ALGERIJNEN EN MAROKKANEN
De eerste bewoners van Parijs waren Algerijnen en Marokkanen.
Zwervende stammen van Noord-Afrika staken een paar duizend jaar voor Christus de Straat van Gibraltar over en trokken verder naar het noorden. In het water van de Seine en haar zijrivieren worden nog regelmatig handbijlen gevonden die, gezien het ontwerp, toebehoorden aan die gemeenschappen.
DE KELTEN
Duizend jaar later kwamen hier de Kelten, een volk uit Midden-Europa, waaronder de stam der Parisii. Deze Kelten vestigden zich op wat tegenwoordig het île de la Cité heet, het eiland midden in Parijs waar sinds 1345 ook de Notre Dame staat.
Zij brachten dit gebied tot bloei door visserij, vrachtvervoer en rivierhandel in o.a. aardewerk. Zo werd dit gebied de economische supermacht van de hele regio.
DE ROMEINEN
Nadat Julius Cesar de Gallische Opstand van 53 – 52 voor Christus tegen de Romeinen had neergeslagen in de Slag van Alesia en hun leider, Vercingetorix, gevangen had genomen, veroverde hij direct daarna, in 52 v. Chr., het gebied van het huidige Parijs en heersten hier, en in heel Gallië, vanaf dat moment de Romeinen, oftewel Italianen.
VERCINGETORIX
Vercingetorix was de Gallische koning uit de Auvergne die meerdere stammen verenigde in zijn verzet tegen de Romeinen. Na diens nederlaag voerde Julius Cesar hem mee als oorlogstrofee naar Rome waar de Gallische leider zes jaar in een kerker, de Marmertijnse gevangenis, verbleef. Hij werd eruit gehaald voor de executie aan de ‘garrote’, de wurgpaal.
Overigens:
In Spanje werd de garrote nog tot 1974 (!) gebruikt voor terdoodveroordelingen.
LUTETIA
Het gebied wat nu ongeveer Frankrijk is, heette toen Gallia (Ned: Gallië) en het gebied van de Parisii heette Louk-tier of Louk-teih, dat Keltisch is voor ‘moerasgrond’.
Deze naam werd door de Romeinen vertaald in het Latijn naar Lutetia, de naam die je ook leest in de Asterix en Obelix boeken. In het Frans werd Lutetia: Lutèce. Vele namen van restaurants en bars in Parijs heten tot op de dag van vandaag Lutèce: moerasgrond.
De naam Lutetia bleef een paar honderd jaar bestaan totdat bevelhebber en filosoof Julianus in 360 na Christus de stad omdoopte tot ‘Civitas Parisiorum’, ‘de stad van de Parisii’. Hij gaf hiermee aan dat de stad uitgegroeid was van ‘pagus’, stamdorp, tot een civitas’, een stad.
De naam van het huidige Parijs is dus afgeleid van haar Keltische bewoners van 1000 jaar voor Christus: de Parisii, die oorspronkelijk uit Midden-Europa kwamen.
Deze Parijse Kelten geloofden in de magische krachten van de eilanden en de rivier, de Seine, dat Keltisch is voor ‘visnet’. De lichamen die werden geofferd aan Dispater, de driehoofdige god die ze aanbaden, werden doorgaans in het vuilgroene water van de rivier gegooid. Wanneer de lichamen dan even later weer boven kwamen drijven maakten de Parisii hieruit op dat de stad en de bewoners werden gehaat door de riviergoden.
We slaan 4000 jaar over.
En richten ons op de eerste Algerijnen die zich vestigden in het gebied dat nu Parijs is.
DE TWINTIGSTE EEUW
In de jaren ‘50 van de twintigste eeuw voerden de Algerijnen een onafhankelijkheidsstrijd tegen het Franse koloniale bewind. Dit ging gepaard met een enorme immigratiegolf uit Noord-Afrika naar Parijs. Men schat dat er tussen 1947 en 1953 bijna een miljoen (!) Algerijnen in Parijs arriveerden. Vanaf dat moment speelde de Algerijnse oorlog zich niet alleen in Algerije af, maar tevens in de straten van Parijs. Ook Algerijnse partijen begonnen onderling tegen elkaar te vechten.
Linkse intellectuelen onder aanvoering van Jean-Paul Sartre toonden aan dat de Fransen nu precies hetzelfde deden tegen de Algerijnen als tien jaar geleden de Nazi’s tegen de Fransen.
De Franse overheid verloor haar gezag totdat De Gaulle in 1959 aan de macht kwam die de Algerijnen onafhankelijkheid en zelfbeschikking beloofde. Hij herstelde het gezag, maar in Parijs bleef het onrustig en er waren bomaanslagen.
Op 17 oktober 1961, tijdens een demonstratie voor vrede en onafhankelijkheid, greep de politie hard en meedogenloos in en begon daarna Algerijnen te doden en hun lichamen in de Seine te gooien. Dit gevecht werd later betiteld als ‘De Slag om Parijs’. In de weken en maanden daarna vonden gewone Parijzenaars geregeld opgezwollen lijken van Algerijnen die waren aangespoeld op de oevers van de Seine.
Was het in 1000 voor Christus de Keltische riviergod waarvan men dacht dat die de bewoners haatte als de geofferde lijken uit de Seine boven kwamen drijven, in 1961 werden de Algerijnen, de eerste bewoners van dit gebied, geofferd aan de moderne god die hen haatte: de Franse staat.
Tien jaar later, in 1971, zongen de leden van de Franse kinderpopgroep ‘Les Poppys’:
Non, non, rien n’a changé
tout, tout a continué,
héhéeé!
Ze zouden het vandaag, ruim een halve eeuw later, nog steeds kunnen zingen.
