91. Dorpsverhaal 72. Het Westfriese karakter

Hoe is het karakter van de Westfries ontstaan?

1.
STRIJD TEGEN HET WATER
Allereerst was daar: het water.
Moerasgronden, plassen, sloten, vijvers, meren, de zee. En tussen al die nattigheid in woonden mensen. Ieder overleefde voor zich en saamhorigheid ontstond vooral door de gezamenlijke strijd tegen het water.
Dit eendrachtige gevecht tegen de zee is in Westfriesland altijd veel belangrijker geweest dan welke overheerser of welk geloof dan ook, ondanks heftige pogingen tot onderwerping door buitenstaanders. De Westfriese Omringdijk is voor een Westfries altijd nog steeds veel belangrijker dan de regering en de Tweede Kamer in Den Haag.
Of waar dan ook.

2.
STRIJD TEGEN OVERHEERSERS
De grote aversie tegen een verre regering in den Haag bestond in Westfriesland al in de tijd van Willem II, graaf van Holland en Zeeland, die de Westfriezen eronder probeerde te krijgen in de Slag bij Hoogwoud in 1255.
De Westfriezen voerden toen al een slimme guerilla oorlog waar Fidel Castro (RIP) jaloers op zou zijn geweest. Graaf Willem had hier slecht verweer tegen en zakte bij Hoogwoud door het ijs. Hoe symbolisch kan een daad zijn?
Hij werd hierna afgeslacht door de Hoogwouders en onder een huis begraven. Tegenwoordig ligt hij in Middelburg.
Hoogwoud werd overigens later totaal uitgemoord door Willems zoon, graaf Floris V, aan wie wij ook de Ridderzaal in Den Haag hebben te danken, waar koning Willem-Alexander jaarlijks uiterst vredig de troonrede voorleest.

3.
STRIJD VOOR VRIJHEID
Een derde invloed, vooral op die van de Nierupper, is geweest de predikingen en persoonlijkheid van dominee Schermerhorn (1866-1956), ‘de rooie dominee’, in de
NH-Kerk in Nieuwe Niedorp. Hij was een vrijdenker die als stelregel had:
‘Een mens heeft net zoveel vrijheid als hij durft te nemen.’
Zijn invloed ging zelfs zó ver dat men besloot een communistisch-anarchistische kolonie te stichten. Een leven in gemeenschap van goederen, vrije liefde en vrij huwelijk.
Een goede vraag van dominee Schermerhorn zou vandaag kunnen zijn:
Hoe vrij en angstloos bent u op dit moment in uw gedachten?
Wellicht zou een goede verstaander kunnen antwoorden:
‘Héél vrij en veilig. Zolang de Westfriese Omringdijk mij maar beschermt.’

PS.
Mijn broer, Niko Stammes, organiseert op 14 november a.s. de 2e Schermerhorndag in de NH-Kerk in Nieuwe Niedorp, waarin het Vrijdenken en enkele vrijdenkers centraal zullen staan. U kunt zich hiervoor nog opgeven.

De strijd gaat voort!

90. Dorpsverhaal 71. De Kerk

Op een dag in 1962 vond mijn moeder het welletjes:
‘Jullie gaan naar de zondagsschool van Cees van der Bijl.’

Aangezien mijn broer en ik volledig ‘atheïstisch zonder visie’ (een bekende stroming binnen de familie Stammes) waren opgevoed, was dit een nogal curieuze daad van mijn moeder. Ofschoon ze wilde dat wij wat meer van de Bijbel zouden weten, kwam vele jaren later de echte aap uit haar moedermouw: ze wilde ook wel eens een uurtje zondagrust hebben zonder die kabaalmakers van een zoons om haar heen.
Een herinnering: ik playbackte de psalmen in de kerk, aangezien ik nog niet kon lezen.
Een kind moet overleven, nietwaar?
In 1963 begon men de kerk te slopen, zoals destijds op vele plaatsen in Nederland.
Het kerkbezoek liep terug en de kosten voor onderhoud werden onbetaalbaar.
Rond 1800 stond er al een kerk in Nieuwe Niedorp. Die is afgebroken, maar in bijna haar oorspronkelijke vorm weer opgebouwd in 1876. In 1963 was het houden van een kerkdienst niet meer verantwoord, aangezien de stukken kalk van het plafond vielen.
Ook het mooie kerkorgel ging eruit en werd, na restauratie, geplaatst in de grote kerk te Ede.
De huidige Fenixkerk werd gebouwd door de firma Klaver en Goet uit Nieuwe Niedorp en in gebruik genomen in 1965. De ietwat scheve toren is gelukkig altijd blijven staan, omdat die onder beheer valt van de gemeente en niet van de kerk.
Het oude smeedijzeren hek om de kerk verdween ook.
Als teken van de opener kerksfeer wellicht?
Mijn opa, Ko Stammes, schreef in 1963 een vlammend stukje in de ‘Schager Courant’ tegen de afbraak van de oude kerk. En in 2021 denk ik: die ouwe had het toen al goed gezien, ook al was hij geen kerkganger.
Het verlies van deze monumentale parel uit het dorpshart wilde ik vandaag graag even memoreren met u.

89. Dorpsverhaal 70. Zaagmolenstraat

‘Het Bos’, dat was in de jaren ’60 de gedeelde boomgaard van Hans Peterse en Jan Kater waarin wij, Sliksteeg jongens, naar hartelust kloetsprongen, in bomen klommen en elkaar als cowboys en indianen zowel dood als weer levend schoten.
Na de vernietiging van Het Bos kwam de nieuwbouw, de Zaagmolenstraat, met, zo bleek al snel, nogal unieke bewoners.
Zo woonde daar Guurt Breed, oorspronkelijk uit ‘de Lange Jammer’, die haar welluidende stem regelmatig liet galmen door de buurt, zodat iedereen per minuut wist wat er zich in huize Breed afspeelde. Op een dag hoorden we Guurt luidkeels roepen: ‘Arjen doe die deur dicht, ut saaigt an me pôte!!’
En tot vér voorbij ’t Hoefje en West-Europa reikte Guurts pedagogische stemgeluid.

Naast Breed woonde de familie Dekker.
Man Roel was en is uiterlijk volwassen, maar innerlijk een kwajongen met geweer om te schieten (wat wij vreesden) en motor om te prutracen (wat wij bewonderden).
Man Roel trouwde ooit met vrouw Rina. Rina was en is er altijd en deed wat nodig was zonder ophef te maken. Ze was vriendelijk en behulpzaam en toen ik vele jaren later met haar achter de bar in de Prins Maurits werkte, begrepen we elkaar zonder woorden waarbij een enkele blik of knipoog voldoende was.
Er zijn van die vrouwen die niet enorm opvallen, maar juist daardoor zo eeuwig zijn. Zonder hen, zonder hun stille waakzame arbeid, wordt niets volbracht.
Soms heb ik het idee dat bepaalde mannen niet zozeer getrouwd zijn met een vrouw, maar beschermd worden door een engel. Zoals de mannen in de Zaagmolenstraat, waar heilige vrouwen woonden die tijdig zagen wat mis dreigde te gaan vóórdat mannen ook maar iéts opmerkten. Engelen die nooit beloond werden, omdat ze zo vanzelfsprekend aanwezig waren.
Misschien zijn engelen wel échte engelen als mannen niet zien wat zij wérkelijk doen.
Toch zijn ze er altijd.
Je eigen vrouw.

88. Dorpsverhaal 69. Jaap Blokker

De Terdieks-Nierupper-Helderse rijwielhandelaar en zweefvlieger, Jaap Blokker, is overleden, 90 jaar oud. Na de afscheidsdienst sprak ik een aantal Nieruppers, zoals de immer glimlachende oud-garagehouder Jan Kout en zijn vrouw Sientje, levenslang schoolmeester Jan Keuken en ‘de vrouw van de man van de leesportefeuille’, Gea van der Stok.
En altijd als ik Nieruppers spreek, komen er (stok)oude beelden in me naar boven.

Bijvoorbeeld die van de oud-buurman van Gea, Jaap Wetsteen en zijn superknecht Arie Bood. En herinnerde ik me weer de uitspraak van (ome) Dik Peetoom die ooit als buschauffeur van Peereboom het jubilerende brandweerkorps naar theater Vredenburg in Utrecht reed en hij Jaap Wetsteen wilde verbieden om naar binnen te gaan. Op de vraag aan Dik waarom hij dit wilde doen, antwoordde Dik met grote ogen en overtuigde stem:
‘Die árme mensen in de schouwburg zullen wel denken: man, man, wat zie jij eruit!’
Jaap keek Dik aan en zei:
‘Dan lijkt het me het beste dat we sámen als tweeling naar binnen gaan.’
En onder luid gejuich van de brandweerlieden betraden Jaap en Dik gebroederlijk de Utrechtse schouwburg.

Hierna herinnerde ik me de vader van Arie Bood, Hark, die, toen de oorlog begon, zwoer dat hij zijn haren pas zou afknippen als de oorlog voorbij was.
Aldus geschiedde.
Vijf jaar later …

En herinnerde ik me het verhaal van Jaap Blokker dat er vroeger een begrafenisondernemer was in Nierup die bij zijn toespraken zeer deftig sprak en achter ieder woord ‘euh’ zei.
Zo zei hij bij een begrafenisdienst:
‘Als nog euh iemand euh het woord wenst euh, is daartoe euh nu euh de gelegenheid.’
Mijn vader zat op een avond avond met Jaap Blokker in de Prins Maurits. Hij wenkte de barkeeper en zei: ‘Geef ons nog een euh borrel, want euh nu euh is daartoe euh de gelegenheid.’

En bij al deze herinneringen hoorde ik Jaap weer even hartelijk schateren ….

87. Dorpsverhaal 68. Een buurtje met geschiedenis

De leukste en meest pittoreske boekhandel van Westfriesland is uit Nierup verdwenen.
Het stond in een buurtje met waarlijk grootse dorpsgeschiedenis.

Daar was:

Het postkantoor, waar de heer Boon in stofjas achter het loket bivakkeerde, postzegels verkocht en pakjes verplaatste. Na zijn pensioen woonde hij aan de Zaagmolenstraat. Waarvan het verhaal gaat dat Boon thuis een privé-loketje liet bouwen om de indruk te wekken dat hij hard werkte en nuttig leefde.

Naast het postkantoor woonden melkboer en melkboerin Kater. De andere melkboer heette Adriaan Krabman die vrijgezel was, mét bijbehorend gedrag. Dus zei mijn vader: ‘Er is maar één kater en dat is Krabman.’

Naast de zaak van Kater vertoefden ooit Willem en Mart Lakeman in hun boekhandel. Waarvan het verhaal gaat dat Willem in de oude Prins Maurits eens een verhaal vertelde aan de stamtafel, van zijn stoel gleed, onder tafel viel, en daar zijn verhaal vervolgde. Líggend.

Naast dit huis woonde Arie van Leijen, de zoon van de molenaar aan het kanaal. Waarvan mijn vader zei dat als ik nog één keer zijn auto de tuin inreed dat hij me dan vastgebonden aan Arie´s molenwieken zou laten ronddraaien zónder dat ik naar de WC mocht.

Naast dit pand stond de sigarenwinkel van Gert Grootes. Waarvan het verhaal gaat dat er vóór Gert iemand de zaak had gekocht die na een week merkte dat hij allergisch was voor tabak. De man heeft toen uit wanhoop alle tabak in de fik gestoken en is gillend vertrokken.

In de boekwinkel van Lakeman zaten later Margriet en Flip Julius. Waarvan het verhaal gaat dat Flip zoekend op bedevaart ging, Margriet al haar boeken verkocht, schatrijk werd, en sindsdien nóg inniger van haar teruggekeerde Sint Flip hield dan daarvóór.

Inderdaad, het waren en zijn legendarische tijden.
Én mensen.

86. Dorpsverhaal 67. Mensencorso

Afgelopen nacht trok een stoet prachtige mensen aan mij voorbij in een zee van bloeiende bloemen.

Eerst ontmoet ik onze buurvrouw in de Sliksteeg, Trijn de Boer. Ze is de enige buurvrouw die altijd zónder bloemen naar het kerkhof gaat en mét bloemen terugkomt.

Dan zie ik kluizenaar Jaap Langedijk voorbij komen die appelen uit zijn eigen boomgaard brengt naar de gevangenis in Alkmaar. Ik zie hem ook onderdak verschaffen aan mensen die niets hebben.

Hierna kijk ik naar de lachende blik van Loek Bruin die met Schutkermis bij mij aan de bar een biertje bestelt en zegt dat ik het moet opschrijven voor Gert Benit. Ik zie alle mensen om Loek heen vervuld zijn van vreugde, aangezien Loeks leven eruit bestaat om mensen blij te maken.

Daarna komt Jan Pep langs die, volgens hém, al vele jaren wetenschappelijk onderzoek doet aan de ‘Universiteit van Terdiek sur Mer’ om aan te tonen dat het drinken van alcohol noodzakelijk is om de slappe hersencellen te doen afsterven, zodat alleen de sterke cellen overblijven.

Dan ben ik opeens dertien jaar en overhandig ik als aanvoerder van het kampioenselftal aspiranten C een grote bos bloemen aan de ongeneeslijk zieke Jo de Weerd als dank voor zijn grote verdiensten voor de voetbalclub.

Vervolgens word ik nóg jonger en hang met mijn lagere school vriendje Jan de Graaf aan de rand van het diepe kanaal, zónder dat we kunnen zwemmen.

Aan het eind van de optocht loopt Rein Rougoor die zich in café de oude Prins Maurits tranen lacht om een hoed die mijn vader aan stukken scheurt. Waarna Rein plotseling in verbijstering achterblijft als hij ontdekt dat het zijn eigen hoed is.

En uiteraard groet Piet Witsmeer de wereld hartelijk vanuit zijn lachende shovel.

Op de een of andere manier wás ik gisternacht ál deze mensen en waren zij mij.
Zo liepen wij eeuwig voort in een eindeloze stoet van schaterende schoonheid.
En brachten we elkaar naar huis. Het huis waar iedereen was.
En waar iedereen altijd had gewoond.

85. Dorpsverhaal 66. Fanfare legendes

Jaar: 1973.
Plaats: Stadsgehoorzaal Leiden.
Net op het verstilde moment dat dirigent Nico Braas zijn baton opheft voor de ouverture door Niedorps Fanfare, stelt schoenmaker Henk Dekker vanaf het balkon zijn oude luidruchtige filmapparatuur op stalen statief in werking om het muzikale spektakel te vereeuwigen.
PRRRRRRRRR ……
Braas slaat ogenblikkelijk af, draait zich om, en roept dwars door een stampvolle Leidse zaal heen: ‘Henk! Stoppen daarmee!’
Aangezien Henk al enige weken intensief met de technische voorbereidingen van zijn filmopnames bezig was geweest, duurt het een tiental tergend taaie minuten alvorens men de schoenmaker het gewaagde idee uit zijn hoofd kan praten.
Dit adembenemende tafereel speelt zich af onder de verbijsterde blik van de volle zaal, het voltallige orkest én de kritische juryleden.

Niedorps Fanfare heeft altijd geleefd op het snijpunt van grote ambities en dorpse gezelligheid.

Zo was daar in de jaren vijftig het legendarische fanfarelid Arie Mijts, de uitbater van ‘Het Wapen van Nederland’ op ’t Verlaat.
Na iedere fanfare repetitie bleven Arie Mijts en dirigent den Das met z’n tweetjes naborrelen. Den Das klom dan als eerste op het mini-toneeltje met Arie als enige toeschouwer in het middernachtelijke piepkleine zaaltje. Den Das begon daar zijn ter plekke verzonnen voordracht onstuimig te declameren, waarna Arie een staande ovatie bracht aan de dappere dirigent en zij beiden proostten op het behaalde succes. Hierna wisselden zij van plek en herhaalde hetzelfde schouwspel zich in omgekeerde rollen.
Na zo’n lange avond werd de handelingsonbekwaam geworden den Das eens door welwillende buren achterin de auto geladen. Toen de beschonken concertmeester twintig kilometer lang achterstevoren op knieën op de achterbank door het achterraam had getuurd, kwam men op de thuisbestemming aan. De dirigent tuimelde ruggelings uit de wagen, stond waggelend op, omhelsde de chauffeur en sprak dankbaar:
‘Je benne een merakel beste stuurder, man. Ik heb nog nooit iemand zó lang
zó hard achteruit zien rijden. Mijn complimenten!’

84. Dorpsverhaal 65. De moderne notabel

Het einde van het tijdperk der oude notabelen is 1964, het jaar waarin meester Oepkes afscheid neemt als hoofdonderwijzer in Nierup.
Wat is een notabel? 
Een notabel is achtenswaardig, opmerkenswaardig, iemand waar men acht op slaat en nota van neemt.
Een waarlijk groots notabel was Thijs Sepers, de aannemer. Begonnen als timmermansknecht bij de vader van Joop Faus, hielp hij mee aan de bouw van de O.L.S. , de Openbare Lagere School, de huidige ‘Snip’. 
Hij werkte als aannemer eerst samen met Klaas ‘Knain’ Koopman en begon in 1962 zijn eigen bedrijf waarin ruim veertig mensen werkten. Later werd hij wethouder en loco-burgervader van de in bestuurlijke aanbouw zijnde gemeente Niedorp. Tussen alle bedrijven door voetbalde hij jarenlang in het eerste van Nierup. 
Thijs was een harde werker, recht door zee, en goudeerlijk. Hij maakte als persoon zó veel indruk dat zijn kinderen thuis permanent zwegen. Een vader die thuis ook notabel is, dat is niet altijd eenvoudig. Zo merkte ik op toen ik daar als jongetje speelde met Martien, een van de ontelbare zonen van patriarch Thijs, die één heldhaftige dochter bouwde. 
Zijn kleinzoon vandaag schopt het nog veel verder dan opa gister. De jonge Thijs, zijn partner Robert-Jan en het personeel van hun bedrijf TS Visuals bouwden enige jaren geleden mee aan de verwezenlijking van wat men noemt ‘de Sixtijnse kapel van Rotterdam’, de door Koningin Maxima geopende Markthallen. Thijs en medewerkers zorgden voor het aanbrengen van het imposante kunstwerk ‘De Hoorn des Overvloeds’ dat de gehele Markthal omkadert waardoor een ongekend unieke beleving ontstaat bij de talrijke bezoekers. 
Waar opa Thijs een oúde notabel was, is jonge Thijs een níeuwe notabel. 
Een noeste werker en waarachtig mens die het moderne notabelenschap een nieuwe inhoud, creatieve glans en krachtig karakter geeft waarbij veel valt te bewonderen, te praten en te lachen en waarbij niemand hoeft te zwijgen. 
En vanuit de permanent in aanbouw zijnde ondernemershemel knikt opa Thijs vakkundig en liefdevol jaloers naar zijn notabele kleinzoon en ziet dat het goed is. 
En hééél mooi. 
Opdat men hier nota van neme!

83. Dorpsverhaal 64. Historische feiten

Historisch feit (1)

Op een herfstige avond in 1972 stapt een klein mannetje het knusse dorpscafé
de ‘Roode Eenhoorn’ binnen. De tot Westfries genaturaliseerde Drentse immigrant Harm Hees kijkt de man vanachter zijn tapkast stilzwijgend aan.
Het mannetje ziet er zó oud uit dat zelfs de bejaard geboren Henk van der Oord erbij in het niet valt. Hier komt nog bij dat de kromme korte man een gloednieuw en immens groot pak draagt. Terwijl hij hijgend en puffend op een barkruk klautert, zwabbert zijn grote nieuwe kostuum om zijn kleine oude lichaam.
Eén kruk verder zit Dik Peetoom. Dik neemt de ruim bepakte senior met grote ogen op en vraagt: ‘Zo jôh, hejjum op de groei kocht?’

Historisch feit (2)

Op een lentezondag in 1971 slingert een scorende midvoor van Nierup zich dolblij aan de doellat. Die breekt.
Slagvaardig arbiter Herman Harberts verwijst de elftallen direct door naar het pas geopende B-veld. Alvorens de wedstrijd te hervatten, spreekt hij de spelers streng toe met de memorabele woorden:
‘Jongens, scoren mag, maar niet aan de lat hangen hè, want de doelen zijn op.’

Historisch feit (3)

Het is 1983.
Een stamgast gaat iedere zondag naar de warme dames op de Achterdam in Alkmaar en verdrinkt daarna zijn blijdschap in het dorpscafé ‘Prins Maurits’.
Op een dag komt hij in iets andere stemming binnen dan gebruikelijk en dorpshuisbeheerder Jan Stammes vraagt hem wat er is gebeurd.
Hij begint: ‘Ik ga vezellef altoid naar die nummer achtenvoiftig.’
Jan vraagt nog: ‘Zijn de dames tegenwoordig genummerd dan?’,
maar de barklant zegt dat hij het huisnummer bedoelt en vervolgt:
‘Ik zag een mooie nieuwe moid, maar toen ik binnen was vroeg ze de dubbele prois
en toen skeet ik in bed.’
Jan vraagt: ‘Waarom scheet je in bed dan?’
Hij antwoordt: ‘Omdat ik razend was vezellef.’

82. Dorpsverhaal 63. Tante Nel

Mijn vader, zijn broer Kees en hun vier oudere zussen Jannie, Nel, Ries en Trien zijn allemaal geboren in een Terdiekse boerderij, op de plek waar enige tijd geleden een Bed & Breakfast zich vestigde.
Aan de overkant van het weggetje bestierde Jo de Weerd zijn kruidenierswinkel naast de langharige hippie Hark Bood met gezin. Tegenover Bood woonde de familie Koster, waarvan Hans Bossen ooit zei dat het net guppen in een aquarium waren. 
Het Koster-voorraam was nogal groot uitgevallen. Vandaar.

Mijn Terdiekse, later Nierupse, later Stompetorense, later Haagse tante Nel overleed enkele jaren geleden, eenennegentig jaar oud.
Mooi woord: overleden. 
Het lijden is over, het leed is geleden. 
Tante Nel was een liefdevolle, mooie vrouw die heerlijk kon lachen. Echter, soms duren levens te lang. Dementie. Wellicht is, naast verdriet en pijn, een van de kenmerken van de dood: opluchting.
Tante Nel was getrouwd met ome Klaas, een soort volledig ABN sprekende Godfried Bomans met bril, pijp, grijs haar en intelligentie. In familieverhalen werd vaak verteld dat ome Klaas in een ‘Commissie van Wijzen’ zat die de regering adviseerde over de internationale handel. Dat maakte indruk op mij. Tijdens verjaarspartijtjes genoot ik als jongen altijd als het gesprek over politiek ging en ome Klaas erbij was.
Op een keer riep een niets vermoedende gast kwaad:
‘Die Partai fan de Arbaid snapt vuzelluf ok hillegaar niks van die arbaiders!’ 
Ongelukkigerwijze zat de man naast ome Klaas. Verwachtingsvol keek ik toe.
Ome Klaas stopte opnieuw zijn pijp, keek de man recht in de ogen en sprak bedachtzaam:
‘Nee, mijn beste, dit klopt niet wat je zegt, de feiten wijzen in een andere richting.’ 
Stilte. De gast slikte. 
Ome Klaas begon daarna een helder pleidooi dat gebaseerd was op échte feiten. 
Dát vond ik het meest geweldige: ome Klaas kende de feiten! De rest ríep maar wat. Net als vroeger en vandaag waren en zijn velen vooral bezig de eigen boosheid en ontevredenheid te richten op iets wat niets met politiek te maken heeft, maar eerder met, ja, met wát eigenlijk? Met wie? Van wanneer?
Ofschoon ik het destijds als jongen niet zo kon verwoorden, leerde ik van ome Klaas het volgende: waar de emotie hoog is, is de feitenkennis laag. 
Met de Terdiekse, Stompetorense, Nierupse en Haagse tante Nel is een twintigste eeuw het graf in gegaan. Mooi dat ze er was, is. 
Én ome Klaas.