241. Waartoe zijn wij hier?

Je bent hier niet
om liefde te vinden.

Je bent hier niet
om gelukkig te zijn.

Je bent hier niet
om aardig gevonden te worden.

Je bent hier niet
om te genieten.

Je bent hier niet
om het leven te vieren.

Je bent hier niet
om altijd kind te blijven.

Je bent hier
om liefde te creëren
uit de oorlog die in jou zit.

Het is alleen op deze planeet
dat je innerlijke kracht gesmeed wordt door pijn
dat wijsheid gevoed wordt door falen
dat vrijheid ontstaat door de botsing met angst
dat vrede gevormd wordt door de uitputting van de haat
dat liefde de beloning is voor hen
die ervoor kiezen om liefde te geven.

Je ziel is op aarde gekomen om te strijden met de bitterheid van het leven
teneinde daaruit het sap te persen van zoete, innerlijke vreugde.
Het licht is het grootst in diegene wiens schaduw het donkerst is.
Het licht is het grootst in diegene die valt en weer opstaat en die valt
en weer opstaat en die …

Alles is goed en alles heeft diepe betekenis.
En het is allemaal jij die dit doet.
Alleen jij.

Terwijl het hele heelal jou helpt.

240. In de lift

DAG 1
Ik stap in de lift waar een zwart gekrulde jongen van 13 jaar met licht getinte huid tegen de achterwand staat. Ik zie hem wel eens buiten met vriendjes, op straat, in het park, op het veldje.
Hij loopt altijd iets achteraan, is iets dikker, iets kleiner, iets trager.
Ik groet hem, maar hij zegt niets terug. Als ik naar hem kijk, slaat hij zijn ogen neer.
Nieuwe poging: ‘Was je op bezoek?’
Zachte stem: ‘Nee, ik moest wat bezorgen.’
We stappen uit in de hal. Als ik naar het fietsenhok wil lopen, zie ik vanuit mijn ooghoek dat hij blijft staan. Ik stop en draai me naar hem toe. Hij kijkt me aan en zegt :
‘Ik zeg vaak niks, omdat ik verlegen ben bij oudere mensen en bij vreemden. Ook als mijn ooms wat tegen me zeggen, durf ik niets terug te zeggen.’
Terwijl al mijn hartspieren zich openen om zijn trillende woorden te ontvangen, vraag ik:
‘Waar ben je bang voor?’
‘Dat ik iets fouts zeg.’
‘Wat voor fouts zou je kunnen zeggen dan?’
‘Ik weet niet.’
‘Ik vind dat je nu alleen maar hele goeie en eerlijke dingen zegt, terwijl je net nog bang was iets fouts te zeggen.’
‘Dank u.’
‘Weet je wat interessant is? Dat je verlegenheid zegt dat je iets fout gaat zeggen, terwijl je juist iets goeds zegt. Grappig, hè?’
Hij kijkt me verbaasd aan.
‘Ja, inderdaad.’
‘Wat had je net in de lift eigenlijk tegen me willen zeggen?’
‘Nou gewoon, Hallo.’
Hij denkt even na.
‘En ik had willen glimlachen naar u.’

Hij kijkt me open aan, zijn blik is helder.
Nu voel ik zijn aanwezigheid.
Ik vraag vriendelijk glimlachend : ‘Is er iets fout aan glimlachend Hallo zeggen?’
‘Nee. Toch? ‘
‘Juist. Wat je zegt is helemaal mooi en goed. Je maakt me blij.’

Even aarzel ik. Hierbij laten of meer zeggen? Hij heeft goud aan me gegeven.
‘Geef hem nog meer goud terug’ , fluistert de korte, sterke flits in mijn hoofd.
Ik kan niet meer terug, ik moet.

‘Ik wil je graag nóg iets zeggen.’
Hij knikt nieuwsgierig. Verlangend.
‘Ik wil dat je het volgende onthoudt voor de rest van je leven:
Je bent altijd groter en sterker dan je angst en je verlegenheid. Je kunt je angst dus altijd overwinnen en zeggen en doen wat jij wilt.’
Grote, wijd open verbazing.
‘Echt? Maar anderen vinden dat misschien niet leuk.’
‘Dat mogen ze vinden, maar alleen JIJ bepaalt wat JIJ vindt, wat JIJ zegt, wat JIJ doet, niet de ander.’
‘Echt?’
‘Ja, honderd procent echt. Jij kunt dit zelf bepalen. Ieder moment. Je moet het alleen oefenen, zodat je er goed in wordt. En jij gaat dit doen, vanaf Nu.’
Hij kijkt eerst wat ongelovig, daarna opgelucht, en dan schiet hij in de lach.
‘Wat mooi!’
Ik lach mee en vraag: ‘Wanneer komt je oom? ‘
‘Vanmiddag.’
‘Dan is vanmiddag je eerste oefening. Een goed begin, met je oom. En als je het eng vindt, weet dan dat ik op dat moment naast je sta. Altijd als je me nodig hebt.’
Blij verrast roept hij luid en spontaan : ‘Woow, wat mooi!’
Ik: ‘Waar is Nu je verlegenheid?’
Verbaasde 13-jarige blik.
‘Weg!’
‘En waar ben JIJ nu?’

Hij zoekt even om zich heen.
Dan ziet hij zijn ontdekking. En zichzelf.
En ik zijn fonkelende, zwarte ogen.
Die recht door alles heen branden, terwijl zijn oude verlegenheid bang om hem heen trilt.

DAG 2
Een oude vrouw met een opvallend levendig gelaat stapt in. Aan haar gerimpelde hand een lege open tas op wieltjes.
Ik: ‘Zo, tijd voor de boodschappen?’
Zij ‘Ja. Ik heb er weer zó’n zin in!’
Ik: ‘Oh ja? Zin in boodschappen doen, dat hoor je niet vaak.’
Zij: ‘Het is het leukste wat er is. Bijvoorbeeld zo’n potje pakken, of fruit afwegen, of afrekenen. Héérlijk!’
Ik: ‘Dus u houdt van betalen?’
Zij: ‘Ja, ik geniet daarvan. Ik besef dan altijd weer dat ik het kán betalen. Er zijn tijden geweest dat ik niets kon betalen. Helemaal niets. Jarenlang. En iedere keer als ik bij de kassa sta en ik reken af, word ik zó blij.’

Ze straalt.
Dan stappen we uit en slaat zij af, richting supermarkt.
Ik kijk haar na.
Haar tred is niet oud, niet jong, niet stram, niet soepel.
Haar tred is tijdloos.
En onvernietigbaar.

239. Leven en sterven

De dood zit in het leven
Het leven in de dood

Ieder eeuwig moment sterven wij
Ieder tijdloos moment komen wij tot leven

Wat tijd is voor het denken
is tijdloos voor bewustzijn
Wat afstand is voor het denken
is oneindig voor bewustzijn

De ziel is eeuwig hier
en altijd ergens anders

Onbereikbaar nabij

Waarom zoeken?
Naar datgene wat niet bestaat
wat in alles aanwezig is

Alles IS

Wat jij altijd bént
En noch begin
noch einde kent

238. Levensfragmenten

LEVENSFRAGMENTEN

1.
Ik loop naar de Lidl en bij een rij geketende fietsen staat een oudere man in flitsend strakke wielrennerskledij een pak koek open te ritsen en begint gulzig een chocoladekoek naar binnen te werken.
Ik zeg glimlachend: ‘Lekker, hè, zo’n zoete koek! ‘
Hij: ‘Ja, das nodig voor de flauwe bochten.’
Ik schiet in de lach en kijk dan nog even om, terwijl hij zich lachend verslikt in zijn laatste stukje verrukkelijks alvorens zijn flitsende fietstocht te vervolgen.

2.
Ik loop door mijn wijk en zie een jongeman van wie ik weet dat hij een strafblad heeft, terwijl ik ook zijn lieve, aardige, zachte kanten ken. Ik had hem al een tijdje niet op straat gezien en dat gaf me een ietwat onrustig, bezorgd gevoel. Vanaf de overkant van de straat ziet hij mij en tegelijkertijd zie ik hem.
Ik stop.
Hij ook.
Ik groet hem vriendelijk.
Hij groet vriendelijk terug, met zijn noodzakelijk veilige afstand.
Even kijken we elkaar iets langer aan dan normaal in zo’n straatsituatie.
Ik zie zijn ogen en hij de mijne.
In dit moment, in deze seconde, staat de aarde bewegingsloos stil.

Waarom dit gebeurde?
Waarom we dit deden?
Beiden, tegelijkertijd.
Geen idee.
Toch gebeurde het.
Vanzelf.
Onvermijdelijk.

Ik heb geen flauw vermoeden wat het effect van dit moment op hem is.
Op mijzelf voel ik het effect wél :
Ik besef dat ik van hem hou, terwijl ik verafschuw wat hij doet.
Dit vertelde mijn blik aan hem.
En zijn ogen hebben mij gevoeld.
Dit weet ik zeker.
Alleen is het niet ik die dit gedaan heeft, terwijl ik wél toeliet wat hij nog niet toe durft te laten.
En dit aan hem doorgaf.

237. Het moment

MOMENT 1
Op het onmenselijk vroege tijdstip van 9.45 uur sla ik fietsend rechtsaf het Vesteplein op.
Voor mij een klaterende rij leerlingen van een basisschool, inclusief zorgende en vergeefs sssst roepende onderwijzers.
Als ik de waterval van ongeremde kindergeluiden nader steekt het voorste jongetje zijn hand gedecideerd op en roept blij autoritair : ‘STOP MENEER!’
Braaf stop ik, kijk, luister, wacht af.

‘Kent u een woord in het Chinees?’
Vraagt de 10-jarige autoriteit.
Vanuit de diepe lagen van mijn onbewuste komt het naar boven en braaf antwoord ik:
‘Ni hao.’

Hij maakt een sprong in de lucht met beide handen in de lucht, juicht, roept en gilt naar de hele rij: ‘HET IS GOED!! ‘
Alle 30 klaterende watervallen beginnen te juichen: ‘HET IS GOED!!’
In één beweging steken ze allemaal hun hand omhoog en de leider roept : ‘HIGH FIVE, MENEER!’
Ik rijd door met m’n linkerhand aan het stuur en mijn rechterhand in de high five positie.
Dertig klaterende tien-jarigen geven mij in een lange rij ieder hun enthousiaste high fiven terwijl ik overal hoor roepen: ‘HET IS GOED!! HET IS GOED!!’

En tot laat op die dag echoode mijn glimlach door de straten van Delft.
Die zagen dat het goed was.

MOMENT 2
Na mijn boodschappen in de namiddag bij de Albert Heijn XL aan de Martinus Nijhoflaan loop ik traag richting uitgang. Een groepje Noord-Afrikaanse jongens van 15 jaar met petjes in donkere trainingspakken staan voor de schuifdeuren van de in- en uitgang.
Ik sta even stil en zie mensen gespannen zwijgend wegkijken en om het groepje heen bewegen, terwijl de niets merkende jongens vrolijk en luidruchtig met elkaar staan te praten.
Ik neem mijn besluit en stap recht op de groep af. Net op dat moment komen er een paar jongens bij die de anderen een vriendschappelijke boks geven. Ik sta nu midden in de kring waar een nieuw gearriveerde jongen net bezig is zijn boks te geven, dus steek ik mijn vuist richting zijn vuist en roep : ‘Hee, bro, boks !’
Korte 15-jarige verbazing.
Dan opent zijn gezicht zich tot een stralend lachende zonnestraal en hij roept :
‘Jaa, Meneer, boks!’
We kijken elkaar aan en onze vuisten raken elkaar teder en blij.
Dan ontstaat er luid rumoer en beginnen de anderen zich wild te verdringen naar mij toe, terwijl iedere jongen roept : ‘Jaa, Meneer, ik ook boks!’
En al hun vuisten raken mijn vuist teder en blij.
Na de vele vrolijke boksbegroetingen loop ik met de boodschappen naar mijn fiets. Terwijl ik de fiets van het slot haal, rent een jongen naar mij toe met zijn vuist vooruit en roept :
‘U had mij nog geen boks gegeven, Meneer!’
Terwijl mijn hart bezig is totaal te smelten, zie ik onder zijn donkere, stoere pet een wilde wereld van pijnlijke verwondingen in vallend puin die schreeuwen om datgene wat er nooit was en wat er nooit mocht zijn.
En raken onze vuisten elkaar tederder en blijer dan ooit.

236. Heksen

Heksenvervolgingen in Europa kostten aan minimaal 16 duizend mensen het leven,
voornamelijk vrouwen.
Zaterdag 3 juni werden deze herdacht.
Mensen pleiten voor een nationaal monument.
Laten wij dit monument oprichten.

In onszelf.
Niet alleen voor heksen.

In een dorpje in Zuid-Frankrijk doen mensen dagelijks loopmeditatie langs een muur waar in de Tweede Wereldoorlog Franse burgers werden geëxecuteerd. Ik liep daar zelf drie maanden.

Waarom doen mensen dit?
En wat merk je op als je dit doet?

Allereerst merk je niets.
Naarmate je dit vaker doet en meer oefent, verdiept je aandacht zich.
Tot het innerlijk stil wordt.
Volkomen stilstaand stil, terwijl je in volledige aandacht hier loopt.
Dan
klinken in deze diepe stilte de geweerschoten.
Hierin
hoor je het schreeuwen van de mensen
die worden gedood.
En merk je dat het verschil tussen de schreeuwende mensen van toen
en jezelf nu
verdwijnt.

De tijd verdwijnt en alles gebeurt eeuwig Nu.

De stilte omarmt de geweerschoten en het bange gekrijs van de vermoorden.
Van jezelf.
Je ziet dat zowel de schoten als de stilte uiteindelijk,
uiteindelijk,
niet persoonlijk zijn.
Ze zijn universeel, tijdloos, nu.

In deze totale, stille, vredige omzwachteling vallen de schoten
en het gekrijs
stil.

De volgende dag,
tijdens de aandachtige loopmeditatie,
langs de muur,
zijn de schoten er weer.
En de doodsangst.
En het geschreeuw.
En onze aandacht.
En de stilte.

Heling duurt een leven lang, levens lang, eeuwig. Het duurt net even lang als het geweld.
Dat nooit stopt.

De schreeuwende mensen van alle oorlogen,
de slaven op de helse boten,
de gepijnigde blues-zangers op de verzengende katoenplantages,
de gemartelden in alle gevangenissen,
de gebombardeerden van Hiroshima, Rotterdam, Bagdad, overal,
de daklozen,
de vluchtelingen,
de gepeste leerlingen op alle scholen ter wereld,
de bedreigden,
de uitgescholdenen,
de verstotenen,
de niet erkenden,
de dieren,
de bomen,

wij allen schreeuwen vandaag de universele pijn die ieders pijn is.

Door hen te helen, helen wij onszelf.
Door ons te helen, helen wij anderen.
En de wereld.

Heling kunnen wij niet doen.
Helen is geen actie.
Helen in geen protest.
Heling is het toelaten van de innerlijke stilte die wij zijn.

Wij kunnen niet anders dan worden wie wij zijn.

Wees nu vrede.
Wees jij.
Bouw dit monument van stilte in jou.
Leef het.

Ook al wenkt het geweld ons met zijn krijsende verleiding.
En zijn wanhopig schreeuwende leugen.

235. In Delft, de wereld

In Delft, de wereld,
schijnt de zon overal
en vliegen vogels waar ze willen.

Waarom vliegen wij?
Waarom doet het heelal zoveel moeite?
Waarom spant de mens zich in?

Wij vliegen niet in het licht
om ergens naartoe te gaan
of iets te bereiken.

Wij vliegen uit vreugde
waarin het vliegen zelf
het genot
het plezier
het leven
is.

Er is geen betekenis.
Zoek er niet naar.
Het vliegen zelf is de totale vervulling.

Is het leven.

In deze vervulling
in dit leven
zijn geen vragen
geen verlangens naar een toekomst

Wij zijn geluk

Verdriet en pijn
kunnen dit geluk niet raken.
Alles zweeft
om het onaanraakbare midden
het meest intieme
meest nabije
dat jij bent

Dus vlieg, mijn geliefde,
vlieg, Vlieg, VLIEG!

Terwijl er pijn is.

234. Een nieuw begin

Alice van den Dool had mij gevraagd voor haar 50e verjaardagsfeest een verhaal te schrijven en vertellen met als thema: EEN NIEUW BEGIN.
Aan haar nieuwe begin en haar 50e verjaardag ging namelijk een aantal turbulente jaren vooraf.

Vandaar dit verhaal,
dat tevens over ieder van ons gaat.

———————————————————————————————————–

DE PRINS EN ZIJN ZIEL

In een ommuurd paleis woonde een norse prins.
Hij was ongeduldig en boos, schold op zijn personeel, eiste het onmogelijke, en alles in het paleis draaide maar om één persoon: de prins. Mensen vlogen voor hem, bang dat hij ze zou straffen of ontslaan. Er was slechts één mens in het hele paleis die niet bang was voor de prins: zijn knecht, tuinman en raadgever, die hem zijn hele leven trouw had gediend.
Op een nacht, toen de zon en de maan elkaar kusten en alle sterren glimlachend toekeken, dwaalde de prins door zijn lege paleis, keek in zijn ziel en zag peilloze, zwarte duisternis.
‘Wat moet ik doen?!’ vroeg hij wanhopig aan zijn oude knecht.
‘Ga naar Isfahan, daar wacht iemand op u. Hij zal u raad geven.’ antwoordde de knecht.
De prins wilde meteen zijn lakeien bars gaan bevelen om zijn koets gereed te maken, maar de knecht zei:
‘U gaat lopend. En alleen. Anders zult u uw bestemming niet bereiken.’
Een kille siddering kronkelde door het lichaam van de prins. Hij staarde verbijsterd naar zijn knecht, maar deed gedwee wat hem werd opgedragen.

De volgende dag ging hij op pad.

Deze eerste dag ging goed, vond hij, en monter liep hij op de weg naar Isfahan, zijn voorgenomen einddoel.
De tweede dag zinderde de zon en verbrandde zijn huid.
De derde dag liep hij door het drassige dal van donker moeras, waar hij wegzakte in de modder en nog net op tijd een tak aan een struik wist vast te pakken om zich uit de zuigende aarde weg te trekken.
De vierde dag barstte een hevige storm los die hem omver blies, meesleurde en hem tegen een rotswand smeet. Gebroken bleef hij de hele nacht liggen in het dal, 43 omringd door giftige slangen.
De vijfde dag beklom hij de hoogste berg die bedekt was met sneeuw en ijs. Hij bevroor, klom door, bezweek, klom door, bereikte de top, gleed uit en stortte in het ravijn, waar hij kermend zijn vijfde nacht doorbracht, ditmaal omringd door krijsende aasgieren.
De zesde dag kroop hij uit het ravijn en werd op de kale vlakte aangevallen door een wolf. Hij vocht, verwondde zich, wurgde de wolf en vrat hem op, aangezien zijn voorraad voedsel vrijwel was uitgeput.
De zevende dag baande hij zich met zijn kapmes een weg door dicht, stekelig, donker bos en eenmaal aan het eind gekomen vond hij met bebloed lijf en zoute ogen de weg terug naar zijn einddoel.
Toen hij op zijn bestemming arriveerde, scheen Isfahan stralend over hem heen, maar de halfnaakte, uitgeputte prins in zijn gescheurde kleren, met geblakerde huid en gebroken botten, zag slechts duisternis.

En in zijn duisternis verscheen de dood.

‘Je bent gekomen, eindelijk’, sprak de dood vriendelijk, ‘ik zat al enige tijd op je te wachten.’

De prins zweeg. Hij wist dat dit zijn einde was. Zijn leven had geen zin meer. Zijn keel was gortdroog en instinctmatig greep hij naar de fles aan zijn riem, maar voordat hij het water aan zijn lippen kon zetten, sloeg de dood het uit zijn handen, omhelsde de prins en nam hem liefdevol op in haar zwarte duisternis.
En alles waarvan de prins dacht dat hij het was, verdween in de tedere omhelzing van de dood.

De prins huilde veertig dagen;
veertig dagen van rouw om zijn eigen sterven.

Toen verdween de dood.

De prins stond op en ontdekte de lichte stad die haar schone schittering nog immer over hem uitstortte. Zij deed dit al sinds mensenheugenis, ofschoon slechts enkelen haar lichte schoonheid zagen. De stad kende weinig geliefden en het deerde haar niet.
Toen keek hij naar binnen.
En zag hij dat de dood het diepste zwart in hem zichtbaar had gemaakt.
En ontdekte hij dat midden in het zwart van zijn ziel het licht van Isfahan begon te schijnen dat daar al sinds onheuglijke tijden verborgen lag te wachten.
En ontwaarde hij datgene waar hij vele levens lang overheen had gekeken en blind voor was geweest:
het huwelijk van het eeuwige licht van de stad met het ontluikende licht van zijn ziel dat onder de duisternis verstopt had gezeten en door de dood was geopenbaard.
Zo zag de prins dat alles wat hem donker had geleken, in de wereld en in zichzelf, nooit iets anders was geweest dan de eenzame bruid die los gesneden wachtte op de handreiking van haar geliefde voor het huwelijk van de ziel met de wereld.

Die nacht vond de mooiste eeuwige bruiloft op aarde plaats.
En wist de prins wat hij altijd al had geweten, niet had beseft, en nooit had durven zien.

Na het huwelijksfeest legde hij zich volledig voldaan en dronken van geluk te ruste en sliep een lange zachte nacht in Isfahan. De volgende dag stond hij geheel verfrist op, gaf alle bedelaars een aalmoes en bedankte de stad hartelijk voor haar warme gastvrijheid. Hij bestelde vriendelijk een nieuwe koets met jonge paarden en reed met losse teugels terug naar zijn paleis.
Daar zag hij zijn oude, trouwe knecht die kalm zaadjes plantte in zijn vredige tuin. Hij knielde voor zijn tuinman, bedankte hem innig en vroeg hoe een arme tuinman kon weten wat er zou gaan gebeuren met een rijke prins in een verre stad.
De knecht wees naar de tuin en sprak:
‘De arbeid die ik hier volbreng is nooit af. De tuin vraagt al mijn aandacht. En de bomen zullen in de zomer alleen vrucht dragen als ik de zaadjes plant met de grootste toewijding en in het volste vertrouwen in hun natuurlijke aard. Doe ik dat niet dan zal de tuin dor en droog worden en veranderen in een boze vijand. Daarom wijd ik mij iedere dag nederig aan dit werk, omdat ik weet dat de tuin mij niet alleen datgene zal schenken wat ik er zelf in heb geplant, maar vooral hóe ik dat heb gedaan.
Slechts zij die gestorven zijn terwijl ze leven, zijn in staat hun tuin op natuurlijke wijze te onderhouden, omdat ze weten dat bloesems en dode bladeren, bloei en verval, gezondheid en ziekte, leven en dood, twee onafscheidelijke kanten zijn van één en dezelfde medaille.
Ik, of vroeger uw ouders, hadden u wel kunnen opdragen om andere mensen vriendelijk te behandelen en een goed leven te leiden, maar u zou het dan alleen gedaan hebben uit plichtsbesef, uit gehoorzaamheid, uit denken, maar niet vanuit uw hart, niet vanuit uw wezen.
Nu weet u dat u niet meer kunt kiezen, maar dat u keuzeloos zult doen wat het leven van u vraagt.
U beseft nu dat alles voorbij gaat, dat de mensen, net als u, stervende wezens zijn en dat er tussen u en hen geen enkel verschil bestaat. Dat u hén en zij ú nodig hebben en dat wij allen onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Dit is niet wat ík, maar dit is wat uw tocht door de hel en de liefde van de dood u hebben onderwezen.

Uw innerlijk sterven is uw grootste schat voor de uiterlijke wereld.

Ga nu naar uw paleis en regeer uw land zoals een ware prins en een dienaar van de wereld betaamt. De tijd is gekomen om te trouwen met uw volk en te dansen op het bruiloftsfeest van het leven. En, oh ja, de muur om uw paleis heeft zich gister afgebroken. De weg is vrij.’

De prins boog diep voor zijn knecht en bedankte hem met zijn hand op zijn hart. Hij liep naar de ingang van zijn paleis en op het moment dat hij de poort opende, binnentrad en zich op zijn troon zette om zijn toegestroomde volk warm te verwelkomen, kusten de zon en de maan elkaar innig en keken alle sterren stralend toe.

————————————————————————————————————

Geschreven en verteld door Dick Stammes
Delft – Nootdorp
28 mei 2023

233. Vrijheid

Het begon in de jaren ’60:
Het neerhalen van het gezag.
Het minachten van de autoriteit.
Het belachelijk maken van de vader.

Het waren, en zijn, de ideeën van iedereen is vrij en gelijk, ieder moet zijn eigen’ ding’ doen, hoe knullig dat ook was, het was JOUW ding en het gaf JOU een goed gevoel, de rest kon oprotten.
Nou was de kern hiervan een grote bevrijding uit het strakke, autoritaire keurslijf van de jaren en eeuwen daarvoor waarbij autoriteit per definitie machtsmisbruik was en iedereen God en gebod vol schuldbesef moest gehoorzamen.

De vraag is nu : waar is het evenwicht?

Het evenwicht tussen vrijheid en verantwoordelijkheid.
Tussen individuele vrijheid en autoriteit.
Tussen zelf bepalen en regels volgen.

In onze huidige tijd zien we dat er verwarring bestaat omtrent het begrip vrijheid.
Twee begrippen dienen we helder te onderscheiden.
Voor de kinderlijke volwassenen is vrijheid vooral : vrijheid van.
Oftewel, vrijheid van regels, vrijheid van eisen, vrijheid van verplichtingen, geen prestaties hoeven leveren, geen verantwoordelijkheid hoeven nemen, geen rekening hoeven houden met anderen. Ik ben daar vrij van. Eeuwig vakantie. Ik doe MIJN ding.
Voor de vrije en verantwoordelijke volwassene geldt : vrijheid tot.
Dit is de vrijheid tot het heersen over zichzelf en tot het verwezenlijken van zijn individuele aard.
Van hieruit maakt hij zich via relaties, activiteiten, liefde en werk solidair met de wereld en met alle mensen.
De mens die ‘vrij is tot’ zijn eigen individualiteit is dit automatisch ook tot anderen en beseft hiermee automatisch zijn verantwoordelijkheid tot de ander.
De mens die ‘vrij is van’, leeft als het oraal zuigende kind dat slechts de directe bevrediging zoekt van zijn primitieve instincten waardoor zijn innerlijke ontwikkeling blijft steken op het niveau van een 2-jarige, terwijl hij geacht wordt, als uiterlijke volwassene, verantwoordelijk werk te verrichten en relaties, aan te gaan in solidariteit met anderen.

Hier botst het.

Zo iemand wantrouwt iedere autoriteit,
beweert dat iedere politieman/vrouw discrimineert,
dat iedere leraar een betweter is die hem lastig valt,
iedere scheidsrechter een hondenlul,
iedere minister corrupt,
want iemand die hem lastig valt met regels, eisen en plichten moet sowieso oprotten, aftreden, en in ieder geval hém niet lastig vallen.

Ieder werkelijk volwassen mens die leeft in ‘vrijheid tot’ beseft dat verkeersregels nodig zijn om veilig te kunnen deelnemen.
Ieder volwassen mens beseft dat spelregels nodig zijn om de wedstrijd zo sportief mogelijk te laten verlopen.
En ieder volwassen mens beseft dat er taalregels zijn om onze dagelijkse communicatie zo soepel en wederzijds begripvol mogelijk te laten verlopen.
Van al deze verkeers -, sport- en taalregels dient de volwassen mens op de hoogte te zijn indien hij volwaardig deel wil nemen. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de eisen voor het vak Nederlands opgeschroefd worden voor scholen (zie krantenartikel). Al zal de orale bevrediging zoekende mens die leeft volgens het ‘vrijheid van’ principe zich diep gekrenkt en geremd voelen in deze volwassen en verantwoordelijke eis en verplichting tot het vaardig hanteren van onze Nederlandse taal, want hij vindt dat hij zelf wel bepaalt wat en hoe hij praat en schrijft, want ‘iedereen snapt me toch, dus wat lul je nou?’

De politiek gaat zich nog buigen over dit nieuwe voorstel en eisenpakket.
Dat geeft ons mooi de gelegenheid te zien volgens welk begrip van vrijheid onze politici leven, werken en communiceren.
Welke politicus leeft volgens het principe van ‘vrijheid van’ en welke volgens het ‘vrijheid tot’ principe?
Ontkenning van feiten, ontkenning van wetenschap, en het presenteren van ‘alternatieve feiten’ zijn in ieder geval duidelijke uitingen van de ‘vrijheid van’ politicus die zijn/haar verantwoordelijkheid niet neemt, is blijven steken in de orale fase van instinctieve behoeften bevrediging, en vooral vindt dat iedereen lekker zijn/haar eigen ‘ding’ moet kunnen blijven doen, want we leven tenslotte in een vrij land en ik bepaal zelf wel wat ik doe. Hoe beroerd, ellendig en nadelig dat voor zijn medemens en dit land ook moge uitpakken.
Het is ook het verschil tussen korte en lange termijn denken.
Het verschil tussen aan moeders borst blijven zuigen, omdat IK dat nou eenmaal NU lekker vind,
en
volwassen, vrij, verantwoordelijk handelen in solidariteit met alle mensen en de wereld.

Nederland is zoekend naar een nieuw evenwicht.

232. Ik mis mijn moeder niet

MOEDERDAG 2023.

Mijn moeder verongelukte in 2002.
Zij reed op de fiets en een auto reed haar aan.
Dood.
Ze werd 71 jaar en ze was kerngezond tot haar laatste dag
Ze was de liefste moeder van het heelal.
Wij hielden heel veel van elkaar.
Zij heeft alles voor mijn broer, zusjes en vader gedaan en alles van zichzelf gegeven.
En van ons ontvangen.
Wij waren haar grootste liefdes en zij de onze.
We hebben heel veel gelachen, gehuild, pijn gehad, we zijn bang geweest, boos geweest.
En we hebben enorm genoten van het volle leven met alles durrop en durran.

Ik mis mijn moeder niet.
Nooit.
Al 21 jaar niet.

Bedankt hiervoor, liefste Ma van de hele wereld. ❤️