God, geef me kuisheid, maar nu nog niet.’
Dit is, uiteindelijk en onvermijdelijk, hét credo van de 21e eeuwse Rooms-Katholieke Kerk geworden. En het noodlot van vele kinderen.

1. Psychotherapie en spiritualiteit

Een psychotherapeut kan soms moeite hebben met de bekentenissen of met de afweer van een cliënt (of patiënt). Ook de therapeut heeft zijn remmingen en blokkades.
Echter, de cliënt voelt zichzelf niet geaccepteerd zolang niet ook het allerergste in hemzelf aanvaard wordt. Niemand kan dit bewerkstelligen met alleen woorden. Het ontstaat alleen door de zelfreflectie en de houding van de psychotherapeut naar zichzelf en zijn eigen donkere kant, zijn schaduw.
Als de therapeut een ander op diens weg wil gidsen of begeleiden dan moet de therapeut met de psyche van de cliënt meevoelen. Hij kan dit niet voelen als hij hierover oordeelt. Of hij dit oordeel nu uitspreekt of voor zichzelf houdt, maakt geen enkel verschil. Als hij de tegenovergestelde houding aanneemt en het in alles eens is met de cliënt dan heeft dat ook geen enkele zin. Dit meegaan met de cliënt zal hem net zoveel vervreemden van de cliënt als wanneer hij oordeelt.

Werkelijk voelen kan alleen ontstaan door onbevooroordeelde objectiviteit. Hiermee bedoel ik geen verstandelijke of intellectuele houding, maar iets geheel anders. Het is een menselijke kwaliteit: een diep respect voor de feiten, voor de man of vrouw die lijdt aan die feiten, en voor het raadsel van een dergelijk lijdend leven van die mens.

De werkelijk spirituele mens heeft zo’n houding.

Hij weet dat het leven allerlei vreemde en onbegrijpelijke dingen laat gebeuren en dat dit leven de meest wonderlijke wegen kiest om in een mensenhart binnen te dringen.
De werkelijk spirituele therapeut ziet en voelt daarom in alles de ongeziene aanwezigheid van een Bewuste Levenswil. Dit is wat ik bedoel met onbevooroordeelde objectiviteit.
Het is een morele prestatie en hoge levensvaardigheid van de kant van de therapeut wanneer hij zich niet laat afstoten door geestelijke ziekte en verdorvenheid.

We kunnen niets veranderen, tenzij we het aanvaarden.
Oftewel:
We kunnen alleen iets veranderen, wanneer we het aanvaarden.

Veroordeling bevrijdt niet. Het onderdrukt. En ik ben de onderdrukker van de persoon die ik veroordeel en niet zijn vriend of mede-lijder. Ik bedoel hiermee in het geheel niet dat we nooit moeten oordelen als we willen helpen en verbeteren. Maar als de therapeut een mens wil helpen dan moet hij hem aanvaarden zoals hij op dat moment is. Hij kan dit in werkelijkheid alleen doen als hij hem gezien en aanvaard heeft zoals hij is. Dit lijkt misschien eenvoudig, maar eenvoudige zaken zijn altijd de moeilijkste. In het dagelijks leven vereist dit de grootste kunst. Daarom is zelfaanvaarding de essentie van het morele probleem en de vuurproef van iemands gehele kijk op het leven.

Dat ik de bedelaar voed, dat ik een belediging vergeef, dat ik mijn vijand vergeef in de naam van de liefde. Dit zijn ongetwijfeld allemaal hoge deugden. Maar wat gebeurt er wanneer ik zou ontdekken dat de laagste hiervan – de armste van de bedelaars – de meest agressieve aanvaller – ja, de duivel zelf – dat al deze verschijnselen in mijzelf zijn? En dat ik zelf de armen van mijn eigen vriendelijkheid nodig heb. Dat ik zélf de vijand ben van wie gehouden moet worden.

Als dat zo is: wat dan?

Dan wordt iedere spiritualiteit volledig omgedraaid. Dan is er geen sprake meer van liefde en lang lijden. Dan veroordelen we onszelf en worden woest op onszelf. En verstoppen dit laagste deel voor de wereld. We ontkennen dat we dit laagste ook maar ooit in onszelf ontmoet hebben.
Wanneer een psychotherapeut zijn cliënt wil helpen genezen dan moet hij dus allereerst de diepe betekenis van dit allerlaagste volledig zien en erkennen.

De werkelijk spirituele therapeut zal dit allerlaagste, dat verstoten is, zien als de Wil van het Leven die zich uit in dit neurotische mechanisme. Hij zal de cliënt zelfs aanmoedigen om dit patroon voort te zetten, opdat diegene het vervreemdende effect ervan zal zien. Het is namelijk de sterkste van alle ongezonde krachten in de mens die de mens het liefst verborgen houdt in zichzelf. Als de cliënt dit ongezonde, egoïstische, neurotische patroon voortzet dan zal hij zien dat deze Wil van het Leven, die hem tot zijn neurose en egoïsme heeft gebracht, hem tot complete isolatie brengt.

En dat is precies wat dient te gebeuren.

Het is namelijk alleen op deze wijze dat de mens zichzelf leert kennen en leert zien wat een onschatbare rijkdom de liefde van de medemens is.
En het is alleen in de staat van de diepste verlating en eenzaamheid dat we de hulpvaardige krachten van onze eigen natuur, van onze eigen aard, kunnen ontdekken, aanboren en ervaren.
Door het tegenovergestelde van het goede, de liefde en het schone in zichzelf werkelijk te ontmoeten, zal de cliënt de onderliggende eenheid ervaren die de extreme tegenstellingen in zichzelf opheft, waardoor het lage zich transformeert in het hoge, het kwade in het goede.
Het goede is hier niet een mentaal uitgangspunt, niet een norm en ook geen waarde.
Het is een werkelijk doorleefd leven, waarbij de cliënt eerst de hel recht in de ogen heeft gekeken en hieraan is bezweken. Om vervolgens op te staan in een nieuwe wereld.
Niet dat die wereld is veranderd, maar hijzelf is veranderd.

Deze wedergeboorte kan alleen plaatsvinden als de tegenstellingen in hemzelf worden verenigd en verzoend.
En dit gebeurt alleen als hij de duivel in zichzelf in het volle licht heeft gezien en hieraan is gestorven.

Eerder kan waarachtige heling niet plaatsvinden.