131. Poëzie 13. Wij Aarde

Stel nou
dat de Aarde een mens is
met een lichaam
zintuigen, gedachten, emoties, gevoelens, gedragingen
en een verleden dat haar vormt tot wie zij is

En stel nou
dat jij deze mens vandaag ontmoet
deze mens
met deze ogen, oren, neus, tong, huid
met deze zeeën, bomen, lucht, voedsel, aarde
met dit lichaam
deze gedachten, emoties gevoelens, gedragingen

En stel nou
dat deze mens
jou voedt draagt beschermt verwarmt
jou liefheeft en jou gelijke is

Zou jij deze mens
dan
bestrijden? beledigen? beschadigen? vervuilen?
bestelen? negeren? uitputten? vernietigen?

Zodanig beschadigen
dat zij óns gaat bestrijden
en ons als verworpen wezen op de stoep der vergetelheid zet

Waarom haat de mens onze lieve moeder?

Onze moeder
die zichzelf moet beschermen
door de mens
die zij ooit zó lief heeft gehad
te verwerpen

Zij weet
de mens heeft de Aarde nodig
de Aarde heeft de mens niet nodig

130. Poëzie 12. Er is een naam …

Er is een naam voor doden en voor oorlog
en ook nog
een naam voor lust naar macht en geld
En er is een naam voor opgeven
Welke naam zouden we hieraan kunnen geven?
Voor mij is de naam: geweld

Maar er is nog tijd om óm te keren
om alle haat te weren
en een andere naam te geven aan het leven
laten we haar voortaan noemen: vrede

Laat vrede de weg zijn die we gaan
elke stap op de weg van ons bestaan
laat vrede de weg zijn die we delen
en vrede de weg zijn om te spelen

In alles waarin we anders zijn
in al het merg van onze levenspijn
laat vrede de weg zijn waarmee we kijken
en vrede de weg zijn waarop we strijden

Er is een naam voor scheiden en verliezen
maar als dat alles is waarvoor we kiezen
dan kiezen we tegen het leven in het heden
en voor mij is hiervoor de naam: verleden

Maar er is nog tijd om óm te keren
om alle haat te weren
en een naam te geven aan ons nabije leven
laten we haar voortaan noemen: vrede

Als vrede is waarvoor we bidden
dan zal vrede de weg zijn in ons midden
En als vrede is wat we geven
dan zal vrede de weg zijn waarin we leven

Zolang er tijd is om óm te keren
en alle haat te weren
laten we dan een andere naam geven aan het leven
en laten we haar noemen: vrede

129. Poëzie 11. Vandaag en later

Vandaag
spreken wij haar.
Zij, 16 jaar, uit Irak
haar vader is dood
haar moeder heeft hen verlaten
hun school is gebombardeerd
zij en haar zus zijn gevlucht.
Na een jaar spreekt ze al wat Nederlands.
We praten over vandaag en morgen
want over gister gaat ze huilen.
Ze kan mooi tekenen en laat het zien.
Trots!
Het zijn beelden over vrede en lieve mensen die elkaar helpen.
‘Want ik wil kinderen blij maken met mijn tekeningen’,
zegt ze.

Ooit als
zij terugkeert

Vandaag
spreken wij hem.
Hij, 14 jaar, uit Afghanistan
zijn familie is omgekomen bij luchtaanvallen.
Hij woont nu met tante, oom en nichtje in een flat
is lid van een basketbalclub in Delft
traint 2x per week, heeft talent
en is geïnteresseerd in leuke meisjes.
Zijn droom is om architect te worden
en mooie huizen te bouwen in Afghanistan.
‘Omdat mensen in mooie huizen gelukkig zijn’,
zegt hij.

Ooit als
hij terugkeert.

Vandaag
spreken wij hem.
Hij, 18 jaar, uit Syrië
wil dokter worden.
Ouders heeft hij niet meer
en zijn broer verdronk voor zijn ogen in de zee.
Hij droomt van een mooi land met goede mensen
waar hij later wil terugkeren
en helpen alle mensen gezond te maken.
‘Want kapotte mensen moeten beter worden’,
zegt hij.

Ooit als ….
wij vandaag beseffen dat wij hén zijn
en wij hún dromen in ónze spiegel kunnen zien.

128. Poëzie 10. Vrede

Na jaren van
buren
boeken
carrières
discussies
doden
feesten
gevechten
kroegen
opvoeden
reizen
relaties
ruzies
verliefdheden
werkgevers

begon het hem eindelijk te dagen

De oplossing van conflict en oorlog
ligt
niet in politiek
niet in praatprogramma’s
niet in overwinnen
niet in oprotten
niet in beter zijn
niet in glimlachen
niet in positief denken

Iedere oplossing
iedere!
ligt
in de dagelijks beoefende vrede
van ons eigen lichaam
onze eigen geslachtsdelen
onze eigen gedachten

En te zien
dat wij die niet zijn
terwijl alles er is

Hij vraagt:
waarom zou ik oorlog voeren
me bemoeien
in conflict raken
met datgene wat ik niet ben?

Ik vraag: Wie ben je dán?
Hij antwoordt: Ik ben degene die jij bent

127. Poëzie 9. Jouw droom

Als jouw droom
Jouw droom niet vervuld wordt
Als de liefde voorbij is
En als zelfs hoop niet meer bestaat

Alleen maar eenzaamheid

Als een blad van de boom valt
Omdat de herfstwind dit zo bepaalt
En als het noodlot je treft

Vertrouw dan op de tijd

Want altijd
altijd komt de zon weer op
En altijd speelt de dag voor ons zijn lied

Want duisternis voor altijd die bestaat niet
Die bestaat niet
Bestaat niet

126. Poëzie 8. Een vader

Ze zeggen:
‘We hebben het niet voor het zeggen’
en
‘Het wil maar niet zomeren’
en
‘Ik lust wel een wijntje.’

De scherpe pijn
in de leegte
om hem heen
treft hem diep.

De storm blaast hem 
door laaiende vuren
en spuwende slangen
verwonden zijn gelaat.

Geblakerd en bevuild
staat hij onbeschermd
in de zon.

De regen klettert
als harde kogels
op zijn huid.

Hij strompelt door
de zuigende modder
van het moeras.

Hij beklimt de hoge top
plant de vlag
en heft zijn armen.

Terwijl hij strijdt voor alles wat hij liefheeft
vraagt hij zich radeloos af:
‘Doe ik het wel goed genoeg?’

Dan kijkt hij in de vragende ogen van zijn kind
en zegt:
‘Loop maar door. Ik hou je vast. Ik vang je op.
Zolang als nodig.’

En het kind loopt.
En klatert van bewondering:

‘Mijn vader kan ALLES!’

125. Poëzie 7. De jongen

‘Ik ben bang’,
zegt de jongen.
‘Goed’,
zegt de man.

‘Ik haat’,
zegt de jongen.
‘Prima’,
zegt de man.

‘Ik ben zó verdrietig’,
zegt de jongen.
‘Mooi’,
zegt de man.

‘Ik wil dood’,
zegt de jongen.
Gedoofd.
‘Prachtig’,
zegt de man.
Stralend.

‘Wat moet ik doen?’
vraagt de jongen.

‘Loop door’,
zegt de man.

‘Dan verlies ik alles’,
zegt de jongen.

‘Juist’,
zegt de man.
‘Verlies alles.
Wees angst.
Haat.
En wees verdriet.

Verdrink.
Sterf.
En verlies alles.

Daarom ben je hier ooit gekomen’,
zegt de man.

En de jongen daalt
gedoofd en met gesloten ogen
zijn eigen graf in.
Loopt door, verliest alles, loopt door.
En .… klimt er aan de andere kant weer uit.

Stralend!

124. Poëzie 6. Identiteit

Een moeder
door regen en wind
trappend op een bakfiets vol kinderen

Vader en zoon
voetbalschoenen mee in een vol stadion

Een zachte adolescent
die het ouderlijk huis verlaat
en alleen zijn buitenkant toont

Art Garfunkel en hoe hij de microfoon pakt

De beste, de winnaar
Het breken van het record
Het totale uitgeput zijn

Iemand
laag van status, inkomen en sociale ladder
die ontvlamt wanneer hij ziet
dat anderen onrecht wordt aangedaan

Een juf
veertig jaar lang voor grote klassen, kleine kinderen
die afscheid neemt
en slikt

Een eekhoorntje
dat huppelend wegrent
Een voorzichtig sneeuwklokje
in de nog-niet-lente
Een druppel dauw op de rand van een groen blad
die bijna valt

Een oude man
met een bosje bloemen op het vliegveld
alleen, wachtend

De eerste kus
Het laatste afscheid
Het doorbijten in de pijn

Het verdriet
De vergeving

Jij

Is er iets in deze wereld wat mij niet ontroert?
Wat mij niet diepgaand treft?

Is er iets in deze spiegel
wat mij niet raakt?

Wat ik niet bén?

123. Poëzie 5. Vrijheid, Schoonheid en Vrede

In het holst van de nacht
in mijn gesloten ogen
verschenen Vrijheid, Schoonheid en Vrede

Vrede zong:
Door jouw ogen kun je mij niet zien
Ik heb zien in jou geschapen
opdat jij het voorwerp van mijn zien bent

Wanneer je mij waarneemt
neem je jezelf waar
Maar je kunt mij niet waarnemen door jezelf
Het is alleen door mijn ogen
dat je mij ziet
en jij jezelf ziet

Schoonheid danste:
Ik heb mezelf zo vaak aan je getoond
maar je hebt mij niet gezien
omdat je keek door jouw ogen
en niet door de mijne

Jij dacht dat je een stap zette naar mij
maar ik zette een stap naar jou
In werkelijkheid doe jij niets
en kom ik naar jou toe

Vrijheid speelde en lachte:
Hoe minder jíj beweegt
hoe meer ík beweeg
hoe sneller ik jou nader

Jij bent niet op weg naar mij
ik ben op weg naar jou
dus zolang jij blijft lopen
en wachten
en bidden
loop je van me weg

Toen pakten ze elkaar vast
smolten ineen
en zongen, dansten, speelden, lachten
in één stem:

Sta stil
daal af in je graf, sterf, loop door, klim eruit
en ontmoet mij
terwijl je leeft

En zie
dat mijn ogen zien
dat ik jou ben

122. Poëzie 4. Levenspad

Zonder Angst
had je Moed niet ontmoet
noch lief gehad

Zonder Woede
had je Haat niet verslagen
noch bemind

Zonder Wanhoop
had je nooit Jou beseft
noch gevoeld
en
zonder Verdriet
had je Haar nooit gezien
noch gekust
noch geweest

nooit Alles gezien

En was je nooit
op een troon het zonlicht in gedragen
waar je al dansend

en was je nooit met Vreugde
de rivier in gedoken
waar je al spartelend

jubelt:

‘IK BESTA!’