Gert Benit zat ook ‘op de Soos’, de sociëteit, de wekelijkse biljart- en kolfavond in de Prins Maurits.
Hij was aardig, stug en deed geen vlieg kwaad, overdag, maar ik heb de grootste en dapperste mannelijke helden, die alles al hadden meegemaakt en door wilde stormen waren gegaan in hun leven, in paniek zien sidderen voor Gert Benit als Gert hun tegenstander was op de biljartavond. Gert was, wat ze noemden, een sloper. Hij bracht zijn tegenstanders regelmatig tot grote wanhoop, want hij beheerste niet het subtiele kleine spel, maar wél het brede ruime spel. Nou ja, beheersen. Hij maakte het spel eerder totaal onbeheersbaar door met harde stoten binnen de kortste keren alle dicht bij elkaar gelegen ballen zo ver mogelijk uit elkaar te stoten tot ze in alle hoeken van het biljart lagen en de volgende stoot voor de tegenstander een onmogelijke opgave werd. Niet te maken. En Gert ging dan na zijn keiharde stoot meteen zitten en wachtte af. Met gesloten mond. Bloedserieus.
Deze onmogelijke stootbeelden stonden al snel bekend onder de nog altijd gebezigde uitdrukking: ‘Gert Benit ballen’. Als je een Gert Benit bal krijgt, berg je dan maar en begin er maar niet aan, want de bal is niet te maken. ‘De bal is niet te maken’ wil in biljarttermen zeggen dat je weliswaar de gelegenheid krijgt een bal te stoten, maar dat het absoluut zeker is dat het geen punt zal opleveren, geen carambole. Dus niet aan beginnen, want je verlies staat bij voorbaat vast. En je vernedering.
Gert Benit was alles wat een goede biljarter niet was: groot, mank, boer, oud en grove vingers. Gert was niet iemand voor de subtiele piqué en massé, die gemaakt worden met de knie op de biljartrand, de keu verticaal omhoog, de rechterpols soepel op en neer bewegend en de verfijnde vingers van de andere hand wijd gespreid op het groene laken om de noodzakelijke steun aan de keu te geven die daar lichtjes op en neer langs glijdt.
Nee.
Dat deed Gert allemaal. Helemaal. In de verste verte. Absoluut. Niet.
Gert deed dat nóóit.
Hij hield de keu altijd met beide grove handen muurvast en stevig vastgeklemd, alsof hij hem ieder moment kon vermorzelen of kon breken. Hij hield de keu ‘vals plat’, dat wil zeggen dat het léék alsof hij de keu horizontaal had, maar in werkelijkheid hield hij hem schuin omhoog van achter, zodat de keu aan de voorkant schuin omlaag richting laken en ballen ging. Dé ideale houding om het laken te doen scheuren. Gert gaf dan in die houding zijn stootbal vanuit zijn hele achterarm een enorme oplawaai over zes banden of meer waarbij noch van tevoren noch tijdens de loop der ballen helemaal duidelijk werd waar de ballen heen zouden gaan rollen. Er was maar één uitkomst altijd absoluut zeker: de tegenstander zou een Gert Benit bal krijgen.
Niet te maken.
Die bal.
Wanhoop.
In het dorp bestaat de uitdrukking: ‘Schrijf maar op voor Gert Benit.’ Dit zeggen mensen wel eens als grap aan het begin van de kolf- of biljartavond als de ober hun bestelling opneemt. De oorsprong van deze uitdrukking komt uit Luxemburg.
Mijn vader was daar eens met zijn compagnon Herman Vrede aan het stappen zonder geld op zak. Na de eerste bestelling in het café te hebben gedaan zei mijn vader tegen de Frans sprekende barkeeper: ‘Schrijf maar op voor Gert Benit.’
De goede man kende noch Nederlands noch Gert Benit, maar mijn vader wist hem toch te bewegen de consumpties op de rekening te zetten onder de naam Gert Benit. Halverwege de avond nam een andere barkeeper de plaats in. Even later stapten mijn vader en Herman op, maar werden tegengehouden door de nieuwe barkeeper met de rekening onder hun neus gestopt. Mijn vader liet de Luxemburger vol overtuiging zijn paspoort met de naam Jan Stammes zien.
Er bleef de man niets anders over dan hen beleefd en zonder af te rekenen uitgeleide te doen. Met dank aan Gert Benit.
63. Dorpsverhaal 41. Westfriese vertelkunst (3)
Zoals we bespraken in het vorige hoofdstuk zijn we inmiddels via
a. Het voorgesprek
en
b. De inleiding
aangekomen bij
c. Het vervolg op de inleiding van het gesprek.
Het vervolg op de inleiding, dat deel uitmaakt van het voorgesprek, gaat dan bijvoorbeeld als volgt. En denk eraan: we zijn in Westfriesland, de koffie pruttelt en we hebben álle tijd van de wereld.
‘Ken jij Siemen van der Oord nog?’
‘Siemen van der Oord?’
‘Ja, Siemen van der Oord ja.’
‘Is dat niet die man die getrouwd was met Pleuntje Speets?’
‘Ja, maar dat was zijn tweede vrouw.’
‘Ôh. Wie was dan zijn eerste?’
‘Dat was Trui Wit, maar die is jong overleden en Siemen was nog niet uitgekeken.’
‘Ja nogal wiedes. Zeg, Siemen woonde toch bij de school?’
‘Nee, dat was zijn broer, Cor.’
‘Ôh, maar hij hád daar toch gewoond?’
‘Nou, hij woonde eerst een tijdje vlakbij de kerk, maar dat beviel hem niet zo.’
‘Ôh, waarom niet?’
‘Er was teveel lawaai daar, zei Siemen. Hij verhuisde toen naar de Zaagmolenstraat, nog voordat die straat verlengd werd met nieuwbouw. Hij woonde aan het eind, in zo’n wit huisje. En daarachter stond vroeger de oude zaagmolen, waar de Zaagmolenstraat naar vernoemd is.’
‘Waar is dat precies?’
‘Nou, als je langs Rein Rougoor loopt, je weet wel, de postbode die ook kapper is, en waar die nieuwe meester Oosterhof in de kost is, en dan even verder, aan het eind.’
‘Daar woont toch die familie van Gelder?’
‘Ja, nou, dáárachter.’
‘Je bedoelt, waar nu Rinus Kossen woont en ook Bertus Bos?’
‘Ja, precies daar ja.’
‘Is dat die Siemen van der Oord die in de Kalverstraat in Amsterdam liep en een blaffend hondje zo’n enorme trap gaf dat die door de lucht vloog?’
‘Ja, precies, die ja.’
‘En die Siemen van der Oord is toch nog familie van Trudy Band?’
‘Trudy Band?’
‘Ja, de vrouw van Jan van Herwerden.’
‘Van de garage van Peereboom?’
‘Nee, dat is de andere Jan van Herwerden. Van de benzinepomp. Ik bedoel Jan Pep. Van de fanfare.’
‘Ah, die Jan. Ja, die ken ik wel. Barre kerel.’
‘Ja, zeker, barre kerel. Nou, zijn vrouw is Trudy Band, je weet wel, van de gymvereniging Sparta, die gaf les met Gon Keetman en Geertje Hannema.’
‘Geertje? Die later pedicure werd?’
‘Ja, die ja.’
‘Nou, de moeder van Trudy Band is een van der Oord, Geertje van der Oord. En haar man was Piet Band.’
‘De olieboer uit Winkel zeker?’
‘Precies.’
‘En die Geertje van der Oord was de dochter van Siemen van der Oord. Dus Siemen is de opa van Trudy Band.’
‘Oh vandaar. Is het trouwens Trudi met een i of Trudy met een y?’
‘Volgens Jan Pep is het officieel Trudi Band met een i. Zo staat het tenminste in haar geboorteakte. Maar, zo schreef Jan eens in een ingewikkelde brief aan iemand, toen Trudi met Jan ging trouwen moesten ze die naam iets deftiger maken, omdat Jan in een oeroud aristocratisch milieu was opgevoed en daar was geen plaats voor eenvoudige ambachtslieden waartoe haar familie behoorde. Daardoor is het Trudy geworden. Met y.’
‘Is dat echt waar?’
‘Nou ja, Jan heeft dat geschreven aan die persoon in zijn ingewikkelde brief, dus dan zal het wel zo zijn.’
‘Oh ja, ik snap het. Jan aristocraat, oeroud, dat wist ik niet.’
‘Nee, Trudy ook niet. Zo zie je maar.’
‘En die kinderen van Jan en Trudy, die zie ik nooit meer. Waar zijn die?’
Die wonen in Alkmaar.’
‘Oh ja, dat gaat tegenwoordig zo hè, ze gaan allemaal weg die jongeren.’
‘Ja, dat is zo. Maar goed, ik had het over Siemen van der Oord. Barre kerel. Luister.’
En nu pas is de luisteraar voorzien van voldoende informatie en klaar voor wat komen gaat. Hij leunt achterover en luistert naar het verhaal.
Het verhaal over Siemen van der Oord:
In de dertiger jaren van de 20e eeuw ging de toenmalige jeugd op de zaterdag- en zondagavond ‘stappen’. Het was dan de gewoonte om bij thuiskomst, vaak diep in de nacht, nog even na te praten over de beleefde gebeurtenissen. Deze bijeenkomsten vonden plaats in de ‘Kerrukkekestreit’, het plein voor de N.H. kerk.
Op één van die nachten kwam er iemand op het onzalige idee om een deksel van een putje van de riolering te lichten en hiermee langs het gietijzeren hek van de kerk te lopen, hetgeen natuurlijk tot in de verre omtrek een hels kabaal veroorzaakte. De mensen die daar in de buurt woonden werden allemaal gestoord in hun nachtrust en er werd heel wat gemopperd, want dit was toch geen manier van doen.
Op de één of andere manier werd er politiewerk van gemaakt en een paar van de boosdoeners moesten in Alkmaar voor de rechter verschijnen. Vlak naast de kerk woonde toen Siemen van der Oord. Deze man was getuige, want iemand had hem daar die nacht gezien toen hij het hele gedoe stond aan te kijken. Toen hij voor de rechter als getuige moest verschijnen en deze hem vroeg:
‘Getuige van der Oord, wat heeft u die bewuste nacht vernomen?’,
antwoordde Siemen:
‘Edelachtbare meneer de rechtbank, ik heb die nacht slechts enig geritsel gehoord, maar meer ook niet.’
Op het gelaat van de rechter verscheen een lach, hij bedankte Siemen voor de getuigenis en sprak de lawaaimakers vrij.
Zo vestigde zich de faam van Siemen van der Oord als de Don Corleone van Nieuwe Niedorp. Vér voor de verfilming van ‘The Godfather’.
62. Dorpsverhaal 40. Westfriese vertelkunst (2)
Verder terug in de tijd waren er ook dorpsbewoners met onvermoede talenten.
Zo sprak men met ontzag over de naam Siemen van der Oord.
De basis van dit ontzag vindt zijn oorsprong in het volgende Maffia-achtige verhaal.
Maar laat ik van tevoren even iets uitleggen. We zijn hier namelijk in Westfriesland en als je in Westfriesland een verhaal vertelt, dan begin je niet zomaar. Dat kan helemaal niet, want niemand luistert. Men is er nog niet klaar voor. Bovendien ligt het tempo van de conversatie laag, want men past zich aan de seizoenen van de oogsten aan en iedere oogst kent zijn eigen vaste tijden en ritmes. In het verhaal kan dus ruimschoots bij nutteloze details worden stil gestaan, want je hebt tijd zat.
Je zegt dus niet: ‘Ik sprak laatst Truus Blauwboer nog.’
Nee.
Fout.
Niet doen.
Je zegt:
‘Iemes leste liep ik deur ut deurp. En ik keek zo urs in de verte. En ik dogt bai mun aige: as je nou niet beter wiste. Den komt deer Truus Blauwboer. En toeze digterbai kwam, was utter ok nag.’
Vertaling:
‘Ik liep laatst door het dorp, en ik keek zo eens in de verte, en ik dacht bij mezelf: als je nou niet beter wist, dan komt daar Truus Blauwboer aan. En toen ze dichterbij kwam was het haar ook nog.’
Kijk, zo doe je dat in Westfriesland. Niet te snel en met oog voor detail.
‘Ik keek zo eens in de verte’.
Dat deed hij, dus dat moet erbij verteld worden, dat is belangrijk.
Ook de punten aan het eind van de zin zijn van belang. Dat betekent dat de zin een zelfstandig geheel vormt en dat het enige tijd duurt voordat de volgende zin uitgesproken gaat worden. De spreker geeft zodoende de luisteraar de gelegenheid de zojuist uitgesproken informatie tot zich te nemen en er zijn eigen conclusie aan te verbinden. Vandaar die punt. Die pauze. Rust. Alle tijd.
Pas aan het slot verdwijnen de punten en voeg je alleen nog maar komma’s in. Als je veel durft laat je ze helemaal weg. Het verhaal loopt op zijn eind, dus kan het vaart krijgen. Voor die vaart is het nodig dat je de woorden loslaat, zodat er een snellere stroom op gang kan komen. Die snellere stroom, dat is de climax van je verhaal. Althans, van je inleiding, want we zijn er nog lang niet. Het verhaal komt later, we beginnen pas. We zijn in Westfriesland.
Wil het verhaal écht op gang komen dan is de volgende stap om allerlei belangwekkende informatie in kaart te brengen voor de toehoorder.
Vanaf het begin moet volkomen duidelijk zijn over wie het gaat. Niet alleen zijn naam, maar vooral zijn karakteristieke kenmerken. Die kenmerken herhaal je dan. Niet één keer, maar meerdere keren en steeds in andere bewoordingen. Zo probeer, je via deze verteltechniek, te bewerkstelligen dat de informatie die je verschaft diep doordringt bij de luisteraar, want eerder kun je niet verder.
Dus als je over iemand wilt spreken die rijk is, dan zeg je niet:
‘Dat is Piet en die is rijk.’
Nee.
Fout.
Niet doen.
Je zegt:
‘Wai hadde bai ons op ut deurp un boerekirrul. En dat was un raike kirrul. Dat was un kirrul met sente. En ut was un hille raike boer en en zun ouwers en voorouwers wazze ok al raik, want hai had un hoop urrefgoed en hai had allegaar sulvere lepels op tafel en porselaine borde. Dat was un man, die zattur goed bai. En die raike kirrul. Dat was Piet Tuinman.’
Vertaling:
‘Er was bij ons op het dorp een boerenman en dat was een rijke man. Dat was een man met centen. En het was een hele rijke boer en zijn ouders en voorouders waren ook al rijk, want hij had veel erfgoed en hij had allemaal zilveren lepels op tafel en porseleinen borden. Dat was een man die er goed bij zat. En die rijke man was Piet Tuinman.’
Dit is alleen nog maar een korte, doch noodzakelijke inleiding. We zien hier tevens dat de verteller geoefend is, want het eerder genoemde principe van vaart brengen in het verhaal, gebeurt hier al middenin het verhaal. En aan het eind gebruikt hij de punten weer. Een rasverteller waarmee we ons voordeel mee kunnen doen in deze minicursus Westfriese vertelkunst.
Nu de belangrijkste kenmerken van de hoofdrolspeler bekend zijn, kun je verder gaan.
Niet met het verhaal, maar met het vervolg op de zojuist ingezette inleiding, want de toehoorder wil nog veel meer met je bespreken voordat je verhaal echt van start kan gaan.
Je gaat dus door en vertelt dan waar hij woont en vooral ook: waar hij daarvóór heeft gewoond en wat de reden was van zijn verhuizing. In die uitleg moet er dan ruimte zijn voor nieuwe uitwijdingen over buren en kennissen en wat daarmee gebeurd is.
Daarna wordt ingegaan op de familierelaties, wat de kinderen doen en of er ook sprake is van onoorbare praktijken of rare voorvallen in iemands leven. Doe je dat allemaal niet, dan krijg je verwarring en dat moet te allen tijde voorkomen worden. Zo’n voorgesprek heeft dus ook als functie om eventuele toekomstige fouten uit te sluiten en met respect voor de feiten. Historisch besef. En gezellig kletsen en ouwehoeren over de medemens die de historie maakt.
In het volgende hoofdstuk zullen we deze taalkundige theorie en verteltechniek weergeven in een concreet gesprek zoals die dagelijks in Wesfriesland moeiteloos plaatsvindt.
En oh ja, we hadden het over Siemen van der Oord.
61. Dorpsverhaal 39. De man mét gevoel en zónder regels
En er was Wouter Brander.
Wouter bezat meerdere persoonlijkheden.
Hij was heel technisch, briljant monteur en zowel anarchist als min of meer pacifist.
Hij had het unieke vermogen twee talen vloeiend naast elkaar te spreken en zei dan in hoogdravend Nederlands:
‘Ja, kijkt u eens hier meneer, we hebben pacifisme nodig als tegenwicht tegen het gewelddadige kapitalistische systeem. We dienen heldere keuzes hieromtrent te maken, begrijpt u?’
En een tel later, als hij een mooie vrouw zag, sloeg hij plotseling om en riep uit:
‘Nôh, kaik nou urs wat un vurlegen pittig waifie deer loopt! Zuks hewwe wu toch nôdig hier, mense!’
Wouter was nerveus, praatte veel, luisterde minder en verzon verhalen die nooit waren gebeurd. Ik had dat eerst niet door, want ik geloofde hem. Totdat hij een gebeurtenis vertelde waar ik zelf bij geweest was en wat een totaal ander verhaal bleek te worden dan ik gezien had en veel mooier was.
Jazz.
Wouter liep zwierig, vooral als hij het naar zijn zin had of vond dat hij een geslaagde opmerking had gemaakt. Dan zweefde hij bijna. Het hoofd wat scheef naar links, de rechterschouder opgetrokken, de rechteronderarm horizontaal en het handje slap naar beneden hangend. Artistiek.
Hij biljartte zoals hij muziek maakte: improviserend. Maar ik zoek naar een beter woord. Nauwkeuriger. Preciezer. Hij maakte stoten die nooit iemand eerder had gemaakt en hij herhaalde ze niet, want het ging niet om de overwinning bij Wouter, maar het ging om de uitvinding.
Ja, dát is het woord, dát was zijn échte vak: Uitvinder.
Zijn allergrootste uitvinding creëerde hij tijdens een jaarvergadering van de Fanfare. Het jaar daarvoor had hij zich beschikbaar gesteld als secretaris en werd belast met het maken van de notulen van de vergaderingen.
Geen geringe taak.
Toen volgens de door hemzelf opgestelde en verstuurde agenda van de volgende vergadering de notulen aan de beurt waren, werd door een kritisch lid de vraag gesteld waar die waren. Wouter nam het woord en zei in zijn hoogste Standaard Nederlands:
‘Meneer de voorzitter, het spijt me. Ik heb me tijdens de laatste vergadering zo laten gaan en me in al mijn enthousiasme zozeer gemengd in de discussie dat ik geen tijd kon vinden ook nog de notulen bij te houden. De notulen blijven derhalve dit keer achterwege. Mijn welgemeende excuses hiervoor.’
Wij, zestienjarigen, konden wel juichen. Notulen! Papier met regels, en met sub A en sub B, en leden die op punt sub C wilden terugkomen, en boze blazers die kommaneukten en miereneukten om agendapunt 4 of 5 van een vergadering van vorig jaar.
En Wouter? Geen notulen! Hij had ze gewoon niet!
Hogere vormen van vrijbuiterij en anarchisme zijn hierna nooit meer ontdekt in het land der muziekkorpsen.
Wouter verliet het korps. De anarchist had zijn revolutie gepleegd.
Zijn top was bereikt. En zijn vrede.
Min of meer.
60. Dorpsverhaal 38. Het fanfarekorps (2)
Jarenlang zwaaide dirigent den Das de scepter en de dirigeerstok over het korps.
Hij had zo zijn voor- en afkeuren:
‘Wat is erger dan een sopraansax? Twee sopraansaxen!’
En hij had dorst.
Toen hij in beschonken staat in de auto naar huis werd gebracht, zat hij de hele rit op zijn knieën op de achterbank en keek glazig uit het achterraam naar buiten. Thuis aangekomen wankelde hij uit de auto en schudde zijn chauffeur dankbaar de hand:
‘Wat kan jij geweldig goed achteruitrijden. En zo láng!’
Het fanfarekorps zou later pas professioneel gaan spelen, leren marcheren en promoveren door Theo van Herwerden. Theo was een van de zeer zeldzame jongens in het dorp die aan zijn militaire diensttijd een zinvolle invulling gaf. Niet door te schieten of te vechten, maar door bugel te spelen in de militaire kapel en te leren marcheren. Theo vond muzikaal oorlog voeren wel relaxt.
Op mijn dertiende speelden we echter met het korps achterop een vrachtwagen door de straten, omdat één ouder lid niet goed ter been was. Om de afstand tussen twee dorpen snel te overbruggen gaf de chauffeur plotseling volop gas en vlogen alle muziekpapieren van de standaards de berm en de sloot in.
Iedereen stapte geroutineerd en enigszins verveeld van de wagen om papier te gaan rapen, want het was niet de eerste keer dat dit gebeurde, ondanks de vele notulen die hier al aan gewijd waren.
De penningmeester pakte zijn afgebroken takje uit zijn binnenzak, liep naar de sloot, reikte met het takje naar het papier en viste met bekwame en ervaren hand zijn eveneens wat vermoeid kijkende muziekpapier eruit. Hij wreef het droog over zijn kleren, klom weer op de wagen, pakte een knijper, pinde het papier vast op de standaard en keek om zich heen.
Vol vertrouwen.
Echter, het oudere lid en zijn been stierven en we gingen marcheren.
Omwenteling!
Op een donkere avond marcheerden we over straat en bliezen, op de aanwijzingen van Theo, in gelid en in strakke uniformen als een professionele militaire kapel bij het licht van brandende fakkels.
De fakkels waren niet alleen romantisch, maar dienden tevens ter verlichting van de noten op het muziekpapier. Kwestie van praktisch denken en uitvoeren.
Tót het begon te regenen en de fakkels doofden. Toen bleef er voor de ijverige muzikanten niets anders over dan razendsnel uit het strakke gelid te treden en in groepjes rondom de verlichtende lantaarnpalen te gaan spelen om nog enigszins de noten op de papieren te kunnen ontcijferen.
Ja ….
Het was een fanfare, maar improviseren kónden ze.
Jazz!
59. Dorpsverhaal 37. Het fanfarekorps (1)
Je moest echt heel goed zijn als je bij ons in het dorp in het fanfarekorps wilde spelen. Dat ging niet zomaar, dus kreeg ik als dertienjarig jongetje muziekles van de befaamde altsaxofonist en vrachtwagenchauffeur Klaas Smit. Na een half jaar zwetend oefenen en bij de les blijven, was het zover: ik mocht vóórspelen in het korps.
De ultieme test. Ik speelde vol verve de fanfareklassieker, de ‘Briket Polka’.
Virtuoos!
Natuurlijk. Twijfel kende ik nog niet, laat staan zelfkennis.
Ik vond het leuk, die fanfare, en het was gezellig, maar eigenlijk wilde ik nog iets anders. Ik had noten geleerd van Klaas, maar wilde ze niet heel precies spelen. Meer eromheen en niet in de maat, maar ernaast. Later pas begreep ik dat daar een woord voor was: jazz.
En nóg later begreep ik dat dit een manier van leven was.
Improvisatie, intuïtie, humor.
Maar zover was het nog niet, ik was dertien en improviseren en naast de noten spelen mocht niet. Dat was fout vonden de gerespecteerde oude fanfareleden.
Toen we zestien werden en ook stemrecht wilden hebben op de vergaderingen probeerden dezelfde gerespecteerde leden dat opkomende vuur eronder te houden. En net als brandweercommandant Lakeman bij de Koninginnestook sloten ze hun gordijnen. Ze dreigden het korps te verlaten, liepen weg uit de vergadering en zegden hun lidmaatschap op. Een week later speelden ze echter weer mee, want ze konden wel zonder die muziek, maar niet zonder die fanfare. En wij niet zonder ons stemrecht, dus bleven wij ook. In de fanfare, niet in de harmonie.
Er waren ook ouderen met andere kenmerken: improvisatie, intuïtie, humor.
Zo was daar de trompettende touringcarchauffeur Jan van Herwerden. Niemand noemde hem zo. Iedereen zei Jan Pep en niemand wist waarom.
Zo hadden we ook Martien Boertje, die noemden we Tijd.
Waarom?
En Hans de Graaf en Cees Helder, die noemden we alle twee Miene
Geen idee.
Meer logische bijnamen waren er ook. De voorzitter van de biljartclub was Piet Heneweer en we noemden hem Piet Retour. En de ober, Cor Angevare, noemden we Cor Lekgestote.
Die zaten echter allemaal niet op de fanfare. Jan Pep wél.
Jan was groot, dik en altijd op zoek naar scheuren in vaste patronen en naar lichtheid in de zwaarte. Improvisatie. Hij zei bijvoorbeeld midden in een serieus gesprek over bestuursbeleid:
‘Als er iets wordt uitgevonden dat lekkerder is dan neuken, blijf ik het er evengoed gewoon bij doen.’
Dat was geen agendapunt van het gesprek, maar Jan vond dan dat het allemaal te serieus werd. En dan begon hij over neuken.
Hij deed ook het tegenovergestelde. Als iedereen gezellig met elkaar sprak, bleef Jan lange tijd heel boos kijken alsof iets hem enorm dwars zat. Net zolang tot iemand vroeg: ‘Wat is er aan de hand Jan? Je kijkt zo chagrijnig.’
En Jan antwoordde met norse blik:
‘Mijn uitsmijters willen niet opkomen. Ik heb ze in het najaar geplant, maar er komt niks en al mijn geld zit erin. Dus ik weet niet of ik de zomer haal, de dooiers zijn ook al kapot.’
Jazz!
58. Dorpsverhaal 36. De miljardair en de dikke vrouw
Er woonden bijzondere vrouwen bij ons op het dorp en één daarvan was Aaltje Tuinman.
Ze woonde tussen garage Peereboom en de familie Sepers in. Sommige jongens beweerden stellig dat Aaltje wel duizend gulden had! Dus besloten we dat ze miljardair was.
Ze was óók miljardair, omdat haar huis altijd donker was. Geen licht, alleen een radiolichtje. Typisch miljardairsgedrag. Wij zouden dat anders doen, als we later groot en rijk waren. Grote lichten, daar ging het ons om en we riepen: ‘Later? Grote lichten!’ En rijk. Maar dat was al een uitgemaakte zaak.
Zo riepen we wel meer.
‘Die vrouw van Sinus Veldhoen is ploft’, zei mijn neef Hans, de zoon van ome Kees.
Geploft.
Hans kon het weten, want hij woonde er vlakbij, dus geloofden we hem meteen. Je ploft als je te dik bent en dát was de vrouw van Sinus. Véél te dik. Het verbaasde ons dat ze al niet eerder geploft was.
Wat ons nog meer verbaasde was dat de vrouw van de kolenboer nooit plofte. Dat was vrouw Dijkstra, de allerdikste, die tegenover de school woonde, de O.L.S. .
Tussen haar huis en de kolenschuur was een smal steegje en het verhaal ging dat ze op een dag vast raakte in dat steegje en geen kant meer op kon. Ze hebben de muren van het steegje moeten weghakken en toen kreeg ze pas weer lucht.
Maar ze bleef dik en plofte niet.
Vanuit de klas zag ik haar later eens door het steegje lopen. Niets aan de hand!
De steeg was veel breder dan vrouw Dijkstra en dat viel me tegen. Ik was verbaasd dat ze gewoon doorliep zonder vast te raken. Maar het verhaal bleef waar, want mijn vrienden hadden het zélf verteld en die konden het weten. Zoals gezegd, ze woonden er vlakbij.
Net als bij de vrouw van Sinus.
57. Dorpsverhaal 35. De Schulpweg, bejaardentehuis Nijerop, de slager en de bakker
Cor en Tini Kooij woonden net buiten het dorp op boerderij ‘Koetenburg’,
niet ver van de Schulpweg, het smalle weggetje aan het eind van het dorp dat heden ten dage een chique villawijk is met permanente prijswinnaars tijdens de jaarlijkse Floralia.
In de Schulpweg woonden allerlei mensen in eenzelfde soort ‘Lange Jammer’ als bij ons in de Westerweg. In deze huizenrij woonden de families Groes, Jellema, Oostra en Oord.
Vader Jan Oord had een glazen oog. Op een dag zat hij bij Fer Keulen voor een verzekering. De dochter van Fer, Annemieke, die nogal spontaan uit de hoek kon en kan komen, komt binnen, ziet het oog en roept: ‘Nôh, wat is die man skêel!’
Er gebeurde wel meer bij de familie Keulen. Zo droeg Fer zijn dochter op een dag op om haar wratten te gaan verkopen aan Arie Oud.
Tegenover Oord en naast de Indonesische familie Caro, die er heel interessant uitzagen vonden wij, daar woonden twee oude dames, Alie en Hielke, en één van die twee noemde mijn vader ‘de Gelukspop’.
Voorbij de Gelukspop woonden de rijkere mensen, zo hadden we besloten. Sommigen woonden in grotere huizen, zoals postbode en pupillentrainer Dirk Boeve met zijn ouders.
Tegenover Dirk Boeve stond ‘De Maalderij’ waar hard sjouwende werkers als Sint van der Kooi, Kees van Eeten en later ook Bertus Bos bezig waren vanaf de lopende band grote meelzakken de vrachtwagens in te laden en er altijd spierwit bemeeld uitzagen.
Aan het einde van de Schulpweg woonde de geheelonthoudende loodgieter Gert de Vries met zijn vrouw Aaf op het mooiste plekje van het dorp: aan de Rijd.
Tegenover de Vries stond de laatste woning van het dorp naast het bordje ‘Einde bebouwde kom’. Dat huis heette: ‘de Punt’. Hier woonde toen de familie Heemsbergen en later de gezinnen van de Amsterdamse voetbaltrainer Eric Brouwer en van de timmerende en voetballende Kees Sepers met zijn vrouw Tini de Geus en kinderen.
Als je terugliep uit buitenwijk de Schulpweg en je liep vanaf het Kerkplein,
‘ut Kerrukkeplain’, even door richting de speeltuin dan kwam je bij slager Maarten Dekker, later Gert Langedijk, nog later Peter Bleeker. Nu zit er een Pizzeria-boer.
Voor die laatste twee slagers brachten mijn broer Niko en ik op de zaterdagen het vlees rond in de slagersmand voorop de slagersfiets en dan kwamen we onze vriend Paul Breddels tegen met de bakkerskar van Simon Wijn. Vaak kwamen we samen aan bij het bejaardentehuis ‘Nijerop’ voor de nog goed ter been zijnde en nog niet zo erg zwakke bejaarden, zoals mevrouw Groot-van den Heuvel en Chris Berg met zijn vrouw.
Die oudere mensen hadden zo hun eigen uitspraken. Bij mist zei de stokoude Brugman: ‘Klein wereldje, slager.’
Ik was zeventien en ze noemden me slager, terwijl ik nooit een koe had vermoord.
Dat deden Maarten Dekker en Gert Langedijk wél. Die schoten nog koeien dood in de schuur. Peter Bleeker, zijn opvolger, schoot niet meer. Het slagersvak verloor zijn romantiek van zichtbare bloed, moord en doodslag. Saaie boel.
In Nijerop woonde ook Siep Booi. Siep was uiterlijk nog niet bejaard, maar woonde samen met zijn moeder, Antje Bruin, in het bejaardentehuis Nijerop. Siep was de gemeentewerker die je altijd op straat aan het werk tegenkwam met zijn collega’s Henk Oostra, Arie Arts en later Jan Bruin. De berm aanharken, herfstbladeren opruimen, de sluis schoonmaken, bestraten, maaien. Je kon het zo gek niet bedenken in het dorp of ze deden het. Vaak succesvol, niet altijd.
Op een keer reed ik langs Nijerop en zag dat het prachtige groene keurig onderhouden gazon voor het tehuis plotseling van de ene dag op de andere geel was geworden en totaal verdord. Siep had vruchtbaar zaad gestrooid over het gazon, maar niet het juiste. Gif. Bestrijdingsmiddel.
Sommigen riepen ontzet: ‘Siep wordt te oud. Hoog tijd voor het bejaardentehuis.’
Maar hij zat er al. Met zijn moeder.
Als we het vlees bij zijn moeder kwamen brengen, zat ze altijd al klaar met haar mandje met de portemonnee erin. Stipt. Maar we kwamen op wisselende tijdstippen, want dat hing van de drukte af, van onszelf, onze zin en van de avond ervoor.
Dat zinde Siep niet, dus kwam hij op een dag razend aan de deur en riep luid:
‘De ene keer kom je om half elf en de andere keer om elf uur. Dat moet over wezen! Je komt voortaan op één tijdstip! Om half elf! Hejjut hoord?!!’
En Boem! smeet Siep de deur met een harde zwaai dicht. Potdicht.
Bij dit soort gebeurtenissen werd ik altijd gelukkig. Ik leerde het meest van de mensen die niet luisterden. Ze leerden me vooral hoe je niet moest leven. Dat scheelde me een hoop werk en zo leerde ik sneller dan ik had durven dromen.
Mijn begrip voor Siep ontwikkelde zich wat trager. Pas toen mijn eigen deuren zich begonnen te openen.
In Nijerop leefde tevens Aaf Korver, die vaak sliep als we langskwamen en zelden de bel hoorde. Als ze dan eindelijk uit bed was, sprak ze alleen maar in het meervoud.
Ze woonde alleen en plaatste dan bij Paul de volgende bestelling:
‘Eén kadetjes graag, bakkers.’
Als Paul dat vertelde aan ons kreeg hij altijd de slappe lach en tranen in zijn ogen. Mijn moeder vertelde dat dat kwam door de puberteit. ‘Volwassenen lachen wel’, zei ze, ‘maar ze hebben nooit de slappe lach. Dat gaat over als je ouder wordt.’
De theorie van mijn moeder bleek niet helemaal te kloppen. Paul lapte haar theorie aan zijn laars en dat doet hij nog steeds. Misschien dat hij daarom als architect wel van die mooie gebouwen ontwerpt. Die slappe lach bevordert de creativiteit.
Het zou verplicht moeten zijn op de Academie voor Bouwkunst.
Met op het lesrooster: maandag 10-12 uur, lokaal 34, vak: de slappe lach,
leraar: Paul Breddels.
Gegarandeerd hoogstaande architectuur. En dat allemaal door één kadetjes.
56. Dorpsverhaal 34. Gerard van der Stok, nummer 100, het Michelin mannetje en Henkie Dekker
Op een paar honderd meter afstand van de school en van Meester Schutte was de sigarenwinkel van de lange manke Gerard van der Stok. Daar rook het altijd lekker, ook voor niet-rokende kinderen.
In de andere tabakszaak in het dorp had ook zeer tijdelijk een eigenaar gezeten, maar na een week bleek dat die allergisch was voor tabak. Gerard had het tegenovergestelde.
Het winkeltje van Gerard was kleiner dan Gerard zelf en hij paste er eigenlijk niet helemaal in. Iedere keer als hij vanuit de zijkamer via de gang het winkeltje binnenstapte leek er wel geen plaats meer voor de tabak. Alleen maar voor Gerard met zijn houten been. Als hij dat been optrok voor de volgende stap, hees hij zichzelf heel traag omhoog en leek hij nóg reusachtiger te worden dan daarvoor.
Dan keek hij op ons neer, vanuit de hoogte. In zijn piepkleine winkel met het lage plafond.
Gerard was kaal en ik dacht altijd dat er een verband moest bestaan tussen zijn haarloze schedel, het lage plafond en zijn houten been. Het leek wel bij elkaar te passen. Eén groot noodlot.
Het verhaal ging dat ze Gerard eens dronken naar huis brachten, hem in de kamer op de bank legden, weer naar buiten liepen en toen zijn houten been uit de auto haalden. Ze riepen: ‘Hier komt je poot, Gerard!’ En hup! gooiden ze het houten been van Gerard via het piepkleine sigarenwinkeltje richting de gang naar binnen. Om er weer aan te schroeven. Sociale daad.
GOD EN MEVROUW KOOPS
Honderd meter voorbij Gerard van der Stok, aan de andere kant van de voorsloot, stond de woning met huisnummer honderd. De bewoonster daarvan heette mevrouw Koops, maar dat wisten we niet. Onbelangrijk. We noemden haar: ‘Nummer Honderd’. Lekker getal en mooi rond.
Ook als mevrouw Koops boodschappen deed en we zagen haar lopen, dan riepen we tegen elkaar: ‘Kijk, daar heb je Nummer Honderd!’ Dat nummer maakte ons blij.
Alsof alles klopte. En dat wilden we: dat alles klopte.
Ik had iets met dat getal honderd. Ik dacht toen zeker te weten dat alle mensen honderd zouden worden en dan pas dood zouden gaan. Iedereen even oud, honderd. Klaar.
Ik koppelde die rechtvaardigheid dan altijd aan het lachende en hollende Michelin- mannetje op het uithangbord bij de garage van Peereboom. Dat was God. Rechtvaardig en lachend. En Nummer Honderd. Dat was één geheel.
Heel logisch als je honderd procent vertrouwt.
Later is Nummer Honderd ingestort. Het huisje. Ook het hollende Michelin-mannetje verdween, bij de bus van Peereboom. Daarna geloofde ik niet echt meer in God.
Hij werd onzichtbaar en mijn vader zei dat wat je niet zag, dat dat ook niet bestond.
Ik wist toen nog niet dat liefde ook onzichtbaar was en wél bestond.
Ook zonder het zichtbare Michelin-mannetje.
HENKIE DEKKER
Tegenover Nummer Honderd woonde Henkie Dekker met zijn moeder Sofietje.
Vanaf de stoep keek je naar beneden rechtstreeks in zijn schoenmakerij. Hij had altijd een ‘snotbriebel’ onder zijn neus hangen en toen hij sopraansax speelde in de fanfare kwatte hij meer in het instrument dan dat hij erin blies.
Tijdens de oliecrisis in de jaren zeventig vertelde Henkie dat de machines in de fabrieken ook wel eens een spuitje olie nodig hadden en dat dat wel een probleem zou gaan worden met die crisis. Voor die machines dus.
Henkie bracht ook telegrammen rond op de fiets. Bij het afgeven bleef hij altijd nog even bij de deur staan wachten. Hij was nieuwsgierig naar de inhoud.
Deze verhalen vertelden we graag, want Henkie Dekker bleef Henkie, dus ach …
Tót hij zichzelf in het kanaal verdronk.
‘Henkie droeg twee zware jassen,’ zo zei men ontzet, ‘om er zeker van te zijn dat hij zonk.’ Anderen meenden te weten dat de verdrinkingsdood de mooiste dood was, omdat je dan prachtige dingen zag en muziek hoorde. Maar ik vond niks prachtig.
En het ergste vond ik dat het kon bestaan dat je een leven lang voor het hele dorp had klaargestaan en voor iedereen schoenen had gerepareerd en dat niemand, helemaal niemand, wist wie je werkelijk was. Alsof de dood al was ingetreden tijdens zijn leven. En alsof het hele dorp daar aan mee had gedaan.
Heel diep van binnen voelde ik een onbeschrijflijke wanhoop. Alsof ik zelf even Henkie Dekker was die zich in het kanaal wilde verdrinken. En niemand die het zag.
Zelfs niet het Michelin-mannetje van Peereboom.
55. Dorpsverhaal 33. Meester Schutte
Meester Schutte, die les gaf aan de 2e en 3e klassen, was een grote concurrent van Schimmel als het om ouderdom ging. Bovendien liep hij krom en was hij eeuwig vrijgezel. Bewijzen genoeg dus.
Met ‘Keuvelen’, tijdens Sint Maartensavond, ging iedereen met zijn ‘keuvel’ of lampion naar Meester Schutte om zijn snelle liedje te zingen, want het ging natuurlijk niet om het zingen, maar om de snoep die je daarna kreeg, dus zong je snel. En lelijk.
Maar hoe vals je ook zong, van Meester Schutte kreeg je een reep! Net zo lekker als die van de vrouw van Cees Stammis.
In de klas deelde hij af en toe bij goede prestaties Italiano snoepjes uit. Aan de meisjes. Een jongen moest dan zo’n rolletje snoep gaan halen bij de vrouw van Cees Stammis. Loopjongen.
Hij viel ook wel eens in slaap. Dan ging het hoofd van de oude meester tergend langzaam naar beneden en bleef ergens halverwege hangen. De nek brak niet.
Nét niet.
Op een dag nam mijn neef Hans een wekker mee naar school. Op het schoolplein liet hij het enorme ding aan ons zien, zette het aan en de machine begon als een gek luid kabaal te maken. Grote herrie! We waren revolutionairen die hun eerste aanslag gingen plegen. Dat zou de slapende Schutte mores leren! Zijn dagen waren geteld! We waren eensgezind tegen de slapende Meester Schutte.
In de klas, terwijl iedereen keek en iedereen zweeg, verstopte Hans met een rood hoofd het enorme apparaat in zijn kastje in de schoolbank. Hij had de wekker keurig gezet op half drie, siësta tijd. De scène van het traag in slaap vallen en het net niet breken van de nek gebeurde altijd in de middag, dus de tijdbom zou zeker op het juiste tijdstip ontploffen. Meester Schutte zou wakker schrikken en de half gebroken nek zou opspringen en recht overeind schieten. Binnen een tel. Dat wisten we zeker! Over de gevolgen dachten we nog niet na. We waren actiegericht, want actie hoort bij revolutie, dus geen gezeur.
Ondertussen leefde Meester Schutte in een totaal andere en volkomen onrevolutionaire wereld en was hard bezig met de houten stok met gummi dopje de plaatsnamen van Noord-Holland op de landkaart voor de klas aan te wijzen, die wij dan in een vast ritme op moesten dreunen:
Amsterdam , Zaandam, Koog, Zaandijk, Wormerveer, Krommenie, Uitgeest, Castricum, Heiloo, Alkmaar, Broek op Langedijk, Noord-Scharwoude, Schagen, Anna Paulowna, Den Helder, Den Burg.
De meester was volop in actie. Klaarwakker. En hij ging, helderder van geest dan ooit tevoren, ijverig door:
Noordzee, Marsdiep, Waddenzee, Amstelmeer, IJsselmeer, Hoornse Hop, Gouwzee, het IJ, Groot-Noordhollandskanaal, Noordzeekanaal.
De meester hield gewoon niet meer op met wakker blijven. Hij was volkomen in zijn element met zijn stok en gummidop. Wij keken elkaar allemaal gespannen aan en begonnen steeds ongeruster te worden. Het was toch tijd voor zijn dutje? En onze revolutie? Maar Schutte ging door. Onverdroten.
En toen.
Toen gebeurde het.
Plotseling ging als een oorverdovende ratelende aardbeving met een enorm klaterend kabaal die gigantische grote wekker af in het kastje in de schoolbank van Hans. Het lawaai blééf maar doorgaan, minutenlang, en iedereen zat als verstijfd. Na heel veel en heel lange uitzinnige herrie hield het bizarre apparaat het eindelijk voor gezien.
Stilte.
Doodse stilte.
Alle ogen waren gericht op de klaarwakkere Meester Schutte die al die tijd geen millimeter had bewogen.
IJzig kalm, zwijgend als het graf en met priemende ogen verplaatste de meester zijn stok met gummi dopje tergend langzaam van het Noordzeekanaal naar Hans en van Hans naar de wekker en van de wekker naar de gang. Inleveren. De wekker aan de meester. Hans naar de gang, ‘tegeltjes tellen’, straf, geen revolutie, geen Italiano en geen knuffel van Meester Schutte. Die was voor de meisjes, de lieve meisjes.
Na schooltijd praatten we nog geruime tijd na over de mislukte aanslag. Iedereen had suggesties voor een verbetering van de planning en logistiek van onze volgende revolutie. We zouden niet opgeven. Nooit! Slapen zál-ie!