Als we ons niets meer herinneren van vroeger is dat een teken dat we een goed leven hebben gehad. Of teveel pijn. Maar hanteerbare pijn en angst blijven nog lang hangen, terwijl geluk vluchtig is. We merken het vaak niet eens op, omdat we geluk altijd zoeken op de plek waar we nu niet zijn.
Het enige dat ik me echt goed weet te herinneren van de eerste klas van de O.L.S. is dat juffrouw Overzee hard aan mijn wang trok. Auw! De andere momenten ben ik vergeten, omdat ik toen probleemloos leefde. De lichtheid van het bestaan vervliegt in de wind van herinneringsloos geluk.
Als kind verwacht je niet anders dan dat je gelukkig bent. Pas als je het niet bent, ontstaat er pijn en die kerf wordt jouw herinnering voor later.
Dorpssmid Klaas Vermeulen en zijn vrouw Jeanette leidden in mijn jeugd de knutselclub in de Fenixkerk, die was opgezet door Cees van der Bijl. Knippen, plakken en figuurzagen op de dinsdagavond. De enige beelden die ik me herinner komen van een dorpsfilm waarop ik de veilige sfeer zag en het plezier van de knutselende kinderen. Het was niets bijzonders.
Liefde en geluk zijn heel gewoon en brengen een volstrekte afwezigheid van argwaan.
Dat was mijn kindertijd.
Alleen die wang, die gloeit nog na. Laat ik hem koesteren, mijn wang. Het is mijn enige herinnering aan de eerste klas. En, oh ja, een vriendje dat twintig jaar later een held zou worden en heel lang huilde op de eerste schooldag bij het afscheid van zijn moeder Annie. Dat weet hijzelf vast ook nog.
Wat betekent geluk als je niet weet wat pijn is?
73. Dorpsverhaal 51. Het fanfarekorps (3)
Vroeger zat het fanfarekorps van Nieuwe Niedorp tenminste nog normaal op een vrachtwagen te spelen. We toerden zittend door het dorp en als we van het ene dorp naar het andere reden, gaf de chauffeur, die ook maar wat deed, vol gas en vlogen de muziekpapieren de straat op en de sloot in. En altijd riep dan iemand vertwijfeld: ‘Nôh, weer is main blaadje nou?’
In de sloot.
Ofschoon hier al meerdere notulen aan waren gewijd, bleef dit vaste ritueel zich voorspelbaar herhalen.
Maar je hebt dan altijd weer mensen die het zo nodig vinden om de boel te veranderen en dus ging Theo van Herwerden in militaire dienst. Theo is één van de zeer zeldzame jongens in Niedorp die van zijn diensttijd een nuttige tijd heeft gemaakt. Theo vond oorlog voeren wel relaxt. Hij vocht weinig, maar speelde professioneel bugel in de militaire kapel en leerde marcheren. Toen Theo afzwaaide uit dienst gaf hij zijn nieuwe vaardigheden door aan het korps dat zodoende professioneel door de straten leerde lopen en musiceren.
Daar liep plotseling een hoogwaardig fanfarekorps waar het dorp trots op kon zijn!
Jaren later zit ik aan de bar van de Prins Maurits waar ook de oom van Theo vertoeft, fanfarelid Jan van Herwerden (Pep). De serveerster komt langs, kan iets niet vinden en roept vertwijfeld naar haar collega achter de bar: ‘Nou, waar is mijn blaadje nou?’
Jan kijkt me met een knipoog aan, zegt niets en wijst subtiel naar de voorsloot.
Ja, het waren mooie tijden!
Allemaal ‘verpest’ door die professionele Theo van Herwerden.
Ieder dorp heeft een Theo nodig. En een fanfare natuurlijk.
Zónder vrachtwagen!
72. Dorpsverhaal 50. Naastenliefde
‘God helpt ons, volgens Cees van der Bijl. Cees gelooft namelijk in God. Ja, ja …’
Zo vertelde mijn ongelovige vader.
Deze zin maakte indruk op mij. Geloven in God. Allemachtig!
‘Jullie gaan komend weekend naar de zondagsschool.’
Zo besliste mijn nadenkende moeder.
‘Van Cees van der Bijl.’
‘Maar …. ‘, probeerde mijn vader.
Met een dubbele boodschap in mijn hoofd en met een dubbeltje in mijn
6-jarige knuistjes liep ik met mijn broer Niko naar de oude Nederlands Hervormde Kerk waar, volgens ons, Cees van der Bijl woonde die in God geloofde.
De kleintjes gingen met de vrouw van Cees van der Bijl mee naar haar mooie, knusse huis tegenover de kerk. Ik dacht dat volwassenen alleen bestonden om je lastig te vallen, maar de vrouw van Cees van der Bijl (vrouwen hadden nog geen voornaam) deed iets bijzonders: ze luisterde naar je en ze stelde je vragen. En … ze vertelde prachtige verhalen!
Zó mooi dat je ze geloofde.
Toen we na de zondagsschool huiswaarts keerden vroeg ik aan Niko:
‘Geloof jij nu in God?’
Peinzend antwoordde hij:
‘Ik weet nog niet zeker of hij bestaat, maar hij bedenkt in ieder geval wél spannende verhalen!’
En de volgende zondag zaten we er weer. In het huis van de vrouw van Cees van der Bijl die mooie verhalen vertelde en tegenover de kerk van de man van Jans Vermeulen die in God geloofde.
Negenendertig jaar later loop ik met een droevige boodschap in mijn hoofd en met een rouwkaart in mijn 45-jarige knuisten met mijn broer Niko naar de nieuwe Nederlands Hervormde Kerk, waar een oude bekende zijn woning gastvrij voor ons openstelt.
En Cees helpt ons.
71. Dorpsverhaal 49. Legende
Net als iedere zoon, geloofde ik mijn vader blindelings tot en met mijn 12e jaar.
Daarna verminderde dat heilige geloof vrij snel.
Maar dit terzijde.
Ik wil het hebben over een heel ander persoon: Anton van Beers.
Anton was, behalve bikkelende linksback, tevens de snelste sprinter in het Eerste van Nierup. Het belangrijkste, enigszins risicovolle, kenmerk van deze sprintstijl was dat Anton de gewoonte had om later te vertrekken dan zijn tegenstander. Hij wekte aanvankelijk zelfs de indruk achteloos te kuieren. Dit was echter allemaal sluwe Beersiaanse tactiek, want plotseling versnelde Anton dan zijn loop om deze vervolgens iedere pas razendsnel op te voeren. En in dat opvoeren geschiedde het wonder:
naarmate Anton sneller ging rennen, helden zijn rug en hoofd steeds meer voorover totdat zijn neus op gelijke hoogte belandde met zijn bekken. Zijn bovenlichaam lag dan geheel bewegingsloos horizontaal, terwijl zijn onderlichaam razendsnel voort ijlde. Dit was hét teken dat Anton op topsnelheid lag!
Mijn vader analyseerde deze unieke sprintstijl eens als volgt:
‘Anton van Beers loopt ónder de wind door.’
Ja, dát was het ultieme: ónder de wind doorlopen.
Niemand kon het, Anton wél.
Op een keer, tijdens een pupillentraining, daagden wij onze trainers Dirk Boeve en de gebroeders Henk en Anton van Beers uit voor een sprintwedstrijdje in de gymzaal. Tot onze grote verbazing won niet Anton die wedstrijd maar Henk.
Peinzend over deze onnatuurlijke gang van zaken slenterde ik huiswaarts en vertelde welke gebeurtenis zich op onze training had afgespeeld.
Mijn vader sprak de geruststellende woorden:
‘Ja, nogal logisch dat Anton niet won. In de gymzaal staat geen wind.’
De volgende dag werd ik 13 jaar.
70. Dorpsverhaal 48. Levenskunst
Op Koninginnedag 2009, overleed een bijzonder persoon: Ted Klaver.
Maar laat ik bij het begin beginnen.
De Niedorper gemeenschap zal Cor en Ada Klaver nooit genoeg kunnen bedanken voor het openen van Bar de Maurits op 14 maart 1975. De bar vulde een rampzalig gat dat was ontstaan na het afbranden van dorpscafé de Prins Maurits op 13 september 1973.
Vanaf 1978 zwaaide Ted Klaver tien jaar lang op geheel eigen wijze de scepter in de bar. Ted had een verfijnde smaak, subtiele humor en een haarscherp gevoel voor de juiste muziek op het juiste moment. De perfecte ingrediënten voor gezelligheid.
Er waren echter Kolhornse ‘gasten’ die dit unieke vakmanschap niet op waarde wisten te schatten en aangezien alles van waarde weerloos is en was, begonnen ze de boel en de bezoekers maar kort en klein te slaan.
De conversatie, de sfeer en de muziek die Ted creëerde, bracht ze in verwarring. Hun wereld bestond uit brallen, vechten en vernielen en onze wereld uit praten, lachen en gezelligheid.
De omslag kwam toen Ted iemand aanstelde als portier en barkeeper: Jan Oord.
Jan bezat het zeldzame vermogen met beide werelden goed om te gaan. En zo beleefden we prachtige feesten onder het soepele beheer van een vredestichtende portier en een legendarische eigenaar.
In het uitgaansleven zie je meteen dat alle mensen ongelijk zijn. Agressieve uitsloverij past niet in een gezellige kroeg. Goed uitgaan is een levenskunst die niet iedereen beheerst.
Als je geen talent hebt, moet je het spel niet spelen. Vroeger niet en nu niet.
69. Dorpsverhaal 47. Onzichtbaar
Voorheen vond ik alles en iedereen in Nierup heel normaal. Later veranderde dat en begon ik steeds méér mensen steeds mínder normaal te vinden. Zelfs abnormaal.
Zo vond ik voorheen onze melkboer Henk Bruin en zijn melkboerin Riet Bruin hele normale mensen. Gewoon, aardig, gezellig. Getrouwd, kinderen, melkzaak. Wat is er normaler dan dat? Ze deden ook altijd heel normaal: hard werken, lachen, bezorgd zijn, feestvieren, meedoen met dorpsactiviteiten en wonen in een normaal huis.
Iedereen vond het heel normaal dat hun deuren altijd gastvrij openstonden en dat veel jongeren daar tijdens Floralia’s en kermissen in en om het huis rondliepen, neerploften op stoelen en banken of bleven zitten om te kletsen. Die jongeren vonden het toen ook heel normaal om niet Henk en Riet te zeggen maar: vader en moeder Bruin.
Als er avonturiers een jaar of langer op reis gingen naar verre vreemde streken, dan ontvingen zij in die tropische landen lange en warme brieven: van Henk en Riet Bruin.
In een rampjaar namen ze kinderen op die hun moeder waren verloren en hun vader kwijtgeraakt. Vader en moeder Bruin vonden het heel normaal dat ze klaarstonden toen de nood het hoogst was, opvang in hun eigen gezin regelden en liefde gaven.
Een leven lang.
Engelen bestaan en ze wonen vlak bij ons in de buurt. Ze verkleden zich dagelijks als normale mensen, omdat ze niet van opvallen houden. Toch zijn ze gemakkelijk te herkennen, aangezien verklede engelen in wezen maar één ding doen: wijzen naar ons eigen hart.
In een land waarin de stelregel is ‘doe maar gewoon’, is dit inderdaad erg ongewoon.
Zelfs abnormaal.
68. Dorpsverhaal 46. Westfriese conferences, deel 2. De gebroeders Iendebak
Ik weet niet of jullie de gebroeders Iendebak uit Nuwe Nierup kenne.
Arie en Dirk Iendebak wasse twai meubelmakertjes in Nuwe Nierup.
En ze hadde un hoop meubeltjes ripereerd en ze hadde un hoop meubeltjes verkocht, en op un goeie dag zaide Arie teuge zun broer Dirk: ‘Wai gaan vaif dage nee Perais.’
En ze troffen ut mooi, want ze hadden un mooie bus, maar ze hadden un rotlaider. Want toen ze seevus in Perais ankwamme, toen zai die laider: ‘Main taak zit erop. Dut is Perais. Red je.’
Maar de Iendebakke wasse voortvarende Westfrieze en Arie zai teuge Dirk: ‘We gaan an de kuier.’
Nou moet je je dat effies voorstelle: twai Westfriese mensies in dat grôte Perais!
En ut was streetje in en ut was streetje uit en op un end kwamme ze hillegaar in dat grôte Mont Martele.
En Dirk zaide: ‘wil je wel glauve dat ik loop te gille van de dorst?’
Nôh’, zai Arie, ‘den kope wai un potje bier.’
Nôh’, zai Dirk, ‘weet jee wat bier is in ut Frans?’
‘Ik niet’, zai Arie, ‘maar ik red me.’
En ze ginge zo’n kafeetje in en ze zate op witte stoeltjes en an un rond tafeltje en toen zai Arie: ‘Geef main urs un briefie met un potlôôd.’
En hai tekende op ut briefie un bierglas. Hai wenkte de ober, wees op ut glas, met twai vingers in de lucht en prompt stonde die twai potte bier op tafel.
Hai zai: ‘Speek ik Frans of spreek ik ut niet?’
Nou zat ur effies verderop een Fransessie. Pittig waiffie hor, pittig waifie.
En ze had aldurs knipoogt nee de manne, want ze zag ur brôôd in.
Dirk zaide: ‘Ik zou nog wel urs un glas van die Franse landwain wille jôh, dat moet bar leker weze.’
‘Nôh, kom op met je brieffie’, zai Arie.
En hai tekende op ut brieffie een wainglas, wenkte de ober, wees op ut glas, met twai vingers in de lucht. En prompt stonde die twai glaze wain op tafel.
Leet nou dat Fransessie nee hullie tafeltje komme. En leet ze nou naast dat wainglas …. un klain ledikantje tekene.
En toen zai Arie teuge Dirk:
‘Hoe is ut gos mogelijk dat zai weet dat wai meubelmakers benne!’
67. Dorpsverhaal 45. Westfriese conferences, deel 1. Ut fanfarekorps van Ierswoud
Ut fanfarekorps van Ierswoud bestond zeuventig jaar! Ik zal ut nooit vergete.
Toen seeves de voorzitter, de penningmeester en de sikrutarus de feeszaal in kwamme, toen zai de voorzitter: ‘Benne dur gien blomme? Dur moete toch blomme komme? De hille feeszaal loopt aasus vol volk. Dur moete toch blomme op tonil staan, dur moete toch blomme in Ierswoud ok komme?’
‘Ja’, zei de sikrutarus, ‘dat is miskien wel vergete.’
En de penningmeester had ur ok niet an docht, maar toen zai de sikrutarus:
‘Op ut blakon van Arie Klôsterboer stane 12 potte guraniums, miskien kenne we die ur wel afslepe.’
Dat vond de voorzitter un lumineus idee en zo raakte de manne met un kartje op luchtbande en un klain laddertje mee deur ut skemerugge durp nee ut huis van Arie Klôsterboer. En ut laddertje ging bai ut balkon op, en de sikrutarus stond bove, de penningmeester stond halfweg en de voorziter stond onderan. En ze gave mekaar de potte deur. En toen ze dur van de twaaluf vaif op ut kartje hadde staan, toen kwam de pliesie.
Hai zai: ‘Wat moet dat met die potte!’
‘Ôh’, zai de voorzitter, ‘Klôsterboer is morruge jarig, we zalle un blompie op zun balkon zette.’
‘Nôh’, zai de pliesie, ‘dat wul ik niet hewwe, ut is alemaar wat, ut is den dut en den dat en nou weer met die potte. Voorut, dur of die potte, allegaar of!’
En zo raakte de potte met toestemming van de pliesie nee ut feeszaaltje van ut zeuventug jarug bestaan van ut Fanfarekorps in Ierswoud.
En ut werd un monsterluk feest, ut werd un prachtfeest. En toen seevus om een uur of ien de pliesie kwam, duzellufde de Leeuw, toen zai ie:
‘Ik kom urs kaike jôôs, want ut wordt aas sluiterstaid.’
‘Ôh’, zai de voorzitter, ‘neem effies un slokkie de Leeuw.’
‘Nee’, zai de Leeuw, ‘ik ben in functie.’
‘Ôh jôh, ien den.’
‘Nôh vooruit den, ien den.’
Maar de voorzitter trakteerde. En de penningmeester trakteerde. En de halluve zaal trakteerde. En de Leeuw was dronke.
En ut was om twai uur sluite en om halluf vier danste ut fanfarekorps nag volop.
Arie Grôôt had de pliesiepet op. De pliesie zat zelluf onderan un tafel. De pliesie had zun uniform los en toen tikten-ie de voorzitter zo an. Hai zaide:
‘Hoor us effe jôh, hoor us. As ut nou waar is dat die Klôôsterboer morruge jarig is, ken je die potte dur straks wel effe op zette hoor.’
66. Dorpsverhaal 44. Dwarsheid
Om enigszins grip te krijgen op het karakter van de Westfries, is het nuttig hem te observeren als hij discussieert. Wat dan meteen opvalt is dat de Westfries veelal niet zozeer discussieert op basis van argumenten, maar meer om zijn identiteit en zijn rol te bevestigen. Hij weet dan waar hij staat, zowel in het leven als ten opzichte van de ander en dat geeft zekerheid.
Als een Westfries érgens veel van houdt dan is het zekerheid.
Wat wil je ook?
Na eeuwen van onzekere strijd tegen water, rampspoed en overheersers, om nog maar te zwijgen van zijn privé situatie, heeft hij maar één ding nodig: zekerheid.
Daarom is een Westfries nooit helemaal zeker van zijn oordeel, maar hij wekt graag de indruk dat hij dat wél is. Met trots noemt hij zichzelf ‘dwars’ en de meest gebezigde uitdrukking in de cafés in Westfriesland die bij dat ‘dwarse’ hoort is: ‘ZEKER WETEN!’
Met hoofdletters.
Als hij dat, na zijn ongetwijfeld boude uitspraak over politiek, voetbal of lekkere wijven, zegt, is het de bedoeling dat hij heel zelfverzekerd kijkt, een klap op de bar of op tafel geeft, zijn hoofd meerdere keren traag en gecontroleerd op en neer knikt, dan zijn gesprekspartner recht aankijkt en daarna de ultieme bevestiging uit van zijn twijfelloze zelfverzekerdheid door te roepen: ‘Jahaa!’ En terwijl hij dat roept wordt er van hem verwacht dat hij zijn ogen sluit in een zodanige superieure twijfelloosheid dat het iedere verdere discussie niet alleen uitsluit, maar bij voorbaat tot een zinloze en volkomen belachelijke actie degradeert.
Dit veel voorkomende gedrag en deze code heeft een niet onbelangrijke functie, want ergens is de Westfries bang. Bang dat als hij zijn controle verliest, dat dat water van vroeger hem weer overspoelt, die overheerser hem weer overheerst en die rampspoed alles weer vernietigt wat hij heeft opgebouwd. Om van zijn privé situatie, afijn, u begrijpt het inmiddels wel.
Een ander voorbeeld van deze dwarsheid zien we in de kolfwereld waar gummikolvers en sajetkolvers elkaar bestrijden.
Waarom twee soorten ballen in één spel? Vraagt een normaal mens zich af.
De Westfries stelt deze vraag niet, want hij vindt twee ballen logisch.
In deze oude richtingenstrijd tussen gummi en sajet, in deze twee soorten kolfballen, zien we het Westfriese karakter en zijn omgangsvorm terug:
de weigering het met een ander eens te zijn en tóch met hem om te gaan.
Dus als je lekker allemaal al eeuwen met sajetballen kolft, is er altijd wel een Westfries die iets anders gaat uitvinden. Een buitenstaander zou dan denken dat hij iets uit gaat vinden om het béter te maken. Dat is logisch, denkt de buitenstaander.
Maar de Westfries heeft zijn eigen logica en vindt iets uit met als énig doel om het vooral níet met de ander eens te zijn. Dat vindt hij prettig. Dus vindt iemand een gummibal uit, niet alleen om mee te kolven, maar vooral om tégen de sajetbal te kolven.
Er móet namelijk een tegenpartij zijn. Er móet iets zijn om je tegen af te zetten anders leeft de Westfries niet. Niet echt. Hij weet dat hij dat doet om straks, na de heftige strijd tégen de ander, mét die ander gezellig na te zitten. Gezelligheid vaart wel bij concurrentiestrijd. Die strijd wordt in Westfriesland aan de bar voortgezet in katten en jennen en sarren en plagen en in elkaar zogenaamd niet mogen. Het is juist in dat ‘zogenaamde’ waar de kern van de sterke band tussen de Westfriezen ligt, want ze hebben elkaar nodig. Vroeger tegen het koude wilde water en de gevaarlijke overheersers en nu tegen de grotere, sterkere buitenwereld. Een wereld om je tegen af te zetten en een wereld die je nodig hebt.
Maar dat laatste zeggen ze niet snel in Westfriesland: ‘Ik heb je nodig.’
Dwarsheid is het tegenovergestelde van kwetsbaarheid.
Snapt u?
65. Dorpsverhaal 43. Kermis
Hij zat na het Luilakken met Pinkster achter zijn speelgoedkraam op het Kerkplein en met Schutkermis op het erf van Jan Leegwater, wiens boerderij ‘Uit de schaduw in het licht’ heette. Dik, sigaar, pet op en zittend op een krukje. Jaap Vod.
Toen Jaap stopte met het vak, dreigde er paniek uit te breken bij de kinderen in het dorp. Maar Jaap had de bedrijfscontinuïteit goed geregeld en hij werd opgevolgd door zijn zoon Nico. Dus noemden we hem Nico Vod.
Het was de mooiste kraam van de kermis, want alles lag door elkaar, dus was het net alsof je overal in kon graaien. Bovendien voelde Jaap haarfijn aan wat kinderen wilden: spanning en speelgoed. Zo kon je aan touwtjes trekken waarvan je nog niet wist welk stuk speelgoed eraan zou blijven hangen. Als je dan teleurgesteld keek, verzon Jaap snel een list en gaf je een nieuwe kans of een groter stuk speelgoed. Want daar ging het om: groot. Groter dan de ander en alles voor jezelf. Lekker pûh!
Dat was de kermis, voor kinderen, in de buitenlucht. Met de zweefmolen, de schietkraam van Blokker en de patat van Alles.
Dat stond op zijn kraam: ‘Patat van Alles!’
Door dat uitroepteken kreeg ik zin in die patat. Ik vond dat slim van Alles,
dat uitroepteken. Goed bedacht.
Zo heette hij.
Alles.
Grote man in kleine kraam met lekkere friet. Nou ja, het was eigenlijk geen kraam, maar het patatgedeelte vormde een eenheid met de auto die eraan vast zat. Alles kon zó wegrijden met zijn kraam en zijn mobiele eenheid en dan óp naar de volgende kermis.
Ik dacht altijd dat die grote Alles in zijn kleine kraampje wóónde. Dag en nacht.
Dat vond ik erg voor Alles, want Alles was te groot voor zijn te kleine kraam.
Ik vond het nóg erger, omdat ik Alles nooit buiten zag. Altijd maar binnen.
En binnen was alles te klein en Alles zélf was te groot.
Hier kwam nog bij dat ik Alles ook nooit zag rijden in zijn mobiele eenheid. Altijd maar patat bakken en verkopen, kromgebogen met zijn hoofd tegen dat lage kleine plafonnetje. Alleen als hij je het zakje patat aanreikte kwam zijn hand even buiten het luikje. Alleen de hand hapte naar lucht, maar Alles zelf niet. Hij bakte door. Alleen.
Het leek me wel lekker voor Alles als de kermis voorbij was. Dan hoefde hij niet meer te bukken en zo krom te staan. Lekker languit liggen en uitstrekken op de vloer van zijn patatkraam, want Alles ging niet naar buiten. Nooit.
Ik gunde Alles die uitgestrekte liggende positie, maar zag ook wel in dat dat slechts een tijdelijke oplossing was. Echter, hoe graag ik hem ook wilde helpen, ik kon het probleem niet oplossen voor Alles. Bovendien had ik genoeg aan mijn patat. Als ik dat had dacht ik nergens meer aan, ook niet aan Alles.
Of het nu patat mét was of patat zónder met.