4. Jacoba van Beieren en de Zoen van Delft

Toen Jacoba van Beieren (1401 – 1436) vijf jaar oud was, huwelijkten haar trotse ouders, Margaretha van Bourgondië en Willem VI van Holland, haar uit aan de tweede zoon van de Franse koning. Ook de bruidegom was toen net kleuter af, maar dat was geen enkel bezwaar. Een strategische verbintenis kon niet vroeg genoeg gesloten worden.
De twee groeiden samen op en toen ze de leeftijd bereikten waarop het huwelijk geconsummeerd kon worden (oftewel, waarop ze geslachtsgemeenschap konden hebben met elkaar, op hun veertiende jaar) was de verbintenis een feit.
Toen de Franse kroonprins overleed was Jacoba’s echtgenoot de eerstvolgende in de erfopvolging, waardoor zij koningin van Frankrijk zou worden.

Wat een vooruitzicht!

Jacoba was gravin van Holland (= het huidige Noord- en Zuid-Holland), Zeeland en Henegouwen. Die graafschappen stonden eigenlijk onder het beheer van de Duitse keizer, de keizer van het Heilige Roomse Rijk, zoals men het noemde. Dit was een zekere Sigismund (die eerst koning en later keizer was) die als opperleenheer de officiële zeggenschap over opvolgingskwesties had. Hij was dus helemaal niet zo blij met die toenadering van Jacoba tot zijn concurrent Frankrijk.
Verder was er ook nog Jacoba’s oom, Jan van Beieren, die zijn oog had laten vallen op de erfenis van die graafschappen.

En toen gebeurde het.

DODEN EN HUWELIJKEN
Jacoba’s vader, Willem VI, stierf in 1417, en ook haar Franse man stierf. Meteen hierna begon het getouwtrek om de erfenis. Jacoba was toen zestien jaar oud en kon deze ingewikkelde situatie niet ‘handelen’. Haar moeder, die Jacoba in alles streng adviseerde, vond al snel een partner voor haar dochter: neef Jan van Brabant.
De man zou een rampzalige keuze blijken te zijn en hij was bovendien ook nog eens zeer makkelijk te beïnvloeden door tegenstanders.
Ze trouwden voor de wereld en voor de kerk. Dit laatste huwelijk werd voltrokken in de Haagse Hofkapel, op het Binnenhof.
De hele gang van zaken was echter nogal incestueus, aangezien ze elkaars volle neef en nicht waren. Dus dienden ze een verzoek in bij de paus voor dispensatie, oftewel voor opheffing van deze zonde. Al snel kwam het Ja-woord van de paus.
Onderhand had Jan van Beieren ook niet stil gezeten en die deed zijn beklag bij koning Sigismund. Hij voerde aan dat hijzelf de wettige erfgenaam van de overleden Willem VI was. Sigismund stuurde hierop snel een delegatie naar de paus om het huwelijk van Jacoba met Jan van Brabant onwettig te verklaren. Dit had meteen effect, want de paus trok zijn instemming in. Maar de nieuwe bul kwam te laat; het huwelijk was al voltrokken.

Dit alles speelde zich af midden in de Hoekse en Kabeljauwse twisten die een gevecht om de macht waren. Jan van Beieren streed in het kamp van de Kabeljauwen en Jacoba bij de Hoeken. Na veel strijd en onder druk zetting van slapjanus Jan van Brabant verpandde die de economisch rijke graafschappen Holland en Zeeland aan Jan van Beieren. Jacoba hield knarsetandend alleen Henegouwen nog over.

Hoe nu verder?

Ze moest allereerst van haar volstrekt incapabele man af, dus richtte ze haar blik op de overkant van de zee: Engeland. Hier woonde Humphrey, de hertog van Gloucester en broer van de Engelse koning. Die leek Jacoba de meest geschikte huwelijkskandidaat en aangezien de paus haar vorige huwelijk niet had goedgekeurd, maakte ze van dit aanvankelijke nadeel haar voordeel.
Het is een wonderlijk ‘toeval’ dat juist in diezelfde tijd Jan van Beieren plotseling overleed. Hij was vergiftigd: de hoeken van zijn gebedenboek waren ingesmeerd met gif.
Wie zouden dat nou gedaan hebben?

FILIPS VAN BOURGONDIË
Toen betrad een nieuwe en zeer machtige deelnemer het speelterrein: Filips de Goede, de nieuwe hertog van Bourgondië. Hij was eveneens een oom van Jacoba en meende ook aanspraak te moeten maken op haar erfdeel. Verder had hij geld nodig, niet in de laatste plaats omdat hij van die enorme en dure feesten gaf aan zijn uitbundige hof. Bovendien had hij, voor zover bekend, dertig minnaressen en zesentwintig bastaardkinderen die onderhouden moesten worden. Het geld dat hij nodig had, was vooral te vinden in het in opkomst zijnde Holland.
Opziend tegen de overmacht van Filips gooide Humprey de handdoek in de ring en ging terug naar Engeland. Ondertussen werd Jacoba in verzekerde bewaring gesteld door Filips in Gent en had Jan van Brabant opnieuw het bestuur van Holland en Zeeland overgedragen, ditmaal aan Filips, die hiermee erfgenaam van Jacoba werd.
Filips liet Jacoba overbrengen naar Lille, ver weg van haar Hoekse machtsbasis. Jacoba verzon echter een list, trok mannenkleren aan, liep ongestoord de stad uit en ging naar Schoonhoven waar ze juichend werd ontvangen door haar Hoekse aanhang.
Dit was natuurlijk een enorme vernedering voor Filips!
Hierna probeerde Humphrey Jacoba nog bij te staan met zijn leger, maar hij leed een smadelijke nederlaag tegens Filips en vertrok definitief terug naar Engeland.
De burgeroorlog, de strijd om de macht, duurde hierna drie jaar. De oorlogvoering kostte bakken met geld en hele dorpen werden met de grond gelijk gemaakt.
Jacoba raakte financieel aan de grond, verloor haar politieke steun en werd gedwongen haar meerdere te erkennen in Filips.

DE ZOEN VAN DELFT
Op 3 juli 1428 werden de nieuwe machtsverhoudingen vastgelegd in wat is gaan heten:
de Zoen van Delft.
Jacoba droeg de macht over aan Filips, maar mocht haar titel van gravin behouden.

Ofschoon ik het nog nergens heb kunnen lezen, speelden deze onderhandelingen van de Zoen van Delft zich volgens mij af in ’s Heerens Herberg. Deze lag in het gebied wat nu de Boterbrug heet, de overkluizing tussen de Oude Delft en de Wijnhaven. Dit gebied was grafelijk bezit. In ‘s Heerens Herberg werden altijd de graven van Holland ontvangen als ze voor een inspectie in de stad kwamen. Vandaar mijn veronderstelling.

Na deze onderhandelingen was Jacoba’s rol uitgespeeld en ze was zo goed als blut. In 1433 huwde ze voor de vierde keer, ditmaal met de rijke Zeeuwse edelman Frank van Borssele.
In Delft liggen tegenwoordig de Jacoba van Beierenlaan en de Frank van Borselenstraat (en niet Frank van Borsselestraat) vlak naast elkaar achter het station.
Met Frank heeft Jacoba een goed en welvarend leven gehad. Vermoedelijk was er zelfs sprake van liefde.

In 1436 stierf Jacoba aan tuberculose, destijds tering genoemd. Ze werd slechts 35 jaar oud. Ze ligt begraven in de Haagse Hofkapel op het Binnenhof, als enige gravin tussen de vele mannelijke graven. Bij haar begrafenis stond het Binnenhof vol mensen.

BELEG VAN DELFT
De opa van Jacoba was Albrecht van Beieren. Tijdens de felle Hoekse en Kabeljauwse twisten, die het land verscheurden en 150 jaar duurden, belegerde deze Albrecht in 1359 een maand lang Delft. Delft was een bolwerk van Kabeljauwen, maar het stadsbestuur koos toch de Hoekse kant waardoor het tegenover de Kabeljauwse Albrecht van Beieren kwam te staan.
Na de overgave van Delft werden de stadsmuren afgebroken en gebruikt om de muren rond het Haagse Binnenhof te versterken. Duizend Delftse mannen en vijfhonderd vrouwen moesten na de bestraffing op blote voeten door Den Haag lopen en knielen voor Albrecht van Beieren en hem vergiffenis vragen.

3. Corona en de kunst van het niet-doen

Corona is een gratis retraite.
Het is alsof we een glas vuil water vullen met schoon water.

Wat gebeurt er dan met je?
Wat gebeurt er dan met ieder mens?

Wat dan gebeurt is dat allereerst het vuile water naar boven komt in het glas.
Oftewel:
Pijnlijke, angstige, eenzame, boze, verontwaardigde, teleurgestelde, verdrietige, ‘vuile’ gevoelens van jaren, eeuwen geleden komen in ons naar boven.
Alle gevoelens die opkomen lijken nieuw, maar ze zijn oud, heel oud.
Een gebeurtenis van vandaag ‘triggert’ een verborgen gevoel van lang geleden, zodat het naar boven kan komen, bewust mag worden, ervaren mag worden.
Hier kunnen we niets aan doen, het is niet onze schuld, we doen niets fout.
Het gebeurt, dat is alles.

Wat doen we hiermee?

Mijn suggestie: niets.

Doe niets.
Druk ze niet weg.
Verdring deze gevoelens niet.
Heb er geen mening over, geen oordeel.
Uit ze ook niet.
Gooi ze niet naar buiten.
Denk ook niet:
dit gevoel is fout, dit moet niet, zo gaat het de verkeerde kant op met me, dit moet anders, beter.
Deze gedachten kunnen in je opkomen, je mag het denken, maar doe niets met deze gedachten. Veroordeel je oordelen niet. Heb geen mening over je meningen.
En als die er zijn: laat ze hun gang gaan, maar bemoei je er niet mee.
Ga ze niet corrigeren.
Ga ook niet positief denken.
En als je denkt:
ik zit hier ook maar in m’n eentje, ik ben niet nuttig en ik moet iets gaan doen,
doe dan niets, blijf zitten waar je zit.
Ga niet wandelen, ga geen activiteiten ontplooien, niet iemand bellen, niet facebooken, niet sociaal doen, geen wijn drinken en geen chips eten, niet schoonmaken, niet nadenken.
Ga niet visualiseren. Ga niet mediteren. Doe geen yoga oefeningen, geen thai chi, geen ki kong. Vlucht niet.
Probeer niet ervan af te komen of het mooier of anders te doen zijn.

Laat je niet afleiden.
Blijf.

Geef ook je ouders, of vervangende ouders zoals autoriteiten, de regering, politici, wetenschappers, het RIVM, de illuminati, je buurman, en geef ook Marokkanen en moslims niet de schuld van jouw rotgevoelens van dit moment.
Ga niet discussiëren, verontwaardigd demonstreren of bevestiging van je boosheid en gelijk halen bij andere bozen, verontwaardigden en eenzamen.
Zoek geen eensgezindheid.

Doe niets.

Doe niets uiterlijk en doe ook niets innerlijk.
Het enige wat je doet is geen doen, maar een zijn: observeer wat gebeurt.
Niet observeren in de zin van kijken met je ogen, maar beseffen wat er gebeurt, je bewust zijn van wat zich afspeelt.
Constateer wat is.
Blijf in milde, neutrale aandacht deze beweging volgen, zonder erover na te denken en zonder je ermee te identificeren.

Blijf erbij, leef het.
Omarm het, behuis het.

Verwijl erin.
En wees alleen. Volledig alleen.

Doe niets.

Zeg en denk ook niet:
ik moet dit gevoel erkennen, ik moet dit aanvaarden, accepteren.
Je mag het wel zeggen en je mag het wel denken, maar doe niets met die woorden, doe niets met die gedachten.

Laat ze.
Bemoei je er niet mee.

Laat al dit leven in jou dóórleven en doorléven en doe er niets mee.

Als je bang wordt, zeg dan niet: ik ben bang.
Vergeet de woorden en voel alleen maar wat je lichaam voelt, hoe heftig dit gevoel ook kan zijn.
Noem het geen gevoel, wees alleen aanwezig, neem waar, observeer.

Besef wat er gebeurt en laat het daarbij.
Reageer niet.

Verwijl in je angst zonder het angst te noemen.

Wat merk je dan op?

Dan merk je dat angst geen angst is, maar een sensatie in je lichaam dat gevoed wordt door de gedachten in het hoofd die gevoed worden door omstandigheden en mensen van nu en vroeger. En waar jij een mening over hebt.
Het is niet eens een sensatie, het is gewoon een energie, en zelfs dat niet. Geef ook dát geen naam, noem het niet sensatie, noem het niet energie.
Het gevoel, de energie, is geen woord. Het is een directe ervaring.
Voel zonder woorden, besef zonder te benoemen.
Wees helemaal die energie, die sensatie in je lichaam, maar geef er geen naam aan.

Het is er.
Wees het.

Als je daar dan midden in bent, dit volledig ervaart, het niet aanraakt.
En wanneer je dit bént:
dan kun je een verschuiving van deze innerlijke ervaring waarnemen.
Tot het steeds meer gaat verschuiven, zonder dat de omstandigheden veranderen.
En uiteindelijk gaat de ervaring zich transformeren.

Wat je aanvankelijk als een groot probleem ervoer, als rotgevoel, als lijden, als je absoluut klote of eenzaam voelen, dat blijft niet voor altijd, dat is tijdelijk.
Door alleen maar dit waar te nemen, krijgt het een andere lading, kan het lichter worden, zonder dat je probeert het lichter te maken.
Je hebt geen enkele verwachting meer, want je bent datgene geworden wat je waarneemt.

De observator is het geobserveerde geworden.
De waarnemer het waargenomene geworden.
Degene die de angst ervoer, is de angst zélf geworden, zonder het woord angst.

Wanneer jij en je angst uiteindelijk helemaal samenvallen, wanneer er geen scheiding, geen splitsing meer is tussen jou en je angst, zonder dat je dit hebt geprobeerd of er moeite voor hebt gedaan, dan gebeurt er iets anders.

De angst lost op.

En wanneer de angst oplost wat komt er dan voor in de plaats?

Jij.

Degene die jij écht bent.
Dit is degene die angst in de kern is.
In het midden van het midden van de angst (woede, verdriet, enz.) heerst volkomen angstloosheid. Deze angstloosheid is bewustzijn.
Het is het bewustzijn dat jij bent.
Dit bewustzijn is helderheid, is geluk.
Het is geen gevoel, geen gedachte.
Je voelt het niet, je denkt het niet, je doet het niet.

Je bént het.
Maar het is niet je lichaam, het is niet je hoofd, terwijl het er wel in doordringt.

In plaats van angst ben je geluk geworden.
Of eerder:
je merkt op dat je altijd al geluk was, maar dat angst dit geluk, OGENSCHIJNLIJK, verborgen hield.
Ik zeg niet dat je altijd al gelukkig was, nee, het is veel sterker, je was altijd al geluk. En je bent dit altijd geweest.
De kern van angst, van woede, van depressie, en de kern van iedere emotie, dat is geluk. Dat ben jij.

Wéét dus
dat als je bang bent, woedend, hatend, teleurgesteld, jaloers, verdrietig,
dat je dan niets hoeft te doen.
Je hoeft slechts de richtingaanwijzer van de emotie waar te nemen, te volgen, deze emotie te omarmen, te worden. Het zijn gang te laten gaan.

Dit te zijn.

En merk dan op hoezeer de wolken van de bange blindheid verdwijnen en dat dan niet de zon van het geluk begint te schijnen, maar dat je dan ziet dat deze zon van geluk altijd al heeft geschenen, er altijd al is geweest.
Dat jij die zon van geluk altijd al was en altijd zult zijn.
Geluk is tijdloos en is niet afhankelijk van wat jij denkt, voelt of doet.

Het is er.

Angst, en iedere emotie,
is de richtingaanwijzer naar het geluk dat erin verborgen zit.
‘A blessing in disguise.’

Je kunt dat geluk niet pakken, je kunt het niet bedenken, je kunt er niet naar streven, je kunt niet proberen het te worden.
Alles wat je probeert, is denken en jij bent niet je gedachten.
Gedachten komen en gaan, jij blijft.
Geluk is een onaanraakbaar midden dat in alles aanwezig is (zelfs: dat alles is!) en tevens met de zintuigen niet is waar te nemen, met gedachten niet te pakken, met voelen niet te ervaren. Zelfs met intuïtie niet te zien.

Het is het geluk dat jij bent.
Het is je identiteitsloze identiteit, de identiteit van iedereen.

Altijd.

Wat je hebt, kun je verliezen.
Wie je bent, kun je niet verliezen.

Nooit.

En als je dit weet, als je dit ziet, doe dan wat je wilt.
Wat dat ook moge zijn.

Alles is goed.

2. Spiritualiteit in de Rooms-Katholieke Kerk

Spiritualiteit en regelgeving: gaat dat samen?
Laten we als voorbeeld nemen: de Rooms-Katholieke kerk.
Hier bestaat de regel: priesters mogen niet trouwen.
Aanvankelijk dacht ik nog dat zo’n regel een spiritueel effect zou kunnen bewerkstelligen. Een soort Freudiaanse sublimatie waarbij de seksuele driften overwonnen worden om het goddelijke te absorberen. Want dat wil een priester natuurlijk. Waarom zit hij anders in die kerk? Toch?

Afijn. Zoiets, dacht ik. Misschien.

Dit blijkt echter nogal anders te liggen.
Eerst was het celibaat namelijk helemaal niet verplicht. In de begintijd van het christendom was kuisheid een vrije keuze, geen opgelegde plicht. Jezus leefde weliswaar sober, maar nergens rept hij over de plicht tot kuisheid.
Het priesterlijk celibaat is dan ook geen onderdeel van de rooms-katholieke geloofsleer. Het is een na veel interne strijd tot stand gekomen disciplinaire maatregel, waarbij kerkpolitieke belangen een grote rol speelden.

Wat waren die belangen?

In de middeleeuwen werd het kerkelijk ambt steeds meer een zeer gewilde carrière mogelijkheid, waarbij veel priestervaders hun kinderen als hun erfopvolgers het kerkelijk ambt binnenloodsten. Zo ontstonden hele dynastieën die het kerkelijk bezit generatie op generatie in de familie hielden en opmaakten. Ook kinderen die niet tot de kerk behoorden eisten hun deel op. Zodoende sluisden priesterfamilies flink veel kerkbezit weg.
Hierdoor wilden de bisschoppen uiteindelijk dat de kerk een waarlijk onafhankelijke grootmacht zou worden. Onafhankelijk van wereldse machten zoals de keizer, maar ook onafhankelijkheid van priesters ten opzichte van de dynastieke belangen van hun nakomelingen.
Met andere woorden: de kerk wilde haar geld en bezittingen behouden.
Vandaar de uitvinding van het celibaat voor priesters.

In 325 was op de allereerste kerkvergadering, het Concilie van Nicea (het tegenwoordige Iznik, Turkije), de verplichting tot celibaat nog verworpen.
Het is pas ruim acht eeuwen later, in 1139, tijdens het Tweede Lateraanse Concilie in Rome, dat het besluit tot celibaatsverplichting werd ingevoerd.
Dit was geen theologisch leerstuk, maar een disciplinaire maatregel.

Het gevolg was dat er quasihuwelijkse relaties met een vrouw ontstonden, zoals een zogenaamde huishoudster. Hier had de kerk minder moeite mee dan met de wisselende seksuele contacten van priesters. Pas na de Reformatie begon de kerk het concubinaat aan te pakken. Althans, dat wilde men graag doen geloven.

In andere delen van de katholieke wereld pakt men het weer anders aan.
Door een groot tekort aan priesters verliest de katholieke kerk veel volgers in het Amazonegebied. Een meerderheid van bisschoppen uit de regio stemde daarom in 2019 in met de Amazonesynode. Een voorstel om getrouwde mannen voortaan ook tot priester te kunnen wijden. Zo hoopt men het priesterlijk ambt aantrekkelijker te maken en het verlies in gelovigen af te remmen

En oh ja, ik zou het hebben over spiritualiteit.
Helaas heb ik over spiritualiteit in de rooms katholieke kerkorganisatie niets kunnen vinden. Wél over kindermisbruik.
Maar ja, wat wil je ook. Trek een man een jurk aan, zeg hem dat hij van vrouwen moet afblijven, zet kinderen om hem heen in een afgesloten gebouw, en wat denk je dat zo’n eenzame man dan gaat doen? Spiritueel bidden?
Kerkvader Augustinus, die hét voorbeeld is van vele christenen en die het zowel met vrouwen als met jongens deed, verzuchtte al in de 4e eeuw: ‘Oh God, geef me kuisheid, maar nu nog niet.’
Dit is, uiteindelijk en onvermijdelijk, hét credo van de 21e eeuwse Rooms-Katholieke Kerk geworden. En het noodlot van vele kinderen.

1. Psychotherapie en spiritualiteit

Een psychotherapeut kan soms moeite hebben met de bekentenissen of met de afweer van een cliënt (of patiënt). Ook de therapeut heeft zijn remmingen en blokkades.
Echter, de cliënt voelt zichzelf niet geaccepteerd zolang niet ook het allerergste in hemzelf aanvaard wordt. Niemand kan dit bewerkstelligen met alleen woorden. Het ontstaat alleen door de zelfreflectie en de houding van de psychotherapeut naar zichzelf en zijn eigen donkere kant, zijn schaduw.
Als de therapeut een ander op diens weg wil gidsen of begeleiden dan moet de therapeut met de psyche van de cliënt meevoelen. Hij kan dit niet voelen als hij hierover oordeelt. Of hij dit oordeel nu uitspreekt of voor zichzelf houdt, maakt geen enkel verschil. Als hij de tegenovergestelde houding aanneemt en het in alles eens is met de cliënt dan heeft dat ook geen enkele zin. Dit meegaan met de cliënt zal hem net zoveel vervreemden van de cliënt als wanneer hij oordeelt.

Werkelijk voelen kan alleen ontstaan door onbevooroordeelde objectiviteit. Hiermee bedoel ik geen verstandelijke of intellectuele houding, maar iets geheel anders. Het is een menselijke kwaliteit: een diep respect voor de feiten, voor de man of vrouw die lijdt aan die feiten, en voor het raadsel van een dergelijk lijdend leven van die mens.

De werkelijk spirituele mens heeft zo’n houding.

Hij weet dat het leven allerlei vreemde en onbegrijpelijke dingen laat gebeuren en dat dit leven de meest wonderlijke wegen kiest om in een mensenhart binnen te dringen.
De werkelijk spirituele therapeut ziet en voelt daarom in alles de ongeziene aanwezigheid van een Bewuste Levenswil. Dit is wat ik bedoel met onbevooroordeelde objectiviteit.
Het is een morele prestatie en hoge levensvaardigheid van de kant van de therapeut wanneer hij zich niet laat afstoten door geestelijke ziekte en verdorvenheid.

We kunnen niets veranderen, tenzij we het aanvaarden.
Oftewel:
We kunnen alleen iets veranderen, wanneer we het aanvaarden.

Veroordeling bevrijdt niet. Het onderdrukt. En ik ben de onderdrukker van de persoon die ik veroordeel en niet zijn vriend of mede-lijder. Ik bedoel hiermee in het geheel niet dat we nooit moeten oordelen als we willen helpen en verbeteren. Maar als de therapeut een mens wil helpen dan moet hij hem aanvaarden zoals hij op dat moment is. Hij kan dit in werkelijkheid alleen doen als hij hem gezien en aanvaard heeft zoals hij is. Dit lijkt misschien eenvoudig, maar eenvoudige zaken zijn altijd de moeilijkste. In het dagelijks leven vereist dit de grootste kunst. Daarom is zelfaanvaarding de essentie van het morele probleem en de vuurproef van iemands gehele kijk op het leven.

Dat ik de bedelaar voed, dat ik een belediging vergeef, dat ik mijn vijand vergeef in de naam van de liefde. Dit zijn ongetwijfeld allemaal hoge deugden. Maar wat gebeurt er wanneer ik zou ontdekken dat de laagste hiervan – de armste van de bedelaars – de meest agressieve aanvaller – ja, de duivel zelf – dat al deze verschijnselen in mijzelf zijn? En dat ik zelf de armen van mijn eigen vriendelijkheid nodig heb. Dat ik zélf de vijand ben van wie gehouden moet worden.

Als dat zo is: wat dan?

Dan wordt iedere spiritualiteit volledig omgedraaid. Dan is er geen sprake meer van liefde en lang lijden. Dan veroordelen we onszelf en worden woest op onszelf. En verstoppen dit laagste deel voor de wereld. We ontkennen dat we dit laagste ook maar ooit in onszelf ontmoet hebben.
Wanneer een psychotherapeut zijn cliënt wil helpen genezen dan moet hij dus allereerst de diepe betekenis van dit allerlaagste volledig zien en erkennen.

De werkelijk spirituele therapeut zal dit allerlaagste, dat verstoten is, zien als de Wil van het Leven die zich uit in dit neurotische mechanisme. Hij zal de cliënt zelfs aanmoedigen om dit patroon voort te zetten, opdat diegene het vervreemdende effect ervan zal zien. Het is namelijk de sterkste van alle ongezonde krachten in de mens die de mens het liefst verborgen houdt in zichzelf. Als de cliënt dit ongezonde, egoïstische, neurotische patroon voortzet dan zal hij zien dat deze Wil van het Leven, die hem tot zijn neurose en egoïsme heeft gebracht, hem tot complete isolatie brengt.

En dat is precies wat dient te gebeuren.

Het is namelijk alleen op deze wijze dat de mens zichzelf leert kennen en leert zien wat een onschatbare rijkdom de liefde van de medemens is.
En het is alleen in de staat van de diepste verlating en eenzaamheid dat we de hulpvaardige krachten van onze eigen natuur, van onze eigen aard, kunnen ontdekken, aanboren en ervaren.
Door het tegenovergestelde van het goede, de liefde en het schone in zichzelf werkelijk te ontmoeten, zal de cliënt de onderliggende eenheid ervaren die de extreme tegenstellingen in zichzelf opheft, waardoor het lage zich transformeert in het hoge, het kwade in het goede.
Het goede is hier niet een mentaal uitgangspunt, niet een norm en ook geen waarde.
Het is een werkelijk doorleefd leven, waarbij de cliënt eerst de hel recht in de ogen heeft gekeken en hieraan is bezweken. Om vervolgens op te staan in een nieuwe wereld.
Niet dat die wereld is veranderd, maar hijzelf is veranderd.

Deze wedergeboorte kan alleen plaatsvinden als de tegenstellingen in hemzelf worden verenigd en verzoend.
En dit gebeurt alleen als hij de duivel in zichzelf in het volle licht heeft gezien en hieraan is gestorven.

Eerder kan waarachtige heling niet plaatsvinden.