14. Een leerling

Rashid, 15 jaar, 3 Havo, Hagenees, komt de klas binnen. Hij gooit zijn tas hard tegen de bank, duwt een medeleerling omver en gaat met strakke armen over elkaar zitten.
Felle uitdagende blik: wat mot je?!!
Vanachter mijn bureau kijk ik naar hem en hij ziet dat, maar doet alsof hij niets merkt.
Ik begin met de les, hij draait zich om.
Ik corrigeer, hij reageert niet, praat door.
Zo gaat hij verder. Luidruchtig.
Er is iets, maar ik weet niet wat en hij reageert alleen maar met nóg grotere boosheid. Overal steeds harder tegenin. Tot hij gaat schreeuwen en dreigen. Hij is nu onhandelbaar geworden. Niets meer mee te beginnen. Ik grijp naar mijn laatste ordemaatregel en stuur hem de klas uit. Streng zeg ik dat hij zich bij me moet melden om 4 uur.
Tas door de klas , slaan met de deur, schreeuwen op de gang. Het hele Schilderwijkse puberrepertoire gaat los. Alles in hem schreeuwt datgene wat het echte moet bedekken en wat niemand nog ziet.
Als hij weg is vraag ik de klas of iemand weet wat er met Rashid is. Niemand. En ook is iedereen opgelucht dat hij nu het lokaal uit is.
De les gaat verder. Met het persoonlijk voornaamwoord lijdend – en meewerkend voorwerp. Dat komt namelijk in het Frans vóór de persoonsvorm wanneer er geen infinitief in de zin staat. Belangrijk!
Volgende week repetitie. Telt drie keer mee!

16.00 uur, na schooltijd.
Ik zit in mijn lokaal en Rashid komt binnen.
Dezelfde stemming, maar nu is hij alleen, geen medeleerlingen, geen oordelende blikken, geen eer om te moeten redden.
Alleen ik ben er, zijn leraar en mentor.
En de stilte.
De tafeltjes en stoelen heb ik van tevoren op gelijke hoogte geplaatst en ik ga schuin naast-tegenover hem zitten, zodat hij makkelijk mijn blik kan ontwijken als hij wil.
Ik vraag: ‘Ik snap je niet, Rashid. Normaal kun je ook wel druk zijn, maar vandaag was je anders in de klas. Ik kon je niet bereiken. Ik zou graag van je willen weten wat er is met je, want ik wil je graag begrijpen. Kun je me dat vertellen?’
In een flits kijkt hij me met zijn felle donkere ogen aan en kijkt meteen weer weg.
Hij zegt niets, staart naar de grond. Dan begint hij langzaam met verstikte stem te praten.
Na een tijdje slaat hij midden in het verhaal zijn blik op en kijkt me met open ogen aan. Zijn gezicht is zacht geworden, maar ik heb nog geen idee wat er is gebeurd. Hij kijkt verbaasd en zegt:
‘Mees, ik ben niet meer kwaad.’
Ik slik iets weg en vraag: ‘Hoe komt dat?’
Hij: ‘U luistert naar me. Echt. U valt me niet in de rede en beveelt me ook niet wat ik doen moet.’
Ik: ‘Wat fijn, Rashid. Wie doet dat niet zo bij jou dan?’

Zonder dat ik hoef aan te dringen gooit hij alles naar buiten wat hem dwarszit, al járen.
Tot hij langzaam aan rustiger wordt. Na twee uur praten, en wat daar bij komt, slaakt hij een diepe zucht en leunt achterover.
Ik snap hem nu. En zijn gedrag van vanmorgen. En van alle keren daarvoor.
Na het gesprek staan we op, omhelzen elkaar en vegen ieder onze natte ogen droog.
Hij zegt komisch : ‘Wat gezellig, hè, het leven.’
‘Ja’, zeg ik, ‘heel gezellig allemaal, we kunnen onze lol niet op.’
We schieten beiden heel hard in de lach, waardoor de huiltranen plaatsmaken voor slappelachtranen.

De volgende dag zie ik hem op de gang tussen het drukke gewoel van honderden leerlingen. Hij staat stil en kijkt me een fractie langer aan dan normaal. Die fractie vertelt zijn leven dat ik nu ken. En begrijp.

Twintig jaar later.
Ik kom Rashid in een weekend onverwachts tegen op de Vaillantlaan in Den Haag. Met zijn vrouw en twee kleine kinderen.
Hij herkent me al van verre: ‘Mees!’
‘Hé, Rashid!’
Hij loopt op me af en omhelst me spontaan.
Enthousiast wijst hij naar mij en roept blij tegen zijn vrouw en kinderen: ‘Dit is mijn Franse meester van school!’ Trots stelt hij zijn vrouw en kinderen aan me voor. Zij zegt vriendelijk: ‘Rashid heeft me vaak over u verteld.’
We praten wat en over hoe het gaat en wat hij doet. Dan moeten we beiden weer verder, maar nog even houdt hij me tegen, kijkt me aan met zijn donkere, lieve ogen en zegt zacht:
‘Mees, weet u nog?’
Ik zeg: ‘Ja, ik weet, Rashid, heel goed.’
Hij: ‘Ik zal het nooit vergeten.’
‘Ik ook niet, jongen, bedankt voor je vertrouwen. Fijn dat het zo goed met je gaat nu.’

Ze lopen weg, naar thuis.
Ik kijk ze na en hij draait zich om. Hij zwaait en veegt dan met een mouw over zijn ogen.
Ik doe precies hetzelfde. Net als twintig jaar geleden, in het klaslokaal na schooltijd.
Toen Rashid 15 jaar was.
En toen hij nog een jongen was.

13. De moord op George Floyd en de berechting van Derek Chauvin. Wat is ons antwoord?

De jury van de rechtbank in Minneapolis heeft de voormalige politieman Derek Chauvin op alle aanklachten schuldig bevonden aan de dood van George Floyd. Over acht weken maakt de rechter de strafmaat bekend.

Zowel de moord als de berechting roepen sterke emoties op bij veel mensen.

Hoe kunnen wij antwoorden op deze moord die zoveel woede en verontwaardiging in ons teweeg brengt, zonder dat we de verdeeldheid die aanleiding gaf tot deze gebeurtenis nog erger maken?
Hoe kunnen we afzien van onze oordelen en vooroordelen, terwijl we tegelijkertijd een juist antwoord geven op de huidige situatie?
Laten we te rade gaan bij onze innerlijke wijsheid en vragen wat ze te zeggen heeft aan ons.

Wijsheid zou zeggen:
Ga in gedachten eerst door de lagen heen van conditionering van politieman Derek Chauvin en zie hoe deze hem hebben gemaakt van de baby die hij was tot de persoon die hij nu is.
Ga vervolgens in gedachten helemaal terug naar zijn ongeconditioneerde ziel, zijn originele Zijn, die hij in de kern is.
Deze ziel, dit Zijn, is precies dezelfde als jouw ziel en precies dezelfde als de ziel van George Floyd.
Ga dan met je aandacht heen en weer tussen de ziel van George Floyd en die van Derek Chauvin, tot je alleen nog maar hun gedeelde ziel ziet, hun gedeelde Zijn.

Kijk in hun ogen, pauzeer, adem, voel.

Denk niet aan wat je over ze weet en ga niet in op je eigen gedachten en gevoelens van dit moment. Kijk ze gewoon in de ogen en kijk in hun ziel die ze beiden delen met elkaar, die ze delen met ieder van ons, en met ieder van wie we houden en van wie we ooit hebben gehouden.
Zie de ziel van George Floyd, Derek Chauvin, jezelf, je dierbaren, en ga met je aandacht van de een naar de ander en zie dat wij allen deze ziel delen met elkaar.
Wees alert en gevoelig op ieder gevoel en iedere gedachte van ‘leuk’ of ‘niet leuk’, van ‘aardig’ of niet aardig’, van ‘aangenaam’ of ‘onaangenaam’ vinden, die in je naar boven komt als je aan hen en aan jezelf denkt.
Wanneer deze gevoelens naar boven komen, probeer ze dan niet weg te drukken, maar laat ze voor wat ze zijn en ga er niet op in. Kijk er doorheen zoals je door een raam kijkt.
Als je langere tijd in deze ene ziel blijft die wij allen delen, dan merk je na verloop van tijd dat hun beider zogenaamd aparte, gescheiden bestaan verdwijnt.

Blijf hierbij, pauzeer, haal adem, voel deze eenheid.

En merk op dat deze eenheid van ziel, van Zijn, van Leven, volledig onafhankelijk is van individuele kwaliteiten als slim, dom, arm, rijk, wit, zwart, vrouw, man, Nederlander, Amerikaan, buitenlander, links, rechts.
Deze eenheid die we nu zien, en die we zijn, is het meest intieme in ieder van ons en tegelijkertijd volledig onpersoonlijk. Het heeft geen beperkingen en deze bewuste aanwezigheid schijnt in ieders hart.
Wanneer we zien dat we dit zijn, voelen we liefde en dat gevoel is er nu.
Ga dan met je liefdevolle aandacht naar de twee mannen, van de een naar de ander en terug, net zolang tot je voelt dat je van beide mannen evenveel houdt.

Blijf hierbij, pauzeer, haal adem, voel deze eenheid, deze liefde.

Het gaat er niet om om beide mannen even leuk te vinden. Wat je van ze vindt is onbelangrijk. Je voor- en afkeuren en je meningen doen niet ter zake.
Waar het om gaat is dat we evenveel van beide mannen houden, dat we ze even lief hebben.
De oorzaak dat deze situatie is ontstaan, als onderdeel van een oneindig lange reeks gruwelijkheden, is precies omdat mensen elkaar niet evenveel liefhebben. Mensen zijn alleen maar in contact met hun ‘leuk’ of ’niet leuk’ vinden, met iemand ‘aardig’ of ‘onaardig’ vinden. En wat men ‘leuk’ of ‘niet leuk’ vindt in een persoon is hun conditionering die verbonden is met onze eigen conditionering. Dat is dus nogal oppervlakkig en kinderachtig en zo schieten we steeds in het voorspelbare, zich steeds herhalende actie – reactie patroon, dat ieder van ons zo goed kent.
Onze liefde voor een persoon heeft echter niets te maken met onze conditionering, met onze voorkeur of afkeur voor een persoon. Als we ons alleen richten op onze voorkeur of afkeur voor een persoon dan is conflict en oorlog onvermijdelijk. Zowel in relaties als tussen landen als op Facebook.

Wat we te doen hebben is van ieder mens evenveel houden.
Dat is iets anders dan dat we ieder mens even aardig of leuk moeten vinden.
Houden van heeft niets te maken met een mening.

Het passende antwoord op deze situatie, en op iedere situatie van onrecht, moet voortkomen uit ons begrip van ons gezamenlijke Zijn, onze gezamenlijke ziel, ons gedeelde Leven. Doen we dit niet dan zal het onrecht en de verdeling die dit onrecht teweeg heeft gebracht aanwezig zijn in onze reacties. En met deze reacties van ons zullen we het onrecht in de wereld alleen maar voortzetten en vergroten.
Ieder van ons moet zijn eigen antwoord geven op deze gebeurtenissen en ons antwoord moet voortkomen uit onze liefde voor beide mannen. Als je dit weet dan weet je ook wat je te doen staat en welke actie je hebt te ondernemen. In dit geval is krachtige actie noodzakelijk.
Als onze actie echter niet voortkomt uit ons begrip van ons gedeelde Zijn, oftewel wanneer het niet voortkomt uit liefde, dan zal het niet de kracht hebben om de verandering in onze maatschappij en onze wereld tot stand te brengen waar zoveel mensen zo diep naar verlangen.

12. Complottheorieën

Ze komen van origine uit de roddelcultuur en achterdochtpolitiek van het Midden-Oosten: complottheorieën. En altijd komen ze sterker op als een samenleving in de problemen zit en mensen onzeker worden. Zoals nu.
Complotdenkers maken zichzelf graag wijs dat zij iets ‘zien’ wat anderen niet zien. Zij zijn ‘wakker’. Roepen ze.
Nou is hier door meerdere gerenommeerde onafhankelijke wetenschappers en journalisten vele malen grondig onderzoek naar verricht en steeds blijft van de samenzweringstheorieën geen spaan heel. Men noemt ze dan ook wel Voodoo verhalen.

De vraag is:
wanneer is iemand een complotdenker en wanneer een rationele, kritische scepticus?

Zo hebben sommigen kritiek op 5G-zendmasten. Er zijn mensen die daar inderdaad gevoelig voor zijn en last van hebben en we weten dat adviescommissies in enkele gevallen het belang van de industrie dienen. Dus een kritische, sceptische blik is vereist.
Ook bij de toeslagenaffaire kan ik me heel goed voorstellen dat mensen nog verder gaan en er bij voorbaat niet meer vanuit gaan dat de overheid goed voor ze zorgt en zijn werk goed doet.
Het kantelpunt van gezonde scepticus naar complotter ontstaat wanneer men na de kritiek op de 5G-zendmasten of de toeslagenaffaire beweert dat mensen de wereldmacht willen pakken om een (digitale) dictatuur te vestigen. Of dat er machten zijn die het gewone volk bestuurbaar willen maken via aluminiumdeeltjes in vliegtuigsporen en via een chipje in de cornavaccins. De drijfveer van dit kantelpunt is de argwaan dat alles binnen een hoger plan valt.

ARGWAAN
Het interessante hiervan is dat deze argwaan veel eerder is ontstaan in het leven van de complotdenkers en niet is ontstaan door de bouw van 5G-zendmasten. Het wantrouwen was er al.
Het blijkt vrijwel altijd dat de mensen met deze argwaan ooit ergens slachtoffer van zijn geworden. En dit gebleven zijn. Ze hebben bijna allemaal een burn-out gehad, of een ziekte, of ze zijn weggepest, of uitkeringstrekker geworden als gevolg van arbeidsongeschiktheid, of alcoholist, of drugsgebruiker.
Velen van ons kennen dit leed tijdelijk in hun leven. Het verschil met de complotdenker is echter dat die niet meer is opgestaan om het heft in eigen handen te nemen, zich verantwoordelijk te maken, maar slachtoffer is gebleven en de schuld blijft zoeken bij een externe, georganiseerde instantie die door hogere machten wordt bestuurd.
Het blijkt dat vrijwel al deze mensen te maken hebben met een onderliggend lijden dat niet is gehoord. Ze staan alléén in hun gevoel van verlatenheid. Het is te gemakkelijk om ze allemaal onder de noemer van ‘wappies’ te stoppen. Hiermee wordt hun verlatenheid alleen maar versterkt.

IN GESPREK MET EEN COMPLOTTER
Wanneer we in gesprek gaan, is het dus zaak om zowel naar de inhoud als naar het onderliggende lijden te luisteren, mee te voelen, empathie te hebben.
Het is hierbij goed te weten dat, net als in de beginfase van therapeutische gesprekken, we in dit gesprek allereerst praten tégen een weerstand en niet mét een persoon. De persoon is nog verscholen, het masker spreekt, niet het individu.
Deze levensangst dient met empathie benaderd te worden anders raken we de gesprekspartner kwijt. Als we dit niet doen dan komt hij weer alleen te staan, waar hij altijd al was, en wordt hij bevestigd in zijn overtuiging dat niemand te vertrouwen is.
Lukt het ons om met inlevingsvermogen en empathisch doorvragen in werkelijk contact te blijven met de argwaan dan zakken we stap voor stap naar de onderstroom van het gesprek. Daar vinden we, na eerst alle lagen afgepeld te hebben, uiteindelijk datgene wat nooit gevoeld mocht worden: een diep, eenzaam verdriet.
Wanneer het verdriet er mag zijn, wanneer het volledig gevoeld en geuit mag worden, pas daarna en ook beslist niet eerder, kunnen we een redelijk gesprek voeren over de inhoud.
Die inhoud zal dan echter niet meer gaan over complotten. Deze denkbeelden zijn dan namelijk weggespoeld door de zachtheid en de waarachtigheid van de tranen.

RATIO EN EMOTIE
Werkelijk doorvoelde emotie is altijd oneindig veel sterker dan welk rationeel argument dan ook. Daarom heeft discussiëren vaak zo weinig zin. En daarom ligt de oorzaak van ieder maatschappelijk en persoonlijk probleem nooit op het rationele, maar op het emotionele vlak. Het is altijd het innerlijke, onuitgesproken verbod op de emotie dat een bevrijdende oplossing in de weg staat.
Zo zien we heden ten dage vele zogenaamd boze mensen die schelden op de politie en de overheid. Hun boosheid heeft echter niets met de politie of de overheid te maken. De functie van deze woede is om de angst te verbergen die eronder ligt. En die angst ontkent men.

DE WORTEL VAN IEDER PROBLEEM
Er is één wortel waaruit alle andere problemen voortkomen, zowel die van op het oog normaal functionerende mensen, als van complotters, jihadisten en terroristen: gebrek aan erkenning.
Mensen die zich niet erkend voelen lopen rond met een gekwetste, pijnlijke, innerlijke wond. Zij zullen er alles aan doen om hun pijn niet te voelen en niet te tonen.
In plaats daarvan openen ze hun magische goocheldoos om alle trucs tevoorschijn te toveren die ze maar kunnen verzinnen. Van het ophouden van een permanente glimlach tot het vertellen van complottheorieën. Van het overdreven hard werken tot het overmatig zuipen van drank. Van het gooien van stenen naar de ME tot het onthoofden van een leraar die een Mohammed cartoon bespreekt. En tot het werpen van kernbommen op steden aan toe.

De meeste relatieproblemen, conflicten en oorlogen ontstaan vanuit een verborgen, verboden, niet erkende kwetsing. En zelden vanuit een ideologie of een rationele maatschappijvisie.
Laat staan vanuit waarheid.
Of schoonheid.

11. Het gaat steeds beter met de Aarde. Met de mens. En door de mens.

Hoe staan we ervoor? Als Aarde en als mens?
Dat kunnen we zien wanneer we teruggaan in de tijd en die vergelijken met onze tijd.
Bijvoorbeeld de 16e en 17e eeuw. Deze laatste is onze veelgeroemde Gouden Eeuw!
Wat was daar zo Goud aan?

DE WERELD IN DE 16E EN 17E EEUW
De menselijke levensverwachting was 35 jaar. Vandaag zitten we rond de 80 jaar.
Moeder- en kindersterfte waren torenhoog.
Er waren niet alleen vele ziektes, maar vooral veel ongeneeslijke en dodelijke ziektes, zoals dysenterie, malaria, difterie, pokken, lepra, cholera en de pest. Er waren nog geen wetenschappers zoals nu die binnen een jaar een vaccin konden uitvinden om ziektes te bestrijden.
Er waren zelfs nauwelijks nog wetenschappers en er waren al helemaal geen vaccins.
Dus stierven mensen jong.
Er waren in die tijd enorme milieuproblemen. Bossen gingen massaal tegen de vlakte voor de bouw van schepen en huizen, maar vooral om te verstoken. Er waren nog geen alternatieve energiebronnen voorhanden. Die zijn pas in onze tijd ontdekt en in gebruik gezet door wetenschap en technologie.
In Engeland verbrandden huishoudens destijds volop kolen. Boven Londen hing een permanente deken van rook. Roet daalde overal en doorlopend neer. De Londenaren spuwden zwart.
Er bestond een onvoorstelbare wreedheid tegen dieren. Men dacht toen nog dat dieren geen pijn voelden en niet konden lijden.
De misdaad tierde overal welig, ondanks de gruwelijke straffen en martelingen. Iedere stad had zijn galgenveld waar de lijken net zolang bleven hangen tot het vlees door de beesten was weggevreten. De stank was afschuwelijk, ook die van de grachten die open riolen waren vol vuilnis, poep en pis. En waar mensen dorstig uit dronken.
Mensen met psychische problemen werden niet behandeld, maar buiten de maatschappij geplaatst in gekkenhuizen of dolhuizen waar ze vastgebonden werden aan hun bedden en op openbare dagen tegen geld tentoongesteld werden aan de bevolking. Het geld waar zij zelf overigens niets van zagen. De bestuurders wél.
Overal in Europa woedden verwoestende oorlogen. Ieder land was wel een keer met een ander in oorlog. Van eenheid, vrede of unie was nergens sprake, hoezeer de katholieke Bourgondische en Habsburgse heersers ook hun best deden. Wij hadden de Tachtigjarige Oorlog en voerden daarna vier oorlogen tegen Engeland.
Als we nog verder teruggaan in de tijd waren er in de 14e en 15e eeuw de Hoekse en Kabeljauwse Twisten, waarin de Nederlanders 150 jaar lang met en tegen elkaar in oorlog waren. We konden van dit interne Nederlandse geweld toch echt niet de schuld aan ‘die buitenlanders’ geven, want die waren er niet. Later, toen we de zeeën en oceanen gingen veroveren, hebben we ons binnenlandse geweld geëxporteerd naar onze koloniën, naar Indonesië en Suriname.

DE WERELD HONDERD JAAR GELEDEN
Maar goed, dit is allemaal lang geleden. Populistische politici verwijzen graag naar wat meer recente tijden toen Nederland nog Wit en Groot was. Wellicht dat in die prachtige vroegere tijd weldadige en vredige zaken zijn aan te wijzen? Laten we eens honderd jaar teruggaan.
In 1921 stierven ruim drie op de tien kinderen vóór hun vijfde jaar.
Nu, in 2021, zijn dit er vier op de honderd.
In 1921 leefden zeven op de tien mensen in extreme armoede.
Nu, in 2021, zijn dit er minder dan een op de tien.
In 1921 was het gemiddelde aantal oorlogsdoden per jaar twintig op de honderdduizend.
Nu, in 2021, is dat aantal minder dan één op de honderdduizend.
Overal ter wereld neemt het geweld, en ook het aantal terroristische aanslagen, in verbazingwekkend snel tempo af.

KLIMAAT
Een van de grootste ontwikkelingen is geweest dat we erin zijn geslaagd het aantal klimaatdoden af te laten nemen. Ja, je hoort het goed! Een geweldige prestatie!
In de jaren twintig van de vorige eeuw stierven jaarlijks 500 duizend mensen aan stormen, droogte, overstromingen en hittegolven.
Het afgelopen decennium waren het er minder dan 20 duizend per jaar.
Verrekend met de bijna zes miljard mensen die er sindsdien bijkwamen, is dat een daling van 98% (!).
Dit alles gebeurde dus ondanks de klimaatverandering, ondanks het verlies aan biodiversiteit en ondanks de immense bevolkingstoename. Of misschien dankzij de bevolkingstoename?

DE WERELD VANDAAG
Hoe kan deze prachtige ontwikkeling en deze nieuwe immense kwaliteit plaatsvinden?
De oorzaak is de enorme toename van het probleemoplossend vermogen van de mens. We zijn veel creatiever geworden op alle gebieden, intelligenter ook, en welwillender. We zijn vooral veel meer in staat tot samenwerken dan vroeger. Inmiddels zelfs op Europees – en wereldniveau. Met landen waar we vroeger oorlogen tegen voerden, zitten we nu mee aan overlegtafels. En spreken we met elkaar.
Hierdoor komt het ook dat onze Europese bossen weer groeien. De lucht die we inademen is veel schoner dan tijdens de Industriële Revolutie van de 18e en 19e eeuw. In de grote rivieren zwemt weer volop vis. In Nederland keerden de zeearend, de wolf en de wilde kat terug. Bovendien is de mens bezig de oerang-oetang en de panda voor uitsterven te behoeden en de sakhalinwolf en de atlasbeer te beschermen. Iets wat in het hoofd van een 17e of 19e eeuwer nooit zou hebben kunnen opkomen.
Zelfs de onstuimige groei van de wereldbevolking vlakt inmiddels af.
In 1920 baarden vrouwen gemiddeld 5,2 kinderen.
In 2020 waren dit er 2,4.
Dat aantal zal volgens de voorspellingen tot nabij de 2 zijn gedaald rond 2070. Hierna zal de wereldbevolking weer beginnen te krimpen. Ook in Afrika zet nu de daling al in.

Een hele vooruitgang sinds de tijd dat de Gelderlanders oorlog voerden tegen de Overijsselers, de Friezen tegen de Groningers, de katholieken tegen de protestanten. Toen iedereen tegen iedereen en een straffende God tegen ons allen was.
Een hele vooruitgang sinds de tijd toen iedereen dom, gewelddadig en lelijk was vergeleken met de menselijke intelligentie, de slimheid en de schoonheid van vandaag. En met de gigantische toename van kennis, wetenschap en technologie.

Gezien deze enorme kennis en dit snel groeiende probleemoplossend vermogen van de mens, waarom zouden we er dan ook niet in slagen de klimaatverandering te neutraliseren? En de biodiversiteit weer op te krikken? Waarom zou het ons niet lukken om het basisinkomen in te voeren? Om wereldwijd de armsten een bestaanszekerheid te geven? Waarom zouden we honger niet nóg verder kunnen terugdringen? Waarom zouden we niet fatsoenlijk om kunnen gaan met migranten?
De toekomst is wat wij ervan maken en we zijn op de goede weg.

Die betere wereld is dus geen vaag ideaalbeeld van een verre toekomst.
Zij is er nu al.
En het leven wordt alleen maar nóg beter op Aarde.
Omdat WIJ beter worden.
Het is onvermijdelijk.

Zie!
De mens!
De prachtige mens!

10. De prins en zijn ziel

In een ommuurd paleis woonde een norse prins.
Hij was ongeduldig en boos, schold op zijn personeel, eiste het onmogelijke, en alles in het paleis draaide maar om één persoon: de prins. Mensen vlogen voor hem, bang dat hij ze zou straffen of ontslaan. Er was slechts één mens in het hele paleis die niet bang was voor de prins: zijn knecht, tuinman en raadgever, die hem zijn hele leven trouw had gediend.
Op een nacht, toen de zon en de maan elkaar kusten en alle sterren glimlachend toekeken, dwaalde de prins door zijn lege paleis, keek in zijn ziel en zag peilloze, zwarte duisternis.
‘Wat moet ik doen?!’ vroeg hij wanhopig aan zijn oude knecht
‘Ga naar Isfahan, daar wacht iemand op u. Hij zal u raad geven.’ antwoordde de knecht.
De prins wilde meteen zijn lakeien bars gaan bevelen om zijn koets gereed te maken, maar de knecht zei: ‘U gaat lopend. En alleen. Anders zult u uw bestemming niet bereiken.’
Een kille siddering kronkelde door het lichaam van de prins. Hij staarde verbijsterd naar zijn knecht, maar deed gedwee wat hem werd opgedragen.

De volgende dag ging hij op pad.

Deze eerste dag ging goed, vond hij, en monter liep hij op de weg naar Isfahan, zijn voorgenomen einddoel.
De tweede dag zinderde de zon en verbrandde zijn huid.
De derde dag liep hij door het drassige dal van donker moeras, waar hij wegzakte in de modder en nog net op tijd een tak aan een struik wist vast te pakken om zich uit de zuigende aarde weg te trekken.
De vierde dag barstte een hevige storm los die hem omver blies, meesleurde en hem tegen een rotswand smeet. Gebroken bleef hij de hele nacht liggen in het dal, omringd door giftige slangen.
De vijfde dag beklom hij de hoogste berg die bedekt was met sneeuw en ijs. Hij bevroor, klom door, bezweek, klom door, bereikte de top, gleed uit en stortte in het ravijn, waar hij kermend zijn zesde nacht doorbracht, ditmaal omringd door krijsende aasgieren.
De zesde dag kroop hij uit het ravijn en werd op de kale vlakte aangevallen door een wolf. Hij vocht, verwondde zich, wurgde de wolf en vrat hem op, aangezien zijn voorraad voedsel vrijwel was uitgeput.
De zevende dag baande hij zich met zijn kapmes een weg door dicht, stekelig, donker bos en eenmaal aan het eind gekomen vond hij met bebloed lijf en zoute ogen de weg terug naar zijn einddoel.
Toen hij op zijn bestemming arriveerde, scheen Isfahan stralend over hem heen, maar de halfnaakte, uitgeputte prins in zijn gescheurde kleren, met geblakerde huid en gebroken botten, zag slechts duisternis.

En in zijn duisternis verscheen de dood.

‘Je bent gekomen, eindelijk’, sprak de dood vriendelijk, ‘ik zat al enige tijd op je te wachten.’
De prins zweeg. Hij wist dat dit zijn einde was. Zijn leven had geen zin meer. Zijn keel was gortdroog en instinctmatig greep hij naar de fles aan zijn riem, maar voordat hij het water aan zijn lippen kon zetten, sloeg de dood het uit zijn handen, omhelsde de prins en nam hem liefdevol op in haar zwarte duisternis.
En alles waarvan de prins dacht dat hij het was, verdween in de tedere omhelzing van de dood.

De prins huilde veertig dagen;
veertig dagen van rouw om zijn eigen sterven.

Toen verdween de dood.

De prins stond op en ontdekte de lichte stad die haar schone schittering nog immer over hem uitstortte. Zij deed dit al sinds mensenheugenis, ofschoon slechts enkelen haar lichte schoonheid zagen. De stad kende weinig geliefden en het deerde haar niet.
Toen keek hij naar binnen.
En zag hij dat de dood het diepste zwart in hem zichtbaar had gemaakt.
En ontdekte hij dat midden in het zwart van zijn ziel het licht van Isfahan begon te schijnen dat daar al sinds onheuglijke tijden verborgen lag te wachten.
En ontwaarde hij datgene waar hij vele levens lang overheen had gekeken en blind voor was geweest: het huwelijk van het eeuwige licht van de stad met het ontluikende licht van zijn ziel dat onder de duisternis verstopt had gezeten en door de dood was geopenbaard.
Zo zag de prins dat alles wat hem donker had geleken, in de wereld en in zichzelf, nooit iets anders was geweest dan de eenzame bruid die los gesneden wachtte op de handreiking van haar geliefde voor het huwelijk van de ziel met de wereld.

Die nacht vond de mooiste eeuwige bruiloft op aarde plaats.

En wist de prins wat hij altijd al had geweten, niet had beseft, en nooit had durven zien.
Na het huwelijksfeest legde hij zich volledig voldaan en dronken van geluk te ruste en sliep een lange zachte nacht in Isfahan.
De volgende dag stond hij geheel verfrist op, gaf alle bedelaars een aalmoes en bedankte de stad hartelijk voor haar warme gastvrijheid. Hij bestelde vriendelijk een nieuwe koets met jonge paarden en reed met losse teugels terug naar zijn paleis. Daar zag hij zijn oude, trouwe knecht die kalm zaadjes plantte in zijn vredige tuin.
Hij knielde voor zijn tuinman, bedankte hem innig en vroeg hoe een arme tuinman kon weten wat er zou gaan gebeuren met een rijke prins in een verre stad.
De knecht wees naar de tuin en sprak:

‘De arbeid die ik hier volbreng is nooit af. De tuin vraagt al mijn aandacht. En de bomen zullen in de zomer alleen vrucht dragen als ik de zaadjes plant met de grootste toewijding en in het volste vertrouwen in hun natuurlijke aard. Doe ik dat niet dan zal de tuin dor en droog worden en veranderen in een boze vijand. Daarom wijd ik mij iedere dag nederig aan dit werk, omdat ik weet dat de tuin mij niet alleen datgene zal schenken wat ik er zelf in heb geplant, maar vooral hóe ik dat heb gedaan.
Slechts zij die gestorven zijn terwijl ze leven, zijn in staat hun tuin op natuurlijke wijze te onderhouden, omdat ze weten dat bloesems en dode bladeren, bloei en verval, gezondheid en ziekte, leven en dood, twee onafscheidelijke kanten zijn van één en dezelfde medaille.
Ik, of vroeger uw ouders, hadden u wel kunnen opdragen om andere mensen vriendelijk te behandelen en een goed leven te leiden, maar u zou het dan alleen gedaan hebben uit plichtsbesef, uit gehoorzaamheid, uit denken, maar niet vanuit uw hart, niet vanuit uw wezen.
Nu weet u dat u niet meer kunt kiezen, maar dat u keuzeloos zult doen wat het leven van u vraagt.
U beseft nu dat alles voorbij gaat, dat de mensen, net als u, stervende wezens zijn en dat er tussen u en hen geen enkel verschil bestaat. Dat u hén en zij ú nodig hebben en dat wij allen onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn.
Dit is niet wat ík, maar dit is wat uw tocht door de hel en de liefde van de dood u hebben onderwezen. Uw innerlijk sterven is uw grootste schat voor de uiterlijke wereld.
Ga nu naar uw paleis en regeer uw land zoals een ware prins en een dienaar van de wereld betaamt. De tijd is gekomen om te trouwen met uw volk en te dansen op het bruiloftsfeest van het leven.
En, oh ja, de muur om uw paleis heeft zich gister afgebroken.
De weg is vrij.’

De prins boog diep voor zijn knecht en bedankte hem met zijn hand op zijn hart. Hij liep naar de ingang van zijn paleis en op het moment dat hij de poort opende, binnentrad en zich op zijn troon zette om zijn toegestroomde volk warm te verwelkomen, kusten de zon en de maan elkaar innig en keken alle sterren stralend toe.

9. Mijn vader

28 jaar lang had ik een vader.
Vandaag heb ik 36 jaar lang geen vader meer.
Toch leeft hij gewoon door in mij.
En houden we van elkaar.
Hoi Pa! ❤
——————————————————————-

MIJN VADER
Ik zie hem nog zitten in zijn eigen oude stoel
Een Lexington sigaret in zijn bruine vingers
waarmee hij ook de bladzijden van zijn boeken omsloeg.
En ons waarschuwde

Hij was grappig en goed
Hij was mijn vader

Hij was de fietsenmaker van het kleine dorp
gelegen aan de sloot met de sluis
Hij leerde me het leven zoals men een fiets maakt
een wiel spaakt, een band plakt.
En brackets invet

Hij was grappig en goed
Hij was mijn vader

Ik weet dat hij domme dingen had gedaan
Op sommige dagen trapte hij in grote valkuilen
Maar hij gaf niet op
voor ons.
En hij huilde

Hij kon frames bouwen en fietsen maken
waarop verliefden naar hun slaapkamers reden
waarop bejaarden hun levensverhalen verteldenen
waarop kleine kinderen grote dingen deden
opdat volwassenen zouden begrijpen

Hij was grappig en goed
Hij was mijn vader

Ik weet dat hij slimme dingen had gedaan
Op sommige avonden vertelde hij mooie verhalen
over avonturen van ‘lang leden, ver weg, nooit beurd’
En hij was gebleven
voor ons.
En hij lachte

Ik zie hem nog staan
zoals hij was en zoals hij deed
in de warme werkplaats tegenover ons huis
met het vet aan zijn handen
in de geurende reuk van banden en olie

Vandaag precies zesendertig jaar geleden ging hij definitief op reis

Hij was grappig en goed
Hij was mijn vader

8. Het intelligente virus

Kan een virus intelligent zijn?
Sterker:
Kan het wezen van een virus intelligentie zijn?

Zo ken ik iemand die vond dat hij altijd maar moest doorgaan, nooit opgeven, sterk zijn, en die door corona drie maanden lang vrijwel niets anders kon doen dan energieloos op bed liggen.
En nu, na ziekte, tot een nieuw besef komt van een leven zonder moeten. Van geluk en moeiteloosheid. Van minder ik en meer wij. Van ontspanning en samen delen.
En dit waarderen.

Zo ken ik iemand die altijd hard werkte, altijd alle verantwoordelijkheid op haar nam, altijd voor dag en dauw op, altijd de helper en redder van anderen, nooit zeuren, altijd alle taken zwijgend doen.
En nu, na ziekte, tot een nieuw besef komt van kwetsbaarheid en hulp vragen. Het hoofd buigen. Bescheiden zijn. De controle en de drang tot perfectie uit handen geven.
En dit waarderen.

Zo ken ik iemand met altijd scherpe antwoorden, haantje de voorste, winnen, en altijd eerder en beter zijn dan de ander.
En nu, na ziekte, tot het besef komt dat hij ook vragen kan stellen aan de ander, kan luisteren, afwachten, geduldig zijn en zwijgen.
En dat zowel hij als zijn omgeving hier rustig en gelukkig van worden.
En dit waarderen.

Het virus heeft zijn redenen die ons verstand niet kent. Maar we kunnen er een glimp van opvangen, mits we onze eigen intelligentie afstemmen op de intelligentie van het virus. En zien dat hierin geen verschil bestaat.
Mocht dat lastig zijn dan kunnen we ook gewoon kijken naar de concrete, tastbare buitenwereld.
Naar de afname van files, de schonere luchten, de rust op straat, de vredige avonden, het verdwijnen van de ochtend- en avondspits, de zegeningen van de toerismeloosheid, de toename in bewustzijn voor de eigen (on)gezonde levensstijl, voor eetgewoonten, immuunsysteem, milieu, klimaat, planeet.
En naar de toenemende samenwerking tussen politici en wetenschappers en tussen wetenschappers onderling, alsmede de versnelde medische en technologische ontwikkeling.
Ook kunnen we kijken naar het feit dat er nogal wat leerlingen en studenten zijn die het thuiswerk als veel prettiger, rustiger en leerzamer ervaren dan op school en universiteit. En dat het begrip ‘leerachterstand’ de prullenbak in kan. Waar het thuishoort.
Eindelijk.

En ja, inderdaad, er zijn ook dramatische nadelen van het virus. En op faillissementen, werkloosheid en sterfgevallen zijn misschien weinig of geen goede rationele antwoorden te vinden. Of troost.

En toch.
En toch, hè.

Het virus is de wijste les, het allerbeste,
en het meest intelligente wat ons maar kan overkomen.

Nee! Nee!
Niet nadenken nu!
Stop!

Intelligentie heeft met denken niets te maken.
En alles met stilte.

Dus
wees stil.
En luister.

Wat vertelt ons het virus?

Sssst ….

7. Eerbetoon

Ken je hem nog?
De beste volkszanger die Nederland ooit heeft gekend:
Johannes (Jantje) Hendricus van Musscher.
Nee, die naam kent niemand.
Johnny Jordaan.
Ja, die naam kende iedereen.
Jij ook?
Hij was de Johan Cruijff van het levenslied in de jaren ’50, ’60 en ’70 van de twintigste eeuw.
Zoals hij, was er geen één.

Hoe kon dat?

Hij werd geboren in 1924 in de Jordaan, de armste volkswijk van Amsterdam. Zijn neefje was Carel Verbrugge, later bekend als Willy Alberti. Ook zo’n geweldige volkszanger. De neefjes Kareltje en Jantje waren al vroeg vrienden en zongen samen op straat, en later in de kroeg, om geld te verdienen voor hun familie.
Dat werd anders toen tijdens een knokpartij Kareltje Jantjes oog zodanig verwondde dat het eruit moest. Jantje moest hierna door het leven met een glazen oog. Zijn moeder heeft het Kareltje nooit vergeven.
Jantje was zo gehecht aan zijn moeder dat hij tijdelijk letterlijk verlamd was van verdriet toen zij stierf. Drie jaar na de ter aarde bestelling in een gemeenschappelijk graf liet hij de kist opgraven en openen om zijn moeder nog één keer te zien. Daarna werd ze in een door hem betaald eigen graf overgeplaatst. Dat gaf hem rust.
Jaren later zong hij het lied: ‘Moeder, ik ben toch zo blij als u lacht.’

Na een aantal jaren als zingende kelner in een café gewerkt te hebben, won Jantje een zangwedstrijd in de Jordaan en werd hij bekend. Hierna noemde hij zich Johnny Jordaan, de naam die Kareltje, inmiddels Willy Alberti, voor hem bedacht had.

En toen … barstte de wereld open.

Johnny bracht het nummer ‘Bij ons in de Jordaan’ uit waarvan binnen een jaar ruim 1 miljoen (!) platen werden verkocht, wat nog nooit eerder was vertoond.
Even later gebeurde hetzelfde met ‘Geef mij maar Amsterdam’. Hij werd hiermee de best verkochte zanger die er in Nederland ooit was geweest.
De volksjongen werd de Koning van de Jordaan. Iets wat Johnny helemaal niet wilde, want hij wilde één van hen, één van het volk zijn, het volk waaruit hij voortkwam. Maar dat ging niet meer. Niet omdat hij niet wilde, maar omdat het volk hunkerde naar een held die boven alles verheven was. Een heilige bij wie ze hun alledaagse armoede en ellende even konden vergeten. Van wie ze dachten dat hij ze kon redden.
Wat zijn ontzaglijke muzikale talent betreft was dat geen probleem. Qua stem, qua muzikaliteit, timing, ritme en contact met het publiek, was hij de absolute tovenaar die zalen inpakte en in lichterlaaie stak.
Menigten bij de duizenden werden gillend gek wanneer ze niet de eenvoudige volksjongen uit de Jordaan zagen, maar de verheven magiër hoorden die de mensen betoverde.

Nou was er wel iets wat in die tijd nog als een groot probleem werd gezien. Johnny was getrouwd met zijn vrouw, ‘Totty’, ze hadden een dochter, ze hielden van elkaar. Tot zover alles in orde. Maar Johnny worstelde met een geheim: hij viel op mannen, maar wist dat dit onmogelijk was.
Homo zijn in de jaren ’50 in de Jordaan is net zoiets als ongelovig zijn in 2021 als moslima in de Schilderswijk. Je wordt verguisd, verstoten en bedreigd. Toen zijn geheim uiteindelijk uitkwam, gebeurde dat ook.
Eerst probeerde Johnny hier aan te ontkomen door een zelfmoordpoging, die mislukte. Na hersteld te zijn vertrok hij naar België, ging naar Engeland, trad op in Australië, Nieuw-Zeeland, Japan, Amerika, Canada, deed shows met Wim Sonneveld in Londen voor de BBC, runde cafés en clubs in Rotterdam en Antwerpen en werd overal op handen gedragen, maar in ‘die mooie, in die fijne Jordaan’ kon hij zich niet meer vertonen.
Uiteindelijk, na jaren van verminderd succes, veel leed, verdriet, belastingschulden en heimwee keerde hij in 1968 op aandrang van tante Leen terug in Amsterdam en kwam de acceptatie uiteindelijk toch nog goed. Bovendien scoorde hij meteen een nieuwe hit met ‘Een pikketanissie’, gecomponeerd door Harry de Groot.
Hij had 31 jaar een relatie met zijn vriend Ton Slierendrecht en ontving een ontroerend afscheid in 1972 dat op de televisie werd uitgezonden en waarbij hij nog eenmaal zijn mooiste nummer ten gehore bracht voor zijn publiek dat hem toejuichte en omarmde.

Wat Johnny Jordaan zo uniek maakt is dat hij gebeiteld is in het harde marmer van de kern van de Jordanese volksaard. Hij is nooit veranderd en altijd dezelfde gebleven. Hij maakte zijn school niet af, hij leerde geen algemeen beschaafd Nederlands, hij had nooit zangles. In interviews en in zijn liederen spreekt en zingt hij plat Mokums. Hij rolt zijn rrr zoals hij als jongetje al deed, hij galmt zijn klanken zoals hij zijn vriendjes riep in de vuile straten van de arme Jordaan.
Niets is gepolijst, niets is aangeleerd, alles is hij, en in alles zingt hij het leven, het plezier, de pijn en het rauwe noodlot dat hij is.
Er is nooit een zanger in de Nederlandse geschiedenis geweest die zo, ja, die wat eigenlijk was?
Als je oppervlakkig kijkt zou je van hem zomaar iets lacherigs, iets spottends en denigrerends kunnen maken. Zijn schreeuwerig kleurende stijve pakken, de kitscherige inrichting van zijn woning, zijn simpelheid, zijn platte onbeschaafde accent, zijn ongeschooldheid, zijn bijna kinderlijke eenvoud van karakter en zijn volksaard die ervoor zorgde dat hij geen verweer had tegen al die mensen die hem geld probeerden af te troggelen.
Echter, wanneer je het vermogen hebt om werkelijk de man te zien die hij is dan kun je niet anders dan hem en zijn gouden muziek, zijn levenswerk, hogelijk waarderen en bewonderen. En hiervoor buigen. Dan zie je, dan voel je, dan weet je, hoe schoon en lief, hoe fenomenaal en werelds dit alles is. En ook hoe enorm Jordanees en tegelijkertijd universeel zijn volksmuziek is.
Als je echt de ziel van de man en zijn muziek kunt horen dan kun je ook een besef krijgen van de enorme hoeveelheid mensen die hij met zijn levensliederen heeft opgetild uit hun zware miserabele bestaan.

Johnny Jordaan bracht licht.

Het zijn precies deze eerder genoemde zaken die hem zo uniek en eenmalig maken. Hij IS dat namelijk allemaal. Hij speelt niets. Hij doet dit alles in de volste overtuiging en authenticiteit zonder dat hij die woorden noemt of kent. Alles wat hij doet en laat zien dat IS hij.
Voeg hierbij zijn van God gegeven stem, zijn muzikaliteit en ritme, zijn schrijnende levensloop, en dan zie je dat we hier te maken hebben met een artiest van wereldniveau die, volgens de echte kenners uit het vak, qua timing zelfs Frank Sinatra overtrof, en die wereldberoemd in Nederland en tevens de best verkochte artiest in dit land was.
Hij werd geadoreerd door miljoenen mensen van alle rangen, standen en leeftijden die tientallen miljoenen platen van hem kochten en zijn concerten bezochten, en tegelijkertijd werd hij een deel van zijn leven uitgekotst door zijn vroegere stadsgenoten en dierbaren, gewoon omdat hij was wie hij was. Ook leed hij aan een zwakke gezondheid, ging hij door een zware depressie, en kreeg hij meerdere maagkwalen, hersenbloedingen en hartaanvallen.

Je zou zeggen: zo’n unieke beroemdheid verdient een standbeeld.
Inderdaad. Dat heeft hij ook.
Op het plein op de kop van de Elandsgracht in Amsterdam staan standbeelden bij elkaar van de groten uit de Jordaan: Tante Leen, Johnny Meyer, Manke Nelis en de man die de allergrootste van allemaal was. Het plein waarop dit standbeeld staat is genoemd naar deze allergrootste: Johnny Jordaan.

Nederland moet deze man, en zijn verdiensten voor dit land, eeuwig dankbaar zijn.

————————————————————————————————————
Op Youtube staat een historisch muziekfragment onder de titel:
Rinus Michels – Ode aan de Westertoren
Dit fragment is van juni 1974, opgenomen tijdens het WK-voetbal in Duitsland (inderdaad, die ja) waarbij de spelers natuurlijk ook geëntertained moesten worden, in dit geval door Willy Alberti en Johnny Jordaan.
Aan het eind hoor je ook nog coach Rinus Michels met zijn geweldige zangstem!

6. Ons dagelijks leven in het vreselijke Delft

Naar de berichten te oordelen van de machtige meningenmedia, de virusrechtszaakaanspanners en de straatstenende jongeren is het nogal een onrechtvaardige puinhoop in de wereld.
Aangezien ik vroeger als jongetje al snel avonturen wilde beleven, wil ik dit natuurlijk vandaag ook meemaken!
Daarom trek ik mijn stoute schoenen aan en ga op pad om wetenschappelijk, experiëntieel en empirisch vast te stellen hoezeer de puinhoop om ons heen vandaag weer huishoudt en alsmaar erger wordt.
Anders gezegd: ik ga een wandeling maken en eens kijken wat er gebeurt.

Eerst maar eens door winkelcentrum ‘de Hoven’ lopen, daar zal het ongetwijfeld heel erg zijn allemaal. Vlak voordat ik binnentreed, laat ik een vrouw (zwart!) voorgaan die mij met haar mondkapje om vriendelijk bedankt. Ja, kijk, dit is natuurlijk niet de bedoeling vandaag. Maar goed, ik moet objectief blijven, dus vermeld ik deze menselijke vriendelijkheid er als uitzondering maar even bij. Straks zal het vast vreselijker worden. Ze zeggen het tenslotte niet voor niets.
In het winkelcentrum zijn twee aparte paden gemaakt om elkaar op afstand te houden.
Ik verheug mij reeds, want hier gaat natuurlijk geen Delftenaar zich aan houden. Dat wordt flink door elkaar en aan de andere kant lopen. Zeker weten!
Edoch, niets van dit alles. Iedereen loopt met mondkapje op en ook nog eens aan de juiste kant, zoals aangegeven. Ik hoor geen geschreeuw of protest, men zwijgt of kletst rustig wat met elkaar op gepaste afstand. Men oogt tevreden.
Ja zeg! Het lijkt verdorie wel een vooropgezet complot tegen de media, de viruswaanzinnigen en de straatstenende jongens die het dagelijks leven totaal anders zien en beleven!
Maar goed, als levensonderzoeker geef ik de moed niet snel op. Straks kom ik in de brandhaard van alle ellende: het centrum van Delft! Midden in de problematische randstad. Erger kan niet!
Bij Café Cortado koop ik een Americano. Ik word geholpen door een vriendelijke en zeer schone jongedame die mij ook nog eens smakelijke koffie en fijne dag toewenst.
Mijn twijfel neemt toe: gaat dit zo wel de goede verkeerde kant op?
Maar niet getreurd. Welgemoed en optimistisch over de foute menselijke aard ga ik zitten op een bankje op de sneeuwvrije Beestenmarkt. Ik pak de eerder gekochte snickers (bij AH, waar ook al niets aan de hand was, dus die sla ik nu maar even over) uit mijn zak en begin genoeglijk aan de weldadige chocolade te peuzelen en de warme koffie te drinken.
Nu zal het toch wel écht gaan gebeuren.

En jawel!
De aanhouder wint.

Daar komt een jongen met lang haar aangereden met een oranje bezorgtas op zijn rug. Jongen, lang haar. Dat kannie goed gaan.
Het agressieve langharige tuig zet de fiets netjes tegen een bank. Daarna doet hij enige rek- en strekkende yoga-oefeningen en glimlacht vriendelijk terug als hij ziet dat ik zijn bewegingen gadesla. Ik kijk nog wat langer, want ik lees wel eens over jongeren dat als je langer naar ze kijkt dat ze dan gaan roepen ‘Niet kijken! Wat moet je van me!’ en dat ze je dan in elkaar slaan.
Deze jongen blijft echter zwijgend zijn oefeningen doen.
Hij zegt niets!
Na enige tijd stapt hij weer op de fiets, zwaait me vriendelijk tot ziens en rijdt kalm verder. Ook de koffiedrinkende dame op een ander bankje glimlacht vriendelijk naar me en zegt: ‘Wat is het hier heerlijk, hè! En zo rustig!’

Ja, nu begint het toch wel een beetje nijpend te worden met deze omstandigheden. Ik druk mijn opkomende wanhoop weg en ben vastbesloten nu alles uit de kast te halen. Wandelend, wantrouwend en spiedend zie ik een groepje jongeren.
Aha! Die zijn niet op school! Fout!
Die gaan natuurlijk blikjes en papiertjes en vuil op straat gooien en daar ga ik dan een foto van nemen en verontwaardigd op Facebook zetten en dan gaan anderen net zo verontwaardigd mijn verontwaardiging bevestigen en zeggen dat het helemaal de verkeerde kant op gaat met de jeugd van tegenwoordig en dat ze al die buitenlanders ook niet moeten binnenlaten in dit land want we hebben het al moeilijk genoeg hier met de politie en de regering.
Maar dan begint mijn ontluistering: ze gooien hun blikjes en papiertjes in een vuilnisbak!

Donkere wolken pakken zich samen boven mijn objectieve oordelen.
Wat moet ik nou nog?
Ik besluit mijn ultieme experiment te doen.
Ik loop richting Markt en kijk nors voor mij uit.
En jawel!
De mensen die ik tegenkom en mij aankijken, kijken ook nors.
Gelukt!
Dan zet ik mijn neutrale blik op. Helaas, de mensen om mij heen kijken me nu ook neutraal aan, niet nors.
Hierna zet ik mijn tevreden glimlach op en jawel, de mensen kijken glimlachend naar me terug.
Peinzend loop ik verder. Wat is dit voor vreemd gedoe? Hoe kan dit? Raar.
Tot slot haal ik de laatste truc uit mijn goocheldoos. Die lukt altijd.
Ik begin krijsend straatstenen door ramen te gooien, auto’s in brand te steken, mensen te bedreigen en anderen te slaan. Ik hoor sirenes en hierna slepen politieagenten mij hardhandig een busje in en voeren mij af.
Ah! Zie je wel! Zie je wel dat het een puinhoop is op de wereld! En zie je nou dat we in een dictatuur leven! En dat het overal helemaal de verkeerde kant op gaat zo! Met die regering en die buitenlanders en die corona, die AIVD en dat KNMI of RIVM. Nou, als je dat niet ziet, als je niet wakker wordt, als je niet ontwaakt, als je niet je eigen onderzoek doet, dan blijf je een gehoorzaam schaap en kun je dit nooit echt helder zien. Dan kun je nooit ontdekken wat ik zojuist duidelijk heb ontdekt, gezien, ervaren en aangetoond:
dat de media, viruswaanzinnigen en straatstenende jongens volkomen gelijk hebben en dat het één grote, onrechtvaardige, agressieve puinhoop is op de wereld. En dat alle mensen heel onbeschoft en respectloos zijn. Allemaal!
Was het maar weer vroeger toen iedereen altijd beleefd en leuk was. Toen Nederland nog Groot was!
Je moet het zien, hè, anders ben je blind. Stekeblind. En onwetend. Kijk dan toch, mensen! Kijk objectief! En besef wat je doet!

5. Nee, dan vroeger!

Vroeger!

Toen had je tenminste nog échte winters!

Neem nou de strenge winter van 2021.
Maar nu praat ik over héél lang terug, hoor.
De rondvaart ging maandenlang niet, van november tot april lag hij stil.
Dat deed hij normaal ook al, stilliggen, maar toch, om je een idee te geven.
En we dronken hete chocolademelk met slagroom op een bankje op de Beestenmarkt.
Dat deden we normaal ook altijd al, maar dan op stoelen, en die waren er toen niet meer.
Ja, zeg, vóór die tijd waren er nog terrassen. Kun je je vandaag ook niet meer voorstellen, hè?
Maar sneeuw was er wél in die dagen.
Volop!
Toen had je nog veel mensen met gebroken ledematen, omdat ze gingen schaatsen op het ijs, aangezien dat op iets anders dan ijs niet zo goed en glad ging.
Mensen schaatsten toen nog zélf. Ja, sinds robotten het schaatsen hebben overgenomen kunnen we er alleen nog maar naar kijken. Zij doen tegenwoordig alles. Ook werken.
Wij doen niets meer.
Daarom heben we ook geen ledematen meer.
Nutteloos geworden.

Ja, joh, 2021, zooo lang geleden alweer.
Destijds had je nog gewoon één soort corona. En toen kwam er ook één soort vaccinatie.
De medische wetenschap stond toen nog in de kinderschoenen.
In 2021 kwamen er een paar varianten bij. Dat was best nog wel romantisch in het begin.
Nu hebben alle landen hun eigen varianten. Er zijn er nu 196, net zoveel als dat er landen op de wereld zijn. Ze willen allemaal aan bod komen, want ja, wat aandacht krijgt, groeit, hè.
We gaan nu iedere dag naar de vaccinatiecentra voor weer een nieuwe prik tegen weer een nieuwe variant van weer een ander land. Best wel gezellig.
Die vaccinatiecentra zijn eigenlijk de nieuwe kroegen en kerken geworden waar we allemaal eensgezind bij elkaar komen. We spreken anders nooit iemand meer, omdat die robotten al ons werk hebben gepikt. Jammer dat er geen strenger robotbeleid is om ze uit dit land te weren. Ze pakken alles van ons af!
Tenminste, dat zegt de bastaardzoon van Thierry Baudet die zelf in het demente bejaardentehuis zit van het COC waar hij de Gay-krant checkt op nepnieuws.
De nieuwe Mars – en Venusvarianten zijn ook al in aantocht. Ja, joh, dat virus komt tegenwoordig ook uit het heelal, hè. Dat wist die Bill Gates natuurlijk al in 2021.
Tsss..

Trouwens, 2021.
Weet je dat nog?
Nee, zal wel niet, zo lang geleden alweer.
Ja, ja, buurvrouw, vroeger bleef alles nog hetzelfde, maar tegenwoordig gaat alles voorbij, hè. En volgende week barst de lente alweer los, zeggen ze van het RIVM. Of van het KNMI.
Ach, wat maakt het ook uit, allemaal één pot nat, want sinds Europa overstroomd is door de zeespiegelstijging van zeven meter is alles drijfnat.
Het is me toch wat, zeg, met al die jaargetijden. Vindt-ie ook niet, buurvrouw?
Gelukkig dat Rutte en Trump nu alweer veertig jaar aan de macht zijn, anders was het nóg erger geweest met al die natte jaargetijden. Door hen hebben we tenminste nog ansichtkaarten van de Noordpool en Europa die vroeger nog bestonden.
Ja, die Noordpool is nu een tropenstrand met golfbaan in privébezit van Trump. Nou, hij heeft het verdiend hoor, sinds hij al die Democraten heeft verdronken in dat stijgende water. Daarom was hij ook altijd al tegen die klimaatakkoorden, anders had hij ze nooit allemaal kunnen verzuipen.
Rutte gaat er wel eens heen, naar de Pool, in zijn plezierjacht. Vroeger deed hij dat op de fiets, maar ja, sinds zijn lekke band en sinds Nederland is ondergelopen door die gesmolten poolkappen kan dat ook niet meer.

Tja…
Het is me het wereldje wel hoor, buurvrouw.

Enne …
Het was lekker, zeg, de chocomel met slagroom.

Vroeger, dan, hè.

Vgoegâh!

Gelukkig hebben we de foto nog.

Kan een afbeelding zijn van buitenshuis